Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:653

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-02-2018
Datum publicatie
21-02-2018
Zaaknummer
16/660451-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte is samen met zijn mededaders midden in de nacht een woning binnengedrongen die door een van de medeverdachten met geweld was geopend. Ook heeft hij een doodsbedreiging geuit. De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 80 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van een week, met een proeftijd van een jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16/660451-16 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 20 februari 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1991] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 februari 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van
officier van justitie mr. C. Goedegebuure en van hetgeen verdachte en zijn raadsman
mr. P.F. Emmelot, advocaat te Nieuwegein, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1 op 28 juli 2016, al dan niet samen met een of meer anderen, een woning aan de

[adres] te [woonplaats] is binnengedrongen;

feit 2 op 28 juli 2016 te [woonplaats] , al dan niet samen met een of meer anderen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft conform een aan het proces-verbaal van de zitting gehecht requisitoir de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen geacht.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Op 28 juli 2016 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan van het wederrechtelijk binnendringen van zijn woning aan de [adres] te [woonplaats] , bedreiging en vernieling, gepleegd op diezelfde dag.2

Inzake feit 1 en 2

Aangever heeft verklaard dat hij in de nacht van 28 juli 2016 hoorde dat er bij zijn woning aan de [adres] te [woonplaats] is aangebeld. Aangever heeft vervolgens een man met een pet, een vrouw en een jongen voor de deur zien staan. Volgens aangever schreeuwde de man dat hij hem zou doodmaken en dat hij de deur moest openen. De man begon op het raam van de voordeur te slaan, waarna aangever naar boven is gegaan en zichzelf in de badkamer heeft verschanst. De man heeft daarbij de woorden geuit dat hij aangever zou doodmaken en dat aangever naar buiten moest komen. Volgens aangever had de man het over eerwraak en dat hij zou terugkomen. Aangever heeft verklaard dat hij zich bang en bedreigd voelde.3

Aangever heeft tijdens het verhoor bij de politie verklaard dat achter de eerdergenoemde vrouw twee mannen stonden. Volgens aangever zouden de man met de pet, de vrouw en de twee andere mannen daarbij hebben geroepen dat aangever dood zou gaan en dat dit eerwraak zou zijn. Eenmaal verschanst in de badkamer hoorde aangever de personen naar de bovenverdieping van de woning lopen. Volgens aangever schreeuwden deze personen dat zij aangever zouden doodmaken en dat dit eerwraak zou zijn. Aangever heeft daarbij de vrouw “maak hem dood, maak hem dood” horen schreeuwen.4

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in de nacht van 28 juli 2016 de woning aan de [adres] te [woonplaats] is binnengedrongen. Verdachte heeft verklaard dat hij met medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] naar de woning gegaan, omdat zij aangever wilden spreken. Nadat medeverdachte [medeverdachte 1] de woning binnentrad, volgden verdachte en medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , waarna door hen werd geschreeuwd tegen aangever, die zichzelf in de badkamer had opgesloten.5

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] tegen de deur van de badkamer trapten en dat [medeverdachte 1] de badkamer in wilde om aangever iets aan te doen. Volgens verdachte wilden zij aangever bang maken en heeft [medeverdachte 1] tegen aangever geschreeuwd dat hij uit de badkamer moest komen en dat hij hem klappen zou geven. Verdachte heeft verder verklaard dat zij erg boos waren.6

Gelet op de aangifte, het daaropvolgende verhoor van aangever, de verklaring van verdachte ter terechtzitting en de verklaring van verdachte bij de politie is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

feit 1

op 28 juli 2016 te [woonplaats] , tezamen en in vereniging met anderen, in een woning gelegen aan de [adres] , bij [slachtoffer] en [benadeelde] in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen;

feit 2

op 28 juli 2016 te [woonplaats] , tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door

  • -

    midden in de nacht de woning van die [slachtoffer] binnen te dringen en

  • -

    die [slachtoffer] de woorden toe te voegen: “Nee wij gaan niet praten, jij gaat dood, dit is eerwraak”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en

  • -

    terwijl die [slachtoffer] zichzelf had opgesloten in de badkamer meermalen tegen de badkamerdeur te schoppen;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 1: in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, terwijl twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen;

feit 2: het medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte de woning is ingegaan om zijn broer, medeverdachte [medeverdachte 1] , tegen te houden. Voor zover de verdediging daarmee een beroep heeft willen doen op overmacht in de zin van noodtoestand, wordt dit beroep verworpen. Gelet op de inhoud van de hierboven weergegeven bewijsmiddelen is niet aannemelijk geworden dat van een overmachtssituatie sprake is geweest.

Er is ook overigens geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een taakstraf van 150 uren, met aftrek van het voorarrest, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 75 dagen hechtenis, waarvan een gedeelte van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

8.2

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Samen met zijn mededaders is verdachte in de nachtelijke uren van 28 juli 2016 de woning van aangever aan de [adres] te [woonplaats] binnengedrongen. Verdachte heeft zich daarbij schuldig gemaakt aan een tweetal strafbare feiten. Door midden in de nacht de woning binnen te treden die door een van de medeverdachten met geweld was geopend en een doodsbedreiging te uiten, heeft verdachte het principe van een veilig thuis onmiskenbaar met voeten getreden. De eigen woning is een plek waar men zich bij uitstek veilig en geborgen moet kunnen voelen. De bewoners, en in het bijzonder hun kinderen, zullen deze traumatische gebeurtenis lange tijd met zich meedragen.

Het grensoverschrijdende handelen door de verdachte en zijn mededaders wordt door verdachte verklaard door te wijzen op woede over wat zijn zusje zou zijn overkomen: een veronderstelde aanranding door de heer des huizes. Wat daar ook van zij, deze compassie met zijn zusje in de vorm van eigenrichting kan dit handelen volstrekt niet billijken of rechtvaardigen. De rechtbank heeft ter terechtzitting de overtuiging gekregen dat verdachte het laakbare van zijn handelen heeft ingezien. De rechtbank heeft ook de indruk gekregen dat het onderhavige incident op zichzelf staat. De rechtbank ziet om die reden en ook overigens geen aanknopingspunt voor de vrees dat de verdachte zich andermaal schuldig zal maken aan dergelijk handelen jegens aangever en/of diens gezin.

De rechtbank heeft tevens acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 5 januari 2018, waaruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke delicten.

Bij het bepalen van de strafmodaliteit en strafmaat betrekt de rechtbank verder – voor zover aan de orde – de binnen de rechtspraak door het zogenoemde Landelijk Overleg Vakinhoud geformuleerde oriëntatiepunten voor straftoemeting. Deze oriëntatiepunten vormen voor de rechtbank een vertrekpunt bij de bepaling van de op te leggen straf en leiden voor een bedreiging in beginsel tot de oplegging van een geldboete. De rechtbank is gelet op de aard van de bewezen geachte feiten van oordeel dat bestraffing door middel van een geldboete echter een gepasseerd station is. Daarvoor zijn de feiten eenvoudigweg te ernstig. De rechtbank zal daarom aan de verdachte een taakstraf opleggen. De rechtbank zal daarom aan de verdachte een taakstraf opleggen, en voorts en in het bijzonder met het oog op normmarkering een voorwaardelijke gevangenisstraf. In zoverre doet de vordering van de officier van justitie onvoldoende recht aan de aard en ernst van de bewezen geachte feiten.

De rechtbank bepaalt de duur van de taakstraf op 80 uren, bij niet of niet volledig verrichten daarvan te vervangen door hechtenis voor de duur van 40 dagen. De rechtbank bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht op de uitvoering van die straf in mindering wordt gebracht. De rechtbank waardeert een in voorarrest doorgebrachte dag op twee uur te verrichten arbeid. Daarnaast acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een week passend en geboden. De rechtbank zal de proeftijd daarbij stellen op een jaar. Daarbij heeft de rechtbank zowel het met die straf nagestreefde doel als het verloop van tijd in aanmerking genomen.

9 BENADEELDE PARTIJEN

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van

€ 1.411,79. Dit bedrag bestaat uit € 561,79 materiële schade en € 850,- immateriële schade, ten gevolge van de aan verdachte onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van

€ 1.406,90. Dit bedrag bestaat uit € 556,90 materiële schade en € 850,- immateriële schade, ten gevolge van de aan verdachte onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de rechtbank primair verzocht de vorderingen van zowel [slachtoffer] als [benadeelde] toe te wijzen. Subsidiair heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht het schadebedrag zoals gevorderd door [benadeelde] ter begunstiging van [slachtoffer] toe te wijzen, indien de rechtbank van oordeel is dat voormelde [benadeelde] geen rechtstreekse schade heeft geleden.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de door [slachtoffer] gevorderde materiële schade betwist en de rechtbank verzocht de immateriële schade te matigen. Voorts heeft de raadsman de rechtbank verzocht [benadeelde] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Inzake de vordering van [slachtoffer]

De gevorderde materiële schade bestaat uit de posten “vooruit van de auto” voor een bedrag van € 261,79 en “muur van de woonkamer” voor een bedrag van € 300,-. Beide posten vormen naar het oordeel van de rechtbank geen rechtstreekse schade ten gevolge van de bewezenverklaarde feiten, zodat de vordering in zoverre zal worden afgewezen.

De rechtbank is van oordeel dat de door [slachtoffer] geleden immateriële schade een rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde feiten en kan worden begroot op € 850,-. Dit bedrag is in overeenstemming met hetgeen in vergelijkbare zaken is toegekend. De gevorderde immateriële schade zal daarom tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 28 juli 2016 tot de dag van volledige betaling.

Verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 850,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 28 juli 2016 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met zes dagen hechtenis (zijnde 1/3 deel van de totale aan deze betalingsverplichting gekoppelde hechtenis, nu verdachte voor deze schade samen met zijn mededaders verantwoordelijk is), waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

Inzake de vordering van [benadeelde]

De rechtbank is van oordeel dat [benadeelde] als gevolg van het wederrechtelijk binnendringen van de woning rechtstreeks schade heeft geleden.

Voor wat betreft het materiële deel van de vordering (voor een totaal van € 1.556,90) zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dit deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Uit de stukken die zijn overgelegd ter onderbouwing van de vordering blijkt onvoldoende welk deel van deze kosten al is vergoed. Gelet hierop is voor de beoordeling van dit deel van de vordering nader onderzoek nodig. Dit vormt een onevenredige belasting van het strafgeding.

De door [benadeelde] als gevolg van het wederrechtelijk binnendringen van de woning geleden immateriële schade wordt gewaardeerd op € 850,-. De vordering zal tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 28 juli 2016 tot de dag van volledige betaling.

Verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 850,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 28 juli 2016 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met zes dagen hechtenis (zijnde 1/3 deel van de totale aan deze betalingsverplichting gekoppelde hechtenis, nu verdachte voor deze schade samen met zijn mededaders verantwoordelijk is), waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 57, 138 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (een) week;

- bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt daarbij een proeftijd van een jaar vast;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 80 (tachtig) uren;

- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis;

Benadeelde partijen

  • -

    veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer] van € 850,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2016 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

  • -

    wijst de vordering voor wat betreft het meer gevorderde af;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat

€ 850,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2016 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 6 (zes) dagen hechtenis;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

  • -

    veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde] van € 850,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2016 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

  • -

    verklaart [benadeelde] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [benadeelde] aan de Staat

€ 850,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2016 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 6 (zes) dagen hechtenis;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Veldhuisen, voorzitter, mr. J.F. Haeck en

mr. M.J.A.L. Beljaars, rechters, in tegenwoordigheid van J.J.J. Bernsen, griffier,

en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 februari 2018.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 28 juli 2016 te [woonplaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een of neer anderen, althans alleen, in een woning, gelegen aan de [adres] , bij [slachtoffer] en/of [benadeelde] , althans bij een ander of anderen dan hij verdachte en/of zijn mededader(s), in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen;

2.

hij op of omstreeks 28 juli 2016 te [woonplaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door

  • -

    midden in de nacht de woning van die [slachtoffer] binnen te dringen en/of

  • -

    die [slachtoffer] de woorden toe te voegen: “Ik ga jou doodmaken, doe de deur open” en/of “Nee wij gaan niet praten, jij gaat dood, dit is eerwraak” en/of “We gaan je dood maken en/of “Maak hem dood, maak hem dood”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

  • -

    (terwijl die [slachtoffer] zichzelf had opgesloten in de badkamer) meerdere malen tegen de badkamerdeur te schoppen en/of met een stok en/of een knuppel tegen de badkamerdeur te slaan en/of

  • -

    een mes achter te laten in/bij de woning.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreffen dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 26 augustus 2016, genummerd 2016233107, opgemaakt door de politie-eenheid Midden-Nederland, district Flevoland, basisteam Lelystad / Zeewolde, doorgenummerd 1 tot en met 109. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Het proces-verbaal van aangifte van 28 juli 2016, inhoudende de verklaring van aangever [slachtoffer] , doorgenummerde pagina’s 57 tot en met 59.

3 Het proces-verbaal van aangifte van 28 juli 2016, inhoudende de verklaring van aangever [slachtoffer] , doorgenummerde pagina’s 57 tot en met 59.

4 Het proces-verbaal van verhoor aangever van 28 juli 2016, inhoudende de verklaring van aangever [slachtoffer] , doorgenummerde pagina’s 61 tot en met 64.

5 Het proces-verbaal van de terechtzitting op 6 februari 2018, inhoudende de verklaring van verdachte.

6 Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 15 augustus 2016, inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] , doorgenummerde pagina’s 41 tot en met 44.