Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:647

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
14-02-2018
Datum publicatie
27-02-2018
Zaaknummer
5247574 AC EXPL 16-3014
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

pensioen; verjaring; berekening schadevergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0267
PJ 2018/46 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 5247574 AC EXPL 16-3014 ip/1198

Vonnis van 14 februari 2018

in de zaak van:

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. P.F.M. Deijkers,

tegen:

1. de vereniging

[gedaagde sub 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

en

2. de vereniging

[gedaagde sub 2] ,

mede handelende onder de naam [handelsnaam]

gevestigd te [vestigingsplaats] , kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

gedaagde partijen in conventie,

eisende partijen in reconventie,

gemachtigde: F. Prins.

Partijen worden hierna [eiseres] , de afdeling en de landelijke vereniging genoemd. De afdeling en de landelijke vereniging worden samen ook gedaagden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken:

  • -

    de dagvaarding van 15 juli 2016

  • -

    het antwoord in conventie en de vordering in reconventie

  • -

    de conclusie van repliek, tevens wijziging van eis alsook verzoek tot deskundigenbericht ex artikel 200 Rv in conventie en conclusie van antwoord in reconventie

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2.

Met een tussenvonnis van 5 april 2017 is een comparitie van partijen gelast en is aan partijen opgedragen stukken in het geding te brengen. Verder is voor een adequate instructie van de zaak aan gedaagden opgedragen zich ter zitting te doen vergezellen van een pensioendeskundige, bij voorkeur een medewerker van Centraal Beheer Achmea die bekend is met de uitvoering van de ten behoeve van [eiseres] getroffen pensioenvoorziening.

1.3.

Ter voldoening aan het tussenvonnis hebben partijen nadere stukken toegezonden. De gemachtigde van [eiseres] heeft bij brief van 8 juni 2017 de aanvullende producties A tot en met G toegezonden. De heer [A] , penningmeester van de afdeling, heeft bij brief gedateerd 12 juni 2017 namens gedaagden een berekening en de bijbehorende salarisspecificaties toegezonden.

1.4.

De comparitie van partijen is gehouden op 20 juni 2017. [eiseres] was in persoon aanwezig, vergezeld door haar partner de heer [B] en haar adviseur mevrouw [C] , voormalig lid van het bestuur van de landelijke vereniging. Zij is bijgestaan door de gemachtigde. Van de kant van de gedaagde partijen waren aanwezig mevrouw mr. [D] , lid van het hoofdbestuur, de heer [A] , penningmeester van de afdeling, en mevrouw [E] , bureaucoördinator. Eveneens aanwezig waren de heer [F] , als relatiebeheerder in dienst van (Centraal Beheer) Achmea, en de heer [G] , diens leidinggevende. Tijdens de comparitie zijn de standpunten door of namens partijen toegelicht en is antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter. Partijen hebben afgesproken Centraal Beheer Achmea te vragen drie opties door te rekenen en vervolgens met elkaar te onderzoeken of een regeling in der minne mogelijk is.

1.5.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken:

  • -

    de e-mails van mr. [D] van 4 juli 2017 (met de berekening van drie opties van Centraal Beheer Achmea gedateerd juli 2017) en mr. Deijkers van 14 juli 2017

  • -

    de conclusie na comparitie tevens houdende wijziging van eis van [eiseres]

  • -

    de conclusie van antwoord na comparitie, tevens antwoord op wijziging van eis.

1.6.

Hierna is vonnis bepaald.

2 De feiten waarvan de kantonrechter uitgaat

2.1.

[eiseres] , geboren op [1945] , heeft van 1 september 1997 tot 1 september 2013 de functie van voorganger van de afdeling vervuld. Aanvankelijk heeft [eiseres] haar werkzaamheden op gemiddeld vier dagdelen per week verricht op basis van een overeenkomst van opdracht. Die overeenkomst is op schrift gesteld en in of omstreeks augustus 1997 door beide partijen ondertekend. Het hoofdbestuur van de landelijke vereniging heeft de opdracht goedgekeurd en eveneens getekend (haar consent gegeven). Met ingang van 1 juli 1999 is [eiseres] haar werkzaamheden op basis van een arbeidsovereenkomst gaan verrichten. Met ingang van 1 augustus 1999 is de omvang van haar aanstelling bepaald op 0,5 fte. De gewijzigde arbeidsvoorwaarden zijn niet schriftelijk vastgelegd. Zij blijken uit een salarisoverzicht van de toenmalige penningmeester (overgelegd als productie B van [eiseres] en eveneens overgelegd als productie door gedaagden) en zijn tussen partijen niet in geschil.

2.2.

In artikel 10 van voormelde overeenkomst staat dat een pensioenverzekering zal worden afgesloten bij “de collectieve verzekering van de [gedaagde sub 2] , lopend bij CENTRAAL BEHEER te Apeldoorn”. In artikel 6 is vermeld dat een pensioenbijdrage van hfl. 828 wordt ingehouden op het jaartraktement van hfl. 23.132,40.

2.3.

De inhoud van de collectieve pensioenregeling wordt bepaald door het Pensioenreglement Flexibel Bedrijfs Pensioen voor de werknemers geboren vóór 1 januari 1950 en in dienst op 31 december 2005 (hierna: het pensioenreglement). Verzekerd is een levenslang ouderdomspensioen gerelateerd aan het eindloon met ingang van de eerste dag van de maand waarin de werknemer 62 jaar wordt (de streefpensioendatum). Ook is verzekerd een compensatiepensioen waarvan de hoogte is gerelateerd aan de AOW om de periode tussen de 62-jarige leeftijd en de 65-jarige leeftijd te overbruggen.

2.4.

Op grond van het pensioenreglement is het niet mogelijk om na het bereiken van de 62-jarige leeftijd nog ouderdomspensioen of compensatiepensioen op te bouwen. In artikel 4 is bepaald dat het jaarlijks ouderdomspensioen 1,9 % van de laatstelijk vastgestelde pensioengrondslag bedraagt. In artikel 5 is een vergelijkbare bepaling opgenomen voor het compensatiepensioen. In artikel 1 is een dienstjaar gedefinieerd als een ononderbroken periode van een jaar gelegen tussen de aanvang van het dienstverband en de streefpensioendatum. Op grond van het pensioenreglement kon de ingangsdatum van het levenslange en het tijdelijke pensioen wel verschoven worden op verzoek van de werknemer en met toestemming van de werkgever binnen de bandbreedte van de flexperiode. De flexperiode is de periode tussen de zestigste en de vijfenzestigste verjaardag.

2.5.

In september 2007 heeft [eiseres] de 62-jarige leeftijd, in september 2010 de 65-jarige leeftijd bereikt. [eiseres] heeft in het jaar 2007 een bedrag van € 27.692 bruto aan loon van de afdeling ontvangen. Dat blijkt uit de loonstrook van december 2007 die beide partijen als productie ter voorbereiding op de comparitie hebben toegestuurd. [eiseres] heeft in 2010 een bedrag van € 39.966 bruto aan loon van de afdeling ontvangen. Dat bedrag blijkt uit de eveneens door beide partijen toegezonden loonstrook over december 2010.

2.6.

De landelijke vereniging heeft elk jaar de premienota’s van Centraal Beheer Achmea betaald en de premie voor [eiseres] doorberekend aan de afdeling. Voor de periode vanaf 1 september 2007 heeft Centraal Beheer Achmea geen premie meer voor [eiseres] in rekening gebracht. De afdeling is wel maandelijks premie blijven inhouden op het salaris.

2.7.

De periode vanaf 2007 is voor de afdeling [vestigingsplaats] een moeilijke tijd gebleken. Het ledental loopt terug. Er zijn weinig bekwame bestuurders beschikbaar en onrust is aan de orde van de dag. Volgens opgave in de laatste conclusie zijn thans nog minder dan 50 personen lid en is meer dan de helft van de leden ouder dan 80 jaar. De landelijke vereniging heeft nog ongeveer 2500 leden verdeeld over 45 afdelingen.

.

2.8.

Op 24 juni 2010 heeft Centraal Beheer Achmea per brief het volgende aan [eiseres] bericht:

U heeft de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. In verband hiermee gaat het voor u verzekerde overbruggingspensioen en levenslang ouderdomspensioen met terugwerkende kracht tot 1 september 2007 in. Het pensioen is opgebouwd bij [gedaagde sub 2] en wordt aan het einde van iedere maand aan u uitgekeerd.

Ouderdomspensioen

Uw pensioenuitkering bedraagt:

Vanaf 1 september 2007 tot 1 september 2010 : € 1.356,69 bruto per jaar

Vanaf 1 september 2007 levenslang : € 1.104,66 bruto per jaar

(…)

Graag ontvangen wij van u nog aanvullende gegevens om tot uitkering van het pensioen over te kunnen gaan. (…)”

2.9.

Op 14 oktober 2010 heeft [eiseres] van Centraal Beheer Achmea een bedrag van € 5.691 ontvangen als nabetaling van het pensioen over de periode van 1 september 2007 tot 1 september 2010. Deze nabetaling is een gevolg van het feit dat eerder geen bankrekeningnummer van [eiseres] bekend was bij Centraal Beheer Achmea. Volgens Centraal Beheer Achmea heeft zij op 20 juni 2007 wel een brief aan [eiseres] geschreven over haar pensioen (zie de e-mail van Centraal Beheer Achmea van 22 december 2016, overgelegd als productie 7 bij conclusie van dupliek in conventie).

2.10.

[eiseres] heeft de berekening van de pensioenbedragen voor kennisgeving aangenomen. In juli 2010 heeft [eiseres] met de toenmalige voorzitter van de afdeling, de heer [J] , besproken dat haar pensioen wel erg laag was. Zij heeft de berekening van Centraal Beheer Achmea en de gegevens waarop die was gebaseerd niet gecontroleerd.

2.11.

In de bestuursvergadering van de afdeling van 26 mei 2014 heeft [J] medegedeeld dat er iets niet in orde was met de pensioenvoorziening van [eiseres] en dat ernstig rekening moest worden gehouden met een schadeclaim.

2.12.

Op 5 november 2014 heeft Centraal Beheer Achmea aan [eiseres] medegedeeld dat haar pensioen berekend is op basis van de loongegevens over 1999.

2.13.

Op 12 maart 2015 heeft de partner van [eiseres] een brief aan de afdeling verzonden waarin hij dringend heeft gevraagd actie te ondernemen om het onrechtmatig handelen jegens [eiseres] gedurende de jaren 1999 tot en met 2010 te herstellen. Hij heeft dit onrechtmatig handelen omschreven als het niet doorgeven van wijzigingen in het arbeidscontract aan Centraal Beheer Achmea (1) en het niet opbouwen van pensioen gedurende de periode 2007 tot en met 2010 (2).

2.14.

Met een e-mail van 12 januari 2016 is namens Centraal Beheer Achmea het volgende aan de gemachtigde van [eiseres] bericht:

Historie pensioenaanspraak mevrouw [eiseres]

Mevrouw [eiseres] neemt sinds 1 september 1997 deel aan de pensioenregeling van [gedaagde sub 2] . Het laatst bekende salaris dateert uit 1999: € 12.538,85 op basis van 40%. Het pensioen met een pensioenleeftijd van 62 is hier op gebaseerd (eindloonregeling). Mevrouw [eiseres] heeft in september 2007 de 62-jarige leeftijd bereikt. Vanaf 2007 wordt haar pensioen, conform het pensioenreglement (…)uitgekeerd. Voor uitkering van het pensioen heeft mevrouw [eiseres] getekend (…)

De [gedaagde sub 2] heeft nooit salarissen (en deeltijdfactoren) doorgegeven van latere jaren

Onze accountmanager, de heer [H] , heeft de penningmeester (de heer [I] ) verschillende malen gevraagd om salarissen van de deelnemers door te geven. Hier is geen gehoor aan gegeven. Alle afdrachten voor het pensioen zijn gebaseerd op salarisgegevens van 1999. De premies zijn altijd betaald.

Is het salaris na 1999 nog gewijzigd? Dan ontvangen wij daar graag bewijs van

(…)”

2.15.

Gedaagden hebben verklaard dat de inhouding van pensioenpremie gedurende de periode van 1 september 2007 tot 1 september 2010 op een vergissing berust. Zij zijn bereid het daarmee gemoeide bedrag van € 10.438 aan [eiseres] terug te betalen.

2.16.

Tijdens de comparitie van partijen heeft de kantonrechter met partijen besproken dat [eiseres] op grond van het pensioenreglement recht had op opbouw van ouderdomspensioen tot de streefpensioendatum, derhalve tot 1 september 2007. Uitstel van de ingangsdatum van pensioen was wel mogelijk, maar voortzetting van de opbouw niet. Partijen hebben afgesproken dat Centraal Beheer Achmea zou uitrekenen welk bedrag nodig is om [eiseres] alsnog het pensioen te kunnen laten genieten dat haar toekomt op grond van het salaris per 1 januari 2007.

2.17.

Centraal Beheer Achmea heeft drie berekeningen gemaakt. Daarover heeft zij in juli 2017 het volgende bericht:

“(…) Wij hebben bij de berekeningen geen gebruik gemaakt van de wettelijke rente over eventuele misgelopen uitkeringen. Hierover dienen partijen eerst zelf met elkaar in overleg te treden. (…)

Wij zijn bij de berekeningen uitgegaan van de volgende doorgegeven gegevens:

Jaarsalaris 2007: € 27.108,95 bruto per jaar

Onterecht ingehouden pensioenpremies: € 10.438,00 bruto

De volgende berekeningen zijn gemaakt:

“1. Pensioenaanspraken berekenen waar mevr. [eiseres] recht op heeft op basis van salaris 01-01-2007-> inkopen op actueel tarief en rekendatum 01-09-2007. Deze kosten zullen door ons worden verhoogd met boekingsrentes (3% per boekingsjaar). Wij bieden vervolgens de optie om per 01-09-2017 de huidige uitkering te verhogen en eenmalig het bedrag over de periode 01-09-2007 tot 01-09-2017 uit te keren.

2. Pensioenaanspraken berekenen waar mevr. [eiseres] recht op heeft op basis van salaris 01-01-2007-> inkopen op actueel tarief en rekendatum 01-09-2017. Wij bieden de optie om per 01-09-2017 de huidige uitkering alleen naar de toekomst toe te verhogen in de huidige regeling.

3. EXTRA: berekenen hoeveel pensioen je kunt inkopen voor premies die over de periode 01-09-2007 tot 01-09-2010 zijn ingehouden -> inkopen op actueel tarief en rekendatum 01-09-2017. Wij bieden de optie om per 01-09-2017 de huidige uitkering alleen naar de toekomst toe te verhogen in de huidige regeling.”

De kosten van optie 1 zijn berekend op € 88.643,58. Voor dat bedrag kan het levenslang ouderdomspensioen, rekening houdend met de uitruil van partnerpensioen, worden verhoogd met een bedrag van € 2.448,64. [eiseres] krijgt in optie 1 een nabetaling over de periode van 1 september 2007 tot 1 september 2010 van € 24.486,40 aan ouderdomspensioen en € 1.819,47 aan compensatiepensioen.

De kosten van optie 2 zijn berekend op € 73.666,22. Met dat bedrag kan het levenslange ouderdomspensioen worden verhoogd met een bedrag van € 3.808,71 per 1 september 2017 zodat het in totaal € 4.913,37 komt te bedragen.

Als optie 3 is berekend dat een extra levenslang ouderdomspensioen met ingang van 1 september 2017 van € 539,67 per jaar kan worden gekocht voor het bedrag van € 10.438.

3 De vorderingen het verweer in conventie en in reconventie

3.1.

Volgens [eiseres] heeft zij op grond van de afspraken die partijen hebben gemaakt ook recht op pensioenopbouw gedurende de periode van 1 september 2007 tot 1 september 2010, althans heeft zij er gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat de pensioenopbouw na 1 september 2007 zou worden voortgezet. Zij vordert na de laatste wijziging van eis een bedrag aan schadevergoeding vanwege gemiste pensioenopbouw over deze periode van € 30.000.

3.2.

[eiseres] stelt verder dat zij schade heeft geleden doordat gedaagden hebben verzuimd de actuele salarisgegevens over de periode tot 1 september 2007 aan Centraal Beheer Achmea door te geven. Als dat wel zou zijn gebeurd, dan zou volgens [eiseres] haar pensioen zijn berekend op basis van een eindloon van € 30.000 per jaar. [eiseres] vordert vergoeding van de schade die zij daardoor heeft geleden. Zij kiest voor schadevergoeding overeenkomstig optie 1 van Centraal Beheer Achmea, met dien verstande dat het eindloon volgens haar op € 30.000 moet worden gesteld. Hiervan uitgaande vordert zij na de laatste wijziging van eis, samengevat, een veroordeling van gedaagden op straffe van een dwangsom om Centraal Beheer Achmea in staat te stellen aan haar pensioen te betalen overeenkomstig optie 1 op basis van een eindloon van € 30.000.

3.3.

[eiseres] ziet af van optie 3. Zij vordert veroordeling van gedaagden tot betaling van € 13.092 wegens de ten onrechte ingehouden pensioenpremies vermeerderd met rente.

3.4.

Gedaagden concluderen tot volledige afwijzing van de vordering in conventie. Zij doen primair een beroep op verjaring van de vorderingen. Dit beroep op verjaring hebben zij in de laatste conclusie gehandhaafd. Gedaagden vinden dat [eiseres] haar pensioeninkomen in 2007 en in ieder geval in 2010 had moeten controleren en dat zij de omissie in de uitvoering veel eerder had moeten melden. Gedaagden stellen verder dat [eiseres] er in alle opties per jaar maar € 2.448 bruto en gedurende drie jaar € 606 op vooruit gaat, ondanks de grote bedragen die daarvoor door gedaagden zouden moeten worden betaald. Dit wordt volgens gedaagden mede veroorzaakt door de rente en de opslagen die Centraal Beheer Achmea moet hanteren. Voor zowel [eiseres] , als de kleine afdeling en de landelijke vereniging vinden gedaagden dit onbevredigend. Gedaagden hadden samen met [eiseres] nog nader fiscaal advies willen inwinnen en stellen te zijn overvallen door de indiening van de conclusie na comparitie door [eiseres] . Gedaagden hebben verder aangevoerd dat zij de kaders en de opdracht van de kantonrechter wel aanvaarden en dat zij menen dat de becijfering van Centraal Beheer Achmea op het juiste inkomen is gebaseerd. Gedaagden zijn nog steeds bereid het bedrag van € 10.438 aan [eiseres] te betalen. Vanwege de omstandigheden en de eigen handelwijze van [eiseres] betwisten gedaagden dat zij rente moeten betalen. Zij betwisten ook de juistheid van de renteberekening.

3.5.

Gedaagden vorderen in reconventie een veroordeling van [eiseres] tot afgifte van haar loonstroken en inkomsten belastingaangifte over 1999 tot en met 2007. Zij hebben deze vordering in de laatste conclusie zonder nadere toelichting gehandhaafd. [eiseres] heeft als verweer gevoerd dat zij niet aan de veroordeling kan voldoen vanwege de wanordelijke wijze waarop de afdeling haar administratie heeft gevoerd. Zij heeft aanvankelijk ook als verweer gevoerd dat aan haar geen salarisspecificaties zijn gegeven.

4 De beoordeling in conventie en in reconventie

Pensioenopbouw periode 1 september 2007 – 1 september 2010

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat de bij Centraal Beheer Achmea verzekerde pensioenen voor [eiseres] zijn ingegaan op de reglementaire streefpensioendatum van 1 september 2007. Dat was de eerste dag van de maand waarin [eiseres] de 62-jarige leeftijd heeft bereikt. Op grond van het pensioenreglement heeft [eiseres] geen recht op voortgezette pensioenopbouw na de 62-jarige leeftijd.

4.2.

[eiseres] heeft aangevoerd dat zij niet wist dat de ingangsdatum van de voor haar verzekerde pensioenen 1 september 2007 was en dat zij ook niet wist dat zij daarna geen pensioen meer opbouwde in de verzekering bij Centraal Beheer Achmea. Tijdens de comparitie van partijen is door [eiseres] verklaard dat zij nooit heeft gevraagd naar de ingangsdatum van haar pensioenuitkering. Zij heeft ook verklaard dat zij papieren over haar pensioen niet heeft bekeken. De kantonrechter wil wel aannemen dat [eiseres] de pensioenreglementen en de brieven van Centraal Beheer Achmea over de ingangsdatum van haar pensioenen niet of niet goed heeft gelezen. Maar de gevolgen daarvan komen voor haar rekening. Van een deelnemer in een pensioenregeling mag namelijk worden verwacht dat deze zich verdiept in zijn eigen pensioensituatie, de relevante stukken leest en zo nodig hulp vraagt wanneer hij die stukken niet begrijpt. Als een deelnemer dat om hem moverende redenen niet doet en het regelen van zijn financiële zaken geheel aan anderen wil overlaten, dan staat hem dat uiteraard vrij. Maar hij kan dan achteraf niet meer klagen dat de zaken toch anders blijken te zijn geregeld dan hij veronderstelde.

4.3.

Volgens [eiseres] heeft zij er vanwege de voortgezette inhouding van pensioenpremie op haar salaris op mogen vertrouwen dat zij ook na 1 september 2007 nog pensioen opbouwde in een verzekerde regeling. Die stelling wordt door de kantonrechter verworpen. De inhoud van de pensioenovereenkomst tussen partijen wordt bepaald door het pensioenreglement. Op grond van dat reglement was opbouw na 1 september 2007 niet mogelijk. Alleen verschuiving van de ingangsdatum van de pensioenen behoorde tot de mogelijkheden, maar dat is iets anders dan voortzetting van de opbouw. Partijen hebben in 2007 en ook daarna niet over een nieuwe, aanvullend af te sluiten, pensioenverzekering gesproken. De arbeidsovereenkomst is na het bereiken van de 62-jarige leeftijd stilzwijgend voortgezet. [eiseres] heeft ook nooit documentatie of brieven van Centraal Beheer Achmea of een andere pensioenuitvoerder ontvangen op grond waarvan zij heeft kunnen aannemen dat voor haar een nieuwe aanvullende verzekering was gesloten. De voortgezette inhouding van pensioenpremie op haar salaris berustte op een vergissing. De boekhouder van de afdeling is premie blijven inhouden zonder dat daaraan een expliciete opdracht van de afdeling ten grondslag heeft gelegen. De voortgezette inhouding van pensioenpremie kan, wat ook zij van de precieze reden daarvoor, in ieder geval niet worden gekwalificeerd als een aanbod van de afdeling aan [eiseres] om een extra aanvullende pensioenverzekering voor haar te sluiten. Tussen partijen is daarom geen aanvullende pensioenovereenkomst tot stand gekomen.

4.4.

Uit het voorgaande volgt dat [eiseres] geen recht heeft op opbouw van pensioen over de periode van 1 september 2007 tot 1 september 2010. Het bedrag van € 30.000 als vergoeding voor gederfde pensioenopbouw over die periode kan dus niet worden toegewezen. De berekening van deze schadepost hoeft dus ook niet beoordeeld te worden.

Hoogte eindloon 2007

4.5.

De verzekerde regeling bij Centraal Beheer Achmea was een regeling op basis van het eindloon. Tussen partijen is niet in geschil dat de landelijke vereniging jaarlijks actuele salarisgegevens van (het handje vol) deelnemers aan Centraal Beheer Achmea had moeten verschaffen. Het staat ook vast dat zij dat niet heeft gedaan en dat haar daarvan een verwijt treft. Centraal Beheer Achmea is in haar recente berekeningen uitgegaan van een jaarsalaris op de pensioeningangsdatum in 2007 van € 27.108,95 bruto. Dat salaris is berekend aan de hand van de loonstroken die partijen ter voldoening aan het tussenvonnis hebben toegezonden. Volgens [eiseres] is het door Centraal Beheer Achmea voor haar berekeningen gehanteerde bedrag onjuist. Zij stelt dat rekening moet worden gehouden met achterstallige periodieken en dat het jaarsalaris per pensioeningangsdatum daarom op

€ 30.000 bruto moet worden gesteld. Die stelling wordt verworpen. [eiseres] heeft als productie C de loonstrook van december 2007 in het geding gebracht. Ook gedaagden hebben deze loonstrook toegezonden. Zij hebben bovendien de loonstroken over januari tot en met november 2007 toegezonden. Uit de loonstrook over december 2007 blijkt dat het totale salaris in 2007 € 27.692 bruto is geweest. Dat is minder dan € 30.000 en alleen al om die reden kan de stelling van [eiseres] niet als juist worden aanvaard. Bovendien blijkt uit de loonstroken dat de afdeling aan [eiseres] in december 2007 een loonsverhoging heeft uitbetaald met terugwerkende kracht tot 1 september 2007. Omdat de pensioenen zijn ingegaan op 1 september 2007 is deze loonsverhoging voor de berekening van de pensioengrondslag niet meer relevant.

Verjaring

4.6.

Het staat vast dat de afdeling en de landelijke vereniging na 1999 geen actuele salarisgegevens meer hebben doorgegeven aan Centraal Beheer Achmea. Dat hadden zij op grond van de verplichting zich als goed werkgever te gedragen (7:611 BW) of als goed tussenpersoon wel moeten doen. Het staat ook vast dat [eiseres] schade heeft geleden doordat de opgave niet is gedaan. Haar pensioen is ten onrechte berekend op grond van het salaris en de parttimefactor over 1999.

4.7.

Volgens gedaagden is de vordering van [eiseres] tot vergoeding van de schade die zij als gevolg van het verzuim met betrekking tot de salarisgegevens heeft geleden verjaard. Zij hebben het beroep op verjaring in de laatste conclusie uitdrukkelijk gehandhaafd. De kantonrechter zal dit beroep daarom moeten beoordelen. Gedaagden hebben in het bijzonder aangevoerd dat [eiseres] de berekening van haar pensioen had moeten controleren in 2007 en in 2010 en dat zij de (vrijwilligers-)bestuurders van de kleine, sterk vergrijsde en krimpende afdeling eerder op de omissie in de uitvoering had moeten wijzen. Gedaagden stellen dat de verjaringstermijn is gaan lopen op de pensioeningangsdatum van 1 september 2007, althans op 1 september 2010, alsmede dat [eiseres] niet binnen vijf jaar daarna de verjaring heeft gestuit. Volgens gedaagden is dat namelijk pas begin 2016 gebeurd. Gedaagden stellen verder dat zij veel kansen hebben geboden om tot helderheid en afwikkeling te komen en dat het lange tijdsverloop aan [eiseres] is te wijten. Ook stellen gedaagden dat de draagkracht beperkt is en dat de kleine afdeling al jarenlang inteert op het eigen vermogen.

4.8.

[eiseres] heeft betwist dat de vordering is verjaard. Zij stelt dat zij pas in 2014 bekend is geworden met het verzuim om actuele loongegevens door te geven aan Centraal Beheer Achmea.

4.9.

Ingevolge art. 3:310 lid 1 BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet de eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon aldus worden opgevat dat het hier gaat om een subjectieve, daadwerkelijke bekendheid, zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade niet volstaat. De subjectieve opvatting van de bekendheidseis brengt met zich dat degene die zich op voormelde verjaringstermijn beroept, stelt en zonodig bewijst dat de benadeelde daadwerkelijk bekend was met de schade en met de daarvoor aansprakelijke persoon. Dat neemt evenwel niet weg dat de rechter, indien de benadeelde zulks betwist, die bekendheid zal kunnen afleiden uit bepaalde ten processe gebleken feiten en omstandigheden. De rechter zal in een zodanig geval tot de slotsom kunnen komen dat op grond van die feiten en omstandigheden voorshands, dat wil zeggen behoudens door de benadeelde te leveren tegenbewijs, moet worden aangenomen dat de benadeelde daadwerkelijk bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Daarbij geldt dat de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW pas begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Bepalend is welke feiten en omstandigheden bekend zijn, en niet of bekendheid bestaat met de juridische beoordeling daarvan. Dit betekent dat evenmin is vereist dat de benadeelde steeds ook met de (exacte) oorzaak van de schade bekend is. Het antwoord op de vraag op welk tijdstip de verjaringstermijn is gaan lopen, is afhankelijk van alle ter zake dienende omstandigheden. Voor het gaan lopen van de verjaringstermijn is niet vereist dat de benadeelde bekend is met alle componenten of de gehele omvang van zijn schade als gevolg van dat tekortschietend of foutief handelen. Voldoende is dat de benadeelde bekend is geworden met schade die hij heeft geleden of lijdt als gevolg daarvan. Die bekendheid stelt de benadeelde immers daadwerkelijk in staat om tegen de aansprakelijke persoon een vordering tot schadevergoeding in te stellen. De verjaringstermijn die vervolgens op de voet van art. 3:310 lid 1 BW begint te lopen geldt mede voor de vordering tot vergoeding van schade waarvan de benadeelde kon verwachten dat hij die als gevolg van datzelfde tekortschietend of foutief handelen van de aansprakelijke persoon zou kunnen gaan lijden.

4.10.

Tegen deze achtergrond hebben gedaagden de stelling dat de verjaringstermijn in september 2007 of september 2010 is gaan lopen onvoldoende onderbouwd. De brief van Centraal Beheer aan [eiseres] van 20 juni 2007 zit niet bij de stukken. De kantonrechter kan dan ook niet oordelen dat [eiseres] op grond van die brief wist dat gedaagden geen actuele loongegevens aan Centraal Beheer Achmea hadden opgegeven en dat zij daarom te weinig pensioen ontving. De brief van Centraal Beheer Achmea aan [eiseres] van 10 september 2010 zit wel bij de stukken. In die brief staat niet op basis van welke loongegevens Centraal Beheer Achmea de pensioenen voor [eiseres] heeft berekend. Daar komt dan nog bij dat [eiseres] heeft verklaard dat zij papieren over haar pensioen niet heeft bekeken. De kantonrechter kan dan ook niet vaststellen dat [eiseres] al in 2007 of 2010 heeft geweten dat de afdeling of de landelijke vereniging geen actuele loongegevens hebben doorgegeven en dat haar pensioen daarom op een te laag bedrag was berekend. Uit de eigen stellingen van [eiseres] blijkt dat zij op 5 november 2014 van Centraal Beheer Achmea te horen heeft gekregen dat haar pensioen is berekend op basis van haar salaris in 1999 (en parttime factor 0,4). Zij heeft in ieder geval binnen vijf jaren daarna, derhalve tijdig, de verjaring gestuit met de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid.

4.11.

Uit het voorgaande volgt dat gedaagden aansprakelijk zijn voor de schade die [eiseres] heeft geleden en nog lijdt doordat gedaagden hebben verzuimd het juiste salaris door te geven. Die schade kan vergoed worden op de wijze zoals Achmea heeft berekend met optie 1 of optie 2. De kantonrechter kan in het midden laten of gedaagden zijn overvallen door de conclusie na comparitie van [eiseres] . Uit de laatste conclusie van gedaagden blijkt namelijk niet dat nader fiscaal advies iets heeft opgeleverd dat ter zake dienend is. Gedaagden hebben geen melding gemaakt van de inhoud van dat advies.

4.12.

[eiseres] wenst schadevergoeding overeenkomstig optie 1. Kenmerkend voor optie 1 is een wijziging van het salaris met terugwerkende kracht tot 1 september 2007. Dat zou ook de situatie zijn geweest als gedaagden de actuele salarisgegevens steeds jaarlijks hadden doorgegeven aan Centraal Beheer Achmea. Daarom benadert optie 1 de situatie zoals die zonder fout van gedaagden zou zijn geweest beter dan optie 2. Optie 1 heeft voor [eiseres] bovendien het grote voordeel dat zij een nabetaling ineens ontvangt van de door het verzuim van gedaagden gemiste pensioenuitkeringen over meer dan 10 jaar. De kosten van optie 1 zijn per 1 september 2017 berekend op € 88.643,88. Deze kosten kunnen door wijzigingen (in bijvoorbeeld rente, sterftetabellen en/of tarieven) door het tijdsverloop tot aan de datum van uitvoering hoger of lager zijn. De uitkering ineens maakt geen onderdeel uit van optie 2, waarvan de kosten per 1 september 2017 € 73.666,22 bedragen. Om die reden hoeft eiseres geen genoegen te nemen met optie 2. Met optie 1 krijgt zij meteen een groot bedrag nabetaald, met optie 2 moet zij op dat bedrag nog een aantal jaren wachten, terwijl niet met zekerheid valt te voorspellen hoe lang zij nog zal leven.

4.13.

[eiseres] hoeft ook geen genoegen te nemen met maandelijkse betalingen van schade door gedaagden zelf. De onderbrengingsplicht is één van de kernverplichtingen van de werkgever op grond van een pensioenovereenkomst. Deze onderbrengingsplicht is thans geregeld in artikel 23 van de Pensioenwet. Aan die onderbrengingsplicht hebben gedaagden in de jaren na 1999 niet voldaan doordat zij verzuimd hebben actuele salarisgegevens door te geven. Daardoor is een te laag pensioen voor [eiseres] verzekerd geweest en hebben partijen jarenlang te weinig premie betaald. Ook in het kader van schadevergoeding heeft een werknemer recht op onderbrenging van de verplichting tot het doen van aanvullende pensioenuitkeringen bij een derde. Daardoor komt het bedrag dat nodig is voor de aanvulling van het pensioen buiten het ‘ondernemersrisico’ van de afdeling en/of de landelijke vereniging terecht. Daaraan kan [eiseres] de zekerheid ontlenen dat haar pensioen veilig is gesteld. Die zekerheid is in dit geval van groot belang omdat de financiële situatie van de afdeling zorgelijk is.

4.14.

De kantonrechter realiseert zich dat met optie 1 een relatief groot bedrag gemoeid is en dat de uitstervende afdeling en/of de landelijke vereniging dat bedrag misschien niet kunnen opbrengen. Dat levert echter geen afwijzingsgrond op.

4.15.

Centraal Beheer Achmea heeft in haar berekeningen geen rekening gehouden met wettelijke rente over misgelopen uitkeringen. Dat uitgangspunt is juist. Deze schade dient voor rekening van eiseres te blijven. Zij had de gegevens op basis waarvan haar pensioen is berekend in 2007 en in 2010 moeten controleren. Dat heeft zij niet gedaan. Het lange tijdsverloop tussen 2007 en het ontdekken van de door gedaagden gemaakte fout is daarom in juridische zin aan haar schuld te wijten.

betaling achterstallig loon

4.16.

Gedaagden zijn bereid het bedrag van € 10.438 bruto aan ten onrechte op het loon ingehouden pensioenpremie gedurende de periode van 1 september 2007 tot 1 september 2010 aan [eiseres] te betalen. Daarom kan de veroordeling tot betaling van dit bedrag worden toegewezen. De wettelijke rente kan niet worden toegewezen. Daarvoor is geen grondslag omdat gedaagden tot betaling niet bereid zijn. Een vordering tot betaling van achterstallig loon verjaart op grond van artikel 3:307 en 3:308 BW door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag waarop die vordering telkens opeisbaar is geworden. De vordering tot betaling van de ten onrechte ingehouden bedragen op het loon voor pensioenpremie zijn in de periode van 1 oktober 2007 tot 1 oktober 2010 maandelijks opeisbaar geworden. De vorderingen tot nabetaling zijn daarom in de periode van 1 oktober 2012 tot 1 oktober 2015 verjaard. [eiseres] heeft niet gesteld dat zij de verjaring tijdig schriftelijk heeft gestuit. Zij heeft wel gesteld dat vanaf maart 2015 veelvuldig contact is geweest tussen haar en de afdeling en de landelijke vereniging en dat haar partner op 12 maart 2015 aan de afdeling de brief heeft geschreven die is overgelegd als productie 12. Die brief bevat echter geen aanmaning of mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op betaling van achterstallig salaris voorbehoudt.

4.17.

Uit dit alles volgt dat in conventie beslist kan worden zoals hierna vermeld.

4.18.

Gedaagden hebben geen belang meer bij hun vordering in reconventie. De relevante loonstroken zijn alsnog gevonden en voorafgaande aan de comparitie van partijen toegezonden. Aan de belastingaangiften van [eiseres] is geen behoefte meer omdat partijen de relevante loonstroken alsnog hebben kunnen vinden.

4.19.

Partijen zijn op onderdelen in het gelijk en in het ongelijk gesteld. Gedaagden zijn echter overwegend in het ongelijk gesteld. Zij worden daarom veroordeeld in de proceskosten. Deze worden voor [eiseres] in conventie begroot op € 103,66 voor dagvaarding, € 471 voor griffierecht en € 1.600 ( 4 punten x tarief 400) voor salaris gemachtigde. De kosten voor de reconventie worden gecompenseerd en overigens begroot op nihil.

5. De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

5.1.

veroordeelt gedaagden om aan [eiseres] schade te vergoeden op de wijze als door Centraal Beheer Achmea (of Achmea Centraal Beheer Divisie […] ) in juli 2017 is opgegeven als optie 1;

5.2.

veroordeelt gedaagden om binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis aan voormelde verzekeraar opdracht te geven tot uitvoering van optie 1 (waarbij een jaarsalaris van € 27.108,95 bruto uitgangspunt is) per eerst mogelijke datum;

5.3.

veroordeelt gedaagden om de voor uitvoering van optie 1 benodigde koopsom ten behoeve van [eiseres] te betalen aan voormelde verzekeraar;

5.4.

bepaalt dat gedaagden een dwangsom verbeuren van € 500 per dag voor iedere dag dat zij niet of niet geheel voldoen aan hetgeen hiervoor onder 5.2 en 5.3 is vermeld; bepaalt dat boven een bedrag van € 50.000 geen dwangsommen meer worden verbeurd;

5.5.

veroordeelt gedaagden om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan [eiseres] een bedrag te betalen van € 10.438 bruto aan achterstallig loon;

5.6.

veroordeelt gedaagden tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 2.174,66, waarin begrepen € 1.600 aan salaris gemachtigde;

5.7.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

5.9.

wijst de vordering af;

5.10.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Pinckaers, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2018.