Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:6468

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-11-2018
Datum publicatie
15-01-2019
Zaaknummer
C/16/467657 / KL ZA 18-319
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige uitlatingen. Kort geding. Vorderingen (deels) toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Lelystad

zaaknummer / rolnummer: C/16/467657 / KL ZA 18-319

Vonnis in kort geding van 6 november 2018

in de zaak van

[eiseres] SE,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. J.B.R. Regouw te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

verschenen in persoon.

Partijen zullen hierna [eiseres] SE en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met daarbij achttien producties

  • -

    de aktes overlegging (aanvullende) producties met daarbij productie 1 tot en met 21

  • -

    de mondelinge behandeling gehouden op 23 oktober 2018

  • -

    de pleitnota van [eiseres] SE

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] SE staat aan het hoofd van de [bedrijf 1] , een internationale onderneming op het gebied van [branche] .

2.2.

Een van de rechtsvoorgangers van [eiseres] SE is [bedrijf 2] . In 1989 kocht [bedrijf 2] de Duitse [bedrijf 3] .

2.3.

[gedaagde] is slachtoffer geworden van oplichting, gepleegd door [A] (hierna: [A] ).

2.4.

Bij strafvonnis van de rechtbank Overijssel van 16 februari 2017 is [A] , onder meer voor het oplichten van [gedaagde] , veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaar (hierna: het strafvonnis).

2.5.

Blijkens het strafvonnis heeft [gedaagde] aan [A] een lening verstrekt van
€ 130.500,- en heeft [A] tot zekerheid voor de terugbetaling van de lening aan [gedaagde] obligaties verstrekt. In het strafproces heeft [gedaagde] gevorderd dat [A] wordt veroordeeld tot vergoeding van haar schade van € 33.946.329,00, bestaande uit, onder meer, een lening van € 130.500,- met 11 % rente en [bedrijf 4] bonds met 6,25% rente 2013/2019 ten bedrage van € 14.500.000,00 en € 5.437.5000,00).

2.6.

Ten aanzien van deze vordering heeft de rechtbank geoordeeld dat de schade voor wat betreft de lening voldoende onderbouwd en aannemelijk is. De overige gevorderde schade was naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende onderbouwd.

2.7.

In het strafvonnis werd ten aanzien van de door [A] verstrekte obligaties, voor zover hier relevant, het volgende overwogen:

“(…) 5.2. De bewijsoverwegingen van de rechtbank

(…) Verdachte heeft met [bedrijf 4] AG (verder: [bedrijf 4] ) een overeenkomst gesloten, waarbij verdachte de verplichting op zich nam bonds (obligaties) met een totale nominale waarde van 500 miljoen euro te verkopen, tegen een provisie van 50 miljoen euro. Verdachte heeft niet aan zijn verplichting voldaan om deze bonds te verkopen, waardoor er geen betaling aan [bedrijf 4] heeft plaatsgehad van 450 miljoen euro. Daardoor zijn er meer obligaties uitgegeven dan er feitelijk zijn betaald, waardoor bij beleggers en pandnemers een positiever beeld kan zijn ontstaan omdat het geplaatste bedrag niet in verhouding staat tot de werkelijke opbrengst. Om deze reden is de handel in deze bonds op 5 juli 2014 stilgelegd en zijn de bonds niet meer te verhandelen, waardoor de waarde is gereduceerd tot nihil. Uit het vorenstaande blijkt dat deze waardereductie een rechtstreeks gevolg is van het handelen van verdachte. Verdachte heeft voor 95 miljoen euro aan bonds bij anderen in onderpand gegeven, wetende dat door niet nakoming van zijn verplichtingen in de richting van [bedrijf 4] deze bonds uiteindelijk niets meer waard zouden zijn, terwijl verdachte de schijn wekte richting die anderen dat deze bonds juist wel een waarde vertegenwoordigden;

(…)”

2.8.

Op enig moment is [bedrijf 4] AG (hierna: [bedrijf 4] ) in staat van faillissement verklaard.

2.9.

Op 14 augustus 2018 heeft [gedaagde] een e-mail verstuurd aan zeven bestuursleden/commissarissen van [eiseres] SE, met als onderwerp ‘ [bedrijf 4] fraud case | involvement of [eiseres] and [bank] ’. De e-mail werd tevens aan een tweetal functionarissen van [bank] verstuurd en aan een Amerikaans investeringsfonds ( [investeringsfonds] ). In deze e-mail staat, voor zover relevant, het volgende:

“(…)

To keep a long story short, [bedrijf 8] B.V. (my company and the holder of the EUR 14,5 million [bedrijf 4] bearer bonds) agreed a Cooperation & Settlement Agreement with [bedrijf 4] in April 2015. In this Agreement [bedrijf 4] would compensate me for my bonds and additional damages (…).

At that time I did not know about the fraudulent role of [eiseres] / [bedrijf 4] in this case.(…)

Meanwhile, it became clear to me that [bedrijf 4] appears to be a cover for disguising illegal practices of [eiseres] , namely allowing customers of [eiseres] to get higher on the delivery list by ‘buying’ [bedrijf 4] bonds on the Frankfurter Stock Exchange. In my vocabulary this bribery and/or corruption. In itself not so bad, but unfortunately the construction is not waterproof, so that there are victims like me. And that is unacceptable.

(…)

It has become a complex fraud where many ‘reputable’ parties are consciously or unconsciously involved and ingeniously put together by top managers from [eiseres] and [bank] . However, not so ingenious that I could not find out. There are always people who talk and they come from the inner circle of [eiseres] / [bedrijf 4] , [bank] and its client who is in jail at the moment. And of course It does not help if people get fired as a result of this fraud. (…)

(…)”

2.10.

Op 17 augustus 2018 stuurde [gedaagde] wederom een e-mail aan de zeven bestuurders/commissarissen van [eiseres] , functionarissen van [bank] en een tweetal Duitse advocaten (Becker en Maass) met daarin, voor zover relevant, de volgende inhoud:

“(…)

In addition to my previous mails with very concrete information (evidence) about the [bedrijf 4] fraud case’, I would like to draw the following attention to the seriousness of the situation for Supervisors, Directors and Managers of both [eiseres] , [bedrijf 4] and [bank] .

Activities of Supervisors, Directors and Managers that can be classified under the heading of corrpution, crime and/or criminal offenses.
(…)

Until now, all you have done is to cover the facts behind this fraude case.

(…)

Then the rest of this case cna be finally swiped under the carpet and you can use this case, and the all the evidence with comes with it, to cleanse your organizations of illegal and criminal activities.

(…)”

2.11.

Op 18 augustus 2018 ontvingen de zeven bestuurders/commissarissen van [eiseres] SE van [gedaagde] in kopie een e-mail gericht aan de heren Becker en Maass met daarin, voor zover relevant, de volgende inhoud:

“(…)

Both of you were in the Supervisory Board and co-responsible for this [bedrijf 4] fraud case. Both of you are also co-responsible that [bedrijf 4] appears to be a cover for disguising illegal practices of [eiseres] (see als the e-mail below).

You are in good company with this responsibility and liability because more Supervisors, Directors and Managers within [eiseres] , [bedrijf 4] and [bank] have teamed together as partners in crime.

(…)”

2.12.

Op 19 augustus 2018 stuurde [gedaagde] aan dezelfde bestuurders/commissarissen van [eiseres] SE en functionarissen van [bank] twee gelijkluidende e-mails met een vergelijkbare strekking als de hiervoor genoemde e-mails.

2.13.

Bij e-mail van 30 augustus 2018 schreef [gedaagde] aan dezelfde zeven bestuurders/commissarissen van [eiseres] SE en aan enkele derden, voor zover relevant, het volgende:

“(…)

In relation to the various e-mails 1 have send you in the last few weeks, in which 1 have explained the role of [eiseres] / [bedrijf 4] in the so-called ‘ [bedrijf 4] fraud case’, It seems wise for all parties to meet with each other to discuss an appropriate solution.

(…)

Errors have been made by [eiseres] / [bedrijf 4] , but mistakes can also be resolved. (…).

(…)”

2.14.

Bij e-mail van 14 september 2018 berichtte [eiseres] SE [gedaagde] , voor zover relevant, als volgt:

“(…)

As far as [eiseres] is concerned, please send any further communciation on this topic to (…), Head of Litigation, Investigations and Regulatory Affairs, (…).

The below does not provide enough elements for [eiseres] to properly understand your allegations and requests.

In the meantime, please do not include any other [eiseres] directors and executives in your correspondences.

(…)”

2.15.

Op dezelfde dag stuurde [gedaagde] een e-mail aan onder meer dezelfde zeven bestuursleden/commissarissen van [eiseres] SE en diverse derden, met daarin, voor zover relevant, de volgende inhoud:

“(…)

I have received your e-mail in good order, but don’t see any ground to not inform the Supervisory Board and Board of Directors directly about this [eiseres] / [bedrijf 4] fraud case.

After all, they have operational responsibility for this fraud and/or also responsibility from a supervising perspective. And some Directors have both responsibilities.

(…)

I just don’t want to suffer for the illegal/corrupt activities of [eiseres] , [bedrijf 6] and [bank] (amongst other financial institutions).

(…)

I would like to advise you to take responsibility for these corrupt and illegal activities; to implement measures to prevent [eiseres] from other activities of such kind; (…)

(…)”

2.16.

Bij brief van 18 september 2018 berichtte [eiseres] SE, via haar advocaat, [gedaagde] dat zij niets te maken heeft met [bedrijf 4] of met [gedaagde] zelf en zij verzocht [gedaagde] om haar niet meer over deze kwestie te benaderen.

2.17.

Op 23 september 2018 stuurde [gedaagde] een e-mail aan onder andere dezelfde zeven bestuursleden/commissarissen van [eiseres] alsmede de afdeling juridische zaken van [eiseres] en diverse derden, met daarin, voor zover relevant, de volgende inhoud:

“(...)

I thought it quite strange to receive such letter after approximately 5-6 weeks of communicating with you about your involvement in this [eiseres] / [bedrijf 4] fraud case. And the only thing you could come up with is a poor statement that the [bedrijf 5] , [bedrijf 6] and [bedrijf 4] is unknown to you. But of course 1 am willing to unblock your memory with the public information about the connection between [eiseres] and [bedrijf 4] . You can simply find this on:(…),

(…)

We all know that the [eiseres] / [bedrijf 4] fraud case is not only a civil case but also a criminal case.

(…)”

2.18.

Bij brief van 23 september 2018 heeft [eiseres] , via haar advocaat, [gedaagde] nogmaals bericht dat zij niets te maken heeft met [bedrijf 4] .

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] SE vordert, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] te verbieden direct dan wel indirect contact te zoeken met [eiseres] SE, haar groepsmaatschappijen en hun respectievelijke bestuurders, commissarissen, werknemers, hulppersonen en adviseurs (bijvoorbeeld

advocaten), hierna gezamenlijk: “ [eiseres] c.s.” in het bijzonder door:

• het achterlaten bij of sturen van brieven, kaarten, en andere poststukken;

• het sturen van e-mails, whats app berichten en dergelijke;

• het telefonisch contact opnemen;

• het benaderen van betrokkenen bij [eiseres] c.s. via sociale of zakelijke

netwerken zowel op Internet als in de fysieke wereld;

II. [gedaagde] te gebieden alle uitingen, al dan niet publiekelijk, op welke manier dan

ook, ongeacht het medium, al dan niet onder eigen naam, waarin zij [eiseres] c.s.

op onrechtmatige wijze beschadigt, waaronder begrepen maar niet beperkt tot

ongefundeerde verdachtmakingen, beledigingen en dreigementen, te staken en

gestaakt te houden;

III. [gedaagde] te verbieden zich in woord en/of geschrift, via internet, sociale media,

e-mail, persoonlijke schrijvens, of anderszins uit te laten over vermeende betrokkenheid van [eiseres] c.s. bij vermeende onoirbare gedragingen in verband

met [bedrijf 4] AG, daaronder begrepen obligaties uitgegeven door

bedoelde vennootschap; en [gedaagde] in het bijzonder te verbieden [eiseres] c.s.

valselijk te beschuldigen van daarmee samenhangende corruptie, fraude of

criminele activiteiten. Dit verbod omvat mede een verbod op het benaderen van

autoriteiten, opsporingsinstanties en toezichthouders in binnen- en buitenland;

IV. [gedaagde] te veroordelen aan [eiseres] SE een dwangsom te betalen van € 5.000,-

(vijfduizend euro) voor iedere keer dat zij niet aan een van de onder I, II of III

omschreven hoofdveroordelingen voldoet, en -voor zover van toepassing- per

dag of dagdeel dat zo’n overtreding voortduurt, tot een maximum van
€ 250.000,- (tweehonderdvijftigduizend euro). De dwangsom wordt berekend per persoon die [gedaagde] rechtstreeks benadert in strijd met de opgelegde ge- en verboden (bijvoorbeeld: drie mensen dezelfde e-mail sturen betekent 3 x een dwangsom van € 5.000,-); voor openbare uitingen geldt iedere verboden uiting, bijvoorbeeld een bericht via Twitter, als een afzonderlijke overtreding;

V. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf twee weken na de dag van betekening van het vonnis tot aan de dag van algehele voldoening.

3.2.

[eiseres] SE heeft aan haar vorderingen, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Door de wijze waarop [gedaagde] zich in het contact met [eiseres] SE opstelt, trekt zij ten onrechte de professionele en persoonlijke integriteit van de door haar aangeschreven functionarissen van [eiseres] SE in twijfel. Daarnaast ventileert [gedaagde] ongefundeerde verdachtmakingen, met name als het gaat om veronderstelde fraude en corruptie op bestuursniveau en zij stuurt aan op negatieve publiciteit, wat vervolgens reputatieschade kan opleveren voor [eiseres] SE, haar bestuurders en andere functionarissen. Deze handelwijze van [gedaagde] is onrechtmatig jegens [eiseres] SE.

3.3.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd.

4 De beoordeling

4.1.

Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of de beschuldigingen aan het adres van [eiseres] SE zoals door [gedaagde] geuit in de door haar verstuurde e-mails een onrechtmatige daad van [gedaagde] jegens [eiseres] SE opleveren.

4.2.

[eiseres] SE heeft voldoende gesteld spoedeisend belang bij haar vorderingen te hebben, om daarin te kunnen worden ontvangen. Zij heeft immers - in zoverre onvoldoende onweersproken – gesteld dat zij door de handelwijze van [gedaagde] (reputatie)schade lijdt.

Algemeen

4.3.

In deze zaak gaat het om een botsing van fundamentele rechten. Dit betreft enerzijds het door artikel 10 Grondwet (Gw) en artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) beschermde recht van [eiseres] SE op eerbiediging van haar eer en goede naam tegen lichtvaardigde verdachtmakingen en beschuldigingen. Anderzijds betreft dit het door artikel 7 Gw en artikel 10 EVRM gewaarborgde recht van [gedaagde] op vrijheid van meningsuiting.

4.4.

Het antwoord op de vraag welk van deze beide rechten in het concrete geval zwaarder weegt, moet worden gevonden door een afweging van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval. Bij deze afweging geldt niet als uitgangspunt dat voorrang toekomt aan het door artikel 10 Gw en artikel 8 EVRM gewaarborgde recht. Voor de door artikel 7 Gw en artikel 10 EVRM beschermde rechten geldt hetzelfde. Dit brengt met zich dat het hier niet gaat om een in twee fasen te verrichten toetsing (aldus dat eerst aan de hand van de omstandigheden moet worden bepaald welk van beide rechten zwaarder weegt, waarna vervolgens nog moet worden beoordeeld of de noodzakelijkheidstoets als neergelegd in artikel 8 lid 2 respectievelijk 10 lid 2 EVRM zich verzet tegen het resultaat van die afweging), maar dat deze toetsing in één keer dient te geschieden, waarbij het oordeel dat een van beide rechten, gelet op alle ter zake dienende omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, meebrengt dat de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van het desbetreffende lid 2 (zie HR 18 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB3210 Van [naam] / [naam] ; HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9230, Endemol en SBS/A). Welk belang - het recht op vrije meningsuiting of het recht op bescherming van de eer en goede naam - in het concrete geval zwaarder weegt, hangt zoals gezegd af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij is onder meer relevant (i) de aard van de gepubliceerde uitlatingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die uitlatingen betrekking hebben, (ii) de ernst - bezien vanuit het algemeen belang - van de misstand die aan de kaak wordt gesteld, (iii) de mate waarin de uitlatingen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal ten tijde van de publicatie, (iv) de totstandkoming en inkleding van de uitlatingen, (v) het gezag dat het medium waarop de uitlatingen zijn gepubliceerd geniet en (vi) de maatschappelijke positie van de betrokken persoon. Genoemde omstandigheden wegen niet allen even zwaar.

Welke omstandigheden van toepassing zijn en welk gewicht daaraan moet worden gehecht, hangt af van het concrete geval.

Onrechtmatige uitlatingen

4.5.

In de e-mails die [gedaagde] aan [eiseres] SE (en anderen) heeft verstuurd, is in wezen een tweetal beschuldigingen richting [eiseres] SE geuit (hierna: beschuldiging I en beschuldiging II).

4.6.

Beschuldiging I komt erop neer dat [gedaagde] [eiseres] SE, haar directeuren en toezichthouders beschuldigt van omkoping, corruptie en illegale praktijken. Volgens [gedaagde] gebruikte [eiseres] SE [bedrijf 4] als een dekmantel, waarbij klanten van [eiseres] SE door het kopen van [bedrijf 4] obligaties hoger op de leveringslijst van [eiseres] SE konden worden geplaatst.

4.7.

[gedaagde] heeft in dit verband gesteld dat [bedrijf 4] gelieerd is aan [eiseres] SE. Zij voert hiertoe aan dat [bedrijf 4] gevestigd was op hetzelfde adres als het adres van een [eiseres] onderdeel. Daarnaast voert [gedaagde] aan dat [bedrijf 5] AG hetzelfde logo gebruikt als het oude merk van [bedrijf 3] , waarvan [eiseres] rechthebbende is. Verder wijst [gedaagde] op de door haar overgelegde kopie van een Wikipedia pagina over [bedrijf 3] waarin [bedrijf 5] AG onder het kopje ‘Subsidiaries’ is vermeld.

4.8.

[eiseres] SE heeft nadrukkelijk betwist dat zij op enigerlei wijze gelieerd is aan [bedrijf 4] . Daarbij heeft zij erop gewezen dat [bedrijf 4] op hetzelfde adres als dat van een [eiseres] onderdeel was gevestigd omdat [bedrijf 4] , met aan haar gelieerde bedrijven, kantoorruimte huurde van (een onderdeel van) [eiseres] SE. In dat kader is er een huurgeschil ontstaan tussen [bedrijf 4] en [eiseres] SE, dat vervolgens in der minne is geregeld. Als onderdeel van de minnelijke regeling heeft [eiseres] de merkrechten op de merken [bedrijf 4] en [bedrijf 3] overgedragen aan [bedrijf 6] GmbH, waarbij zij zich het recht heeft voorbehouden om deze merken, indien door haar gewenst, nog zelf te gebruiken voor producten en diensten op het gebied van [branche] . [eiseres] SE heeft deze merken overgedragen omdat zij deze merken al lange tijd niet meer gebruikte en omdat zij zich - volgens haar juridisch adviseurs - toch niet kon verzetten tegen het gebruik van de benaming [bedrijf 4] door [bedrijf 5] AG. Met betrekking tot de informatie op de Wikipedia pagina stelt [eiseres] SE dat deze onjuist is en bovendien dat Wikipedia geen betrouwbare informatie bron is.

4.9.

De voorzieningenrechter constateert dat [gedaagde] haar aldus door [eiseres] SE weersproken stelling dat [bedrijf 4] gelieerd is aan [eiseres] SE niet nader heeft toegelicht. Gezien de gemotiveerde betwisting door [eiseres] SE had dit van haar wel verwacht mogen worden. Het enkele feit dat [bedrijf 4] huurder is geweest van (een onderdeel van) [eiseres] SE is onvoldoende om aan te nemen dat [bedrijf 4] onderdeel uitmaakt van het [eiseres] concern. Hetzelfde geldt voor (het gebruik van) het merk [bedrijf 4] dat zoals door [eiseres] SE onweersproken is gesteld in het kader van een minnelijke regeling aan [bedrijf 6] GmbH was overgedragen. En ook uit de wikipedia-pagina van [bedrijf 3] is geen conclusie te trekken omdat niet bekend is wie deze pagina heeft gemaakt en hoe betrouwbaar de vermelde informatie is, waarbij bovendien nog geldt dat niet vaststaat dat met de vermelding van “ [bedrijf 5] ” als dochtervennootschap op de betreffende wikipedia-pagina, [bedrijf 5] AG dat gelieerd is met [bedrijf 4] wordt bedoeld. Het is niet ondenkbaar dat met “ [bedrijf 5] ” een andere, oudere vennootschap wordt bedoeld. Gelet hierop en aangezien een kort geding procedure zich niet leent voor nadere bewijslevering, is de voorlopige conclusie dat niet kan worden aangenomen dat [bedrijf 4] onderdeel uitmaakt van [eiseres] SE. Evenmin is aannemelijk geworden dat [eiseres] SE zich schuldig heeft gemaakt aan omkoping, corruptie en illegale praktijken. De beschuldiging van [gedaagde] luidt dat [eiseres] SE [bedrijf 4] als een dekmantel heeft gebruikt waarbij klanten van [eiseres] SE door het kopen van [bedrijf 4] obligaties hoger op de leveringslijst van [eiseres] SE konden worden geplaatst. Deze beschuldiging is verder door [gedaagde] in het geheel niet nader toegelicht, laat staan onderbouwd. Ook van feiten of omstandigheden die deze beschuldiging zouden kunnen ondersteunen, is de voorzieningenrechter niet gebleken.

4.10.

Beschuldiging II ziet op wat [gedaagde] ‘de [bedrijf 4] fraud case’ noemt. [gedaagde] beschrijft deze fraude, kort gezegd en voor zover de voorzieningenrechter dit begrijpt, als volgt:

[bedrijf 4] heeft voor € 500 miljoen [bedrijf 4] bearer bonds onderhands uitgegeven en ‘free of delivery’ overgemaakt op een rekening bij [bank] op naam van [bedrijf 7] AG, een onderneming van [A] , terwijl deze onderneming al min of meer failliet was. [bedrijf 7] AG zou uiterlijk 1 juni 2014 € 50 miljoen betalen aan [bedrijf 4] en € 400 miljoen uiterlijk eind 2015. [bedrijf 4] en [bank] zijn daarnaast een kredietfaciliteit ten behoeve van [bedrijf 7] AG overeengekomen welk krediet gestort zou worden op de rekening van [bedrijf 4] . Toen [bedrijf 7] AG haar verplichtingen niet nakwam diende zij de uitgegeven obligaties aan [bedrijf 4] terug te leveren. Echter, [bank] weigerde om de obligaties terug te leveren. Op enig moment werden de [bedrijf 4] bearer bonds officieel geblokkeerd waardoor ze niet meer verhandeld konden worden. Als gevolg daarvan waren de obligaties die al waren uitgegeven, zoals die van [gedaagde] , althans van haar vennootschap [bedrijf 8] B.V. niets meer waard. Vervolgens heeft [A] met hulp van onder andere [bank] de resterende € 400 miljoen [bedrijf 4] bearer bonds omgepakt en weer op de Frankfurter Stock Exchange gebracht.

4.11.

Nog daargelaten dat de juistheid van Beschuldiging II door [gedaagde] niet aannemelijk is gemaakt, is het volstrekt onduidelijk welke rol [eiseres] SE in dit ‘ [bedrijf 4] fraud case’ zou hebben gespeeld. Voor zover [gedaagde] hier doelt op het gelieerd zijn van [bedrijf 4] aan [eiseres] SE kan zij, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.9 is overwogen, niet in haar redenatie worden gevolgd. Voor zover [gedaagde] op een andere verbinding van [eiseres] SE doelt bij deze door haar gestelde fraudezaak, heeft zij volstrekt niet duidelijk gemaakt welke rol dat dan zou zijn, laat staan dat zij daarvoor enig begin van bewijs heeft aangeleverd.

4.12.

Op grond van het bovenstaande is de slotsom dat de inhoud van de e-mails die [gedaagde] aan [eiseres] SE heeft verstuurd onrechtmatig zijn tegenover [eiseres] SE. De voorzieningenrechter komt tot dit oordeel omdat niet aannemelijk is geworden dat de in deze e-mails vervatte beschuldigingen over omkoping, corruptie, illegale praktijken en fraude juist zijn. In dit oordeel is tevens betrokken dat de beschuldigingen ernstig zijn en [eiseres] SE in haar goede naam kan beschadigen. Tevens geldt dat de e-mails niet alleen aan [eiseres] SE zijn verstuurd maar deels ook aan functionarissen van [bank] en [investeringsfonds] , aan een tweetal advocaten en aan andere derden. Bovendien heeft [gedaagde] meermaals kenbaar gemaakt de beschuldigingen (verder) publiekelijk te maken en aan diverse andere partijen mede te delen waaronder de Franse autoriteiten, [naam] en de ECB. Verder is in dit oordeel meegewogen dat [gedaagde] in haar e-mails heeft aangegeven bereid te zijn deze “file” te sluiten indien zij de door haar gesteld geleden schade van 30 miljoen vergoed krijgt. Daaruit blijkt dat het [gedaagde] eerder gaat om het geld dan dat zij een misstand aan de kaak stelt. De vorderingen van [eiseres] SE onder 3.1 II en III zullen derhalve jegens [gedaagde] worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing is vermeld.

4.13.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding tot het opleggen van een contactverbod aan [gedaagde] . Doorslaggevend daarbij is dat [gedaagde] na 23 september 2018 geen e-mails meer aan [eiseres] SE heeft verstuurd en ter zitting heeft aangegeven dat zij ook geen behoefte meer heeft om [eiseres] SE te benaderen. In dat licht en mede gelet erop dat het in het onderhavige geding gaat om het versturen van acht e-mails in een periode van ongeveer 6 weken, zal de vordering onder I worden afgewezen.

4.14.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] SE worden begroot op:

- dagvaarding € 82,57

- griffierecht € 626,00

- salaris 980,00

Totaal € 1.688,00

4.15.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen in na te melden zin.

4.16.

De gevorderde dwangsom zal worden beperkt en gemaximeerd op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verbiedt [gedaagde] om uitingen te doen, op welke manier dan ook en ongeacht het medium, al dan niet onder eigen naam, waarin [eiseres] SE wordt beschuldigd van (betrokkenheid bij) omkoping, corruptie, illegale activiteiten of fraude in relatie tot de in rechtsoverweging 4.6 en 4.10 genoemde Beschuldiging I en Beschuldiging II, op straffe van het verschuldigd worden van een dwangsom van € 5.000,- (zegge: vijfduizend euro) voor iedere keer dat [gedaagde] in strijd handelt met dit verbod, met een maximum van € 150.000,- (zegge: honderdvijftigduizend euro);

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] SE tot op heden begroot op € 1.688,00, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van betekening van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na de datum van betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Schuman en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2018.