Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:645

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-02-2018
Datum publicatie
28-03-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3232
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wmo, hulp bij huishouden, KPMG-onderzoek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/3232

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 januari 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. A.M.P.M. Adank),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Chahid).

Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2017 (primair besluit) heeft verweerder aan eiseres met ingang van 27 maart 2017 een maatwerkvoorziening in de vorm van een basisvoorziening voor hulp in de huishouding toegekend op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) bestaande uit 105 uur ondersteuning per jaar (2 uur per week) voor lichte en zware huishoudelijke taken en 52 uur extra ondersteuning per jaar (1 uur per week) voor de lichte en zware was.

Bij besluit van 7 juli 2017 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiseres voert een eenpersoonshuishouden in een drie-kamer-appartement. Eiseres heeft lichamelijke beperkingen die haar belemmeren bij het doen van de huishoudelijke taken.

Verweerder heeft eiseres in verband daarmee op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een individuele voorziening in de vorm van hulp bij het huishouden toegekend, laatstelijk naar een omvang van 3 uur per week voor het lichte en zware huishoudelijke werk en het wassen van kleding en linnengoed, tot 30 oktober 2016.

1.2.

Vooruitlopende op de intrekking van de Wmo en de inwerkingtreding van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) op 1 januari 2015 heeft verweerder bij primair besluit van 10 december 2014 beslist dat eiseres voor een overgangsperiode van 1 januari 2015 tot en met 22 maart 2015 recht heeft op een voorziening in de vorm van hulp bij het huishouden naar een omvang van 3 uur per week conform de indicatie onder de Wmo. Voorts heeft verweerder aan eiseres voor de periode van 23 maart 2015 tot en met 22 april 2017 een maatwerkvoorziening toegekend in de vorm van een basisvoorziening voor hulp bij het huishouden van 78 uur per jaar (1,5 uur per week).

1.3.

Bij besluit op bezwaar van 7 april 2015 heeft verweerder het onder 1.2. vermelde primaire besluit van 10 december 2014 met uitzondering van de overgangsperiode gehandhaafd. Verweerder heeft bij dit besluit de overgangsperiode verlengd tot 18 mei 2015 en in het verlengde daarvan aan eiseres met ingang van 18 mei 2015 een maatwerkvoorziening toegekend in de vorm van een basisvoorziening voor hulp bij het huishouden van 78 uur per jaar (1,5 uur per week).

1.4.

Bij besluit van 15 september 2015 heeft verweerder aan eiseres voor de periode van 18 mei 2015 tot en met 22 mei 2017 in aanvulling op de reeds toegekende maatwerkvoorziening een aanvullende maatwerkvoorziening “beschikken over schone kleding” van 26 uur per jaar toegekend.

1.5.

Naar aanleiding van twee uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 18 mei 2016 (ECLI-nummer: ECLI:NL:CRVB:2016: 1402 en 1403) en in afwachting van nader uit te voeren onderzoek en het opnieuw te vormen beleid, heeft verweerder bij besluit op bezwaar van 13 juni 2016 het onder 1.3. bedoelde besluit op bezwaar van 7 april 2015 herroepen en aan eiseres voor de periode van 18 mei 2015 tot en met 26 maart 2017 de onder de Wmo geïndiceerde en toegekende uren, namelijk 3 uur per week voor het lichte en zware huishoudelijke werk en het wassen van kleding en linnengoed, toe te kennen als ondersteuning bij het voeren van een gestructureerd huishouden. In dit besluit staat onder meer het volgende:

Wijzigingen

Veranderingen in persoonlijke omstandigheden van eiseres, dan wel wijzigingen in wetgeving en/of gemeentelijke beleidsregels kunnen gaan leiden tot een wijziging van de gestelde indicatie. Dit kan van invloed zijn op de duur en/of de inhoud van de gestelde indicatie.”.

1.6.

Met het oog op de wijziging van het beleid voor hulp bij het huishouden per 10 oktober 2016, waarin de basisvoorziening van 78 uur per jaar naar 105 per jaar is gewijzigd, heeft verweerder bij besluit van 5 september 2016 aan eiseres voor de periode van 10 oktober 2016 tot en met 26 maart 2017 een maatwerkvoorziening toegekend in de vorm van een basisvoorziening voor hulp bij het huishouden van 105 uur per jaar (2 uur per week). Daarnaast is 78 uur per jaar (1,5 uur per week) aan extra ondersteuning voor hulp bij het huishouden toegekend. In dit besluit staat onder meer het volgende:
“Naast de ondersteuning via de basisvoorziening ontvangt u ook nog extra uren ondersteuning voor hulp bij het huishouden.
Deze toekenning voor maatwerk uren verandert niet, u houdt hetzelfde aantal extra uren als u gewend bent. [onderstreping door de rechtbank]

1.7.

Tijdens de hoorzitting van 7 juni 2017 heeft de gemachtigde van verweerder, blijkens het verlag van deze hoorzitting, onder meer het volgende verklaard:
“De Wethouder heeft toen in zijn algemeenheid de norm opgeschroefd naar 105 op jaar basis. Hierna is er foutief 3,5 uur per week aan belanghebbende toegekend met het besluit van 5 september 2016. (...) er vastgehouden had moeten worden aan de eerder verstrekte 3 uur.”

1.8.

Eiseres heeft op 21 februari 207 een aanvraag ingediend voor de verstrekking van een maatwerkvoorziening voor hulp bij de huishouding met ingang van 27 maart 2017. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het buurtteam op 24 maart 2017 een huisbezoek afgelegd bij eiseres.

2. De rechtbank stelt, gezien de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, vast dat eiseres in beroep weliswaar heeft verklaard dat zij in een periode (tot 27 maart 2017) 4 uur per week aan huishoudelijke hulp heeft ontvangen, maar dat aan eiseres nimmer bij besluit een maatwerkvoorziening voor hulp in de huishouding is toegekend van in totaal 4 uur per week.
Bij de onder 1.4., 1.5. en 1.6. vermelde besluiten zijn met terugwerkende kracht meer uren toegekend dan bij het onder 1.2. vermelde besluit zijn toegekend, welke uren eiseres feitelijk na de onder 1.4., 1.5. en 1.6. vermelde besluiten heeft kunnen inzetten. Ten gevolge daarvan was het mogelijk om bijvoorbeeld in de periode vanaf 13 juni 2017 feitelijk 4 uur per week aan hulp in de huishouding in te zetten. Uit de door eiseres overlegde kopie van de brief van Tzorg van 6 oktober 2016 blijkt dat dit bijvoorbeeld in week 41 van 2016 is gedaan. Dit betekent echter nog niet dat in een periode aan eiseres een maatwerkvoorziening voor hulp bij de huishouding van 4 uur per week was toegekend. De stelling dat de aan haar toegekende maatwerkvoorziening van totaal 4 uur per week teruggebracht is naar 3 uur per week is dan ook onjuist.

3. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat uit objectief en onafhankelijk onderzoek blijkt dat in het geval van eiseres met 105 basisuren per jaar een schoon en leefbaar huis kan worden bereikt. Op basis van het gesprek dat het buurtteam met eiseres heeft gevoerd, zijn daarnaast aan eiseres de maatwerkvoorzieningen “zware was” en “beschikken over schone kleding” toegekend van elk 26 uur per jaar. Met de 52 uur per jaar die daarmee aanvullend aan eiseres zijn toegekend, wordt eiseres voldoende ondersteund en gecompenseerd bij het voeren van haar huishouden.
In het bestreden besluit heeft verweerder zich voorts op het standpunt gesteld dat de wijziging ten opzichte van de oude situatie onder de Wmo niet te maken heeft met een verkeerde inschatting van de beperkingen van eiseres, maar met een nader beleid en een andere opvatting over een schoon en leefbaar huis.

4. Eiseres heeft aangevoerd dat de met ingang van 27 maart 2017 toegekende maatwerkvoorziening niet adequaat is. Zij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat met de thans toegekende uren niet alle huishoudelijke taken kunnen worden uitgevoerd. Zij is daarom genoodzaakt een deel van die taken zelf uit te voeren. Ten gevolge daarvan is zij niet meer in staat andere taken uit te voeren, zoals koken. Dit heeft weer nadelige consequenties voor haar gezondheidstoestand.

5. De rechtbank stelt vast dat eiseres zich in feite op het standpunt stelt dat de norm die verweerder hanteert bij de toekenning van het aantal uren aan huishoudelijke hulp niet juist is. De rechtbank stelt echter tevens vast dat eiseres de inhoud van het rapport van KPMG, waarop de door verweerder gehanteerde norm is gebaseerd, niet gemotiveerd heeft betwist. Zo heeft zij geen contra-rapportage verstrekt, waaruit een andere normstelling zou moeten blijken. Zij heeft evenmin gesteld dat het onderzoek van KPMG onzorgvuldig tot stand is gekomen.

De rechtbank is van oordeel dat het door KPMG verrichte onderzoek als voldoende objectief, zorgvuldig en deugdelijk kan worden aangemerkt. Verweerder heeft met het rapport inzichtelijk gemaakt dat met een basisvoorziening van 105 uur op jaarbasis een schoon en leefbaar huis kan worden gerealiseerd. Daarbij heeft verweerder opgemerkt dat de in het KPMG rapport vastgestelde norm als uitgangspunt geldt voor een schoon en leefbaar huis dat periodiek wordt schoongemaakt. Het is geen norm die alle huishoudelijke taken wegneemt.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot de vaststelling van het aantal toegekende uren aan hulp in het huishouden is gekomen. De beroepsgrond slaagt niet.

6. De rechtbank stelt voorts vast dat gesteld noch gebleken is dat de toegekende maatwerkvoorziening voor de lichte en de zware was niet adequaat zou zijn.

7. Eiseres heeft verder aangevoerd dat verweerder het vertrouwensbeginsel heeft geschonden, door met ingang van 27 maart 2017 een half uur per week minder aan hulp bij het huishouden toe te kennen dan bij het onder 1.6. bedoelde besluit van 5 september 2016 aan haar was toegekend, terwijl de gezondheidstoestand van eiseres niet is veranderd. Dat verweerder een fout gemaakt bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening van 3,5 uur per week, blijkt niet uit het besluit van 5 september 2016. Uit dit besluit blijkt niet dat een deel van de uren zijn toegekend om een andere reden dan de medische informatie die op dat moment bij verweerder bekend was. Niet duidelijk is waarop de vermindering van een halve uur per week is gebaseerd, zodat sprake is van een motiveringsgebrek.

8. De rechtbank is van oordeel dat eiseres aan het besluit van 5 september 2016 niet het vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat de bij dit besluit toegekende maatwerkvoorziening van in totaal 183 uren na 26 maart 2017 zou worden voortgezet. In het besluit van 5 september 2016 staat immers expliciet vermeld dat het besluit geldig is van 10 oktober 2016 tot en met 26 maart 2017. Bovendien blijkt uit het besluit van 5 september 2017, in het bijzonder het onder 1.6. geciteerde tekst uit dit besluit, zelf dat het de bedoeling van verweerder was om eiseres niet meer uren toe te kennen dan onder de oude Wmo ten aanzien van haar was geïndiceerd. Verweerders gemachtigde heeft tijdens de hoorzitting van 7 juni 2017 ook reeds toegelicht dat het de bedoeling was om eiseres bij besluit van 5 september 2016 een maatwerkvoorziening toe te kennen die gelijk is aan de indicatie die zij ook onder de Wmo had zoals vermeld onder 1.1., maar dat bij het nemen van dit besluit een fout is gemaakt.

In het bestreden besluit heeft verweerder voorts toegelicht dat de wijziging van 3 uur per week naar 3,5 uur per week niet te maken heeft met (een verkeerde inschatting van) de beperkingen van eiseres. Gelet op het voormelde is rechtbank van oordeel dat eiseres’ beroep op het vertrouwensbeginsel faalt en haar stelling dat sprake is van een motiveringsgebrek niet kan worden onderschreven. De beroepsgronden slagen dus niet.

9. Eiseres heeft ter zitting verklaard dat zij het moeilijk vond volledige openheid te geven over haar situatie tijdens het onderzoek door het buurtteam. Zo heeft zij niet verteld dat het voor haar moeilijk is zelfstandig te douchen en zelf boodschappen te doen.

10. De rechtbank stelt vast dat deze verklaring van eiseres niet tot vernietiging van het bestreden besluit kan leiden. Het ligt immers op de weg van eiseres om tijdens het onderzoek alles te melden wat van belang kan zijn voor de beoordeling van haar aanvraag om hulp. Dat zij dit om haar moverende redenen niet heeft gedaan, komt en blijft voor haar rekening en risico. Dit laat onverlet dat het eiseres vrij staat bij verweerder een nieuwe hulpvraag neer te leggen, die mogelijk ook andere aspecten van hulp omvat dan uitsluitend hulp bij de huishouding.

11. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep ongegrond is.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Ramsaroep, rechter, in aanwezigheid van
mr. C.W.M. Maase-Raedts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
18 januari 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.