Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:6445

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-04-2018
Datum publicatie
10-01-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 81 en 17/82
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bijzondere bijstand

artikel 16 en 43 Pw

Bijzondere bijstand voor meerdere dingen. Buitenwettelijk begunstigend beleid. Artikel 16 van de Pw. Ook verzoek ontheffing indienen aanvragen, artikel 43 en artikel 16 van de Pw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2019/50
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Almere

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 17/81 en UTR 17/82

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. P.A.J. van Putten),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder

(gemachtigde: J.D. Klasen).

Procesverloop

Zaaknummer UTR 17/81

Bij besluit van 15 juni 2016 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van bijzondere bijstand voor woonkosten, woonlastenfonds, langdurigheidstoeslag, toeslag chronisch zieken en gehandicapten, garantietoeslag, noodzakelijke kosten van het bestaan en levensonderhoud bij verblijf in het buitenland, afgewezen.

Bij besluit van 25 november 2016 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard voor wat betreft de kosten van garantietoeslag en voor het overige ongegrond verklaard.

Zaaknummer UTR 17/82

Bij besluit van 22 juni 2016 (het primaire besluit 2) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van bijzondere bijstand voor de kosten van verwijderen van berken en toppen coniferen, kosten van een bril, een schuld bij Nuon, notariskosten, kosten orthodontist, lesgeld zoon en een eigen bijdrage afgewezen.

Bij besluit van 25 november 2016 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2018. Eiser is niet verschenen, en heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Zaaknummer UTR 17/81

1. Eiser stelt dat verweerder zijn aanvraag voor kosten levensonderhoud bij verblijf in het buitenland had moeten toewijzen omdat sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 16 van de Participatiewet (Pw). Eiser verwijst naar medische informatie van zijn huisarts [A] van 14 juli 2016. Daaruit blijkt dat eiser suïcidale gedachten heeft, wat volgens eiser een levensbedreigende situatie oplevert. Ter zitting is namens eiser nog gewezen op zijn financiële situatie. In dit kader is verwezen naar diverse artikelen over stijgende huurprijzen en dalende inkomsten die, net als in eisers situatie, leiden tot geldproblemen zonder uitzicht op verbetering.

2. Uit artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de Pw volgt dat eiser geen aanspraak kan maken op bijstand als hij per kalenderjaar langer dan vier dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken in het buitenland verblijft. Artikel 16, eerste lid, van de Pw geeft verweerder de bevoegdheid om aan een persoon die geen recht op bijstand heeft op grond van het bepaalde in de artikelen 11 tot en met 15 van de Pw (paragraaf 2.2), op grond van zeer dringende redenen in afwijking van die bepalingen, toch bijstand te verlenen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat dan sprake moet zijn van een acute noodsituatie die alleen te verhelpen is door het verlenen van bijstand. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is pas sprake van een acute noodsituatie als er een levensbedreigende situatie is of een situatie die blijvend ernstig letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de CRvB van 1 december 2009 (ECI:NL:CRVBL2009:BK6576).

3. Verweerder heeft een eerdere aanvraag van eiser voor toestemming voor verblijf in het buitenland met behoud van bijstand afgewezen. Deze rechtbank heeft het beroep van eiser in die zaak op 3 januari 2014 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 1 november 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4163) heeft de CRvB in hoger beroep tegen die uitspraak, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“Appellant heeft gewezen op diverse brieven van zijn huisarts, waaruit naar voren komt dat ernstige zorgen bestaan over appellant, die door zijn uitzichtloze situatie vele lichamelijke klachten heeft ontwikkeld, langdurig depressief is en suïcidaal is geraakt. Evenals de rechtbank ziet de Raad hierin onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat zeer dringende redenen noopten tot bijstandsverlening bij verblijf van appellant in het buitenland. In dit verband is van belang dat de huisarts niet is aan te merken als onafhankelijk deskundige en dat de informatie niet met objectieve gegevens, zoals een diagnose van een psychiater, is onderbouwd. Verder blijkt uit de brieven niet dat zich een acute noodsituatie voordoet die enkel verholpen kan worden door verblijf in het buitenland met behoud van bijstand. Vergelijk de uitspraak van 3 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2656.”

4. Eiser heeft in deze procedure de in 1 genoemde brief van huisarts [A] van 14 juli 2016 overgelegd. Deze brief heeft in de kern dezelfde strekking als de brieven die hiervoor in 3 zijn genoemd. Ook uit de brief van [A] van 14 juli 2016 blijkt niet van een levensbedreigende situatie of van een situatie die blijvend letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben. Uit de door eiser geschetste persoonlijke, medische en financiële situatie blijkt niet dat zijn situatie inmiddels zodanig is gewijzigd dat nu wel sprake is van dringende redenen die nopen tot bijstandsverlening. De rechtbank ziet daarom in wat eiser nu heeft aangevoerd geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de CRvB in de uitspraak van 1 november 2016. Verweerder heeft de aanvraag voor voor kosten levensonderhoud bij verblijf buitenland terecht afgewezen. De beroepsgrond slaagt niet.

5. Eiser stelt dat hij de benodigde informatie voor zijn aanvraag om bijzondere bijstand voor woonlastenfonds wegens zijn medische omstandigheden niet tijdig kon verstrekken. Er was dus sprake van overmacht, zodat verweerder zijn aanvraag niet kon afwijzen wegen het ontbreken van de benodigde informatie. Eiser wenst alsnog de gelegenheid te krijgen om de gegevens te overleggen.

6. De rechtbank stelt vast dat het woonlastenfonds een aanvulling is op de huurtoeslag die door de gemeente Almere toegekend kan worden omdat er weinig goedkope huurwoningen zijn in de gemeente. Dit is een aparte regeling waarvoor het aanvragen van bijzondere bijstand niet mogelijk is. De beroepsgrond slaagt niet.

7. Eiser stelt dat zijn financiële noodsituatie hem dwingt om bijzondere bijstand aan te vragen voor de noodzakelijke kosten van het bestaan, waaronder woonkosten. Eiser kan niet rondkomen van zijn inkomen en zijn financiële situatie wordt steeds uitzichtlozer, wat een negatieve invloed heeft op zijn lichamelijke en psychische klachten.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft gesteld dat eiser de algemene kosten van het bestaan en zijn woonkosten moet voldoen uit zijn bijstandsuitkering en eventuele toeslagen. De bijzondere bijstand is daarvoor niet bedoeld.

9. Eisers beroep op artikel 16, eerste lid, van de Pw slaagt evenmin. Dit artikel biedt verweerder de mogelijkheid om, in afwijking van de artikelen 11 tot en met 15, van de Pw, bijstand te verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. De rechtbank verwijst naar het hiervoor in 2 weergegeven beoordelingskader. Daaruit volgt dat eiser alleen een beroep kan doen op zeer dringende redenen om bijstand te verlenen voor zover de artikelen 11 tot en met 15 van de Pw in de weg staan aan bijstandsverlening. De afwijkingsbevoegdheid van artikel 16, eerste lid, van de Pw is dus niet van toepassing op artikel 35 van de Pw. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de CRvB van 1 november 2016, rechtsoverweging 4.9 (ECLI:NL:CRVB:2016:4163).

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Zaaknummer UTR 17/82

11. Eiser wenst bijzondere bijstand voor de kosten van het verwijderen van berken en toppen van coniferen. Volgens eiser heeft verweerder ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 16 van de Pw.

12. Verweerder stelt terecht dat dergelijke kosten van tuinonderhoud behoren tot de algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan die uit het reguliere inkomen moeten worden voldaan. Dit kan anders zijn als sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 1, eerste lid, in verbinding met artikel 35, eerste lid van de Pw. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de CRvB van 29 juni 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BN0639). De beroepsgrond slaagt niet.

13. Eisers beroep op artikel 16 van de Pw slaagt evenmin. De rechtbank verwijst naar wat zij hiervoor in 9 heeft overwogen.

14. Eiser stelt dat verweerder zijn aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van een bril ten onrechte heeft afgewezen omdat er in zijn geval geen voorliggende voorziening is. Eiser is namelijk niet in staat de premie voor een collectieve verzekering te betalen, zodat hij geen vergoeding krijgt voor een bril. Ook hier had verweerder artikel 16 van de Pw moeten toepassen. Ter onderbouwing hiervan verwijst eiser naar de omstandigheden als geschetst in rechtsoverweging 1.

15. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB zijn de zorgverzekeringswet en de daarop gebaseerde Regeling zorgverzekering over de kosten van brillenglazen en contactlenzen in beginsel aan te merken als een aan de Pw voorliggende, toereikende en passende voorziening. In de regelgeving is de bewuste keuze gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van brillenglazen en contactlenzen, zodat verlening van bijzondere bijstand hiervoor niet aan de orde is. Voor wat betreft eisers beroep op artikel 16 van de Pw verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 4.

16. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte geen bijzondere bijstand verleend voor zijn schuld bij Nuon. Eiser beroept zich op artikel 16 van de Pw. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond faalt en verwijst voor de motivering hiervan naar rechtsoverweging 4.

17. Eiser stelt dat de kosten van de notaris noodzakelijk zijn om zijn testament te kunnen wijzigen. Deze kosten zijn in verhouding tot eisers inkomen te hoog om te daaruit te kunnen reserveren. Eisers financiële situatie was al zo toen zijn partner vertrok, zodat eiser daar niet voor heeft kunnen sparen. Voorts heeft eiser een beroep gedaan op artikel 16 van de Pw.

18. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag van eiser voor de notariskosten terecht heeft afgewezen omdat dit kosten zijn, die in beginsel moeten worden voldaan uit het reguliere inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Nu de partner van eiser is vertrokken in 2013 waren de kosten reeds geruime tijd voorzienbaar en heeft eiser de tijd gehad om hiervoor te reserveren, zelfs gelet op zijn financiële situatie.

19. Eisers beroep op artikel 16 van de Pw faalt. De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 9.

20. Eiser stelt dat verweerder zijn aanvraag voor bijzondere bijstand voor de kosten van de orthodontist en het lesgeld van zijn zoon ten onrechte heeft afgewezen, omdat er voor hem geen sprake is van een voorliggende voorziening. Er is sprake van een uitzonderingssituatie als gevolg waarvan verweerder ten gunste van eiser dient af te wijken van het buitenwettelijk begunstigend beleid.

21. De rechtbank stelt vast dat de nota’s van de kosten van de orthodontist en van het lesgeld dateren van vóór de aanvraag om bijzondere bijstand. Naar vaste rechtspraak, zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 15 mei 2007 (ECLI:NL:CRVB:2007:BA6875), wordt in beginsel geen bijzondere bijstand verleend voor kosten die zijn opgekomen voor de datum waarop de aanvraag om bijstand is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen of in geval van toepassing door het bestuursorgaan van buitenwettelijk begunstigend beleid.

22. De rechtbank stelt vast verweerder buitenwettelijk begunstigend beleid heeft, dat een uitzondering maakt op bovengenoemd principe. In dit beleid staat dat voor kosten die zijn gemaakt binnen twee maanden voor een (eerste contact tot) aanvraag achteraf bijzondere bijstand kan worden toegekend.

23. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB, zie onder meer de uitspraak van 7 juli 2009 (ECLI:NL:CRVB: 2009:BJ1918), dient buitenwettelijk begunstigend beleid door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dit beleid als gegeven wordt beschouwd met dien verstande dat wordt getoetst of een zodanig beleid op consistente wijze is toegepast.

24. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het beleid op consistente wijze heeft toegepast. De aanvraag dateert van 27 november 2015. De nota van de orthodontist is van 17 februari 2015 en die van het lesgeld van eisers zoon van september 2015, zodat de aanvraag niet binnen twee maanden is ingediend en verweerder op grond van zijn beleid de aanvraag kon afwijzen. Eisers beroep op dringende redenen leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank dient de bestuurlijke keuze die verweerder heeft gemaakt met zijn buitenwettelijk begunstigend beleid en die ten aanzien van alle aanvragers wordt gehanteerd, te respecteren. De rechtbank wijst er in dit verband op dat het beleid niet voorziet in de mogelijkheid om in het geval van dringende redenen van het beleid af te wijken. De afwijzing van de aanvraag is daarom terecht gehandhaafd.

25. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Karman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Beijl, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.