Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:6437

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-11-2018
Datum publicatie
11-01-2019
Zaaknummer
UTR 17/3669
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het geschil gaat over of verweerder bij de berekening van de hoogte van de WIA-uitkering van werkneemster rekening moet houden met het verlaagde loon als gevolg van deelname aan het generatiepact van eiseres. De rechtbank is van oordeel dat deelname aan het generatiepact niet leidt tot het verstrekken van een periodieke uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening dan wel daaraan voorafgaande uitkering of daarmee naar aard en strekking overeenkomende wettelijke uitkering als bedoeld in artikel 3:3, tweede lid, sub c, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB). Evenmin is de hardheidsclausule van artikel 4:1, elfde lid, van het AIB hier van toepassing. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/3669

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 november 2018 in de zaak tussen

Gemeente Utrecht, te Utrecht, eiseres

(gemachtigde: mr. L. van de Vrugt),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: M. Tiemersma).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam derde-partij], te [woonplaats] (werkneemster), gemachtigde: mr. B.M. Jurgens.

Procesverloop

Bij besluit van 21 april 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de hoogte van de uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) van werkneemster voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 30 april 2017 vastgesteld op

€ 420,86 per maand exclusief vakantiegeld.

Bij besluit van 27 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Werkneemster heeft geen toestemming gegeven om stukken die medische gegevens bevatten aan eiseres toe te zenden. De rechtbank heeft de medische stukken met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doen toekomen aan de door de eiseres ingeschakelde advocaat-gemachtigde.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door [A] , HR-adviseur bij eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Werkneemster is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Zoals hiervoor is weergegeven, heeft werkneemster geen toestemming gegeven om medische gegevens te delen met eiseres. Om te voorkomen dat deze gegevens alsnog door middel van deze uitspraak bij eiseres bekend raken, wordt het vermelden van medische gegevens hieronder daarom zo veel als mogelijk vermeden.

2.1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres is eigen risicodrager voor de Wet WIA. Werkneemster was in eerste instantie werkzaam bij eiseres als medewerkster huisvesting- en projectadministratie voor gemiddeld 36 uur per week. Op 29 december 2010 is zij uitgevallen als gevolg van gezondheidsklachten. Bij de einde wachttijd beoordeling in het kader van de Wet WIA is zij 19,44% arbeidsongeschikt bevonden, uitgaande van aangepast eigen werk gedurende 29 uur per week. Na een reorganisatie is werkneemster per 1 januari 2013 door eiseres aangenomen als vakspecialist boekhouden B. Op 28 maart 2013 is werkneemster opnieuw uitgevallen en is aan haar een WIA-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Per mei 2013 is zij gestart met re-integreren. Werkneemster heeft vervolgens met ingang van 23 februari 2015 een melding van een verslechtering van haar gezondheid gedaan en aangegeven dat zij nog 16 uur werkzaam is. Met ingang van 2 maart 2015 meldt zij nog een verslechtering van haar gezondheid, te weten dat zij op dat moment niet werkt. Per 22 april 2015 is werkneemster weer werkzaamheden gaan verrichten bij eiseres. Met ingang van 1 januari 2017 is werkneemster deel gaan nemen aan het zogenoemde generatiepact van eiseres op basis waarvan zij 66,67% (24 uur) van haar oorspronkelijke arbeidsduur van 36 uur is gaan werken. Haar aanstelling is daarbij niet gewijzigd. Zij ontvangt op basis van het generatiepact 75% van het bij haar oorspronkelijke arbeidsduur behorende loon en er vindt 100% pensioenopbouw plaats over de oorspronkelijke arbeidsduur. Dit heeft geleid tot de onder ‘Procesverloop’ vermelde besluiten.

2.2.

Uit de stukken blijkt dat het generatiepact erop is gericht om verjonging van het personeelsbestand van eiseres op gang te brengen. Het biedt medewerkers vanaf een bepaalde leeftijd de mogelijkheid vrijwillig minder te gaan werken. Eiseres compenseert een deel van de uren die medewerkers inleveren op basis van het generatiepact. Het geld dat wordt bespaard is bedoeld om nieuwe, jonge medewerkers een baan aan te bieden. De kenmerken van het generatiepact van eiseres zijn als volgt:

1. de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de periodieke uitkeringen uit hoofde van het generatiepact zijn vastgelegd in een lokale regeling;

2. de medewerker moet een vast dienstverband hebben met eiseres;

3. de medewerker moet minimaal 60 jaar of ouder zijn;

4. deelname aan het generatiepact stopt bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd;

5. de medewerker moet tenminste 60% van de oorspronkelijke arbeidsduur blijven werken;

6. de medewerker ontvangt een bepaald percentage van zijn loon over het bij de oorspronkelijke arbeidsduur behorende loon;

7. 100% pensioensopbouw over de oorspronkelijke arbeidsduur;

8. als een oudere medewerker eenmaal besloten heeft deel te nemen aan het generatiepact, kan deze beslissing niet meer worden teruggedraaid;

9. de medewerker kan zijn salaris aanvullen door gebruik te maken van (deeltijd) keuzepensioen bij ABP;

10. er mag geen sprake zijn van een verkapte regeling voor vervroegde uittreding.

3. In geschil is of verweerder bij de berekening van de hoogte van de WIA-uitkering van werkneemster rekening moet houden met het verlaagde loon als gevolg van haar (vrijwillige) deelname aan het generatiepact.

4. Eiseres stelt zich in beroep primair op het standpunt dat de betalingen die zij uit hoofde van het generatiepact aan werkneemster verricht, moeten worden aangemerkt als een oudedagsvoorziening in de zin van artikel 3:3, tweede lid, sub c, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB). Dit betekent dat het inkomen dat door werkneemster werd genoten in het aangiftetijdvak voor het aangiftetijdvak waarin zij startte met deelname aan het generatiepact als inkomen als bedoeld in artikel 3:2, eerste lid, van het AIB in aanmerking dient te worden genomen bij de verrekening van de WIA-uitkering van werkneemster; te weten 100% van haar oorspronkelijke loon in plaats van de op basis van het generatiepact uitgekeerde 75% van het oorspronkelijke loon. Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat haar belang erin is gelegen dat zij als eigen risicodrager de WIA-uitkering van werkneemster betaalt. Voordat zij deelnam aan het generatiepact kwam de WIA-uitkering van werkneemster niet tot uitbetaling vanwege haar inkomsten uit arbeid bij eiseres.

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een oudedagsvoorziening als bedoeld in artikel 3:3, tweede lid, sub c, van het AIB, maar van een gunstige arbeidsvoorwaarde. Het betreft een tussen werkgever en werknemer overeengekomen afspraak om verjonging van het personeelsbestand te bewerkstelligen, waardoor het generatiepact ook naar aard en strekking niet overeenkomt met een oudedagsvoorziening.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

7. Uit artikel 52 van de Wet WIA volgt dat inkomsten uit arbeid op de WIA-uitkering in mindering worden gebracht. Ingevolge het vierde lid van artikel 52 wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald wat onder inkomen als bedoeld in dit artikel wordt verstaan. Ter uitvoering hiervan is het AIB vastgesteld.

In artikel 3:2, eerste lid, sub a, van het AIB is bepaald dat onder inkomen wordt verstaan hetgeen onder loon wordt verstaan op grond van artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen voor de werknemer, bedoeld in artikel 1, onderdeel o, van die wet.

Artikel 3:3, tweede lid, van het AIB luidt als volgt:

Ingeval van een uitkeringsgerechtigde voor wie naast recht op een uitkering op grond van de Wet WIA of recht op een reguliere WW-uitkering recht bestaat op:

a. (…);

b. (…);

c. een uit een dienstbetrekking voortvloeiende periodieke uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening, dan wel een uitkering die voorafgaat aan die uitkering of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, of een op basis van een wettelijke regeling verstrekte uitkering die naar aard en strekking daarmee overeenkomt;

d. (…),

wordt tevens onder inkomen verstaan het inkomen, bedoeld in artikel 3:2, eerste lid, dat werd genoten in het aangiftetijdvak voor het aangiftetijdvak waarin recht ontstond op loon, bezoldiging respectievelijk uitkering.

8. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat op grond van artikel 3:3, tweede lid, sub c, van het AIB het inkomen dat door werkneemster werd genoten in het aangiftetijdvak voor het aangiftetijdvak waarin zij startte met deelname aan het generatiepact, als inkomen als bedoeld in artikel 3:2, eerste lid, van het AIB in aanmerking dient te worden genomen bij de verrekening van de WIA-uitkering van werkneemster. Het generatiepact leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot het verstrekken van een periodieke uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening dan wel daaraan voorafgaande uitkering of daarmee naar aard een strekking overeenkomende wettelijke uitkering, als bedoeld in artikel 3:3, tweede lid, sub c, van het AIB. Uit de door eiseres verstrekte informatie blijkt dat het generatiepact erop is gericht om verjonging van haar personeelsbestand op gang te brengen. Het geld dat wordt bespaard met het generatiepact is bedoeld om nieuwe, jonge mensen een baan te bieden. Het betreft een niet wettelijke regeling, die niet is bedoeld om oudere werknemers een periodieke uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening te verstrekken. Dat de regeling ook gunstig is voor oudere werknemers, doet aan het voorgaande niet af. De beroepsgrond slaagt niet.

9. Eiseres stelt subsidiair dat artikel 4:1, elfde lid, van het AIB moet worden toegepast, omdat het evident is dat sprake is van een kennelijk onredelijk resultaat. Navolging van het door verweerder ingenomen standpunt betekent immers dat werkneemster via haar uitkering op grond van de Wet WIA een financiële compensatie ontvangt voor loonderving als gevolg van haar vrijwillige keuze om deel te nemen aan het generatiepact en niet als gevolg van haar arbeidsongeschiktheid. Dit is onwenselijk. Ter onderbouwing van haar beroepsgrond verwijst eiseres naar de toelichting bij de definitie van ‘inkomen uit arbeid’ in de nota van toelichting bij het Besluit van 23 december 2010 tot vaststelling van een Inkomensbesluit voor de volksverzekeringen en de sociale voorzieningen (Stb. 2010, 869, p. 14). Daarnaast heeft het standpunt van verweerder tot gevolg dat maatschappelijke veranderingen zoals het generatiepact, die mogelijk wijzigingen dan wel aanpassingen in wet- en regelgeving behoeven om een onbedoeld effect dan wel oneigenlijk gebruik van het sociaalverzekeringsstelsel uit te kunnen sluiten, eerst ten koste gaan van dit stelsel, aldus eiseres. Ter zitting heeft eiseres nog verwezen naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 19 april 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1436) waarin is geoordeeld dat in de in die uitspraak aan de orde zijnde situatie het toerekenen van de afkoopsommen van het ouderdomspensioen aan de maand van uitbetaling tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt.

10. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er op grond van artikel 4:1, elfde lid, van het AIB uitsluitend sprake kan zijn van kennelijke onredelijkheid, indien de toerekening van het inkomen aan het tijdvak onredelijk is. Daar is volgens verweerder geen sprake van, omdat het een te verwachten effect is dat door een verlaging van de inkomsten de hoogte van de WIA-uitkering stijgt. Deze verhoging van de uitkering komt volgens verweerder voor het risico van eiseres. Daarnaast geeft verweerder aan dat de verwijzing van eiseres naar de nota van toelichting niet opgaat, omdat de daarin genoemde voorbeelden van (on)betaald verlof zien op tijdelijke onderbrekingen van de arbeid, terwijl deelname aan het generatiepact in principe tot aan de pensioengerechtigde leeftijd is en het hier in feite een verkorting van de arbeidsduur betreft. De aard en strekking van het generatiepact is geheel anders dan de aangehaalde verlofregelingen, aldus verweerder.

11. De rechtbank overweegt als volgt.

12. Ingevolge artikel 4:1, eerste lid, aanhef en onder a, van het AIB, voor zover relevant, wordt het inkomen voor de toepassing van de Wet WIA herleid tot een bedrag per kalendermaand. Op grond van het derde lid van artikel 4:1 wordt het loon door de uitkeringsgerechtigde geacht te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever of de inhoudingsplichtige van dat loon opgave heeft gedaan. Op grond van het vierde lid worden bij de toepassing van het eerste lid betalingen van het overig inkomen toegerekend aan de perioden waarin hierop recht bestaat. Op grond van het elfde lid bepaalt het UWV het inkomen op een andere wijze indien toepassing van dit artikel leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat.

13. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat artikel 4:1 van het AIB enkel ziet op de toerekening van het inkomen aan een bepaald tijdvak. Alleen als dat onredelijk uitpakt, kan sprake zijn van toepassing van de hardheidsclausule van artikel 4:1, elfde lid. Dit geval doet zich hier niet voor. Gelet hierop kan eiseres’ verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 19 april 2016 haar niet baten. De rechtbank merkt nog op dat het niet aan de rechter, maar aan de wetgever is om eventuele onredelijke gevolgen van de in het AIB neergelegde systematiek teniet te doen. De beroepsgrond slaagt niet.

14. Ter zitting is nog aan de orde gekomen of artikel 3:2, twintigste lid, van het AIB op de onderhavige situatie van toepassing kan zijn. Partijen hebben zich allebei op het standpunt gesteld dat er in de onderhavige situatie geen sprake is van een vorm van verlof als bedoeld in artikel 3:2, twintigste lid, zodat zij deze bepaling niet van toepassing achten. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om dit punt verder te bespreken.

15. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, voorzitter, en mr. R.C. Moed en

mr. ing. A. Rademaker, leden, in aanwezigheid van mr. S.M. Bakker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 november 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.