Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:6400

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
31-08-2018
Datum publicatie
08-01-2019
Zaaknummer
16/660320-16 (P)
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor een ramkraak met een auto waarvan de verdachte wist dat dit deze gestolen was. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 9 maanden en een taakstraf van 240 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/660320-16 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 31 augustus 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats]

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:

( [postcode] ) [woonplaats] , [adres]

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 augustus 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. H.A. Leepel en van hetgeen verdachte en mr. A.R. Jaarsma, advocaat te Vinkeveen, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1 op 23 oktober 2016 in Amsterdam, samen met een ander, een personenauto heeft gestolen, dan wel (subsidiair) in de periode van 23 tot en met 29 oktober 2016, samen met een ander, in Amsterdam en/of Woerden een personenauto heeft geheeld;

feit 2 op 29 oktober 2016 in Amsterdam, samen met anderen, kentekenplaten heeft geheeld;

feit 3 op 29 oktober 2016 in Woerden, samen met anderen, een ramkraak heeft gepleegd.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Het onder 1 primair ten laste gelegde kan niet wettig en overtuigend bewezen worden. Verdachte dient hiervan vrijgesproken te worden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair ten laste gelegde.

De raadsman heeft gesteld dat het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

vrijspraak

feit 1 primair

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte samen met een ander, een personenauto heeft gestolen.

Het dossier bevat aanwijzingen dat verdachte mogelijk betrokken is geweest bij de diefstal. Echter niet vastgesteld kan worden dat verdachte daadwerkelijk bij de diefstal betrokken was, laat staan wat zijn rol daarbij geweest is.

De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 1 primair tenlastegelegde

feit 2

De rechtbank acht het onder feit 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen.

Verdachte ontkent dat hij wist dat de kentekenplaten van diefstal afkomstig waren.

Uit de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen volgt niet dat verdachte wist of kon vermoeden dat de kentekenplaten op de personenauto van diefstal afkomstig waren.

De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 2 tenlastegelegde.

4.3.2

feit 1 subsidiair en feit 3

Verdachte heeft het onder 1 subsidiair en 3 tenlastegelegde bekend. De verdediging heeft geen vrijspraak voor deze feiten bepleit. De rechtbank acht deze feiten wettig en overtuigend bewezen en volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 17 augustus 2018;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , pagina 73 van proces-verbaalnummer 2016.335845;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] , pagina 52 en 53 van proces-verbaalnummer 2016.335845;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] , pagina 160 van proces-verbaalnummer 2016.335845;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] , pagina 47 en 48 van proces-verbaalnummer 2016.335845;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , pagina 50 van proces-verbaalnummer 2016.335845.

De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1. subsidiair

in de periode van 28 oktober 2016 tot en met 29 oktober 2016, te [plaatsnaam] en [plaatsnaam] , tezamen en in vereniging met een ander, een personenauto (merk Jaguar), voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededader ten tijde van het voorhanden krijgen van voornoemde personenauto wisten, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

3.

op 29 oktober 2016 te [plaatsnaam] , tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een winkelpand, gelegen aan de [adres] te [plaatsnaam] , heeft weggenomen meerdere jassen (merk Parajumpers), toebehorende aan [naam winkel] , waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1 subsidiair en 3 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 1 subsidiair

medeplegen van opzetheling;

feit 3

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 12 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren,

- een taakstraf van 240 uren, met aftrek van het voorarrest, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 120 dagen hechtenis.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het zich gerefereerd aan de eis van de officier van justitie. De verdediging heeft de rechtbank verzocht te kijken of wellicht het adolescentenstrafrecht van toepassing is.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een voorwaardelijke vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft samen met zijn medeverdachte een ramkraak gepleegd, met een auto waarvan verdachte wist dat deze gestolen was. Verdachte is degene die met de auto tegen de pui van de betreffende winkel is gereden. Boven en in de directe omgeving van de winkel bevonden zich woningen. Verdachte heeft met zijn handelen een enorme schade aan het betreffende pand en de inboedel daarvan veroorzaakt en de door hem gebruikte auto is total loss verklaard. Dergelijke feiten zorgen voor gevoelens van onrust en onveiligheid bij de benadeelde en in de maatschappij en veroorzaken financiële schade en overlast bij de betrokkenen.

De oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) gaan voor een ramkraak uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 9 maanden. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de opzetheling van een personenauto.

De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met de navolgende omstandigheden.

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij nooit eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Verdachte heeft na de bewezenverklaarde feiten ook geen nieuwe politiecontacten gehad. Voorts houdt de rechtbank rekening met de relatief jeugdige leeftijd van verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten, de schoolgang van verdachte en het grote tijdsverloop tussen het plegen van de feiten en de terechtzitting van 17 augustus 2018.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het over verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van de Reclassering Nederland van 20 februari 2018. De reclassering heeft geadviseerd het volwassenstrafrecht toe te passen. Verdachte maakt geen (overmatig) jeugdige indruk. Hij lijkt in staat te zijn om de risico’s van zijn gedrag voldoende in te schatten en weet zijn gedrag zelfstandig te organiseren. Geadviseerd wordt verdachte een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden.

De verdachte was ten tijde van de bewezenverklaarde feiten 19 jaar oud. De rechtbank ziet in de persoon van verdachte, de omstandigheden waaronder de bewezenverklaarde feiten zijn begaan en het reclasseringsrapport, geen aanknopingspunten om de bijzondere bepalingen voor jeugdige personen (overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77hh van het Wetboek van Strafrecht) toe te passen.

De rechtbank wijkt bij de straftoemeting af van de eis van de officier van justitie, nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie. De rechtbank spreekt verdachte immers vrij van het onder 2 tenlastegelegde.

Alles afwegende acht de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 9 maanden, met een proeftijd van twee jaar, passend en geboden. Daarnaast zal de rechtbank verdachte een werkstraf opleggen van 240 uur, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht. Voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht wordt de taakstraf vervangen door 120 dagen hechtenis.

9 BENADEELDE PARTIJ

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 3.474,42, bestaande uit materiële schade, ten gevolge van de aan verdachte onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen, hoofdelijk met de mededader, met daarbij de gevorderde wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering dient te worden verklaard. De verdediging heeft daartoe gesteld dat de geleden schade het gevolg is van het politieoptreden en dat deze schade derhalve via de verzekering van de politie afgedaan dient te worden. De verdediging heeft de vordering als zodanig niet betwist.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de vordering, gelet op de aard, ernst en omstandigheden van het feit en de in de vordering gegeven toelichting, voldoende onderbouwd.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat de geleden schade het gevolg is van het politieoptreden.

Verdachte is met de auto tegen de pui van het winkelpand gereden. Na het wegnemen van de goederen zijn verdachte en zijn mededader gevlucht en hebben zij de auto als vluchtwagen gebruikt. De rechtbank is van oordeel dat de schade aan de auto van benadeelde het in redelijkheid aan verdachte toe te rekenen gevolg is van het handelen van verdachte en zijn mededader voor en na de door hen gepleegde ramkraak. Het enkele feit dat er een aanrijding met een politieauto is ontstaan, toen de politie hen tot stoppen wilde dwingen, maakt dit niet anders.

Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van de hiervoor onder 5 bewezen verklaarde feiten rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade op € 3.474,42 en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 29 oktober 2016 tot de dag van volledige betaling.

De verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn/haar mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

De rechtbank zal in het belang van voornoemde benadeelde partij als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opleggen, omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die het bewezen geachte feit heeft toegebracht.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 subsidiair en 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder 1 subsidiair en 3 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het 1 subsidiair en 3 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

-veroordeelt verdachte tot:

- een gevangenisstraf van 9 maanden;

- bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;

- een taakstraf van 240 uren;

- beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 120 dagen hechtenis;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag;

Benadeelde partij

- wijst de vordering van [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 3.474,42, bestaande uit materiële schade;

- veroordeelt verdachte hoofdelijk met zijn mededader tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 oktober 2016 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 3.474,42 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 oktober 2016 tot de dag van de algehele voldoening, bij niet betaling aan te vullen met 44 dagen hechtenis, met dien verstande dat dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht, voorzitter, mrs. A.R. Creutzberg en

M.E. Falkmann, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 31 augustus 2018.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1. Primair

hij op of omstreeks 23 oktober 2016 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (personen)auto (merk Jaguar), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of het weg te nemen goed onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een sleutel, tot welks gebruik verdachte en/of zijn mededader(s) niet bevoegd was/waren;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 23 oktober 2016 tot en met 29 oktober 2016, te Woerden en/of Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een (personen)auto (merk Jaguar) heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemde (personen)auto wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moet(en) vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 29 oktober 2016, te Woerden en/of Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, één of meer kentekenpla(a)t(en) heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of

het voorhanden krijgen van voornoemde kentekenpla(a)t(en) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moet(en) vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 29 oktober 2016 te Woerden, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een winkelpand (gelegen aan de [adres] te Woerden), heeft weggenomen één of meer jas(sen) (merk Parajumpers), althans één of meer kledingstuk(ken), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam winkel] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht