Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:636

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
31-01-2018
Datum publicatie
23-02-2018
Zaaknummer
UTR 16/3972
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum bevordering tot senior GGP. Verweerder heeft geen deugdelijke motivering gegeven voor het standpunt dat eiser met ingang van 1 april 2016 dient te worden bevorderd. Beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en voorziet zelf in de zaak door de datum voor plaatsing in de functie van senior GGP op 1 april 2012 vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 16/3972

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 januari 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: S.A.J.T. Hoogendoorn),

en

De Korpschef van Politie Amsterdam-Amstelland, verweerder

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).

Procesverloop

Bij besluit van 19 maart 2014 (primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om hem te bevorderen naar de functie van Senior Gebiedsgebonden Politie (GGP) afgewezen.

Bij besluit van 20 november 2014 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 maart 2016 (UTR 14/7856) heeft deze rechtbank het besluit van
20 november 2014 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

Bij besluit van 27 juli 2016 (bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser opnieuw ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2016. Bij brief van
16 december 2016 heeft eiser de rechtbank verzocht het onderzoek te heropenen en nadere stukken overgelegd.

Op 11 januari 2017 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen drie weken te reageren op de brief van 16 december 2016.

Bij brief van 2 februari 2017 heeft eiser de rechtbank verzocht om toepassing te geven aan artikel 8:25 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ter zitting van 20 december 2017 heeft eiser verklaard dat hij dit verzoek niet langer handhaaft.

Bij brief van 24 augustus 2017 heeft verweerder de rechtbank bericht dat er binnenkort een positief besluit op het verzoek van eiser tot bevordering wordt genomen.

Bij besluit van 11 oktober 2017 heeft verweerder het primaire besluit en bestreden besluit I ingetrokken en eiser met ingang van 1 april 2016 naar de functie van Senior GGP bevorderd.

Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb acht de rechtbank het door eiser ingestelde beroep mede gericht tegen het besluit 11 oktober 2017 (bestreden besluit II).

Het volgende onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Partijen hebben ter zitting kenbaar gemaakt dat zij mogelijk tot een gezamenlijke oplossing kunnen komen. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten. Dit gelet op het eerdere procesverloop en het belang van eiser om op korte termijn duidelijkheid te krijgen. De rechtbank heeft daarna niet meer vernomen dat partijen tot een minnelijke schikking zijn gekomen, zodat zij tot een volledige bespreking van de beroepsgronden overgaat.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit I geheel is vervangen door het bestreden besluit II. Niet gesteld of gebleken is dat eiser nog belang heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit I. De rechtbank verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit I, dan ook niet-ontvankelijk wegens het inmiddels ontbreken van procesbelang. Voor de beantwoording van de vraag of aanleiding bestaat om een proceskostenveroordeling toe te kennen, verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 22.

Inhoudelijk

2. Eiser heeft aangevoerd dat uit het bestreden besluit II ten onrechte niet valt op te maken waarop verweerder de ingangsdatum van 1 april 2016 heeft gebaseerd en waarom verweerder de bevorderingsdatum niet heeft bepaald op de datum waarop hij aan het vereiste van drie jaar relevante werkervaring voldeed. Volgens eiser dient hij primair per 1 november 2010 bevorderd te worden, omdat de organisatie op die datum het loopbaanbeleid is gaan uitvoeren. Daarbij acht eiser van belang dat hij al sinds 2002 werkt in de (voorganger(s) van) de functie generalist GGP, dat hij met de beoordeling van
3 oktober 2014 over een beoordeling boven de norm beschikte en dat de eenheid […] voor de bevorderingsdatum aansluiting zoekt bij de datum waarop sprake is van drie jaar relevante werkervaring. Voor zover verweerder de bevorderingsdatum op bijzondere feiten en omstandigheden heeft gebaseerd, had hij ook per 1 november 2010 bevorderd moeten worden. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser verwezen naar de zaak van [A] (UTR 16/3567).
Subsidiair stelt eiser dat hij met ingang van 1 september 2012 dient te worden bevorderd, omdat hij op die datum zijn aanvraag heeft ingediend.

3. In het bestreden besluit II heeft verweerder de volgende motivering gegeven voor de bevorderingsdatum van 1 april 2016:

“Gelet op het vorenstaande wordt u met ingang van 1 april 2016 bevorderd naar de functie van senior GGP in salarisschaal 8.

Voor deze ingangsdatum voor bevordering is gekozen omdat al na de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 18 maart 2016 vastgesteld was dat de korpschef aanleiding had moeten zien of er – gezien uw bijzondere situatie – reden was om af te wijken van het beleid.”

4. De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat niet langer in geschil is dat eiser op 31 december 2012 over een beoordeling boven de norm beschikte. Daarnaast heeft verweerder toegelicht dat aan eiser een assessment is geboden, omdat zijn toenmalige leidinggevende [B] ( [B] ) na de uitspraak van deze rechtbank van 11 maart 2016 (UTR 14/7856) geen dan wel een negatief advies over de verwachte geschiktheid van eiser heeft gegeven. Inmiddels heeft eiser op 17 augustus 2017 met positief resultaat deelgenomen aan het assessment waaruit de verwachte geschiktheid is gebleken.
De rechtbank stelt verder vast dat verweerder desgevraagd heeft verklaard dat hij de in het bestreden besluit II gegeven motivering voor de bevorderingsdatum van 1 april 2016 niet begrijpt en dat eiser op een eerdere datum had moeten worden bevorderd. Volgens verweerder dient de ingangsdatum het moment te zijn waarop eiser aan alle voorwaarden voor bevordering voldeed.

5. Als uitwerking van het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector politie 2005-2007 is op

1 november 2010 de circulaire Harmonisatie arbeidsvoorwaarden politie tweede tranche (circulaire) in werking getreden (Stcrt. 2010, 19782). Een van de te harmoniseren onderwerpen is het in bijlage 6 van de circulaire opgenomen ‘Loopbaanbeleid van assistent A tot en met Senior in de GGP’ (loopbaanbeleid). Dit loopbaanbeleid is de vastlegging van de binnen de politie gemaakte collectieve afspraken ten aanzien van de mogelijkheden tot doorstroming van ambtenaren binnen de GGP naar een volgend niveau of volgende functie. Voor de doorstroming van generalist GGP (schaal 7) naar Senior GGP (schaal 8) is, voor zover hier van belang, als vereiste gesteld dat sprake is van ‘vakmanschap blijkend uit een recente beoordeling boven de norm met daarin opgenomen verwachte geschiktheid voor Senior GGP’. In april 2013 zijn nadere uitvoeringsafspraken vastgesteld. Appellant heeft het loopbaanbeleid alsmede de uitvoeringsafspraken ten grondslag gelegd aan zijn beslissingen inzake doorstroming (bevordering).

6. Bij uitspraak van 15 oktober 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3661) heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) uit de onder 5 bedoelde uitvoeringsafspraken, in onderlinge samenhang bezien, het volgende afgeleid:
“De ingangsdatum van de bevordering naar de functie van Senior GGP is de aanvraagdatum of, in het geval dit eerder is, de datum waarop het bevoegd gezag de afspraken is gaan uitvoeren (uitvoeringsdatum). Indien echter een medewerker al eerder dan de aanvraagdatum of de uitvoeringsdatum materieel aan alle voorwaarden voldeed, is de ingangsdatum van de bevordering de datum waarop aan die voorwaarden werd voldaan, met dien verstande dat de ingangsdatum niet verder terug gaat dan 1 november 2010. Of al op een eerder moment dan de aanvraagdatum of de uitvoeringsdatum sprake was van functioneren boven de norm en verwachte geschiktheid voor de functie van Senior GGP zal duidelijk en ondubbelzinnig uit een recente beoordeling - dat is een beoordeling vastgesteld op 1 november 2008 of later - moeten blijken. Is dat het geval, dan dient de ingangsdatum van de bevordering op dit eerdere moment - zij het niet voor 1 november 2010 - te worden gesteld. Dit geldt ook als de beoordeling, inhoudende dat geen sprake is van functioneren boven de norm en/of verwachte geschiktheid voor de functie van Senior GGP, in rechte geen stand kan houden en uit andere beschikbare stukken duidelijk en ondubbelzinnig blijkt dat al op dat eerdere moment aan de voorwaarden werd voldaan.”

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder geen deugdelijke motivering heeft gegeven voor het standpunt dat eiser met ingang van 1 april 2016 dient te worden bevorderd. De rechtbank is ambtshalve bekend met de vaste gedragslijn die verweerder hanteert bij gehonoreerde bevorderingen (zie de uitspraken van de CRvB van 26 november 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4345 en ECLI:NL:CRVB:2015:4346). Voor zover verweerder in het geval van eiser bij deze gedragslijn aansluiting heeft gezocht door de bevorderingsdatum van eiser te bepalen op de eerste de dag van de maand na de uitspraak van deze rechtbank van
11 maart 2016 (UTR 14/7856), is de rechtbank van oordeel dat daarmee in strijd met de uitvoeringsafspraken is gehandeld. Het bestreden besluit II komt dan ook in aanmerking voor vernietiging wegens een ondeugdelijke motivering.

8. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien en overweegt daartoe als volgt.

In het procesdossier bevinden zich – voor zover hier relevant – de volgende stukken:

a. a) een beoordeling van 3 oktober 2014 die is opgemaakt over de periode van
30 november 2011 tot en met 1 juli 2014;

b) een ongedateerd e-mailbericht van [B] aan [C] , de toenmalige gemachtigde van verweerder ( [C] );

c) een beoordeling van [D] ( [D] ) van 21 september 2016 over het functioneren van eiser in de periode van april tot en met december 2012, die op 15 december 2016 door [B] voor akkoord is ondertekend;

d) een e-mailbericht van [D] aan [C] van 12 december 2016;

e) een brief van [B] van 15 december 2016, die gevoegd is bij de door hem voor akkoord ondertekende beoordeling van [D] van 21 september 2016.

9. In de eerdere uitspraak van deze rechtbank van 11 maart 2016 (UTR 14/7856) is geoordeeld dat verweerder de beoordeling van 3 oktober 2014 op grond van artikel 4:84 van de Awb had moeten betrekken bij de vraag of er in het geval van eiser is voldaan aan het criterium boven de norm. Gelet op de uitspraken van de CRvB van 2 juni 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:2072) en van 20 april 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1536) had verweerder de beoordeling van 3 oktober 2014 – achteraf bezien – ook zonder toepassing van artikel 4:84 van de Awb bij de besluitvorming moeten betrekken. Uit het bestreden besluit II valt niet op te maken dat verweerder dit heeft gedaan. Uit het bestreden besluit is uitsluitend op te maken dat verweerder de zaak van eiser aan de hardheidcommissie heeft voorgelegd en als uitgangspunt heeft genomen dat er op 8 november 2013 sprake was van een beoordeling boven de norm. Uit het bestreden besluit II valt niet op te maken waarop de datum van 8 november 2013 is gebaseerd. Zoals in rechtsoverweging 4. is vermeld, heeft verweerder ter zitting aangevoerd dat hij er nu van uitgaat dat eiser op 31 december 2012 over een beoordeling boven de norm beschikte.
Daarnaast heeft verweerder in het bestreden besluit II over het criterium verwachte geschiktheid het volgende opgenomen:

Na de uitspraak van de Rechtbank is contact opgenomen met uw toenmalige leidinggevende, de heer [B] , met de vraag naar zijn advies over de verwachte geschiktheid op 31 december 2012. Deze gaf aan moeite te hebben met het ijkmoment
31 december 2012. Als de re-integratie destijds goed was ingezet, zou uw functioneren op

31 december 2012 gunstiger beoordeeld zijn. Naar zijn mening was het aan een groot aantal factoren te wijten, dat er op 31 december 2012 geen positief advies verwachte geschiktheid gegeven kon worden.”

10. De rechtbank is van oordeel dat de beoordeling van 3 oktober 2014 – die ziet op de periode van 30 november 2011 tot 1 juli 2014 – qua inhoud voldoet aan de eisen van het door verweerder gehanteerde beoordelingssysteem als omschreven in rechtsoverweging 10 van de eerdere uitspraak van deze rechtbank van 11 maart 2016 (UTR 14/7856). Deze beoordeling betreft in zijn totaliteit een beoordeling boven de norm. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat daaruit blijkt dat eiser in totaal negen D-scores heeft, waarvan drie onder de beoordelingskolom Professionaliteit, drie D-scores in de kolom Persoonlijke omgang en Sensitiviteit en drie D-scores in de kolom Resultaten. Verder staan geen A- of B-scores in de beoordeling van 3 oktober 2014.

11. Vervolgens rijst de vraag of deze beoordeling op de gehele periode ziet of slechts op een gedeelte daarvan. Voor eiser is in ieder geval van belang om te weten of deze beoordeling, gelet op de werkingssfeer van het loopbaanbeleid, ook ziet op een periode tot
1 januari 2013 (de einddatum van de werking van het loopbaanbeleid). De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt. Allereerst blijkt uit de uitspraak van de CRvB van 21 december 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:4417) dat verweerder als uitgangspunt neemt dat een beoordeling in beginsel geldt voor de gehele periode waarover deze is opgemaakt. De rechtbank kan uit de beoordeling van 3 oktober 2014 niet afleiden dat de totaalscore van negen D-scores uitsluitend ziet op een periode na
1 januari 2013. Uit de toelichting bij de beoordeling van 3 oktober 2014 leidt de rechtbank af dat eiser – in de periode dat hij gedetacheerd was aan het FDO – boven de norm heeft gefunctioneerd, nu daaruit naar voren komt dat men zeer tevreden was over eisers inbreng aan het FDO.

12. Uit het beroepschrift van 25 augustus 2016 blijkt dat eiser de eerste drie maanden van 2012 heeft gewerkt in het wijkteam […] , waar [B] destijds als zorginspecteur werkzaam was. In de periode van 1 april 2012 tot 31 december 2012 was eiser aan het FDO gedetacheerd, waarbij hij onder leiding van [D] stond.

[B] heeft in stuk b) over deze periode – voor zover hier relevant – het volgende vermeld:

“Ik ga nu in op een aantal vraagstukken aangaande onder andere begeleiding, coördinatie en leidinggeven. [voornaam van eiser] heeft in de periode waarin hij werkte aan zijn eigen ontwikkeling niet gedaan aan begeleiding. Daarvoor was geen ruimte. Die begeleiding geeft hij wel degelijk sinds hij is gedetacheerd bij het FDO. Deze detachering loopt inmiddels al een paar jaar. Mede omdat hij in volle breedte goed presteerde, waarbij hij zich onderscheidde in begeleiding van en leiding geven aan zijn directe collega’s, coördinatie van werkzaamheden en aanpak (doorpakken) van zaken is zijn detachering op zijn verzoek en met uitdrukkelijke instemming van de leiding van het FDO en de teamleiding van […] verlengd.

Juist in de afgelopen jaren heeft hij getoond te kunnen acteren als zijnde Senior (onderstreping rechtbank). Niet met zekerheid kan worden gesteld dat hij deze positieve kwaliteiten ook zou hebben getoond wanneer hij op het wijkteam zijn werkzaamheden zou hebben verricht.

Wanneer ik kijk naar de genoemde Kerncompetentie, die behoren bij de functie van senior GGP stel ik vast dat er wel degelijk sprake is van een zeer positieve ontwikkeling in die competenties. Voor wat betreft deze competenties verwijs ik naar de eerdergenoemde beoordeling (toevoeging rechtbank: beoordelingen over de periode tussen 10 juli 2010 en
30 november 2011 en de periode tussen 30 november 2011 en 1 juli 2014).

Kort samengevat komt het er op neer dat wanneer de ijkdatum van 31 december 2012 wordt gehanteerd [voornaam van eiser] niet aan de vereiste criteria voldoet. De beslissing van de teamleiding om [voornaam van eiser] niet voor te dragen is dus in mijn ogen op dat moment een correcte en weloverwogen beslissing geweest.”

13. De rechtbank is van oordeel dat [B] zich in stuk b) heeft uitgelaten over de vraag
of eiser aan het criterium verwachte geschiktheid voldoet door te stellen dat eiser in de afgelopen jaren heeft getoond te kunnen acteren als zijnde senior. Daarbij heeft [B] echter geen concrete periode aangegeven. [B] geeft in de laatste alinea weliswaar aan dat eiser op de ijkdatum van 31 december 2012 niet voldeed aan de vereiste criteria, maar naar het oordeel van de rechtbank sluit de gegeven samenvatting niet aan op wat hij daarvoor over eisers functioneren heeft vermeld en heeft [B] niet inzichtelijk gemaakt hoe hij eisers functioneren heeft vertaald naar het standpunt dat eiser niet aan de vereiste criteria voldeed. Vervolgens heeft [B] in de brief van 15 december 2016 (stuk e), voor zover hier relevant, het volgende verklaard:

“Ik heb het volste vertrouwen in het door Inspecteur [D] opgestelde schrijven, met betrekking tot het functioneren van dhr. [eiser] in de periode april tot en met december 2012.

Kennelijk heeft hij het niveau, dat is verwerkt in de op 1 juli 2014 (rechtbank begrijpt:
3 oktober 2014) opgemaakte beoordeling, op verschillende punten al bereikt tijdens de periode van detachering bij de afdeling, waaraan Inspecteur [D] als Teamchef leiding geeft.”

De rechtbank leidt uit de laatste geciteerde alinea af dat [B] terugkomt op wat hij in stuk b) heeft verklaard en zich op het gewijzigde standpunt stelt dat eiser in de periode van
1 april 2012 tot en met 31 december 2012 voldeed aan de vereiste criteria voor bevordering tot Senior GGP. De rechtbank vindt hiervoor ook steun in de onder rechtsoverweging 8. genoemde stukken c) en d).

14. [D] heeft in haar verklaring van 20 september 2016 (stuk c), die in hoofdlijn overeenkomt met de toelichting bij de beoordeling van 3 oktober 2014 (pagina’s 8/10), opgeschreven dat zij zeer tevreden is over eisers inbreng aan het FDO in 2012, dat eiser complexere zaken van medewerkers overneemt en hen bijstaat. Daarnaast verklaart zij dat eiser in die periode de rol van coördinator ongevraagd en zeer serieus oppakte en dat hij daarbij de juiste toon wist aan te slaan. Tot slot heeft [D] in het e-mailbericht van
12 december 2016 (stuk d) aan [C] het volgende geschreven:

“U (rechtbank: [C] ) zegt hierover het volgende:

Zowel de heer [B] als [D] deelden mij mee dat het oordeel van mevrouw [D] over de heer [eiser] in het tijdvak april 2012 tot en met 2012 (de rechtbank begrijpt:
31 december 2012) bekend waren en mee gewogen hebben bij het uiteindelijke oordeel over de heer [eiser] nl dat hij per eind december 2012 nog niet voldeed aan het vereiste omtrent de verwachte geschiktheid.

Ik (rechtbank: [D] ) lees dit niet in de mail van de heer [B] terug, dit is een interpretatie van de mail en mijns inziens niet de juiste.”

15. De rechtbank is van oordeel dat uit de onder 8. genoemde stukken a) tot en met e) ondubbelzinnig en duidelijk blijkt dat eiser gedurende de periode 1 april 2012 (de start van eisers detachering bij het FDO) tot en met 31 december 2012 voldeed aan de criteria ‘beoordeling boven de norm’ en ‘verwachte geschiktheid’. De rechtbank stelt vast dat verweerder verder geen specifieke argumenten heeft aangedragen waarom eiser in 2012 niet aan de overige gestelde criteria voor bevordering tot Senior GGP voldeed. Uit de processtukken is de rechtbank niet gebleken dat eiser al vóór 1 april 2012 aan de criteria ‘beoordeling boven de norm’ en ‘verwachte geschiktheid’ voldeed. De beroepsgronden slagen. Doende wat verweerder zou behoren te doen, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit II vernietigen en zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat eiser met ingang van 1 april 2012 wordt bevorderd.

15. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade omdat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Eiser betoogt dat de vergoeding voor de overschrijding moet worden vastgesteld op een bedrag van € 625,- per half jaar of deel daarvan. Ter ondersteuning van zijn betoog heeft eiser verwezen naar rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, met name het arrest van 26 oktober 2000, 30210/96 (ECLI:NL:XX:2000:AD5181) en het arrest van 29 maart 2006, 64699/01
(AB 2006/94). Eiser heeft hierbij gewezen op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 26 januari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009).

Ter zitting heeft eiser desgevraagd gesteld dat er sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die een hoger bedrag aan schadevergoeding rechtvaardigen. Volgens eiser heeft verweerder herhaaldelijk apert onjuiste besluiten genomen. Ook heeft de procedure als gevolg van het handelen van verweerder onnodig lang geduurd, wat heeft geleid tot onnodige stress en frustratie bij eiser.

17. De rechtbank overweegt dat in zaken zoals deze de redelijke termijn voor een procedure in twee instanties in beginsel niet is overschreden als die procedure in haar geheel niet langer niet langer dan twee jaar in beslag heeft genomen. Daarbij geldt dat in beginsel het bezwaar binnen een half jaar en het beroep binnen anderhalf jaar zouden moeten worden behandeld. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift tegen het primaire besluit I door verweerder op 16 oktober 2012 tot de datum van het bestreden besluit I van 27 juli 2016 zijn drie jaren en
negen maanden verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn in de bestuurlijke fase met drie jaar en drie maanden is overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn moet geheel worden toegerekend aan de bestuurlijke fase aangezien de rechterlijke fase – die vanaf het beroepschrift van 19 augustus 2016 is gestart – de duur van anderhalf jaar niet heeft overschreden. In beginsel is volgens vaste rechtspraak een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. In wat eiser heeft aangevoerd en ter zitting heeft toegelicht, ziet de rechtbank geen aanleiding om van het standaardtarief af te wijken. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de CRvB van 6 april 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1314). Uit het voorgaande volgt dat verweerder wordt veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 3500,-.

Proceskosten

18. De veroordeling van een partij in de proceskosten in bestuurlijke gedingen is geregeld in de artikel 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

19. Eiser heeft verzocht om een integrale proceskostenvergoeding. Volgens eiser is er sprake van bijzondere omstandigheden die een integrale proceskostenkostenvergoeding rechtvaardigen. Daartoe heeft eiser aangevoerd dat verweerder meerdere malen apert onjuiste besluiten heeft genomen. Hierdoor heeft eiser nodeloos moeten procederen. Ter zitting heeft eisers gemachtigde toegelicht dat de hele procedure eiser tot nu toe een bedrag van ongeveer € 3700,- gekost heeft.

20. Uitgangspunt van het Bpb bij vergoeding van door derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is dat een forfaitaire vergoeding wordt toegekend. In artikel 2, derde lid, van het Bpb is neergelegd dat hiervan in bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken. De toelichting bij het Besluit vermeldt dat in uitzonderlijke gevallen strikte toepassing van de regeling onrechtvaardig kan uitpakken en dat de rechter in bijzondere omstandigheden de volgens het Bpb berekende vergoeding - zonder af te doen aan het karakter van een tegemoetkoming in de daadwerkelijke kosten - kan verhogen of verlagen. Om te kunnen spreken van bijzondere omstandigheden zal een betrokkene, als gevolg van de werkwijze van een bestuursorgaan, uitzonderlijk hoge kosten hebben moeten maken.

21. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft gesteld dat hij uitzonderlijk hoge kosten heeft moeten maken. Ook uit de toelichting van eiser ter zitting, dat hij tot nu toe een bedrag van ongeveer € 3.700,- aan de gehele procedure heeft besteed, leidt de rechtbank niet af dat eiser uitzonderlijk hoge kosten heeft moeten maken. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om het onderzoek ter heropenen teneinde de facturen van de gemachtigde van eiser op te vragen. Dit betekent dat eiser met betrekking tot de kosten van rechtsbijstand een forfaitaire vergoeding toekomt volgens de bijlage van het Bbp.

22. De rechtbank ziet in de wijziging van het bestreden besluit I tijdens de beroepsprocedure en het gegrond verklaren van het beroep tegen het bestreden besluit II aanleiding om verweerder op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser als gevolg van dit besluit gemaakte proceskosten. Deze kosten worden voor het beroep met toepassing van het Bpb begroot op € 1503,- (1 punt voor het beroepschrift van 13 oktober 2017,
2 punten voor het verschijnen ter zitting van 14 december 2016 en 20 december 2017, met een waarde per punt van € 501,-- met een wegingsfactor 1) als kosten voor verleende rechtsbijstand. Ook moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit II gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit II waarin als datum voor plaatsing in de functie van senior GGP is vermeld 1 april 2016 en stelt deze datum vast op 1 april 2012 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder tot het betalen van een schadevergoeding van eiser tot een bedrag van € 3.500,-;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.503,-;

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Sneevliet, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.Y. Wong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.