Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:626

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
21-02-2018
Zaaknummer
16/707274-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 22-jarige man uit Utrecht is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot een gevangenisstraf van zestig dagen voor mishandeling. De man heeft in oktober 2017 de partner van zijn nicht mishandeld door hem met een kolf van een wapen op zijn hoofd te slaan. Twee medeverdachten zijn door de rechtbank vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/707274-17 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 21 februari 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1990] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres]

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 februari 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vorderingen en standpunten van de officier van justitie mr. A. Drogt en van hetgeen verdachte en mr. A.M. van Ginneken, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte, telkens samen met anderen in de nacht van 14 op 15 oktober 2017 te Utrecht:

Feit 1: opzettelijk [slachtoffer] van zijn vrijheid heeft beroofd;

Feit 2: [slachtoffer] heeft mishandeld;

Feit 3: [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 VRIJSPRAAK

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan. Zij baseer zich daarbij, kort gezegd, op de aangifte, de verklaring van [getuige] , het aantreffen van een wapen in de bosschage achter de woning van verdachte, het aantreffen van DNA-materiaal van aangever op het wapen, de inhoud van de tapgesprekken en het bij aangever aangetroffen letsel.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde feiten.

Zij heeft, samengevat, de betrouwbaarheid van de verklaring van aangever betwist en voorts bepleit dat er geen bewijsmiddelen zijn van enige betrokkenheid van verdachte bij de verweten gedragingen. Het aantreffen van bloedsporen van aangever op het wapen kan worden verklaard aan de hand van de verklaring van [medeverdachte 2] , namelijk dat een vechtpartij heeft plaatsgevonden tussen hem en aangever, waarbij [medeverdachte 2] aangever met het wapen heeft geslagen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan en zal hem dan ook vrijspreken. Dit oordeel berust op het volgende.

Op basis van de stukken die zich in het dossier bevinden kan worden vastgesteld dat er conflicten hebben plaatsgevonden in de familiesfeer. Aangever [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) heeft een relatie met [getuige] (hierna: [getuige] ). Zij is de zus van verdachte (hierna: [verdachte] ) en medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) en een nicht van medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ). De familie van [getuige] keurt de relatie tussen [getuige] en [slachtoffer] af.

Op zaterdag 14 oktober 2017, ergens tussen 22.00 en 23.00 uur, treffen [slachtoffer] en [medeverdachte 2] elkaar bij winkelcentrum De Klop in Utrecht. Hierna lopen de lezingen over hetgeen die avond en nacht is gebeurd uit elkaar.

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij het wapen, dat hij eerder had gevonden, wilde verkopen aan [slachtoffer] ter inlossing van zijn schuld aan [slachtoffer] uit de aankoop van drugs. Tussen hem en [slachtoffer] ontstond een vechtpartij, waarbij [medeverdachte 2] uiteindelijk met het wapen tegen het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen. Hierna rende [slachtoffer] weg in de richting van zijn huis en liet [medeverdachte 2] het wapen met toebehoren achter in bosschages nabij de woning van [verdachte] . [medeverdachte 2] heeft ontkend dat hij de bewuste avond of nacht [slachtoffer] heeft bedreigd of van zijn vrijheid heeft beroofd.

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij die avond niet alleen [medeverdachte 2] , maar ook [medeverdachte 1] heeft getroffen bij het winkelcentrum. [medeverdachte 1] stelde voor om gezamenlijk bij [verdachte] thuis te gaan praten. Vervolgens zijn zij de woning van [verdachte] binnen gegaan, waar ook [verdachte] aanwezig was. In deze woning is hij, aldus [slachtoffer] , door [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] van zijn vrijheid beroofd, mishandeld en bedreigd tot circa 3:00 uur zondagochtend 15 oktober 2017.

[medeverdachte 1] en [verdachte] ontkennen dat zij [slachtoffer] bewuste nacht hebben bedreigd, mishandeld of van zijn vrijheid hebben beroofd. Ook ontkennen zij gezamenlijk die avond en nacht in de woning te zijn geweest.

Op basis van het zich in het dossier bevindende bewijsmateriaal en de verklaring van [medeverdachte 2] ter terechtzitting kan slechts worden vastgesteld dat [slachtoffer] in de periode van 14 tot en met 15 oktober 2017 door [medeverdachte 2] is mishandeld. De rechtbank kan niet vaststellen dat [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] in de tenlastegelegde periode tezamen met [slachtoffer] in de woning hebben verbleven, laat staan dat dit tegen de wil van [slachtoffer] is gebeurd en hij daarbij is bedreigd en mishandeld. Er zijn geen bewijsmiddelen die deze verklaring van [slachtoffer] ondersteunen anders dan de verklaring van [getuige] , maar zij verklaart voornamelijk over hetgeen [slachtoffer] haar verteld heeft.

Er zijn daarnaast geen bewijsmiddelen die de verklaring van [slachtoffer] ondersteunen. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij onder meer met een wapen op zijn hoofd is geslagen, waarbij zijn bloed terecht is gekomen op zijn kleding en op de bank in de woning van [verdachte] waarop hij zat. Hij heeft het bloed mogen afwassen aan een wastafel in de slaapkamer. Hij heeft zich helemaal moeten uitkleden. Uit het onderzoek blijkt dat er geen DNA-materiaal van [slachtoffer] is aangetroffen op de bank of elders in de woning van [verdachte] . De verklaring van [medeverdachte 2] over de reden voor het aantreffen van het wapen in de buurt van de woning van [verdachte] wordt niet weerlegd door een ander bewijsmiddel.

[slachtoffer] heeft verklaard dat [verdachte] twee telefoons bij zich had, allebei van het merk Samsung, maar hij niet weet welke telefoon door [medeverdachte 2] is gebruikt voor het maken van foto’s of video-opnamen. Op 31 oktober 2017 is een telefoon merk Samsung type Galaxy S5 aangetroffen in de woning van [verdachte] en vervolgens in beslag genomen. Onder [medeverdachte 1] is een Huawei smartphone in beslag genomen. Op deze telefoons zijn geen foto’s of video-opnamen van een naakte [slachtoffer] aangetroffen, zoals hij heeft verklaard. De zogenoemde werktelefoon van [verdachte] is niet onderzocht op beeld- en video-opnamen, omdat zijn echtgenote geweigerd heeft de telefoon aan de politie ter beschikking te stellen.

Er is weliswaar een geneeskundige verklaring, gedateerd 18 oktober 2017, waarin verwondingen van [slachtoffer] aan zijn hoofd en hals worden beschreven, maar niet valt uit te sluiten dat deze verwondingen zijn ontstaan als gevolg van de vechtpartij met [medeverdachte 2] , zoals [medeverdachte 2] heeft verklaard. Hetzelfde geldt voor het aantreffen van het DNA-materiaal van [slachtoffer] op het wapen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 1, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen. Zij zal verdachte hiervan vrijspreken.

5 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder feit 1, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Ebbens, voorzitter, mrs. E.J.W. Verhaagh en C.A. van Beuningen, rechters, in tegenwoordigheid van I.W.H.M. Verheijen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 februari 2018.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 14 oktober 2017 tot en met 15 oktober 2017

te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer]

wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en / of beroofd

gehouden, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) opzettelijk

wederrechtelijk

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, gericht

en/of gericht gehouden op die [slachtoffer] , en/of

- tegen die [slachtoffer] gezegd waar hij moest gaan zitten, en/of

- tegen die [slachtoffer] gezegd (zakelijk weergegeven) dat hij niets

moest proberen omdat hij was omsingeld, althans woorden van gelijke aard of

strekking, en/of

- de vluchtweg van die [slachtoffer] -met zijn/hun licha(a)m(en) -

geblokkeerd, en/of

- de handen van die [slachtoffer] vastgehouden en/of

- ( met tape) de polsen van die [slachtoffer] aan elkaar geplakt /

gebonden, en/of

- ( met tape) de mond van die [slachtoffer] afgeplakt, en/of

- de jas en/of de trui van die [slachtoffer] uitgetrokken en/of

(vervolgens) die [slachtoffer] gedwongen om zichzelf helemaal uit te

kleden;

art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 14 oktober 207 tot en met 15 oktober 2017

te Utrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

[slachtoffer] heeft mishandeld door meermalen en/of met kracht op/tegen

het lichaam en/of het hoofd van die [slachtoffer] te slaan / stompen,

door de hals/keel van die [slachtoffer] (met kracht) vast te pakken

en/of te houden en/of door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal,

met de kolf van een (vuur)wapen, althans met een voorwerp, met kracht op het

hoofd te slaan;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij in of omstreeks de periode van 14 oktober 207 tot en met 15 oktober 2017

te Utrecht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

[slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

en/of met zware mishandeling, door

een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die

[slachtoffer] te richten en of gericht te houden en/of (daarbij) één of

meermalen de slede van dit wapen / voorwerp naar achteren te trekken,

en/of (daarbij)

tegen die [slachtoffer] en/of binnen de gehoorsafstand van die [slachtoffer]

te zeggen

- " laat mij zijn leven maar beëindigen", en/of

- " hij heeft mijn leven verpest en daar gaat hij nu voor boeten", en/of

- " ik heb een huwelijkspak aan en helemaal aangekleed, zodat ik helemaal jou

afmaak in huwelijkspak", en/of

- je hebt allemaal zwarte magie bij ons gebruikt en vanavond komt daar een

eind aan",

althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht