Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:615

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-02-2018
Datum publicatie
04-01-2019
Zaaknummer
UTR 17/2395 en UTR 17/2679
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Art. 84 Wet WIA. Bezwaar garantsteller eigenrisicodrager tegen verhaalsbesluiten WGA-uitkering niet-ontvankelijk verklaard. Uwv wijzigt standpunt in beroep. Beroepen gegrond, primaire besluiten herroepen. Geen vergoeding kosten rechtsbijstand in bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 17/2395 en UTR 17/2679

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 februari 2018 in de zaken tussen

ASR Schadeverzekeringen N.V. (ASR), te Utrecht, eiseres

(gemachtigde: mr. G. van Zon),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigden: W. van Nieuwburg en J. Knufman).

Procesverloop

UTR 17/2395:

Bij besluit van 25 april 2017 (het primaire besluit 1) heeft Uwv de WGA-uitkeringen, die Uwv heeft betaald aan (ex-)werknemers van [bedrijf 1] B.V., waaronder de WGA-uitkering van [A] over de periode van 1 april 2017 tot en met

30 april 2017, verhaald op de rechtsvoorgangster van ASR.

Bij besluit van 2 juni 2017 (het bestreden besluit 1) heeft Uwv het bezwaar van ASR kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om vergoeding van de kosten in bezwaar afgewezen.

UTR 17/2679:

Bij besluit van 25 april 2017 (het primaire besluit 2) heeft Uwv de WGA-uitkering, die Uwv heeft betaald aan de (ex-)werknemer van [bedrijf 2] B.V., [B] , over de periode van 4 april 2017 tot en met 30 april 2017, verhaald op ASR.

Bij besluit van 1 juni 2017 (het bestreden besluit 2) heeft Uwv het bezwaar van ASR kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om vergoeding van de kosten in bezwaar afgewezen.

UTR 17/2395 en UTR 17/2679:

ASR heeft tegen de bestreden besluiten 1 en 2 (de bestreden besluiten) afzonderlijk beroep

ingesteld.

Uwv heeft in het beroep met zaaknummer UTR 17/2679 een verweerschrift ingediend.

Uwv heeft bij brief van 20 oktober 2017 vragen van de rechtbank, die staan vermeld in de brief van 9 oktober 2017, beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2017. De rechtbank heeft tijdens de zitting de beroepen gelijktijdig behandeld met dertien andere beroepen van ASR tegen besluiten van Uwv. ASR heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, in aanwezigheid van [C] , werkzaam bij ASR. Ook zijn [D] , [E] , [F] en [G] , allen werkzaam bij ASR, verschenen. Uwv heeft zich in beide beroepen laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, die werkzaam zijn bij Uwv Alkmaar, alsmede door mr. [H] , werkzaam bij het Juridisch Kenniscentrum van Uwv Amsterdam.

Overwegingen

1. Uwv stelt zich in de bestreden besluiten op het standpunt dat ASR geen belanghebbende is bij de primaire besluiten 1 en 2, omdat deze besluiten ten onrechte naar ASR zijn verzonden.

2. ASR heeft aangevoerd dat Uwv in de bestreden besluiten erkent dat de primaire besluiten 1 en 2 ten onrechte aan haar zijn verzonden. Uwv erkent daarmee dat de primaire besluiten onrechtmatig waren jegens ASR. Daarom had Uwv de bezwaren van ASR gegrond moeten verklaren, de primaire besluiten moeten intrekken en een vergoeding voor de kosten in bezwaar moeten toekennen. De bezwaren van ASR tegen de primaire besluiten 1 en 2 zijn behandeld door [G] , werkzaam bij het bezwaarteam van ASR. De leden van dit team staan volgens ASR op de door Uwv gehanteerde interne lijst van rechtshulpverleners die de rechtsbijstand beroepsmatig verlenen. In andere zaken heeft Uwv wel de kosten in bezwaar vergoed.

3. Uwv heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat ASR wel belanghebbende is bij de primaire besluiten, omdat deze aan haar zijn gericht, zodat de bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard. Volgens Uwv is er geen aanleiding om de kosten in bezwaar te vergoeden, nu ASR niet namens een ander, maar voor zichzelf bezwaar heeft gemaakt. Ter zitting heeft Uwv toegelicht dat de kosten die het bezwaarteam van ASR heeft gemaakt, wel worden vergoed als ASR namens een ander bezwaar heeft gemaakt.

4. Nu Uwv ter zitting zijn standpunt heeft gewijzigd en heeft erkend dat ASR belanghebbende is bij de primaire besluiten, omdat deze besluiten geadresseerd zijn aan (de rechtsvoorgangster van) ASR, hetgeen de rechtbank juist oordeelt, zijn de beide beroepen gegrond. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onderdeel b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaken te voorzien. Nu Uwv heeft erkend dat het primaire besluit 1 ten onrechte aan de rechtsvoorgangster van ASR is verzonden, herroept de rechtbank het primaire besluit 1, voor zover daarbij de WGA-uitkering van [A] op ASR is verhaald. De rechtbank herroept om diezelfde reden eveneens het primaire besluit 2.

5. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat Uwv aan ASR de door haar betaalde griffierechten van € 46,- en € 333,- (samen € 379,-), vergoedt.

6. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de door ASR genoemde kosten voor de bezwaren, omdat niet is gebleken dat ASR zich in de bezwaarprocedures heeft laten bijstaan door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent. Naar het oordeel van de rechtbank kan [G] , werkzaam bij ASR, niet worden aangemerkt als een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent. Niet is gebleken dat voor de door

[G] verrichte werkzaamheden facturen aan ASR zijn verzonden. De rechtbank ziet wel aanleiding Uwv te veroordelen in de door ASR gemaakte proceskosten voor de beroepen. De rechtbank overweegt hierover dat de beroepen inhoudelijk sterk op elkaar lijken en dat deze gelijktijdig ter zitting zijn behandeld. Daarom merkt de rechtbank de beide beroepen aan als samenhangend in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), zodat de beroepen op grond van het eerste lid van dit artikel, als één zaak moeten worden beschouwd. De rechtbank stelt daarom de kosten op grond van het voorgaande en het Bpb voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor deze twee zaken vast op € 501,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,-, een wegingsfactor 0,5 in verband met het geringe gewicht van de zaak en een wegingsfactor 1 in verband met het aantal samenhangende zaken).

Beslissing

De rechtbank:

-
verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;

- herroept het primaire besluit 1 voor zover daarbij de WGA-uitkering van

[A] op ASR wordt verhaald;

- herroept het primaire besluit 2;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten;

- draagt Uwv op de betaalde griffierechten, in totaal een bedrag van € 379,-, aan ASR te vergoeden;

- veroordeelt Uwv in de proceskosten van ASR tot een bedrag van € 501,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M.H. van Ek, voorzitter, mr. J.W. Veenendaal en

mr. M.J. Slootweg, leden, in aanwezigheid van mr. S.B.M. Vreeswijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.