Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:6022

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-12-2018
Datum publicatie
07-12-2018
Zaaknummer
16/660246-17 (P)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2019:5038, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld tot een jeugddetentie van 180 dagen, waarvan 177 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast moet de man zich verplicht laten behandelen en is hij veroordeeld tot een werkstraf van 120 uur.

De jongeman heeft zich meerdere malen schuldig gemaakt aan seksueel overschrijdend gedrag tegenover meisjes. Hij heeft, op 17-jarige leeftijd, ontucht gepleegd met een meisje van 13 jaar. Ruim een jaar eerder heft hij zich schuldig gemaakt aan een poging tot verkrachting en diefstal met geweld.

Gelet op de inhoud van met name het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat de bijzondere voorwaarden die aan de verdachte zullen worden opgelegd en het toezicht door de reclassering, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/660246-17 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 7 december 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1999] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres

[adres] , [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren op 23 november 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. R.E. Craenen en van hetgeen de verdachte en mr. M.H.H. Meulemeesters, advocaat te Zeist, alsmede de benadeelde partij [slachtoffer 1] met advocaat T.C. Cooman en slachtoffer [slachtoffer 2] naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1: op 24 oktober 2016 te Zeist

primair : [slachtoffer 3] , geboren op [2003] , heeft verkracht door zich door haar te laten pijpen;

subsidiair : met die [slachtoffer 3] ontucht heeft gepleegd, terwijl zij de leeftijd van 12, maar nog niet die van 16 jaren had bereikt.

Feit 2: op 24 oktober 2016 te Zeist een kinderpornografische video heeft gemaakt, in bezit heeft gehad en heeft verspreid.

Feit 3: op 11 oktober 2015 te Zeist

primair : [slachtoffer 2] , geboren op [2000] , heeft verkracht door zich door haar te laten pijpen;

subsidiair : met die [slachtoffer 2] ontucht heeft gepleegd, terwijl zij de leeftijd van 12, maar nog niet die van 16 jaren had bereikt.

Feit 4: zich op 20 september 2015 te Zeist schuldig heeft gemaakt aan een poging tot verkrachting van [slachtoffer 1] .

Feit 5: op 20 september 2015 te Zeist met geweld een mobiele telefoon heeft gestolen van [slachtoffer 1] .

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wordt het volgende overwogen.

Standpunten

De raadsman heeft betoogd dat de redelijke termijn in deze zaak is overschreden. Deze overschrijding is volgens hem zodanig dat deze moet worden aangemerkt als een vormverzuim. Primair moet dit ten aanzien van alle feiten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Indien de rechtbank dit standpunt niet volgt, heeft de raadsman subsidiair betoogd dat het Openbaar Ministerie vanwege de termijnoverschrijding in ieder geval ten aanzien van de feiten 4 en 5 niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tijdsverloop wordt gerechtvaardigd door de stapsgewijze totstandkoming van het dossier die uiteindelijk heeft geleid tot vervolging van de verdachte. Indien de rechtbank al oordeelt dat er sprake is van een ongeoorloofde schending van de redelijke termijn, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat dit slechts aan de orde kan zijn bij feit 4 en 5 en dat dit, gelet op de rechtspraak van de Hoge Raad, voorts niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat de redelijke termijn aanvangt op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Als uitgangspunt heeft in deze (jeugd)zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen zestien maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen.

De rechtbank is van oordeel dat in de onderhavige zaak de aanhoudingen van de verdachte voor de afzonderlijke feiten moeten worden gezien als de eerste daad van vervolging, zoals hiervoor bedoeld. Voor de momenten van aanvang van de redelijke termijn geldt daarom in deze zaak het volgende.

De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat de verdachte voor de feiten 4 en 5 is aangehouden (en verhoord) op 24 augustus 2016. Hoewel tijdens het verhoor over de feiten 4 en 5 op 24 augustus 2016 al kort een vraag is gesteld over feit 3, is het daarbij gebleven. Naar aanleiding van die ene vraag heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank niet in redelijkheid op dat moment al mogen verwachten dat hij voor feit 3 zou worden vervolgd. Daarom gaat de rechtbank ook ten aanzien van feit 3 uit van de datum waarop de verdachte voor dit feit is aangehouden, te weten op 12 december 2017. Op diezelfde datum is de verdachte ook ten aanzien van de feiten 1 en 2 aangehouden.

Nu dit eindvonnis op de datum van 7 december 2018 is gewezen, stelt de rechtbank – gelet op hetgeen hiervoor is overwogen – vast dat ten aanzien van de feiten 1 tot en met 3 geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.

De rechtbank stelt evenwel vast dat deze termijn is overschreden ten aanzien van de feiten 4 en 5, te weten met ruim tien maanden.

Met betrekking tot de conclusies die al dan niet kunnen worden verbonden aan deze overschrijding van de redelijke termijn, overweegt de rechtbank dat de jurisprudentie van Hoge Raad helder is. Een dergelijke overschrijding leidt, zo oordeelt de Hoge Raad, niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, ook niet in uitzonderlijke gevallen, doch kan slechts een grond tot strafvermindering opleveren.1 Er bestaat voor de rechtbank geen aanleiding, om in deze zaak van deze rechtspraak af te wijken.

Gelet op het voorgaande kan het verweer dat zowel primair als subsidiair door de raadsman is gevoerd, niet slagen. De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder feit 1 subsidiair, feit 2, feit 4 en feit 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Hierover heeft hij nog het volgende opgemerkt.

Ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde is sprake van ontuchtig handelen. Alleen al vanwege het leeftijdsverschil, waarvan de verdachte op de hoogte moet zijn geweest, maar ook omdat uit het dossier blijkt dat er geen sprake was van seksuele gelijkwaardigheid.

Met betrekking tot het tweede feit heeft de verdachte een filmpje gemaakt van het onder 1 tenlastegelegde, hetgeen het maken van kinderporno oplevert. Bovendien heeft hij het filmpje als eerste gedeeld en daarmee verspreid.

Ook de feiten 4 en 5 kunnen worden bewezen gelet op de inhoud van het dossier en dezelfde handelwijze waarover aangeefster verklaard en die ook terugkomt bij de andere feiten op de dagvaarding.

Het onder 1 primair ten laste gelegde en het onder 3 ten laste gelegde acht de officier van justitie niet bewezen. In het bijzonder heeft hij nog opgemerkt dat de handelingen van de verdachte die bewezen kunnen worden, juridisch niet kunnen worden gekwalificeerd als dwang. De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte van deze feiten vrij te spreken.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de feiten zoals ten laste gelegd onder 1, 3, 4 en 5. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van het onder feit 1 primair ten laste gelegde zit in het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om de dwang aan te tonen. Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde kunnen de handelingen niet als ontucht worden gekwalificeerd omdat deze niet in strijd zijn met de sociaal-ethische norm, nu de aangeefster zich heeft voorgedaan als een meisje van 15 jaar oud en de verdachte ten aanzien van haar leeftijd daarom verontschuldigbaar heeft gedwaald.

Met betrekking tot het onder feit 3 primair ten laste gelegde ontbreekt het in het dossier wederom aan bewijs om de dwangcomponent te bewijzen. Ten aanzien van het subsidiair onder 3 ten laste gelegde geldt dat de seksuele handelingen die tussen cliënt en de aangeefster hebben plaatsgevonden, niet in strijd zijn met de sociaal-ethische norm, waardoor ook hier het ontuchtige karakter ontbreekt.

Ten aanzien van feit 4 en 5 bevindt zich in het dossier onvoldoende bewijs om tot een bewezenverklaring te komen, nu er buiten de verklaring van de aangeefster geen enkel ander bewijs is.

De raadsman heeft ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde geen vrijspraak bepleit. Wel heeft hij aangevoerd dat het gemaakte filmpje niet in het dossier is opgenomen, noch deugdelijk is omschreven. Verder heeft hij aangevoerd dat niet is bewezen dat de verdachte het filmpje heeft verspreid.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak van het onder feit 3 primair ten laste gelegde

De rechtbank stelt voorop dat slachtoffer [slachtoffer 2] ( [slachtoffer 2] ) heeft verklaard dat zij op 11 oktober 2015 seksuele handelingen bij de verdachte heeft uitgevoerd die verder zijn gegaan dan zij op dat moment heeft gewenst. Dat [slachtoffer 2] nog steeds last heeft van wat er toen is gebeurd, is gebleken uit de slachtofferverklaring die zij ter zitting heeft afgelegd.

De vraag die de rechtbank in deze zaak echter moet beantwoorden, is of in juridische zin kan worden bewezen dat de verdachte [slachtoffer 2] heeft gedwongen om hem te pijpen. De rechtbank acht die dwang onvoldoende bewezen op grond van de bewijsmiddelen in het dossier. In dat oordeel betrekt de rechtbank mede dat [slachtoffer 2] twee verklaringen heeft afgelegd die uiteen lopen. Zo noemt zij in haar aangifte bijvoorbeeld dat haar telefoon door de verdachte is afgenomen en dat zij deze pas zou terugkrijgen als zij hem pijpte, maar komt zij daar in haar latere verklaring niet meer op terug. Daardoor is de exacte feitelijke gang van zaken onvoldoende vast te stellen.

Wat in de beide verklaringen van [slachtoffer 2] duidelijk terug komt is dat de verdachte heeft gezegd dat, als zij hem niet zou pijpen, hij haar – kort gezegd – zwart zou maken via Facebook. Hoe hij dat zou gaan doen, heeft hij niet concreet gemaakt, aldus [slachtoffer 2] . Niet is gebleken dat verdachte bijvoorbeeld al belastende foto’s of filmpjes van [slachtoffer 2] in zijn bezit had die hij dreigde te verspreiden. De enkele omstandigheid dat de verdachte heeft gezegd haar zwart te zullen maken op facebook is te algemeen en levert in de door [slachtoffer 2] geschetste situatie naar het oordeel van de rechtbank in juridische zin geen dwang op.

Hoe onwenselijk het gedrag van de verdachte mogelijk ook is geweest; de rechtbank komt gelet op het voorgaande niet tot een bewezenverklaring en zal de verdachte daarom vrijspreken van het onder 3 primair ten laste gelegde.

Vrijspraak van het onder feit 3 subsidiair ten laste gelegde

Seksuele handelingen met iemand die twaalf jaar of ouder is maar jonger dan zestien jaar, die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam zijn in beginsel ontuchtig in de zin van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De bedoeling van dit wetsartikel is om de seksuele integriteit van jeugdige personen tot zestien jaar te beschermen, nu jeugdige personen tot (in ieder geval) zestien jaar niet of onvoldoende in staat worden geacht de consequenties van hun handelen volledig te overzien.

Uit de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie blijkt dat onder omstandigheden dit rechtsvermoeden van het ontuchtige karakter van de seksuele handelingen, kan worden weerlegd. Dat kan bijvoorbeeld wanneer de handelingen vrijwillig plaatsvinden tussen jeugdigen die niet veel in leeftijd verschillen en tussen wie eventueel een affectieve relatie bestaat.

De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 2] op het moment dat zij de seksuele handelingen bij de verdachte verrichte, 15 jaar oud was. De verdachte was kort daarvoor 16 jaar geworden. Het leeftijdsverschil tussen [slachtoffer 2] en de verdachte was zes maanden; naar het oordeel van de rechtbank een te gering verschil – mede gezien de levensfase waarin de verdachte en [slachtoffer 2] zich bevonden – om te kunnen spreken van een schending van de sociaal-ethische norm en daarmee van ontuchtig handelen door de verdachte.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verdachte ook van het subsidiair ten laste gelegde vrijspreken.

Bewijsmiddelen feit 1 subsidiair en feit 2 2

Aangeefster [slachtoffer 3] , geboren op [2003] , heeft tegen verbalisant [verbalisant 1] verklaard dat zij in oktober op de maandag na de herfstvakantie in het grote gebouw van school [school] was.3 Zij heeft toen [verdachte] in de wc gepijpt. Diezelfde avond hoorde ze van [verdachte] dat hij het pijpen had gefilmd. [verdachte] heeft [A] dit filmpje gestuurd.4

De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij op 24 oktober 2016 op [school] in Zeist was. Op de toiletten heeft [slachtoffer 3] hem gepijpt en daar heeft hij stiekem een filmpje van gemaakt. Dit filmpje heeft hij gestuurd naar [A] .5

Verbalisant [verbalisant 2] zag op het bewuste filmpje dat er daarop sprake was van een jong meisje welke een manspersoon orale seks gaf. Gezien de wijze van filmen zag hij dat het gefilmd was met een mobiele telefoon.6

Bewijsoverwegingen feiten 1 en 2

De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

Vrijspraak van het onder feit 1 primair ten laste gelegde

De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van het onder 1 primair ten laste gelegde, nu de ten laste gelegde dwang niet is bewezen. Hoewel tussen de verdachte en [slachtoffer 3] seksuele handelingen hebben plaatsgevonden die hebben ingehouden dat de verdachte [slachtoffer 3] oraal heeft gepenetreerd, acht de rechtbank op grond van het dossier onvoldoende bewezen dat de verdachte haar daartoe heeft gedwongen. Daarbij heeft de rechtbank mede betrokken dat er verschillen bestaan in de verklaringen die [slachtoffer 3] heeft afgelegd en haar verklaringen verder niet worden ondersteund door ander bewijs.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde

Op basis van voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het, buiten echt, plegen van ontuchtige handelingen met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt. De ontuchtige handelingen hebben mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Het rechtsvermoeden in de zin van artikel 245 Sr heeft de rechtbank in het voorgaande reeds uiteengezet. De verdediging heeft een beroep gedaan op de uitzonderingssituatie.

Anders dan de raadsman is de rechtbank in dit geval van oordeel dat geen uitzonderingssituatie aan de orde is. De rechtbank stelt voorop dat de seksuele handelingen zijn gepleegd toen de verdachte zeventien en het slachtoffer dertien jaar oud was. Dit leeftijdsverschil van vier jaren kan, zeker op die leeftijd, niet als gering worden aangemerkt. Verder bestond tussen hen geen affectieve relatie, kenden zij elkaar nauwelijks en was er een verschil in de fase van seksuele ontwikkeling waarin de verdachte en het slachtoffer zich bevonden. De rechtbank concludeert dat de bewezen verklaarde seksuele handelingen tussen de verdachte en het slachtoffer onder deze omstandigheden ontuchtig zijn in de zin van artikel 245 Sr. Dat de verdachte niet op de hoogte zou zijn geweest van de leeftijd van de aangeefster doet daar, nog los van hoe geloofwaardig die verklaring is, niet aan af. Het verweer van de raadsman kan dus niet slagen.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde op basis van de inhoud van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen. Gebleken is dat het filmpje door de verbalisant is gezien en door hem is beschreven wat op dit filmpje te zien is. Bovendien blijkt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte het filmpje heeft gemaakt en verstuurd. Dat hij het filmpje slechts naar één persoon heeft verstuurd, maakt niet dat er dan geen sprake is van verspreiden.

Bewijsmiddelen feiten 4 en 5 7

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij rond 13 september 2015 een berichtje kreeg van ‘ [verdachte] ’. Toen zij zijn whatsapp profielfoto zag, herkende zij hem van haar werk bij Etos te [vestigingsplaats] . Na een dag of twee kreeg zij een nieuw nummer van hem, zijnde [telefoonnummer] .

Op 20 september 2015 heeft [slachtoffer 1] in Zeist afgesproken met [verdachte] . Zij zag dat [verdachte] haar handtas pakte. Zij zag dat [verdachte] haar tas neerzette in het bosje. [verdachte] zei toen: “of je neukt met mij, of ik krijg je telefoon”.8 [slachtoffer 1] zei dat zij haar tas terug wilde, waarna [verdachte] zei “ik wil met jou neuken of ik wil je telefoon”. [slachtoffer 1] heeft toen haar tas gepakt en haar telefoon in haar BH gestopt. Zij is weggelopen. [verdachte] kwam naar haar toe en zei “of je neukt met mij of ik krijg je telefoon”. [verdachte] pakte [slachtoffer 1] bij haar borsten en riep toen “lekkere tieten”. Hij pakte toen gelijk haar telefoon uit haar BH. [verdachte] zei toen: “je hebt nu nog een keuze, of je hebt seks met mij of ik ga nu weg en ik heb je telefoon”. [slachtoffer 1] wilde haar telefoon terugpakken. [verdachte] sloeg haar toen in haar gezicht.

[slachtoffer 1] heeft op Facebook gekeken en zag dat zijn profielnaam was: ‘ [naam] ’.9 Later heeft zij gezien dat hij zijn profielnaam heeft veranderd in “ [naam] ” en dat hij op de profielfoto achter het stuur van een auto zit.10

[slachtoffer 1] heeft aangegeven dat haar weggenomen telefoon een Samsung Galaxy S5 betreft.11

Later heeft [slachtoffer 1] nog verklaard dat de man die haar telefoon afpakte (de rechtbank begrijpt: ‘ [verdachte] ’) nog bijna dagelijks in de winkel komt (de rechtbank begrijpt uit haar aangifte: Etos). Hij staat op de camerabeelden van Etos, welke beelden zij aan de verbalisant heeft overhandigd. Zij heeft verklaard dat het op de beelden de jongen is met de lederen jas met schuine rits, twee schuine ritsen op de heupzakken en twee rechte ritsen op de borst.12

[slachtoffer 2] heeft op 11 oktober 2015 aan de verbalisanten verklaard dat zij die dag in Zeist een jongen is tegengekomen die zij [naam] noemt.13 Naar aanleiding van dit gesprek met [slachtoffer 2] heeft verbalisant [verbalisant 3] als telefoonnummer van [naam] [telefoonnummer] genoteerd.14 De verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij de ‘ [naam] ’ is waar [slachtoffer 2] over heeft verklaard.

In een later gesprek heeft [slachtoffer 2] nog verklaard dat zij de jongen op de foto (de rechtbank begrijpt: de beelden die aangeefster [slachtoffer 1] beschikbaar heeft gesteld) herkent als de ‘ [naam] ’ waarover zij met betrekking tot het gebeuren op 11 oktober 2015 heeft verklaard. Verder heeft [slachtoffer 2] verklaard dat de jongen via Facebook nog contact met haar heeft gezocht onder de naam [naam] .15 Ter zitting heeft de verdachte verklaard dat hij degene is die is te zien op de Facebook profielfoto bij dat gesprek.16

Verbalisant [verbalisant 4] heeft verklaard dat hem afbeeldingen zijn getoond van een persoon die betrokken zou zijn bij het incident van 21 september 2015 (de rechtbank begrijpt: de beelden die aangeefster [slachtoffer 1] beschikbaar heeft gesteld). [verbalisant 4] herkende deze persoon als een jongen uit Zeist. Enkele dagen later heeft [verbalisant 4] die jongen staande gehouden.17 De jongen gaf [verbalisant 4] op te zijn [verdachte] , geboren op [1999] .18

Bewijsoverwegingen feiten 4 en 5

De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

De rechtbank acht, op basis van hiervoor weergegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft geprobeerd de aangeefster [slachtoffer 1] te dwingen om seks met hem te hebben en dat hij daarbij haar telefoon heeft gestolen.

Aangeefster heeft aan de politie een foto van de Etos overhandigd van de jongen die op 20 september 2015 onder dwang heeft geprobeerd seks met haar te hebben en haar telefoon heeft gestolen. Deze jongen maakt gebruikt van het telefoonnummer [telefoonnummer] en het Facebookprofiel “ [naam] ”. [slachtoffer 2] herkent de persoon op de beelden van de Etos als de ‘ [naam] ’ waarover zij een verklaring heeft afgelegd en die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] en het Facebookprofiel “ [naam] ”. De verdachte heeft erkend dat hij de [naam] is waarover [slachtoffer 2] heeft verklaard en dat hij te zien is op de Facebookprofielfoto van het profiel ‘ [naam] ’. De verdachte wordt bovendien door een verbalisant herkend als de jongen die te zien is op de foto van de Etos.

Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het de verdachte is geweest waarover de aangeefster [slachtoffer 1] heeft verklaard. Het verweer van de raadsman wordt gelet op het voorgaande verworpen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte:

1.

Subsidiair

op 24 oktober 2016 te Zeist met [slachtoffer 3] , geboren op [2003] , die de leeftijd van twaalf, maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die (mede) hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, te weten het met zijn, verdachtes, penis oraal penetreren van het lichaam van die [slachtoffer 3] .

2.

op 24 oktober 2016 te Zeist een video (gemaakt met zijn, verdachtes, mobiele telefoon) van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken, heeft verspreid en vervaardigd en in bezit heeft gehad en welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit het met zijn, verdachtes, penis oraal penetreren van het lichaam van een persoon, te weten [slachtoffer 3] , geboren op [2003] en (derhalve) een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt.

4.

Op 20 september 2015 te Zeist, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om door geweld en een andere feitelijkheid en door bedreiging met geweld en een andere feitelijkheid [slachtoffer 1] te dwingen tot het ondergaan van handelingen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, opzettelijk

- de handtas van die [slachtoffer 1] heeft afgepakt en die tas heeft neergezet in een bosje en daarbij meermalen heeft gezegd: 'of je neukt met mij, of ik krijg je telefoon', althans woorden van gelijke aard en strekking en

- die [slachtoffer 1] bij haar borsten heeft gepakt en daarbij heeft gezegd: 'lekkere tieten' en vervolgens de telefoon van die [slachtoffer 1] uit haar BH heeft gepakt en vervolgens heeft gezegd: 'je hebt nu nog een keuze, of je hebt seks met mij of ik ga nu weg en ik heb je telefoon' en

- die [slachtoffer 1] in het gezicht heeft geslagen,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

5.

Op 20 september 2015 te Zeist met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (Samsung Galaxy S5), toebehorende aan [slachtoffer 1] , welke diefstal werd voorafgegaan en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte,

- de handtas van die [slachtoffer 1] heeft afgepakt en die tas heeft neer gezet in een bosje endaarbij meermalen heeft gezegd: 'of je neukt met mij, of ik krijg je telefoon', althans woorden van gelijke aard en strekking en

- die [slachtoffer 1] bij haar borsten heeft gepakt en daarbij heeft gezegd: 'lekkere tieten' en vervolgens de telefoon van die [slachtoffer 1] uit haar BH heeft gepakt en vervolgens heeft gezegd: 'je hebt nu nog een keuze, of je hebt seks met mij of ik ga nu weg en ik heb je telefoon' en

- die [slachtoffer 1] in het gezicht heeft geslagen.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 1, subsidiair: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;

feit 2: een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, vervaardigen, verspreiden en in bezit hebben;

feit 4: poging tot verkrachting;

feit 5: diefstal, voorafgegaan van bedreiging met geweld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en om het bezit van het gestolene te verzekeren.

7 STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een jeugddetentie van 180 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 177 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als (bijzondere) voorwaarden dat de verdachte:

* verplicht meewerkt aan reclasseringstoezicht van Reclassering Nederland;

* zijn medewerking verleent aan een behandeling bij De Waag;

* zich zal houden aan een contactverbod met de slachtoffers [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] ;

- een taakstraf voor de duur van 120 uren, met aftrek van het voorarrest, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 60 dagen jeugddetentie.

De officier van justitie heeft daarbij gevorderd de op te leggen bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich, in het verlengde van de door hem bepleite vrijspraken, op het standpunt gesteld dat de door de officier van justitie geëiste strafmaat moet worden gematigd. Ook dient het tijdsverloop in zijn visie straf matigend te werken.

Het opleggen van bijzondere voorwaarden acht de raadsman niet nodig. Het inzetten van een behandeltraject is op dit moment niet meer aan de orde vanwege het tijdsverloop. Oplegging van een contactverbod is ook niet nodig, maar indien dit wordt opgelegd zal de verdachte zich hieraan houden.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich meerdere malen schuldig gemaakt aan seksueel overschrijdend gedrag tegenover meisjes.

Ten eerste heeft hij op zeventienjarige leeftijd ontucht gepleegd met een meisje van dertien jaar. Hij heeft zich door haar in een toilethokje van een middelbare school laten pijpen. Hier heeft de verdachte het niet bij gelaten; met zijn mobiele telefoon heeft hij het pijpen opgenomen en uiteindelijk heeft hij dit filmpje naar iemand anders gestuurd. Het filmpje is op enig moment de gehele school doorgegaan, met alle gevolgen van dien; met name voor het slachtoffer. Door dergelijk materiaal te maken, in bezit te houden en te verspreiden heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de privacy van het slachtoffer.

Ruim een jaar voor bovenstaand incident heeft de verdachte zich ook al eens schuldig gemaakt aan een poging tot verkrachting en gelijktijdig een diefstal met geweld van een mobiele telefoon van een slachtoffer. Daarbij heeft hij het slachtoffer betast, haar telefoon afgenomen, gedreigd deze niet terug te geven indien zij geen seks met hem zou hebben en haar vervolgens geslagen. Niet alleen heeft de verdachte het slachtoffer hiermee angst aangejaagd en zich denigrerend naar haar opgesteld; ook heeft hij blijk gegeven van geen enkel respect voor (de grenzen van) het slachtoffer en slechts oog te hebben gehad voor zijn eigen seksuele en financiële gewin. De rechtbank rekent deze berekenende en respectloze wijze van handelen de verdachte aan. Hoewel hij ter terechtzitting zelf heeft aangegeven soms een stapje te ver te zijn gegaan, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank desondanks weinig blijk gegeven verantwoordelijkheid te nemen voor de herhaaldelijke inbreuken op de persoonlijke levenssfeer en lichamelijke integriteit van zijn slachtoffers.

Het is een feit van algemene bekendheid dat berovingen en (pogingen tot) seksueel misbruik tot psychische schade leiden en dat de slachtoffers daarvan langdurig de gevolgen (kunnen) meedragen. Zo blijkt ook uit de verklaring die [slachtoffer 1] ter zitting heeft voorgelezen. Ondanks dat de gebeurtenis tussen de verdachte en [slachtoffer 1] in september 2015 heeft plaatsgevonden, bestaat er bij haar nog altijd een grote angst en bezoekt zij hiervoor nog steeds een psycholoog.

Gelet op de ernst van de feiten kan niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt.

De persoon van de verdachte

Ten aanzien van de persoon van de verdachte zijn verschillende rapportages opgesteld. Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een reclasseringsadvies van 14 mei 2018, opgesteld door J. Veel van Reclassering Nederland;

- een rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming van 22 november 2018, opgesteld door M. Cijs.

Uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming blijkt dat er zorgen bestaan over het vermijdende gedrag van de verdachte; na het vroeghulpgesprek heeft de Raad voor de Kinderbescherming hem niet meer kunnen bereiken. Ook het persoonlijkheidsonderzoek door het NIFP en het begeleidingstraject bij de reclassering zijn om die reden niet (volledig) van de grond gekomen. De zorgen worden gesterkt doordat er sprake lijkt te zijn van een patroon in het delictgedrag over een langere periode. Indien de verdachte schuldig wordt bevonden, is de Raad voor de Kinderbescherming van mening dat begeleiding en behandeling nodig is die is gericht op seksualiteit, grenzen hierbinnen en het respecteren van grenzen van anderen.

In beide rapporten wordt geadviseerd om aan de verdachte, een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte wordt verplicht zich te laten behandelen bij De Waag.

De straf

De oriëntatiepunten voor straftoemeting voor jeugdigen van het LOVS gaan voor het seksueel binnendringen van een kind beneden de 16 jaar uit van 6 maanden jeugddetentie. Als strafverzwarende omstandigheden wordt, voor zover in deze zaak aan de orde, genoemd de leeftijd van het slachtoffer. Voor een diefstal met geweld wordt in de oriëntatiepunten uitgegaan van een taakstraf vanaf 60 uren, dan wel (dienovereenkomstige) jeugddetentie. In deze zaak kan daar als strafverzwarende factor gelden de kwetsbaarheid van het slachtoffer, waarvan blijkt in het procesdossier.

Deze twee feiten zal de rechtbank als uitgangspunt nemen in de strafbepaling, met dien verstande dat in strafverzwarende zin ook met (de ernst van) feit 2 rekening zal worden gehouden in de strafoplegging.

De rechtbank houdt er bij het opleggen van de straf ook rekening mee dat de verdachte na het plegen van het bewezenverklaarde op 17 oktober 2017 is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uren waarvan 40 uren voorwaardelijk. De rechtbank heeft de voorschriften toegepast die gelden voor de situatie waarin de verdachte een straf zou zijn opgelegd voor alle feiten tegelijk.

Onder verwijzing naar hetgeen is overwogen onder 3, stelt de rechtbank vast dat sprake is van een overschrijding van redelijke termijn in deze zaak ten aanzien van de feiten 4 en 5. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de op te leggen straf. De rechtbank zal deze verdiscontering – evenals de officier van justitie – toepassen op de op te leggen jeugddetentie; deze zal lager uitvallen dan de richtlijnen van het LOVS voorschrijven en zal bijna geheel voorwaardelijk worden opgelegd.

Om ervoor te zorgen dat de kans dat verdachte in de toekomst strafbare feiten zal plegen wordt verkleind zal een deel van de jeugddetentie voorwaardelijk worden opgelegd met een proeftijd van twee jaar. Daarbij neemt de rechtbank ten eerste het advies van de Raad voor de Kinderbescherming met betrekking tot de op te leggen bijzondere voorwaarden over, wat in de kern een behandelverplichting bij De Waag inhoudt.

Voorts ziet de rechtbank ook in het door de officier van justitie gevorderde contactverbod met de slachtoffers een toegevoegde waarde, met name vanwege de gevolgen die het gebeurde voor de slachtoffers heeft gehad en de angst die het voor hen heeft meegebracht.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen..

Gelet op de inhoud van met name het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat de bijzondere voorwaarden die aan de verdachte zullen worden opgelegd en het toezicht door de reclassering, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een jeugddetentie voor de duur van 180 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 177 dagen voorwaardelijk met de bijzondere voorwaarden zoals bij de beslissing te noemen, alsmede een werkstraf voor de duur van 120 uren, passend en geboden is.

9 BENADEELDE PARTIJ

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 1.084,63. Dit bedrag bestaat uit € 834,63 materiële schade en € 250,- immateriële schade, ten gevolge van de aan de verdachte onder 4 en 5 ten laste gelegde feiten.

De materiële schade bestaat uit de volgende posten: € 66,16 aan reiskosten voor deze strafprocedure, € 66,46 aan reiskosten voor therapie, € 30,- aan telefoon/portokosten, € 189,75 voor afbetalingskosten van de gestolen telefoon en € 482,26 aan kosten voor de aanschaf van een nieuwe telefoon. De laatste twee kostenposten hebben specifiek betrekking op het onder 5 ten laste gelegde.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de vordering niet betwist.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de materiële schade

De feiten 4 en 5 zijn bewezen verklaard. Vast staat dat de benadeelde partij als gevolg van deze feiten rechtstreeks materiële schade heeft geleden.

De schade voor zover deze betrekking heeft op de schadeposten reiskosten voor de strafprocedure, reiskosten voor therapie en telefoon/portokosten ter hoogte van in totaal € 162,62 komt voor vergoeding in aanmerking.

Met betrekking tot de schade voor zover die ziet op de gemaakte kosten voor de telefoon, overweegt de rechtbank dat de rechtstreekse schade bestaat uit de (dag)waarde van de gestolen telefoon. Uit de stukken blijkt dat de gestolen telefoon een nieuwwaarde had van € 503,95. Dat bedrag zal daarom als uitgangspunt worden genomen in de schadebepaling. De rechtbank stelt voorts vast dat de telefoon is gekocht op 21 oktober 2014 en dat de telefoon op het moment van wegnemen dus bijna een jaar oud was. De rechtbank zal daarom de dagwaarde van de weggenomen telefoon bepalen op € 450,- en dat bedrag aanmerken als rechtstreekse schade die voor toewijzing vatbaar is.

Om dubbeltelling te voorkomen, acht de rechtbank overige gevorderde kosten met betrekking tot de telefoon niet voor toewijzing vatbaar. De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, de vordering ter zake van de materiële schade toewijzen tot het bedrag van € 612,62, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 20 september 2015 tot de dag van volledige betaling.

Ten aanzien van de immateriële schade

De feiten 4 en 5 zijn bewezen verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg deze feiten ook rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Dit is voldoende onderbouwd, nu uit de vordering en de toelichting is gebleken dat het gebeurde een grote impact heeft gehad op de benadeelde partij. Zij is zeer angstig geworden en nog steeds bezoekt zij een psycholoog in verband met haar angststoornis.

De rechtbank waardeert de immateriële schade op € 250,- en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Niet-ontvankelijkheid

De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De behandeling van de vordering levert voor dat deel een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering, te weten een bedrag van € 222,01, niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Kosten

De verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 862,62, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 20 september 2015 tot de dag van volledige betaling. Als door de verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden vervangen door 1 dag jeugddetentie, waarbij toepassing van de jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 55, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 240b, 242, 245, 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Ontvankelijkheid officier van justitie

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van de verdachte ten aanzien van de ten laste gelegde feiten;

Vrijspraak

- verklaart het onder 1 primair en het onder 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bewezenverklaring

- verklaart het onder feit 1 subsidiair, 2, 4 en 5 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart de verdachte strafbaar.

Oplegging straf

- veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie van 180 dagen;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de jeugddetentie een gedeelte van 177 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* zijn medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

* zich in het kader van de maatregel van Toezicht en Begeleiding, binnen drie dagen na dit vonnis meldt bij Samen Veilig Midden-Nederland, Tiberdreef 8 te Utrecht, en zich daarna gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen dient te blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zo lang die instelling dat noodzakelijk acht;

* zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van De Waag of soortgelijke ambulante forensische zorg, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met de slachtoffers, te weten [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* waarbij Samen Veilig Midden-Nederland opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

- beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn.

- Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 120 uren;

- beveelt dat voor het geval de verdachte de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de werkstraf wordt vervangen door 60 dagen jeugddetentie.

Voorlopige hechtenis

- heft op het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Benadeelde partij

  • -

    wijst de vordering van [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 862,62,-;

  • -

    veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 september 2015 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    verklaart [slachtoffer 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 862,62,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 september 2015 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling te vervangen door 1 dag jeugddetentie;

  • -

    bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.F. Koenis, voorzitter, tevens kinderrechter, mrs. C.E.M. Nootenboom-Lock en C. van de Lustgraaf, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.S.A. Honing, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 december 2018.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 24 oktober 2016 te Zeist, althans in het arrondissement Midden-Nederland, door geweld en / of een andere feitelijkheid en / of door bedreiging met geweld en / of een andere feitelijkheid [slachtoffer 3] , geboren op [2003] , heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handelingen(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , te weten het met zijn, verdachtes, penis oraal penetreren van het lichaam van die [slachtoffer 3] , hebbende verdachte die [slachtoffer 3] in de wc getrokken en/of aan de haren getrokken en/of op de wc pot geduwd en/of voor de deur gestaan en/of zijn broek naar beneden getrokken en/of die [slachtoffer 3] in haar gezicht geslagen en/of het hoofd van die [slachtoffer 3] gepakt en/of (vervolgens) in de richting van zijn penis geduwd;

art 242 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 24 oktober 2016 te Zeist, althans in het arrondissement Midden-Nederland, met [slachtoffer 3] , geboren op [2003] , die de leeftijd van twaalf, maar nog niet die van zestien jaren bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die hebben bestaan uit of mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, te weten het met zijn, verdachtes, penis oraal penetreren van het lichaam van die [slachtoffer 3] ;

art 245 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 24 oktober 2016 te Zeist, althans in het arrondissement Midden-Nederland, meermalen, althans eenmaal, telkens (een) afbeelding(en) en/of (een) gegevensdrager(s), bevattende (een) afbeelding(en) - te weten een video (gemaakt met zijn, verdachtes, mobiele telefoon) van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, heeft verspreid en/of vervaardigd en/of verworven en/of in bezit heeft gehad en/of welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit het met zijn, verdachtes, penis oraal penetreren van het lichaam van een persoon, te weten [slachtoffer 3] , geboren op [2003] en (derhalve) een persoon die kennelijk de

leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt;

art 240b lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

Primair

hij op of omstreeks 11 oktober 2015 te Zeist, althans in het arrondissement Midden-Nederland, door geweld en / of een andere feitelijkheid en / of door bedreiging met geweld en / of een andere feitelijkheid [slachtoffer 2] , geboren op [2000] , heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handelingen(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , te weten het met zijn, verdachtes, penis oraal penetreren van het lichaam van die [slachtoffer 2] , hebbende verdachte die [slachtoffer 2] bij de hand gepakt en/of meegetrokken en/of de borsten en/of het (met kleding bedekte) geslachtsdeel van die [slachtoffer 2] betast en/of de telefoon van die [slachtoffer 2] afgepakt en (daarbij) gezegd dat hij, verdachte, die telefoon pas terug geeft als die [slachtoffer 2] hem pijpt en/of gedreigd berichten (over die [slachtoffer 2] ) te plaatsen op Social Media;

art 242 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 11 oktober 2015 te Zeist, althans in het arrondissement Midden-Nederland, met [slachtoffer 2] , geboren op [2000] , die de leeftijd van twaalf, maar nog niet die van zestien jaren bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die hebben bestaan uit of mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, te weten het met zijn, verdachtes, penis oraal penetreren van het lichaam van die [slachtoffer 2] ;

art 245 Wetboek van Strafrecht

4.

Voorheen parketnummer 660224-16

hij op of omstreeks 20 september 2015 te Zeist, althans in het arrondissement Midden-Nederland ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om door geweld en / of een andere feitelijkheid en / of door bedreiging met geweld en / of een andere feitelijkheid [slachtoffer 1] te dwingen tot het ondergaan van handelingen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, opzettelijk

- de handtas van die [slachtoffer 1] heeft afgepakt en/of die tas heeft neer gezet in een bosje en/of (daarbij) meermalen heeft gezegd: 'of je neukt met mij, of ik krijg je telefoon', althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- die [slachtoffer 1] bij haar borsten heeft gepakt en/of (daarbij) heeft gezegd: 'lekkere tieten' en/of (vervolgens) de telefoon van die [slachtoffer 1] uit haar BH heeft gepakt en/of (vervolgens) heeft gezegd: 'je hebt nu nog een keuze, of je hebt seks met mij of ik ga nu weg en ik heb je telefoon' en/of

- die [slachtoffer 1] in het gezicht heeft geslagen,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 242 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 20 september 2015 te Zeist, althans in het arrondissement Midden-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (Samsung Galaxy S5), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en / of vergezeld en / of gevolgd van geweld en / of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en / of gemakkelijk te maken en / of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en / of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte,

- de handtas van die [slachtoffer 1] heeft afgepakt en/of die tas heeft neer gezet in een bosje en/of (daarbij) meermalen heeft gezegd: 'of je neukt met mij, of ik krijg je telefoon', althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- die [slachtoffer 1] bij haar borsten heeft gepakt en/of (daarbij) heeft gezegd: 'lekkere tieten' en/of (vervolgens) de telefoon van die [slachtoffer 1] uit haar BH heeft gepakt en/of (vervolgens) heeft gezegd: 'je hebt nu nog een keuze, of je hebt seks met mij of ik ga nu weg en ik heb je telefoon' en/of

- die [slachtoffer 1] in het gezicht heeft geslagen;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 ECLI:NL:HR:2015:2465.

2 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 5 januari 2017, genummerd PL0900-2017362371, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 1 tot en met 235. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

3 een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] , pagina 88.

4 een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] , pagina 89.

5 het proces-verbaal van de terechtzitting van 23 november 2018.

6 een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] , pagina 71.

7 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 29 september 2016, genummerd PL0900-2015303450, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 82. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

8 een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , pagina 55.

9 een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , pagina 56.

10 een proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer 1] , pagina 62.

11 een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , pagina 56.

12 een proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer 1] , pagina 59.

13 een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 5] en [verbalisant 3] , pagina 24.

14 een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 3] , pagina 31.

15 een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , met bijlagen, pagina 38.

16 het proces-verbaal van de terechtzitting van 23 november 2018.

17 een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 4] , met bijlage, pagina 34.

18 een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 4] , met bijlage, pagina 35.