Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5986

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-04-2018
Datum publicatie
10-12-2018
Zaaknummer
UTR 17/292
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBMNE:2017:7020
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Einduitspraak. Beroep tegen afwijzing bijstandsaanvraag. Motiveringsgebrek hersteld.

Bijstandsaanvraag afgewezen, omdat niet is gebleken dat eiser woont op het door hem opgegeven woonadres. Verweerder heeft het motiveringsgebrek hersteld en zich daarbij mogen baseren op onderzoeksbevindingen die na het bestreden besluit kenbaar zijn geworden. Beroep gegrond. Bestreden besluit wordt vernietigd met in stand lating rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Lelystad

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/292

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Lammers),

en

de burgemeester van Dronten, verweerder

(gemachtigde: H.E. van de Beek).

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 19 oktober 2017 heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.

Eiser heeft hierop een schriftelijke zienswijze (de zienswijze) gegeven.

De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en
15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).

2. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, omdat verweerder eerst ter zitting een motivering heeft gegeven voor het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf in de te beoordelen periode in Dronten had.

3. In reactie op de tussenuitspraak heeft verweerder erkend dat de aanvraagdatum, conform eiser heeft gesteld, 29 april 2016 dient te zijn. Daarnaast heeft verweerder stukken overgelegd die niet in het procesdossier zaten namelijk een notitie van een niet bij naam genoemde medewerker van verweerder (de handhaver) die de woning aan het [adres] te [woonplaats] , Dronten (het woonadres) op 17 augustus en 20 oktober 2016 heeft bezocht. Verweerder heeft tevens nader onderzoek verricht, waaronder het opvragen van de gegevens van het water- gas- en elektriciteitsverbruik van het woonadres en twee buurtbewoners gehoord. Op grond van de onderzoeksbevindingen handhaaft verweerder het standpunt dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat hij in de te beoordelen periode op het woonadres woonde.

4. Eiser heeft primair aangevoerd dat verweerder zijn aanvullende motivering niet mag baseren op onderzoeksbevindingen die na het bestreden besluit kenbaar zijn geworden, zoals de verklaringen van de twee buurtbewoners en de bewijsstukken die daarbij horen, waaronder het uittreksel uit de RDW.

5. In het streven naar definitieve geschilbeslechting geldt dat nieuw aangedragen geschilpunten tussen partijen, in de lopende beroepsprocedure kunnen worden betrokken om tot een zo reëel mogelijke oplossing van het geschil te komen. In de tussenuitspraak is de bespreking in het licht van wat eiser tot dan toe naar voren had gebracht beperkt tot wat in rechtsoverweging 2 is vermeld.

6. Op grond van artikel 53a, tweede lid, van de Pw is het college bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand. Deze bepaling vermeldt verder dat het college, indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft, kan besluiten tot herziening van de bijstand. De rechtbank is van oordeel dat geen rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel zich ertegen verzet dat na een eerste dan wel onvolledig onderzoek een nader onderzoek wordt ingesteld en dat de bevindingen van een dergelijk onderzoek bij de beoordeling van het recht op bijstand worden betrokken. Dit wordt eerst anders indien gezegd moet worden dat het bestuursorgaan in redelijkheid geen gebruik kon maken van de bevoegdheid tot het instellen van een nader onderzoek van de daardoor verkregen onderzoeksresultaten, gelet op de wijze waarop dat in het concrete geval is gebeurd. De rechtbank ziet in het enkele tijdsverloop geen grond voor het oordeel dat het college in dit geval in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid om een nader onderzoek in te stellen om eisers aanvraag om bijstand te beoordelen. De beroepsgrond slaagt niet.

7. Subsidiair heeft eiser aangevoerd dat verweerder zijn standpunt nog steeds onvoldoende heeft gemotiveerd. Eiser heeft zijn reeds eerder aangevoerde beroepsgrond herhaald dat hij zijn pinpas aan zijn zus – die in Utrecht woont – heeft gegeven en dat zij voor hem boodschappen deed. Door een auto ongeluk in december 2015 heeft eiser meer hulp en ondersteuning nodig van zijn familie in Utrecht, en verbleef hij regelmatig bij zijn moeder in Utrecht maar hij ging steeds terug naar het woonadres. Volgens eiser gaat verweerder ten onrechte aan deze uitleg voorbij. In dit verband wijst eiser erop dat zijn zus op 4 juli 2016 heeft verklaard dat hij veel in [woonplaats] verblijft.
Eiser stelt dat de betrouwbaarheid van de verklaring van één van de buurtbewoners niet controleerbaar is, omdat het een anonieme verklaring is. Voorts zien de verklaringen van beide buurtbewoners alleen op de woonsituatie van zijn broer, diens vriendin ( [A] ) en hun kinderen. De buurtbewoners geven geen informatie over eisers woonsituatie op het woonadres. Aan de buurtbewoners zijn daarnaast onduidelijke foto’s van hem en zijn broer getoond.
Verder stelt eiser dat de water-, gas- en elektriciteitsgegevens slechts een schatting zijn, zodat deze geen juist beeld geven. Volgens eiser kunnen de NIBUD-richtlijnen in dit geval ook niet de maatstaf vormen, omdat de woning van het woonadres in de te beoordelen periode te koop stond en de vriendin van zijn broer en haar kinderen al waren verhuisd.

Tot slot stelt eiser dat hij in feite anti-kraak woonde, zodat het niet vreemd is dat de handhaver de woning aan het woonadres leeg heeft aangetroffen. Hij woonde grotendeels op de tweede etage, wat de handhaver niet kon zien. Verder stond hij ingeschreven op het woonadres, aldus eiser.

8. In geval van een aanvraag om bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit op de aanvraag. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 29 april 2016 tot en met 18 juli 2016.

9. Naar vaste jurisprudentie van de CRvB dient de vraag waar iemand zijn woonadres heeft te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. In een aanvraagsituatie ligt het op de weg van de aanvrager hierover de nodige duidelijkheid te verschaffen. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De rechtbank wijst op de uitspraak van de CRvB van 25 februari 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:571).

10. [B] heeft verklaard dat er in de woning op het woonadres een gezin woonde, bestaande uit man, vrouw en drie jongens, waarvan de oudste van basisschool leeftijd was, het tweede kind ongeveer een jaar jonger en het jongste kind ongeveer een jaar oud. Ook heeft [B] verklaard dat hij de man bijna niet zag, dat de man in een donkergroene Seat Ibiza reed en de vrouw in een zwarte Golf Station. Daarnaast heeft [B] verklaard dat de man op de kleine foto (broer van eiser) de man van het gezin was en niet de man op de grote foto (eiser), omdat de man op de grote foto te jong is. Verder heeft [B] verklaard dat het gezin anderhalf jaar geleden (na de zomer van 2016) naar Lelystad is verhuisd.
Uit de Basisregistratie persoonsgegevens (BRP) blijkt dat de broer van eiser bijna negen jaar ouder is dan eiser en dat [A] drie zonen heeft, geboren in 2009, 2010 en 2015. Voorts staat in de gegevens van de RDW dat [A] eigenares is van een zwarte Volkswagen Golf en een zwarte Seat Leon. Uit de notitie van de handhaver blijkt dat de woning aan het woonadres op 17 augustus 2016 te koop stond en nagenoeg leeg stond. Vervolgens is uit navraag bij [naam makelaar] gebleken dat de woning inderdaad leeg stond en dat deze via de bank in de verkoop was gezet. Verder is op 27 oktober 2016 ook niemand bij de woning aangetroffen.

11. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij vanaf mei 2015 tot ongeveer november 2016
op het woonadres verbleef. Zoals in rechtsoverweging 9. is overwogen, ligt het op de weg van eiser om dit aannemelijk te maken. De rechtbank onderschrijft verweerders standpunt dat eiser daarin niet geslaagd is. Uit de door eiser overgelegde bankafschriften blijkt dat er in de te beoordelen periode voornamelijk in Utrecht is gepind. Eiser heeft hierover slechts verklaard dat hij zijn pinpas aan zijn zus heeft gegeven en dat zij deze in Utrecht heeft gebruikt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze uitleg op grond van de overige onderzoeksbevindingen onvoldoende mogen achten. Verder is deze verklaring niet objectief verifieerbaar.

Eiser stelt dat [B] niets heeft verklaard over zijn verblijf in de woning op het woonadres. De rechtbank is van oordeel dat eiser hiermee miskent dat het op zijn weg ligt om aannemelijk te maken dat hij in de te beoordelen periode op het woonadres verbleef en dat het niet aan verweerder is om het tegendeel te bewijzen. Naar het oordeel van de rechtbank duidt de verklaring van [B] er eerder op dat eiser niet op het woonadres heeft verbleven. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat wat [B] heeft verklaard in grote lijnen overeenkomt met de informatie uit de BRP en de RDW. Ook heeft [B] verklaard dat [C] de woning aan [A] heeft verkocht, dat
en haar gezin na de zomer van 2016 zijn verhuisd – wat overeenkomt met de inhoud van de notitie – en dat daarna een Pools gezin in de woning is gaan wonen. Gelet op deze gedetailleerde verklaring over welke personen in de woning op het woonadres hebben gewoond, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat [B] – wanneer eiser stelt dat hij anderhalf jaar op het opgegeven woonadres heeft verbleven – daar in het geheel niet over verklaart. [B] verklaart juist expliciet dat eiser niet de man van het gezin is, omdat hij te jong is. Gelet op het voorgaande heeft verweerder aan de verklaring van eisers zus van 4 juli 2016 en de verklaring van [A] – inhoudende dat eiser tot 14 november 2016 in de woning op het woonadres heeft gewoond – ook niet de waarde hoeven hechten die eiser daaraan gehecht wenst te zien. De beroepsgrond slaagt niet.

12. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Nu verweerder in zijn reactie op de tussenuitspraak en in de daarna gevoerde correspondentie het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.

13. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

14. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.252,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.252,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Dijksterhuis, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.Y. Wong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2018.

- De rechter is verhinderd

de uitspraak mede

te ondertekenen -

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.