Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5965

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
27-11-2018
Datum publicatie
11-12-2018
Zaaknummer
7219140 UE VERZ 18-337
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

ontbinding o.g.v. verwijtbaar handelen of nalaten; werknemer heeft niet het recht om zijn werkgever het leven zuur te maken; ernstig verwijtbaar; lang dienstverband, toekenning van de helft van de transitievergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-1394
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 7219140 UE VERZ 18-337 aw/1370

Beschikking van 27 november 2018

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verzoekster, tevens verweerster] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen: [verzoekster, tevens verweerster] ,

verzoekende partij, tevens verwerende partij,

gemachtigde: mr. J. Niggelie,

tegen:

[verweerder, tevens verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen: [verweerder, tevens verzoeker] ,

verwerende partij, tevens verzoekende partij,

gemachtigde: mr. B.E.H. Zwezerijnen.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met 36 producties van [verzoekster, tevens verweerster] , ter griffie ingekomen op 19 september 2018;

  • -

    het verweerschrift met zelfstandige tegenverzoeken en 11 producties van [verweerder, tevens verzoeker] van 19 oktober 2018;

  • -

    de producties 37 en 38 van [verzoekster, tevens verweerster] .

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2018. De griffier heeft daarvan aantekening gehouden. Partijen hebben ieder een pleitnota overgelegd.

1.3.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster, tevens verweerster] is een elektrotechnisch installatiebedrijf te [vestigingsplaats] dat gespecialiseerd is in de montage en het advies op het gebied van licht-, kracht- en besturingsinstallaties, datasystemen en beveiliging. Naast het installatiebedrijf exploiteert [verzoekster, tevens verweerster] ook een witgoedwinkel. Het klantenbestand bestaat uit particuliere en zakelijke klanten.

2.2.

[verzoekster, tevens verweerster] is een klein familiebedrijf dat in 1977 is opgericht door de heer [A] en zijn vrouw [B] . Zij zijn nog werkzaam in het bedrijf, maar de aandelen van het bedrijf zijn inmiddels grotendeels overgenomen door hun zoon [C] , die sinds 2009 bij de onderneming is betrokken en sinds 2014 algemeen directeur is. Bij [verzoekster, tevens verweerster] zijn tien werknemers werkzaam, waarvan acht voor het installatiebedrijf en twee voor de detailhandel.

2.3.

[verweerder, tevens verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1966, is sinds 17 juli 1989 in dienst van [verzoekster, tevens verweerster] , laatstelijk als eerste monteur elektrotechniek. De arbeidsovereenkomst geldt als te zijn aangegaan voor onbepaalde tijd. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Metaal en Techniek (hierna ook te noemen: de CAO) van toepassing. Het loon bedroeg laatstelijk € 3.487,68 bruto per maand exclusief 8% vakantiebijslag.

2.4.

De arbeidsovereenkomst is bij aanvang van het dienstverband schriftelijk vastgelegd in de aanstellingsbrief van [verzoekster, tevens verweerster] aan [verweerder, tevens verzoeker] gedateerd 17 juli 1989. Deze brief luidt als volgt:

“Hiermede bevestigen wij u aangesteld te hebben in de funktie van elektro-monteur onder de volgende voorwaarden:

  1. voor zover in deze aanstellingsbrief niet uitdrukkelijk van het tegendeel blijkt, is op de arbeidsverhouding van bovengenoemde partijen van toepassing de CAO voor het elektro-technisch bedrijf

  2. aanvang van het dienstverband: 17 juli 1989

  3. overeengekomen proeftijd: 2 maanden

  4. het dienstverband is aangegaan voor bepaalde tijd tot 17 januari 1990

  5. het overeengekomen salaris bedraagt f 2.100,00bruto per maand

  6. uw normale arbeidsduur bedraagt 8 uur per dag en 38 uur per week

  7. uw normale arbeidstijd is van 7.30 uur tot 16.15 uur op de bouwplaats, tenzij het werk anders vereist

  8. u heeft recht op 24 werkdagen betaalde vakantie per jaar.”

2.5.

In de CAO Metaal en Techniek 2017-2019 is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

“BETALING VAN REISUREN

Artikel 44

1. Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing indien de onderhavige vergoedingen zijn inbegrepen in het salaris.

Dit moet blijken uit een schriftelijke verklaring van de werkgever die dient te worden verstrekt vóórdat de vergoeding in de beloning wordt inbegrepen.

2. Indien de werknemer voor het verrichten van karweiwerkzaamheden moet reizen, zal de werkgever hem de reistijd als volgt vergoeden:

a. bij gebruikmaking van openbare middelen van vervoer: de noodzakelijke reistijd berekend volgens de dienstregeling van het openbaar vervoer;

b. bij gebruikmaking van een eigen of van een door de werkgever ter beschikking gesteld vervoermiddel: de reistijd berekend in redelijke verhouding tot de reistijd volgens het openbaar vervoer over een vergelijkbare afstand.

3. De in lid 2 sub a en b genoemde reistijd komt alleen voor vergoeding in aanmerking voor zover de werknemer langer heeft moeten reizen dan hij normaal nodig heeft naar de plaats waarvoor de dienstbetrekking is aangegaan.

4. De reistijdenvergoeding wordt als volgt berekend:

a. uren buiten het dienstrooster: 0,607% van het maandsalaris (0,658% van het salaris per vierwekenperiode) per volledig uur;

b. uren op zondag en uren binnen en/of buiten het dienstrooster op een in artikel 19 lid 1 genoemde feestdag: 1,12% van het maandsalaris (1,21% van het salaris per vierwekenperiode) per volledig uur;”

2.6.

[verweerder, tevens verzoeker] houdt zich als eerste monteur elektrotechniek voornamelijk bezig met het installeren en onderhouden van elektrotechnische installaties binnen de utiliteitsbouw en - als er binnen de utiliteitsbouw geen werkzaamheden voorhanden zijn - de woningbouw. [verweerder, tevens verzoeker] verricht de werkzaamheden op locatie bij de opdrachtgevers van [verzoekster, tevens verweerster] in en rondom de regio Utrecht.

2.7.

[verzoekster, tevens verweerster] heeft [verweerder, tevens verzoeker] in het functioneringsgesprek op 11 april 2011 aangesproken op zijn negatieve en grove houding en gedrag in de daaraan voorafgaande periode zowel bij opdrachtgevers als ten opzichte van zijn collega’s en de directie. In het gespreksverslag geeft [verzoekster, tevens verweerster] een uitvoerige opsomming van de in het functioneringsgesprek besproken, concrete gevallen waarbij [verweerder, tevens verzoeker] volgens [verzoekster, tevens verweerster] zich niet als goed werknemer heeft gedragen ten opzichte van opdrachtgevers en collega’s.

2.8.

Begin 2012 wordt [verweerder, tevens verzoeker] door een stagiair – in het kader van zijn MTS-opleiding – schriftelijk geïnterviewd over zijn werkzaamheden bij [verzoekster, tevens verweerster] . De vraag: ‘Wat houdt uw functie precies in?’ beantwoordt [verweerder, tevens verzoeker] met: ‘Keihard werken voor weinig’. De vraag: ‘Kunt u drie positieve dingen zeggen over dit bedrijf?’, beantwoordt [verweerder, tevens verzoeker] met: ‘Nee’.

2.9.

Op 11 juli 2014 heeft [verzoekster, tevens verweerster] aan het UWV toestemming gevraagd om de arbeidsovereenkomst met twee van haar werknemers, waaronder [verweerder, tevens verzoeker] , op te zeggen op grond van bedrijfseconomische omstandigheden. Het UWV heeft die toestemming geweigerd omdat – kort samengevat – [verzoekster, tevens verweerster] er onvoldoende in is geslaagd om aan te geven dat er sprake is van onderscheid in de functies van de werknemers die voor ontslag zijn voorgedragen en hun collega’s, waardoor het UWV niet kan vaststellen of het afspiegelingsbeginsel correct is toegepast. [verzoekster, tevens verweerster] heeft zich bij die uitspraak neergelegd. Er zijn geen werknemers ontslagen.

2.10.

In de periode september-november 2014 spreekt [verzoekster, tevens verweerster] [verweerder, tevens verzoeker] nog driemaal aan op zijn houding en gedrag ten opzichte van de directie, opdrachtgevers en collega’s.

2.11.

[verzoekster, tevens verweerster] heeft sinds 2015 over het gedrag van [verweerder, tevens verzoeker] een groot aantal schriftelijke klachten ontvangen van opdrachtgevers, namelijk: op 30 maart 2015 van woningbouwvereniging [naam woningbouwvereniging] ; op 25 augustus 2015 van [achternaam 1] ; op 26 januari 2016 van [bedrijfsnaam] ; op 23 februari 2017 van [achternaam 2] ; op 17 mei 2017 van [afkorting] , op 11 juli 2017 van Bouwbedrijf [achternaam 3] , op 11 september 2018 en nogmaals op 24 oktober 2018 van [achternaam 1] . [verzoekster, tevens verweerster] heeft [verweerder, tevens verzoeker] steeds na ontvangst van een klacht daarop aangesproken. Op 5 juli 2016 heeft een collega van [verweerder, tevens verzoeker] bij de directie geklaagd over het gedrag van [verweerder, tevens verzoeker] . [verzoekster, tevens verweerster] heeft [verweerder, tevens verzoeker] daarop aangesproken in het functioneringsgesprek van 5 juli 2016.

2.12.

Op 31 mei 2017 schrijft [C] namens [verzoekster, tevens verweerster] aan [verweerder, tevens verzoeker] :

“Vandaag 31-05-2017 kwam jij om 16.30 op kantoor.

Ik wilde het werk voor de volgende dag doorspreken in verband met mijn afspraken omdat ik ’s morgens vroeg een nieuw werk moet opnemen.

Jij gaf uitdrukkelijk te kennen dat je niet meer over het werk wilt praten. Hiervoor heb ik mijn afspraak voor 01-06-2017 moeten annuleren, om met jou de werkzaamheden te kunnen bespreken.

Iedere ochtend probeer je mij te ontlopen om werkoverleg te ontwijken. Iedere middag mag er niets overlegd worden, want jij bepaalt dat dit buiten jouw functie valt.

Hierbij wil ik jou er nogmaals op wijzen dat binnen jouw functie overleg gepleegd moet worden en dat de werkzaamheden van de volgende dag voorbereid moeten worden.

Met jouw opstelling maak jij de samenwerking tussen [verzoekster, tevens verweerster] bv. en [verweerder, tevens verzoeker] onmogelijk.

Graag ontvang ik een voorstel hoe wij de samenwerking toch positief kunnen voortzetten.

(…)”

2.13.

Bij brief van 13 juli 2017 schrijft [verzoekster, tevens verweerster] aan [verweerder, tevens verzoeker] , naar aanleiding van een aantal nieuwe incidenten bij opdrachtgevers:

“(…) Wij zijn nu zover dat wij van de volgende opdrachtgevers het dringende verzoek hebben om [voornaam van verweerder] niet meer te sturen:

Bouw en aannemersbedrijf [achternaam 2]

Bouwbedrijf [achternaam 4]

Bouwbedrijf [achternaam 1]

Van Bouwbedrijf [achternaam 3] een laatste waarschuwing anders moeten zij de relatie met [verzoekster, tevens verweerster] beëindigen.

Bovengenoemde opdrachtgevers behelst naar schatting 75% van ons werk. Je commentaren en opmerkingen maken het voor ons onmogelijk om je nog naar particulieren te sturen.

Je omgang en uitlatingen naar je collega’s en het niet willen accepteren van een meerdere werken negatief op de werksfeer binnen ons bedrijf.

Uit bovenstaande opsomming en de problemen van de laatste jaren moeten wij concluderen dat jij geen interesse meer hebt om je voor [verzoekster, tevens verweerster] in te zetten. Wij verzoeken je om aan te geven per wanneer je de dienst wilt verlaten.”

2.14.

Op 24 augustus 2017 verschijnt [verweerder, tevens verzoeker] – zonder berichtgeving en in strijd met de instructies en waarschuwingen van [verzoekster, tevens verweerster] – niet op het werk. Op 4 september 2017 ontvangt [verweerder, tevens verzoeker] van [verzoekster, tevens verweerster] een laatste officiële waarschuwing, vergezeld van het gespreksverslag van het daaraan voorafgaande gesprek op 28 augustus 2017. [verzoekster, tevens verweerster] schrijft in het gespreksverslag onder meer:

“Wij hebben de afgelopen jaren helaas moeten constateren dat jouw ongewenste negatieve en trainerende houding en gedrag een structureel patroon vormen. Jouw houding en opstelling richting de organisatie, jouw baas [voornaam van C] , opdrachtgevers en collega’s is te omschrijven als zeer onverschillig en denigrerend. Jij trekt je niets aan van de directie, collega’s of de belangen of wensen van opdrachtgevers.

(…)

Als je denkt dat het helpt om tot een gedragsverandering te komen door middel van een training of cursus, dan horen wij dat graag. Van onze kant is er in elk geval de bereidheid om jou een dergelijke cursus of training te laten volgen.

Wees er in elk geval van doordrongen dat de grens nu echt bereikt is en we bij een volgend incident zullen overgaan tot een beëindiging van jouw dienstverband. Ik heb jou dit afgelopen maandag ook uitgebreid toegelicht. Daarop kreeg ik van jou de weinig hoopvolle reactie “je doet maar”.

Laat het duidelijk zijn dat dit nu precies het gedrag is wat we niet meer tolereren. Nogmaals, ik wil je er met klem op wijzen dat dit jouw allerlaatste kans is. Je moet je ook goed realiseren dat je bij een verwijtbaar ontslag niet alleen je baan en je inkomen verliest, maar mogelijk ook je WW-rechten op het spel zet. Ik hoop dan ook dat je deze laatste kans – mede in jouw eigen belang – met beide handen zult aangrijpen.”

2.15.

Na diverse incidenten heeft [verzoekster, tevens verweerster] op 28 juni 2018 aan [verweerder, tevens verzoeker] voorgesteld het dienstverband te beëindigen. Die incidenten zijn: wederom zonder toestemming niet op het werk verschijnen, een klacht van een collega-monteur over het gedrag van [verweerder, tevens verzoeker] , voortdurende discussies over arbeidstijden en vergoeding van reisuren en het zogenaamde ‘automotorincident’ (waarbij [verweerder, tevens verzoeker] de motor van de bedrijfsauto stationair laat draaien en weigert deze, na klachten van de achterbuurman, op instructie van [C] uit te zetten, waarna [C] de motor zelf uit zet en [verweerder, tevens verzoeker] vervolgens de motor weer start).

2.16.

Vervolgens heeft mediation tussen partijen plaatsgevonden. Dit heeft niet tot een oplossing geleid.

2.17.

Bij brief aan [verweerder, tevens verzoeker] van 17 oktober 2018 heeft [verzoekster, tevens verweerster] [verweerder, tevens verzoeker] vrijgesteld van werkzaamheden, met behoud van loon.

3 Het verzoek van [verzoekster, tevens verweerster]

3.1.

verzoekt de kantonrechter om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden op grond van primair verwijtbaar handelen of nalaten (de e-grond), subsidiair verstoorde arbeidsverhouding (de g-grond);

  2. ij het bepalen van de einddatum geen rekening te houden met de opzegtermijn, nu de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder, tevens verzoeker] , dan wel bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de duur van de procedure;

  3. te bepalen dat [verzoekster, tevens verweerster] aan [verweerder, tevens verzoeker] geen transitievergoeding is verschuldigd wegens ernstig verwijtbaar handelen of nalaten;

  4. [verweerder, tevens verzoeker] te veroordelen in de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

[verzoekster, tevens verweerster] legt aan haar verzoek – kort samengevat – ten grondslag primair dat het gedrag van [verweerder, tevens verzoeker] ver buiten de acceptabele bandbreedte gaat. Hij heeft zich jarenlang misdragen tegenover opdrachtgevers, collega’s en zijn werkgever. Ondanks herhaalde en dringende verzoeken van [verzoekster, tevens verweerster] blijft [verweerder, tevens verzoeker] volharden in zijn opstelling en saboteert hij daarmee inmiddels de volledige bedrijfsvoering van [verzoekster, tevens verweerster] . Daar komt bij dat hij geen enkele vorm van zelfreflectie toont. Hij heeft zich zodanig ernstig verwijtbaar gedragen dat van [verzoekster, tevens verweerster] in redelijkheid niet langer kan worden gevergd het dienstverband te laten voortduren. Subsidiair stelt [verzoekster, tevens verweerster] dat sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Een constructieve communicatie tussen partijen is niet mogelijk en ook mediation heeft daarin geen wijziging kunnen brengen. Het ontstaan van de verstoorde arbeidsverhouding is volledig aan [verweerder, tevens verzoeker] te wijten. Herplaatsing ligt niet in de rede. Omdat [verweerder, tevens verzoeker] zich ernstig verwijtbaar heeft gedragen heeft hij geen recht op de transitievergoeding, zo stelt [verzoekster, tevens verweerster] .

4 Het (voorwaardelijk) tegenverzoek en de nevenvorderingen van [verweerder, tevens verzoeker]

4.1.

[verweerder, tevens verzoeker] verzoekt de kantonrechter,

voorwaardelijk, voor het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden:

  1. rekening te houden met de geldende opzegtermijn van 4 maanden bij het bepalen van de datum van de ontbinding;

  2. aan hem de wettelijke transitievergoeding van € 49.280,92 bruto toe te kennen;

  3. aan hem een billijke vergoeding van € 40.000,00 bruto en € 5.000,00 netto toe te kennen;

en onvoorwaardelijk, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

voor recht te verklaren dat [verzoekster, tevens verweerster] is gehouden de CAO Metaal en Techniek na te leven, in het bijzonder artikel 44, inhoudende dat de daadwerkelijk gemaakte reisuren worden uitbetaald;

[verzoekster, tevens verweerster] te veroordelen om aan hem binnen 2 dagen na betekening van de beschikking een deugdelijk overzicht te verstrekken van alle wettelijke en bovenwettelijke verlofuren, ADV-uren alsmede de reis- en overuren, met betrekking tot de periode vanaf 2015, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

[verzoekster, tevens verweerster] te veroordelen aan hem maandelijks een deugdelijk overzicht te verstrekken met betrekking tot het saldo verlofuren en de gemaakte reis- en overuren, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

[verzoekster, tevens verweerster] te veroordelen om aan hem te betalen € 2.696,71 bruto, zijnde de vergoeding voor daadwerkelijk gemaakte reistijd in de periode van 31 januari 2017 tot en met 9 oktober 2018;

[verzoekster, tevens verweerster] te veroordelen tot betaling van € 325,61 bruto, zijnde het ten onrechte in januari 2018 ingehouden bedrag, omdat [verweerder, tevens verzoeker] te weinig uren zou hebben gewerkt (geboekt als onbetaald verlof);

[verzoekster, tevens verweerster] te veroordelen in de proceskosten ter hoogte van € 6.000,00 exclusief BTW.

4.2.

[verweerder, tevens verzoeker] legt aan zijn verzoek/vorderingen ten grondslag dat hij zich tot juli 2014 een slag in de rondte heeft gewerkt voor [verzoekster, tevens verweerster] . Dat veranderde op het moment dat [verzoekster, tevens verweerster] hem in 2014 (onterecht) voor ontslag heeft voorgedragen. De ontslagvergunning is weliswaar geweigerd en het ontslag is niet doorgegaan, maar [verzoekster, tevens verweerster] heeft over die voor hem pijnlijke gang van zaken nadien nooit meer gesproken. Vanaf dat moment is hij wat strikter naar zijn arbeidsvoorwaarden, zoals deze voortvloeien uit de CAO Metaal en Techniek, gaan kijken. De kern van het geschil is of [verzoekster, tevens verweerster] onbeperkt kan beschikken over de vrije tijd van haar werknemers. Tot 2014 was het bij [verzoekster, tevens verweerster] gebruikelijk dat de monteurs gedurende de dag bestellingen telefonisch doorgaven. De heer [A] zorgde voor de bestellingen en organiseerde het zo dat de benodigde materialen de volgende ochtend klaar lagen. Hij fungeerde als werkvoorbereider. Eventueel overleg vond plaats ’s ochtends tussen 7:00 en 7:30 uur. Sinds begin 2014 is die werkwijze echter veranderd: van werknemers wordt verwacht dat zij zelf ’s avonds de benodigde spullen verzamelen. ’s Ochtends is [C] nog niet op kantoor. Het gebeurt vrijwel dagelijks dat [C] om 16:45 uur (dus na een lange werkdag) nog met [verweerder, tevens verzoeker] in gesprek gaat over allerhande zaken. Deze extra tijd wordt niet gezien als overuren.

Daarnaast speelt een discussie over de reisuren: volgens de CAO Metaal en Techniek dient [verzoekster, tevens verweerster] deze uit te betalen, maar zij weigert dat. Ten onrechte stelt zij dat de reisuren in het salaris zijn begrepen. Om die reden heeft [verweerder, tevens verzoeker] geen extra reisuren meer gemaakt, maar is hij eerder van de werkplek weggegaan. [verzoekster, tevens verweerster] heeft die reisuren vervolgens gekwalificeerd als onbetaald verlof en in mindering gebracht op het loon.

[verweerder, tevens verzoeker] betwist de door [verzoekster, tevens verweerster] gestelde incidenten bij opdrachtgevers, althans de uitleg die [verzoekster, tevens verweerster] daaraan geeft. Hij heeft de afgelopen jaren gewoon zijn werk gedaan bij de diverse opdrachtgevers. Hij erkent dat hij onjuist heeft gehandeld door vast te houden aan twee opgenomen vrije dagen. Het was niet handig om weg te blijven van het werk, al stond hij mogelijk wel in zijn recht. [verweerder, tevens verzoeker] betwist dat hij verwijtbaar heeft gehandeld. [verzoekster, tevens verweerster] daarentegen kiest ervoor om de CAO niet na te leven. Hij betwist dat sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Mocht daarvan al sprake zijn, dat is dat zeker ook aan [verzoekster, tevens verweerster] te wijten. [verweerder, tevens verzoeker] wil bij [verzoekster, tevens verweerster] blijven werken. Het is de non-communicatie van [verzoekster, tevens verweerster] die escalerend heeft gewerkt. Hij maakt daarom aanspraak op een billijke vergoeding in het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden. Daarnaast vordert hij betaling van gemaakte reisuren.

5 De beoordeling

Ontbinding – verwijtbaar handelen of nalaten

5.1.

Het verzoek van [verzoekster, tevens verweerster] om de arbeidsovereenkomst te ontbinden zal worden ingewilligd, op de primaire grond verwijtbaar handelen of nalaten (de e-grond). [verzoekster, tevens verweerster] heeft die ontbindingsgrond voldoende onderbouwd. Uit de overgelegde verslagen van functioneringsgesprekken, de vele aan [verweerder, tevens verzoeker] gerichte schriftelijke waarschuwingen en schriftelijke klachten van opdrachtgevers die [verzoekster, tevens verweerster] heeft ontvangen, blijkt dat [verweerder, tevens verzoeker] al sinds 2011 onaangepast en onbehoorlijk gedrag vertoont zowel tegenover [verzoekster, tevens verweerster] (met name [C] ), zijn collega’s maar ook ten opzichte van de opdrachtgevers bij wie hij voor [verzoekster, tevens verweerster] werkzaam is. Het verweer van [verweerder, tevens verzoeker] dat het allemaal wel mee valt en dat [verzoekster, tevens verweerster] de incidenten heeft opgeklopt, wordt verworpen. Niet aannemelijk is dat al deze opdrachtgevers de moeite zouden nemen om schriftelijke klachten over [verweerder, tevens verzoeker] in te dienen bij [verzoekster, tevens verweerster] als er feitelijk weinig aan de hand is.

5.2.

[verweerder, tevens verzoeker] geeft als verklaring voor zijn gedrag dat de ontslagaanvraag in 2014 voor hem aanleiding is geweest om een kritischer houding in te gaan nemen ten opzichte van [verzoekster, tevens verweerster] als het gaat om de naleving van de CAO. Hij verwijt [verzoekster, tevens verweerster] dat zij de CAO niet naleeft als het gaat om betaling van overwerk en reisuren. Ook is hij het niet eens met de wijze waarop het bedrijf door [C] wordt geleid en de werkzaamheden sindsdien worden georganiseerd.

5.3.

De kantonrechter overweegt dat een werknemer weliswaar veel rechten heeft, al dan niet op grond van een CAO, maar hij heeft niet het recht om zijn werkgever het leven zuur te maken. Dat is wat [verweerder, tevens verzoeker] al jarenlang doet. [verweerder, tevens verzoeker] heeft geen redelijke verklaring kunnen geven voor zijn moeilijke gedrag en negatieve houding sinds 2011. Dat dit het gevolg zou zijn van de ontslagaanvraag uit 2014 is onvoldoende aannemelijk, omdat uit het verslag van het functioneringsgesprek van april 2011 blijkt dat [verweerder, tevens verzoeker] toen al door [verzoekster, tevens verweerster] op zijn destructieve gedrag is aangesproken. Ook de antwoorden die [verweerder, tevens verzoeker] in 2012 heeft gegeven op vragen van een stagiair spreken boekdelen (r.o. 2.8.), evenals zijn botte reactie in 2013 en 2014 (nog vóór de ontslagaanvraag) op de uitnodiging van [verzoekster, tevens verweerster] voor de jaarlijkse personeelsbarbecue (productie 7 en 8 van [verzoekster, tevens verweerster] ). Mogelijk dat [verweerder, tevens verzoeker] na al die jaren zelf niet precies meer weet waar het is misgegaan en waarom. Aannemelijker acht de kantonrechter dat het gedrag van [verweerder, tevens verzoeker] verband houdt met het feit dat [C] in 2009 bij het bedrijf van zijn ouders betrokken is geraakt en in 2014 de leiding heeft overgenomen, zoals [verzoekster, tevens verweerster] heeft aangevoerd. Wat daarvan verder ook zij, [verweerder, tevens verzoeker] is verantwoordelijk voor zijn houding en gedrag op de werkvloer en [verzoekster, tevens verweerster] mag hem daarop aanspreken. [verzoekster, tevens verweerster] heeft dat met bijna eindeloos geduld gedaan, zonder dat [verweerder, tevens verzoeker] zich daaraan kennelijk iets gelegen heeft laten liggen. Het is van kwaad tot erger geworden, met als dieptepunt het “automotorincident” (zie hiervoor onder r.o. 2.15.). Uit dit incident, dat [verweerder, tevens verzoeker] op zich niet heeft betwist, blijkt onmiskenbaar dat [verweerder, tevens verzoeker] het gezag van zijn leidinggevende [C] niet accepteert en redelijke opdrachten van zijn leidinggevende opzettelijk en demonstratief naast zich neerlegt.

5.4.

De kantonrechter is verder van oordeel van [verzoekster, tevens verweerster] aan [verweerder, tevens verzoeker] geen onredelijke eisen heeft gesteld door van hem te vragen dat hij ’s middags, bij terugkomst op het kantoor in [vestigingsplaats] , nog even kort verslag doet van zijn werkdag. De aard van het werk brengt nu eenmaal met zich dat de monteurs de hele dag op diverse bouwlocaties in de regio zelfstandig hun werkzaamheden verrichten. Het ligt in dat geval voor de hand dat [verweerder, tevens verzoeker] bij terugkomst op kantoor aan [verzoekster, tevens verweerster] , in de persoon van [C] , kort verslag doet van de voortgang van de werkzaamheden en dat [C] de gelegenheid krijgt om zonodig instructies voor de volgende dag te geven. Het is niet aan [verweerder, tevens verzoeker] om te bepalen dat [C] die instructies maar de volgende ochtend, om 07:00 uur moet geven, omdat dat hem beter uitkomt in verband met de files op de terugweg naar huis. Ter comparitie heeft [verweerder, tevens verzoeker] op vragen van de kantonrechter toegelicht dat hij niet op een bepaalde tijd thuis moet zijn, maar dat het hem enkel gaat om het principe. [verweerder, tevens verzoeker] kan zijn werkgever uiteraard niet verwijten dat hij – net als vele andere werknemers overigens – last heeft van files op de weg. Het vervoer van zijn huis naar het werk en vice versa ligt geheel in de risicosfeer van [verweerder, tevens verzoeker] . Als hij genoeg heeft van de files kan hij kiezen voor een ander vervoermiddel, verhuizen of een werkgever dichter in de buurt van zijn woonplaats zoeken. Overigens heeft [verzoekster, tevens verweerster] voldoende onderbouwd dat zij rekening houdt met deze gevoeligheid van [verweerder, tevens verzoeker] door het (korte) werkoverleg aan het eind van de middag zo vroeg mogelijk te beginnen. Dat [verzoekster, tevens verweerster] daarentegen van [verweerder, tevens verzoeker] zou hebben gevraagd dat hij “’s avonds, in eigen tijd” nog uitvoerige gesprekken voert met zijn werkgever, heeft hij onvoldoende aannemelijk gemaakt. In de visie van [verweerder, tevens verzoeker] vangt de avond kennelijk al aan om 16:30 uur (punt 7.20 verweerschrift).

5.5.

Zoals in elke relatie is het ook in een arbeidsrelatie een kwestie van geven en nemen. Zowel ten opzichte van [verzoekster, tevens verweerster] alsook op de bouwlocatie, ten opzichte van de opdrachtgever, lijkt [verweerder, tevens verzoeker] er echter vooral op uit te zijn om zijn rechten te bewaken en zijn gelijk te halen. Of de relatie daardoor wordt geschaad, lijkt hem niet te interesseren. [verweerder, tevens verzoeker] gaat eraan voorbij dat hij op de bouwlocatie [verzoekster, tevens verweerster] vertegenwoordigt en dat hij [verzoekster, tevens verweerster] dus schade toebrengt als hij de opdrachtgever tegen zich in het harnas jaagt door op zijn strepen te gaan staan en het heft in eigen handen te nemen, bijvoorbeeld als het gaat om het recht op een rookvrije en veilige werkplek. [verzoekster, tevens verweerster] behoeft die houding van [verweerder, tevens verzoeker] op de bouwlocatie daarom niet te accepteren en zij mag van hem eisen dat hij, als hij serieuze klachten heeft over de werkplek, direct met [verzoekster, tevens verweerster] contact opneemt en de afhandeling van zijn klacht vervolgens aan [verzoekster, tevens verweerster] overlaat. [verzoekster, tevens verweerster] behoeft ook niet te accepteren dat [verweerder, tevens verzoeker] zich bij de opdrachtgever en ten opzichte van collega’s negatief over zijn werkgever blijft uitlaten. In dit verband speelt mee dat [verweerder, tevens verzoeker] eerste monteur is en als zodanig een voorbeeldfunctie heeft voor zijn collega’s. Het feit dat [verzoekster, tevens verweerster] de reisuren niet conform de CAO uitbetaalt, maar daarvoor al jarenlang een eigen regeling hanteert – de kantonrechter verwijst in dit verband naar r.o. 5.17. – is naar het oordeel van de kantonrechter nog geen rechtvaardiging voor het onaangepaste en onbehoorlijke gedrag van [verweerder, tevens verzoeker] . Ook doet dit niet af aan de mate van verwijtbaarheid van dat gedrag, mede in aanmerking genomen dat de onenigheid over de uitbetaling van reisuren tussen partijen pas speelt sinds eind 2017.

5.6.

Tot slot overweegt de kantonrechter dat het uiteraard kan gebeuren dat een werknemer het na verloop van jaren niet meer naar zijn zin heeft bij zijn werkgever, bijvoorbeeld omdat het werk is veranderd, de omstandigheden waaronder het werk moet worden verricht zijn gewijzigd ( [verweerder, tevens verzoeker] stelt bijvoorbeeld dat hij tegenwoordig verder moet reizen naar de bouwlocatie dan vroeger, hetgeen [verzoekster, tevens verweerster] overigens betwist), of er een nieuwe leidinggevende is aangesteld, die een andere werkwijze hanteert dan voorheen gebruikelijk was. Als het de werknemer niet lukt om zich aan te passen aan die veranderde omstandigheden en hij daarmee niet kan leven, dan dient hij zijn verantwoordelijkheid te nemen door op zoek te gaan naar een andere baan. Het gaat niet aan om die onvrede af te reageren op de werkgever en collega’s. Dat [verweerder, tevens verzoeker] geen ander werk heeft gezocht, maar jarenlang met overduidelijke tegenzin voor [verzoekster, tevens verweerster] is blijven werken, is onbegrijpelijk. Er is een groot tekort aan vakmensen als [verweerder, tevens verzoeker] . Hij heeft ter zitting als verklaring aangevoerd dat hij een groot belang heeft bij behoud van zijn vaste baan bij [verzoekster, tevens verweerster] , onder meer vanwege mogelijke gezondheidsproblemen in de toekomst. Dit standpunt van [verweerder, tevens verzoeker] valt echter op geen enkele wijze te rijmen met zijn houding en gedrag ten opzichte van [verzoekster, tevens verweerster] in de afgelopen jaren. Van [verzoekster, tevens verweerster] kan naar het oordeel van de kantonrechter in redelijkheid niet worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Herplaatsing ligt niet in de rede. De arbeidsovereenkomst zal dan ook worden ontbonden.

Ernstig verwijtbaar?

5.7.

Vervolgens moet de kantonrechter beoordelen of het hiervoor uitvoerig omschreven, verwijtbare gedrag van [verweerder, tevens verzoeker] ook kwalificeert als ernstig verwijtbaar, in de zin van de wet. Als dat zo is, dan heeft [verweerder, tevens verzoeker] in beginsel geen aanspraak op de wettelijke transitievergoeding. Ook kan dit van belang zijn voor het bepalen van de ontbindingsdatum.

5.8.

De kantonrechter is van oordeel dat het stelselmatig, opzettelijk negeren door [verweerder, tevens verzoeker] van redelijke instructies van zijn werkgever, waardoor de bedrijfsvoering wordt geschaad, ernstig verwijtbaar is. [verzoekster, tevens verweerster] heeft [verweerder, tevens verzoeker] veelvuldig gewaarschuwd en hem voldoende de kans gegeven zijn gedrag en houding aan te passen. Omdat [verzoekster, tevens verweerster] echter ook stelt dat [verweerder, tevens verzoeker] een goed vakman is en voor het overige gedurende het dienstverband van bijna 30 jaar goed heeft gefunctioneerd, acht de kantonrechter het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [verweerder, tevens verzoeker] in het geheel geen transitievergoeding zou ontvangen. Met toepassing van lid 8 van artikel 7:673 BW zal de kantonrechter daarom aan [verweerder, tevens verzoeker] een transitievergoeding toekennen van € 24.640,46 bruto, dat is de helft van de wettelijke transitievergoeding die [verweerder, tevens verzoeker] heeft berekend.

5.9.

De opzegtermijn voor [verzoekster, tevens verweerster] bedraagt 4 maanden. Omdat het einde van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder, tevens verzoeker] zal de kantonrechter de datum waarop de arbeidsovereenkomst eindigt bepalen op een eerder tijdstip dan volgens de berekening onder sub a van artikel 7:671b lid 8 BW, namelijk op 1 januari 2019 (op grond van artikel 7:671b aanhef en onder b BW).

Tegenverzoeken van [verweerder, tevens verzoeker]

5.10.

Uit het vorenstaande volgt dat de tegenverzoeken van [verweerder, tevens verzoeker] zullen worden afgewezen. Van enig ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekster, tevens verweerster] is de kantonrechter niet gebleken. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het toekennen van een billijke vergoeding.

Nevenvorderingen van [verweerder, tevens verzoeker] - reisuren

5.11.

Volgens de schriftelijke arbeidsovereenkomst uit 1989 dient [verweerder, tevens verzoeker] van 07:30 tot 16:15 uur op de bouwplaats aanwezig te zijn (dit is de zogenaamde bloktijd), tenzij het werk anders vereist. In die in totaal 08:45 uur op de bouwplaats is volgens [verzoekster, tevens verweerster] begrepen een onbetaalde pauze van 1 uur en twee betaalde koffiepauzes. [verweerder, tevens verzoeker] heeft dit niet betwist. De reisuren vanaf [verzoekster, tevens verweerster] in [vestigingsplaats] naar de bouwlocatie en weer terug komen voor vergoeding in aanmerking. In zoverre zijn partijen het eens.

5.12.

[verzoekster, tevens verweerster] stelt dat zij al 40 jaar lang het beleid hanteert dat de vergoeding voor het eerste uur aan reistijd is begrepen in het salaris. Om die reden heeft [verweerder, tevens verzoeker] een salaris dat ruim boven het CAO niveau ligt. Werknemers schrijven de werktijd (inclusief de reistijd) op de werkbonnen. Als de reisuren buiten de bloktijd (dus: buiten 07:30 en 16:15 uur) meer zijn dan 1 uur per dag, worden deze extra uren tijd voor tijd en daarmee tegen 100% salaris gecompenseerd. Dit betreft nota bene een positieve afwijking ten opzichte van de CAO, aangezien de CAO slechts een compensatie van 60,7% voor reisuren voorschrijft, aldus [verzoekster, tevens verweerster] .

5.13.

[verweerder, tevens verzoeker] daarentegen beroept zich op artikel 44 van de CAO, waarin is bepaald dat de uren van het werk-werk verkeer moeten worden vergoed. De vergoeding kan ook in het salaris zijn begrepen, maar in dat geval moet de werkgever aan de werknemer een schriftelijke verklaring verstrekken vóórdat de vergoeding in de beloning wordt begrepen. Die verklaring is door [verzoekster, tevens verweerster] niet verstrekt. Volgens [verweerder, tevens verzoeker] heeft hij daarom recht op uitbetaling van alle gemaakte reisuren, door hem berekend op € 2.696,71 bruto, zijnde de vergoeding voor daadwerkelijk gemaakte reisuren in de periode van 31 januari 2017 tot en met 9 oktober 2018. [verweerder, tevens verzoeker] heeft een gedetailleerde berekening overgelegd.

5.14.

[verzoekster, tevens verweerster] heeft de kantonrechter verzocht om na de mondelinge behandeling nog te mogen reageren op het overzicht van reisuren van [verweerder, tevens verzoeker] . Zij wijst erop dat [verweerder, tevens verzoeker] zijn vordering pas 7 (in plaats van 10) dagen vóór de mondelinge behandeling heeft ingesteld.

5.15.

Die gelegenheid wordt [verzoekster, tevens verweerster] niet geboden. [verzoekster, tevens verweerster] is tijdens de mondelinge behandeling uitvoerig ingegaan op de tegenverzoeken en nevenvorderingen van [verweerder, tevens verzoeker] . Zij moet in haar urenadministratie, aan de hand van de werkbriefjes, eenvoudig hebben kunnen nagaan of het overzicht van [verweerder, tevens verzoeker] van de diverse bouwlocaties waar hij werkzaam is geweest, met de bijbehorende reisuren buiten bloktijd, juist is. De vordering kan bovendien geen verrassing voor [verzoekster, tevens verweerster] zijn geweest, gelet op hetgeen tussen partijen is voorgevallen. [verzoekster, tevens verweerster] is door de late indiening naar het oordeel van de kantonrechter niet onredelijk in haar verdedigingsbelangen geschaad.

5.16.

[verweerder, tevens verzoeker] stelt dat [verzoekster, tevens verweerster] vóór 2014 de reisuren wel gewoon heeft uitbetaald. [verweerder, tevens verzoeker] heeft de werkwijze ten aanzien van de werkbriefjes, waarop de reisuren worden genoteerd, bevestigd. Hij heeft niet weersproken dat [verzoekster, tevens verweerster] de reisuren aan hem heeft “betaald” in verlofuren, voor zover die reistijd (buiten bloktijd) uitkomt boven 1 uur per dag.

5.17.

De kantonrechter constateert dat [verzoekster, tevens verweerster] anders omgaat met de uitbetaling van reisuren buiten bloktijd dan in de toepasselijke CAO is bepaald. Uit de tekst van de schriftelijke arbeidsovereenkomst blijkt niet dat reisuren buiten bloktijd (gedeeltelijk) in het loon zijn begrepen. De kantonrechter wil wel aannemen dat de betreffende CAO-bepaling in 1989, het moment dat de arbeidsovereenkomst is aangegaan, nog niet bestond. Dit neemt niet weg dat [verzoekster, tevens verweerster] op het moment dat de betreffende bepaling voor het eerst in de CAO werd opgenomen, schriftelijk had moeten vastleggen op welke wijze zij ten opzichte van [verweerder, tevens verzoeker] aan haar verplichtingen uit de CAO zal voldoen met betrekking tot vergoeding van reisuren. Dat dit destijds kennelijk niet is gebeurd, ligt in de risicosfeer van [verzoekster, tevens verweerster] . In rechte moet er daarom vanuit worden gegaan dat de reisuren waarvan [verweerder, tevens verzoeker] betaling vordert, niet in het loon zijn begrepen. De vordering van [verweerder, tevens verzoeker] tot vergoeding van reisuren, waarvan [verzoekster, tevens verweerster] de berekening op zich niet heeft betwist, zal worden toegewezen.

Nevenvorderingen van [verweerder, tevens verzoeker] – inhouding loon

5.18.

[verweerder, tevens verzoeker] heeft daarnaast gevorderd dat [verzoekster, tevens verweerster] aan hem alsnog het loon uitbetaalt dat zij heeft ingehouden, omdat hij eerder van de bouwplaats is weggegaan.

5.19.

[verweerder, tevens verzoeker] is uit protest tegen de weigering van [verzoekster, tevens verweerster] om reisuren afzonderlijk te vergoeden eerder van de bouwplaats weggegaan, ondanks uitdrukkelijke schriftelijke waarschuwing van [verzoekster, tevens verweerster] om dat niet te doen (productie 34 bij verzoekschrift, de brief van 1 november 2017). Op grond van de arbeidsovereenkomst dient [verweerder, tevens verzoeker] zijn arbeidsuren (7:45 uur per dag te vermeerderen met 1 uur pauze) te maken op de bouwlocatie. Vast staat dat hij dat niet heeft gedaan. Hij heeft geen recht op loon voor de uren die hij niet op de bouwlocatie heeft gewerkt, tenzij de wet anders bepaald, bijvoorbeeld in het geval dat het niet werken het gevolg is van arbeidsongeschiktheid. Van die uitzonderingen is in dit geval echter geen sprake. In plaats van zijn werk te doen op de bouwlocatie is [verweerder, tevens verzoeker] , tegen de instructie van [verzoekster, tevens verweerster] in, eerder naar het kantoor in [vestigingsplaats] teruggegaan. Hij heeft dan ook geen recht op loon over de niet-gewerkte uren op de bouwplaats. Ook de gemaakte reisuren komen niet voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking, omdat deze immers binnen de bloktijd zijn gemaakt. Dit deel van de vordering zal worden afgewezen.

Nevenvorderingen van [verweerder, tevens verzoeker] - verklaring voor recht

5.20.

[verzoekster, tevens verweerster] betwist niet dat zij is gehouden de CAO na te leven. Dat artikel 44 van de CAO inhoudt dat [verzoekster, tevens verweerster] “de gemaakte reisuren moet uitbetalen” is bovendien te kort door de bocht geformuleerd (zie hiervoor onder r.o. 5.17.). De verklaring voor recht die [verweerder, tevens verzoeker] vordert dient dan ook te worden afgewezen.

Nevenvorderingen van [verweerder, tevens verzoeker] – overzicht verlof-, reis- en overuren

5.21.

[verweerder, tevens verzoeker] vordert afgifte van een overzicht van verlofuren, reisuren en overuren vanaf 2015. Dit deel van de vordering zal worden toegewezen in die zin, dat [verzoekster, tevens verweerster] aan [verweerder, tevens verzoeker] dit overzicht dient te verstrekken over de periode vanaf 2015 en tot aan het einde van de arbeidsovereenkomst op 1 januari 2019. Aan [verzoekster, tevens verweerster] zal een redelijke termijn van 14 dagen na de datum van de beschikking worden gegund om tot afgifte over te gaan van de gegevens die betrekking hebben op de periode tot aan de datum van deze beschikking. De overige gegevens dient [verzoekster, tevens verweerster] te verstrekken binnen 14 dagen na het einde van het dienstverband. De kantonrechter ziet onvoldoende grond voor het opleggen van een dwangsom. Niet is gesteld of gebleken immers dat [verweerder, tevens verzoeker] [verzoekster, tevens verweerster] eerder om dit overzicht heeft gevraagd en dat [verzoekster, tevens verweerster] afgifte daarvan heeft geweigerd.

Proceskosten

5.22.

De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden wegens (ernstig) verwijtbaar handelen van [verweerder, tevens verzoeker] . Hij moet daarom zijn eigen kosten dragen en wordt veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [verzoekster, tevens verweerster] , tot de datum van deze beschikking begroot op € 119,00 vastrecht en € 600,00 salaris gemachtigde. De nakosten en de wettelijke rente over de proces- en nakosten zullen worden toegewezen als hierna in het dictum te melden.

5.23.

De proceskosten in het tegenverzoek met nevenvorderingen worden gecompenseerd, omdat partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld.

Intrekkingstermijn

5.24.

In artikel 7:686a lid 6 BW is bepaald dat, alvorens een ontbinding waaraan een vergoeding wordt verbonden wordt uitgesproken, de rechter partijen van zijn voornemen in kennis stelt en een termijn stelt waarbinnen de verzoeker de bevoegdheid heeft zijn verzoek in te trekken. Aan [verzoekster, tevens verweerster] zal daarom de gelegenheid worden gegeven om uiterlijk op 5 december 2018 het verzoek in te trekken.

6 De beslissing

De kantonrechter:

Ten aanzien van de verzoeken van [verzoekster, tevens verweerster]

- stelt [verzoekster, tevens verweerster] in de gelegenheid uiterlijk op 5 december 2018 het ontbindingsverzoek in te trekken;

en voor het geval het ontbindingsverzoek niet tijdig wordt ingetrokken:

- ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 januari 2019;

- kent aan [verweerder, tevens verzoeker] een transitievergoeding toe van € 24.640,46 bruto en veroordeelt [verzoekster, tevens verweerster] om dit bedrag bij het einde van het dienstverband aan [verweerder, tevens verzoeker] te betalen;

- veroordeelt [verweerder, tevens verzoeker] in de proceskosten aan de zijde van [verzoekster, tevens verweerster] , tot deze beschikking begroot op € 119,00 vastrecht en € 600,00 aan salaris gemachtigde, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van deze beschikking, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van deze beschikking tot de dag van volledige betaling;

- veroordeelt [verweerder, tevens verzoeker] , onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [verzoekster, tevens verweerster] volledig aan deze proceskostenveroordeling voldoet, in de na deze beschikking ontstane kosten, begroot op € 100,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving tot de voldoening, te vermeerderen, indien betekening van de beschikking heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van de beschikking, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de voldoening;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders verzochte;

en voor het geval het ontbindingsverzoek tijdig wordt ingetrokken:

- veroordeelt [verzoekster, tevens verweerster] in de proceskosten aan de zijde van [verweerder, tevens verzoeker] , tot de datum van deze beschikking begroot op € 600,00 aan salaris gemachtigde;

Ten aanzien van het tegenverzoek met nevenvorderingen van [verweerder, tevens verzoeker]

- veroordeelt [verzoekster, tevens verweerster] om aan [verweerder, tevens verzoeker] € 2.696,71 bruto te betalen ter zake van vergoeding reisuren over de periode 31 januari 2017 tot en met 19 oktober 2018;

- veroordeelt [verzoekster, tevens verweerster] om binnen 14 dagen na de datum van deze beschikking aan [verweerder, tevens verzoeker] een overzicht te verstrekken van de verlofuren, ADV-uren, reisuren en overwerkuren over de periode vanaf 1 januari 2015 tot 27 november 2018;

- veroordeelt [verzoekster, tevens verweerster] om vóór 14 januari 2019 aan [verweerder, tevens verzoeker] een overzicht te verstrekken van de verlofuren, ADV-uren, reisuren en overwerkuren over de periode 27 november 2018 tot 1 januari 2019;

- compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders verzochte of gevorderde.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Wallis, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 27 november 2018.