Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:590

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
19-02-2018
Datum publicatie
19-02-2018
Zaaknummer
UTR 17/2451
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft bij besluit van 13 oktober 2016 aan eisers een last onder bestuursdwang opgelegd waarbij eisers zijn opgedragen binnen een week na dagtekening van het besluit de staat van de woning en tuin zodanig te verbeteren dat er geen hinder en gevaar meer is voor de buren en de buurt. Verweerder heeft met ingang van 25 oktober 2016 bestuursdwang toegepast. Vervolgens hebben eisers bezwaar gemaakt en daarna beroep ingesteld.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 1 mei 2017 maar laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Het beroep is gegrond omdat de rechtbank van oordeel is dat de aan eisers gegeven begunstigingstermijn van een week niet voldoende was om aan de last te kunnen voldoen, aangezien er sprake was van een zeer grote hoeveelheid spullen die (uitgezocht en) opgeruimd moest worden, eisers beiden op hoge leeftijd zijn en dat zij hulp dienden in te schakelen om aan de last te kunnen voldoen. De ter plaatse aangetroffen situatie was bovendien niet zodanig nijpend, dat een enigszins langere termijn niet kon worden gegeven. De overige beroepsgronden slagen niet. De rechtsgevolgen worden in stand gelaten omdat aan de last onder bestuursdwang al uitvoering is gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/2451

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2018 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , te [woonplaats] ,

eisers,

(gemachtigde: mr. J.G.M. Roels),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug, verweerder,

(gemachtigde: mr. E.T.E. Kemperman).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de heer [derde-partij] , te [woonplaats] (hierna: [derde-partij] ).

Procesverloop

Bij besluit van 13 oktober 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eisers een last onder bestuursdwang opgelegd waarbij eisers zijn opgedragen binnen een week na dagtekening van het besluit de staat van de woning en tuin op het adres [adres] te [woonplaats] zodanig te verbeteren dat er geen hinder en gevaar meer is voor de buren en de buurt.

Bij besluit van 1 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers gegrond verklaard en de motivering van het primaire besluit aangevuld.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2018. De gemachtigde van eisers is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en

N. Biez.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eisers zijn eigenaar van het perceel [adres] te [woonplaats] en de daarop aanwezige twee-onder-een kapwoning. [derde-partij] is eigenaar van de andere helft van de twee-onder-een kapwoning, [adres] . Op

30 september 2016 heeft [derde-partij] een melding gedaan bij verweerder van (muizen)overlast die hij en zijn gezin ervaren. Op 3 oktober 2016 hebben toezichthouders van verweerder een bezoek gebracht aan het perceel [adres] . Dit heeft geleid tot de besluitvorming zoals weergegeven onder het kopje ‘Procesverloop’. Met ingang van 25 oktober 2016 is door verweerder bestuursdwang toegepast.

2. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de ernst van de muizenoverlast en de ernstig vervuilde staat van de woning van eisers, de last onder bestuursdwang terecht is opgelegd. De aan eisers gegeven begunstigingtermijn was, gelet op de feiten en omstandigheden, niet onredelijk kort, aldus verweerder.

3. Eisers voeren - kort weergegeven - aan dat verweerder het besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid, omdat zij niet in de gelegenheid zijn gesteld om hun zienswijze kenbaar te maken. Bovendien is volgens eisers door verweerder onvoldoende onderbouwd dat sprake was van een overtreding en was de begunstigingtermijn van een week te kort.

4. Op grond van artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) stelt een bestuursorgaan voordat het een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, die belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien:

a. de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en

b. die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt.

Artikel 5:24 van de Awb luidt als volgt:

1. De last onder bestuursdwang omschrijft de te nemen herstelmaatregelen.

2. De last onder bestuursdwang vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd.

3. De last onder bestuursdwang wordt bekendgemaakt aan de overtreder, aan de rechthebbenden op het gebruik van de zaak waarop de last betrekking heeft en aan de aanvrager.

Ingevolge artikel 5:31, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last. Artikel 5:24, eerste en derde lid, is op dit besluit van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 5:31, tweede lid, van de Awb is bepaald dat indien de situatie zo spoedeisend is, dat een besluit niet kan worden afgewacht, terstond bestuursdwang kan worden toegepast, maar dat dan zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekend wordt gemaakt.

Ingevolge artikel 6:22 van de Awb kan een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten, indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

5. De rechtbank stelt vast dat in dit geval geen sprake is van een spoedeisende bestuursdwang zonder voorafgaande last, zoals bedoeld in artikel 5:31 van de Awb, nu immers voorafgaand aan de bestuursdwang een last aan eisers is opgelegd en daarbij sprake is van een begunstigingstermijn. Dat in het besluit wordt gesproken van spoedeisende bestuursdwang maakt dit niet anders. Er is derhalve sprake van een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:24 van de Awb, zodat verweerder op grond van artikel 4:8 van de Awb voor het geven van de last eisers in de gelegenheid had moeten stellen hun zienswijze naar voren te brengen. Vaststaat dat eisers hiertoe niet in de gelegenheid zijn gesteld. Verweerder stelt zich op het standpunt dat, nu eisers in de bezwaarprocedure wel in de gelegenheid zijn gesteld om gehoord te worden, dit gebrek is hersteld.

5.1.

De rechtbank overweegt dat de strekking van de hoorplicht in artikel 4:8 van de Awb beperkt is. Blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van dit artikel beoogt het artikel slechts te waarborgen dat een verificatie van gegevens plaatsvindt. Er is geen sprake van een rechtsbeschermingsfunctie en de zienswijze is uitdrukkelijk niet bedoeld als een bezwaarprocedure vooraf. Ook is de mogelijkheid om een zienswijze te geven op grond van dit artikel niet bedoeld om alle mogelijke belangen in kaart te brengen. Nu eisers in de bezwaarprocedure alsnog hun zienswijze schriftelijk en mondeling naar voren hebben kunnen brengen, is aannemelijk dat eisers niet zijn benadeeld door niet in de mogelijkheid te zijn gesteld om vooraf een zienswijze naar voren te brengen. De rechtbank acht daarom verweerders beroep op artikel 6:22 van de Awb gerechtvaardigd. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

6. Verweerder heeft aan de last ten grondslag gelegd dat sprake is van overtreding van de artikelen 7.21 en 7.22 van het Bouwbesluit 2012. Deze bepalingen zien (onder meer) op het veilig en gezond gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen en het voorkomen van overlast veroorzaakt door schadelijk of hinderlijk gedierte.

6.1.

De rechtbank stelt vast dat verweerder naar aanleiding van het advies van de commissie alsnog een controlerapport heeft laten opmaken van het bezoek dat op 3 oktober 2016 aan de woning van [derde-partij] is gebracht. In dit controlerapport is vermeld dat aldaar gaten in het plafond zijn aangetroffen, waarbij na een vorig herstel van het plafond zelfs door het aangebrachte staalwol was heen geknaagd. Op de zolder van de woning van [derde-partij] werd veel muizenontlasting aangetroffen en werd ontlasting geroken, aldus het controlerapport. Gelet hierop, alsmede gezien de in het dossier aanwezige foto’s van de woning en het perceel van eisers, is de rechtbank van oordeel dat verweerder heeft kunnen concluderen dat sprake was van ernstige muizenoverlast en een ernstig vervuilde staat van de woning van eisers, waardoor voor omwonenden overlast werd veroorzaakt. Eisers hebben bovendien hetgeen uit het dossier blijkt over de staat van hun woning en perceel niet betwist. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake was van een overtreding van de artikelen 7.21 en 7.22 van het Bouwbesluit 2012. Verweerder was daarom bevoegd om over te gaan tot handhaving.

7. De rechtbank volgt eisers niet in hun stelling dat de last niet voldoende duidelijk was. Volgens vaste rechtspraak dient de in het kader van bestuurlijke handhaving gegeven last, gezien de daaraan verbonden verstrekkende gevolgen, zodanig duidelijk en concreet geformuleerd te zijn dat degene tot wie de last is gericht niet in het duister hoeft te tasten omtrent hetgeen gedaan of nagelaten moet worden om toepassing van de aangekondigde dwangmaatregelen te voorkomen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 15 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:41). Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de door verweerder geformuleerde last aan deze eisen. In het primaire besluit draagt verweerder eisers op om de staat van de woning en de tuin zodanig te verbeteren dat er geen hinder en gevaar meer is voor de buren en buurt. Daarbij staat vermeld dat dit concreet inhoudt dat eisers alle afvalmaterialen dienen te verwijderen, de woning en de tuin dienen op te ruimen en schoon te maken en de aanwezigheid van alle muizen en ongedierte dienen tegen te gaan en te bestrijden, zodat wordt voldaan aan het Bouwbesluit. De rechtbank acht deze last voldoende duidelijk en concreet. Deze beroepsgrond slaagt niet.

8. Vervolgens voeren eisers aan dat de termijn van een week om de last uit te voeren te kort was, gelet op hun leeftijd en de overige feiten en omstandigheden.

8.1.

De rechtbank is van oordeel dat eisers deze grond terecht hebben aangevoerd.

Volgens vaste rechtspraak van de ABRvS dient een begunstigingstermijn ertoe de overtreder in de gelegenheid te stellen de last uit te voeren zonder dat bestuursdwang wordt toegepast. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat er sprake was van een zeer grote hoeveelheid spullen die (uitgezocht en) opgeruimd moest worden, dat eisers beiden op hoge leeftijd zijn en dat zij hulp dienden in te schakelen om aan de last te kunnen voldoen. Een termijn van een week is daarvoor naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende. De ter plaatse aangetroffen situatie was bovendien niet zodanig nijpend, dat een enigszins langere termijn niet kon worden gegeven. Het bestreden besluit is op dit punt in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb niet zorgvuldig voorbereid. Deze beroepsgrond slaagt.

9. Met betrekking tot de stelling van eisers dat de werkzaamheden die zijn uitgevoerd in opdracht van verweerder verder gaan dan de gegeven last, overweegt de rechtbank dat bij de toetsing van een besluit om tot bestuursdwang over te gaan, de vraag of de bestuursdwang feitelijk correct is uitgevoerd, niet aan de orde is, maar uitsluitend de vraag of het bevoegde bestuursorgaan rechtsmatig tot dat besluit is overgegaan. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 4 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:992. De wijze waarop feitelijk uitvoering is gegeven aan de bestuursdwang betreft feitelijk handelen dat is onderworpen aan het oordeel van de burgerlijke rechter.

10. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen ten aanzien van de begunstigingstermijn is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

11. Gelet op het feit dat aan de last onder bestuursdwang al uitvoering is gegeven, zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand laten.

12. Omdat het beroep gegrond is, ziet de voorzieningenrechter aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die eisers in beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) begroot op

€ 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 501,- en een wegingsfactor 1) als kosten voor verleende rechtsbijstand. Op grond van artikel 8:74 van de Awb dient verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 168,- te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 1 mei 2017;

- laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.002,-, te betalen aan eisers;

- bepaalt dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht van € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S. Wijna, rechter, in aanwezigheid van

mr. T.M.M.P. Westbroek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

19 februari 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.