Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5868

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-11-2018
Datum publicatie
06-12-2018
Zaaknummer
16/659533-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

poging doodslag door steken met een mes in de borst van het slachtoffer, betrouwbaarheid verklaringen getuigen, alternatief scenario en beroep op noodweer(exces) verworpen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/659533-18 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 28 november 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1968] te [geboorteplaats] (voormalig Joegoslavië),

thans gedetineerd te PI Nieuwegein – HvB locatie Nieuwegein.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 november 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. J.R.F. Esbir Wildeman en van hetgeen verdachte en mr. J.C. Reisinger, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht, alsmede hetgeen door mr. M. Kubatsch namens de benadeelde partij [slachtoffer] naar voren is gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair op 1 augustus 2018 te Utrecht heeft geprobeerd [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven door die [slachtoffer] meermalen met een mes in haar (linker)borst te steken, te snijden en/of te prikken

Subsidiair op 1 augustus 2018 te Utrecht heeft geprobeerd [slachtoffer] zwaar te mishandelen door die [slachtoffer] meermalen met een mes in haar (linker)borst te steken, te snijden en/of te prikken

Meer subsidiair op 1 augustus 2018 te Utrecht [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen met een mes in haar (linker)borst te steken, te snijden en/of te prikken

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

Verdachte heeft tweemaal in de borst van aangeefster gestoken. De aard en de plek van het letsel en de manier waarop het letsel is toegebracht maakt dat sprake is van een poging doodslag.

De verklaring van aangeefster wordt ondersteund door de getuigenverklaring van haar zoon [getuige 1] , de letselverklaring en het feit dat verdachte een motief heeft. De betrokkenheid van verdachte wordt door verdachte en getuige [getuige 2] ontkend. Verdachte en [getuige 2] hebben echter op meerdere punten niet de waarheid verteld. Daarnaast is het alibi van verdachte niet aannemelijk. Er moet daarom meer waarde worden gehecht aan de verklaringen van aangeefster en de getuige [getuige 1] dan aan wat verdachte naar voren heeft gebracht.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Ten eerste omdat het bewijs voor de betrokkenheid van verdachte ontbreekt. De verklaringen van aangeefster en getuige [getuige 1] zijn onbetrouwbaar. De verklaringen zijn onderling inconsistent en innerlijk tegenstrijdig. Daarnaast kunnen aangeefster en getuige [getuige 1] belang hebben bij het afleggen van een onjuiste verklaring. Verdachte ontkent het feit en heeft een alternatief scenario geschetst. Er kan niet overtuigend en buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat het door verdachte geschetste scenario onjuist is. Daarnaast is geen sprake van opzet op de dood van de aangeefster. Het verwonden van de borst met een mes maakt niet dat zonder meer sprake is van een aanmerkelijke kans op overlijden. Zelfs indien sprake was van een aanmerkelijke kans op overlijden, kan de poging doodslag niet worden bewezen omdat verdachte deze kans niet bewust heeft aanvaard. Het subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde kan evenmin bewezen worden verklaard, nu een onjuiste voorletter van het slachtoffer in de tenlastelegging is opgenomen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen ten aanzien van het ten laste gelegde 1

Op 1 augustus 2018 heeft [slachtoffer] (hierna: aangeefster) aangifte gedaan van een op die datum gepleegd strafbaar feit. Zij heeft verklaard:

Ik doe aangifte omdat [verdachte] geprobeerd heeft mij te vermoorden. (…) Op woensdag 1 augustus in de nacht lag ik op de bank in mijn huis [adres] in [woonplaats] . (…) Vannacht zag ik dat zowel [verdachte] als zijn vriendin weer voor de deur stonden. (…) Ik hoorde dat [verdachte] riep dat hij mij dood wilde maken met een pistool. (…) ik ben (…) naar buiten gerend (…) ik was op het trottoir aangekomen vlak voor het portiek van mijn woning. Ik zag dat [verdachte] op mij af kwam rennen. (…) [verdachte] bleef vlak tegen over mij stil staan. (…) Ik zag dat [verdachte] met zijn rechterhand achter zijn rug iets pakte. Ik zag plotseling een mes in zijn rechter hand. (…) Ik zag dat [verdachte] met het mes in mijn richting stak. (…) Ik heb de eerste steek kunnen afweren met de bezem (…) Ik zag dat hij voor de tweede keer stak. Ik voelde dat het mes in mijn linkerzijde ter hoogte van mijn borst kwam. (…) Heel snel kwam er nog een steek. Ik voelde de steek terecht komen op mijn linkerborst in de buurt van mijn hart. (…) De hele tijd tijdens het steken bleef [verdachte] schreeuwen dat hij mijn hele familie dood ging maken.”2

In een geneeskundige verklaring wordt het volgende letsel bij aangeefster benoemd:

2x steekwond borstkas 3

Getuige [getuige 1] heeft verklaard:

Ik heb alles gezien. (…) Ik was thuis (…) plotseling werd ik wakker omdat ik gebonk op het raam bij de deur hoorde. (…) Ik kende gelijk de man die erbij stond. (…) Hij heet [verdachte] . (…) Mijn moeder en ik zijn naar buiten gegaan. (…) Ik zag toen dat hij aan kwam rennen met dat mes in zijn handen. Ik zag dat hij 2 keer mijn moeder stak.”4

Bewijsoverwegingen

Betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster en de getuige [getuige 1]

De verklaringen van aangeefster en getuige [getuige 1] zijn volgens de verdediging onbetrouwbaar waardoor verdachte bij gebrek aan overtuigend bewijs moet worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten.

De rechtbank overweegt met betrekking tot dit verweer het volgende. Hoewel de verklaringen van aangeefster en voornoemde getuige op enkele onderdelen van elkaar afwijken, komen de verklaringen in de kern overeen. Daarnaast zijn er slechts op enkele detailpunten kleine verschillen te ontdekken tussen hun verklaringen bij de politie en de rechter-commissaris. De verklaringen zijn daarom niet dusdanig van elkaar afwijkend dan wel innerlijk tegenstrijdig dat daardoor de betrouwbaarheid van de verklaringen in het geding komt. Door de verdediging is ook betoogd dat aangeefster en de getuige [getuige 1] een motief hadden om verdachte valselijk te beschuldigen. Er is namelijk tussen aangeefster en getuige [getuige 1] enerzijds en verdachte anderzijds sprake van een conflict over een auto. De rechtbank volgt de verdediging hierin niet en is van oordeel dat dit onderliggende conflict juist het motief voor verdachte lijkt te zijn geweest om aangeefster neer te steken. Dat dit conflict het motief kan zijn geweest voor het handelen van verdachte volgt niet alleen uit de verklaringen van aangeefster en getuige [getuige 1] , maar ook uit het proces-verbaal van bevindingen van 14 mei 2018 (pagina 159 van het dossier). In dit proces-verbaal is opgenomen: “Ik hoorde dat [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) zei dat zij, [getuige 1] en zijn moeder, ervoor hadden gezorgd dat [getuige 2] in de problemen was gekomen. [getuige 1] en zijn moeder zouden met de legitimatie van [getuige 2] een auto op haar naam hebben gezet. Ik hoorde dat [verdachte] zei dat hij hier boos over was. Ik hoorde dat [verdachte] een aantal malen zei dat hij het zelf zou regelen als [getuige 1] en zijn moeder niet door de politie zouden worden gepakt. Ik hoorde dat [verdachte] zei dat hij het niet erg vond als hij daarvoor de gevangenis in zou moeten gaan”.

De rechtbank heeft gelet op voornoemde feiten en omstandigheden geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster en getuige [getuige 1] . Het verweer van de verdediging wordt dan ook verworpen.

Alternatief scenario

Verdachte ontkent alle betrokkenheid bij het hem ten laste gelegde en heeft een alternatief scenario geschetst. Verdachte heeft verklaard dat hij ten tijde van het ten laste gelegde naar café Istanblue is gegaan om bier te halen. Het café was dicht en hij is toen vervolgens – zo verklaart hij ter zitting – met een omweg naar huis gelopen.

De rechtbank acht het door verdachte geschetste alternatieve scenario niet aannemelijk geworden. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. Verdachte heeft wisselende verklaringen afgelegd over zijn handelingen op 1 augustus 2018. Bovendien heeft verdachte de verklaring dat hij met een omweg naar huis is gelopen vanaf Istanblue pas ter terechtzitting gegeven, nadat hij bekend was geworden met het dossier, zodat hij zijn verklaring daarop heeft kunnen afstemmen. Verdachte is korte tijd nadat aangeefster is neergestoken voor zijn woning aangehouden. Uit het dossier blijkt dat de woning van verdachte op zodanige loopafstand van de woning van aangeefster ligt dat verdachte deze afstand precies heeft kunnen lopen in het tijdsbestek tussen de steekpartij en het moment dat hij bij zijn woning werd aangetroffen. Ook blijkt uit het dossier dat verdachte uit de richting van de woning van de aangeefster kwam aanlopen en dat hij zich in de tuin van zijn woning probeerde te verstoppen. Tot slot heeft de rechtbank, zoals reeds is besproken, geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster en [getuige 1] dat verdachte degene is die aangeefster heeft gestoken. Ook om die reden wordt de verklaring van verdachte dat hij niet ter plaatse was ongeloofwaardig geacht.

Opzet op de dood

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat – ook indien de rechtbank uitgaat van de betrokkenheid van verdachte – er geen sprake kan zijn van bewezenverklaring van een poging tot doodslag omdat het (voorwaardelijk) opzet op de dood van het slachtoffer ontbreekt.

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van een poging doodslag is vereist dat verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Er is sprake van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, in dit geval de dood van het slachtoffer, indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden en deze kans bewust heeft aanvaard. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, waaronder wordt verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid (Hoge Raad 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718).

Op basis van voornoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte het slachtoffer tweemaal met een mes in de borst heeft gestoken. Naar algemene ervaringsregels had dit tot de dood van het slachtoffer kunnen leiden, doordat zich in de borststreek vitale organen bevinden. Indien verdachte het slachtoffer anders zou hebben geraakt, hadden de gevolgen heel anders kunnen zijn. Daarnaast heeft verdachte met enige kracht gestoken, het mes is immers door de kleren van het slachtoffer heen gegaan en er zijn twee steekwonden ontstaan. De rechtbank is van oordeel dat het opzet van verdachte door het meermalen steken van het slachtoffer in de borst (tenminste) in voorwaardelijke zin was gericht op de dood van het slachtoffer. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. Het verweer van de verdediging dat geen sprake is van een poging tot doodslag omdat het opzet ontbreekt, wordt dan ook verworpen.

Conclusie

Op basis van voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag op [slachtoffer] .

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Primair

op 01 augustus 2018 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met een mes, meermalen in haar linkerborst heeft gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Noodweer

6.1

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is, voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, een beroep gedaan op noodweer. De verdediging heeft betoogd dat verdachte daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Aangevoerd is dat sprake is van een noodweersituatie, omdat aangeefster en getuige [getuige 1] met twee wapens naar buiten zijn gekomen. Daarnaast zou aangeefster provocerend hebben geroepen en deden zich de dreigende omstandigheden voor dat het donker was, dat er verder niemand op straat was en dat sprake was van een overtalsituatie waarbij verdachte in de minderheid was.

6.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat van noodweer geen sprake is. Verdachte ontkent ter plaatse te zijn geweest. Het verweer moet worden gepasseerd, omdat niet duidelijk is gemaakt waarom verdediging geboden was.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat een beroep op noodweer slaagt als sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding die is gericht tegen eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed, waartegen verdediging noodzakelijk en geboden is.

Uit het dossier blijkt niet dat zich een situatie heeft voorgedaan waarbij sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte. De door de verdediging geschetste situatie waarbij aangeefster en de getuige [getuige 1] met wapens op verdachte zijn afgekomen wordt niet door het dossier ondersteund. Weliswaar staat vast dat aangeefster en getuige een bezemsteel en een stofzuigerslang bij zich hadden, maar uit niets blijkt dat zij verdachte met deze goederen hebben aangevallen. Uit het dossier volgt juist dat verdachte degene is geweest die de confrontatie heeft opgezocht door naar de woning van aangeefster te komen om vervolgens met een mes naar aangeefster toe te lopen en haar meteen tweemaal te steken. Bovendien is niet gebleken dat verdachte, indien wel sprake zou zijn geweest van een noodweersituatie, zich niet alleen redelijkerwijs aan de situatie had kunnen maar ook had moeten onttrekken.

Het beroep op noodweer wordt verworpen.

Kwalificatie

Er is verder geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

ten aanzien van het primair ten laste gelegde: poging tot doodslag

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Noodweerexces

Door de verdediging is een beroep gedaan op noodweerexces. Zoals hiervoor besproken, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie waarbij voor verdachte de noodzaak bestond om zich te verdedigen. Het beroep op noodweerexces slaagt reeds daarom niet. Het beroep op noodweerexces wordt dan ook verworpen.

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de oplegging van een contact- en locatieverbod als bijzondere voorwaarden.

Ten aanzien van het locatieverbod geldt dat verdachte zich niet binnen een straal van 25 meter rondom de woning van het slachtoffer mag bevinden.

De officier van justitie heeft bij zijn eis rekening gehouden met de richtlijn van 24 – 42 maanden gevangenisstraf die het Openbaar Ministerie hanteert ten aanzien van een poging tot doodslag. De hoogte van de strafeis is onder meer afhankelijk van de aard van de zaak en de impact die het strafbare feit op het leven van het slachtoffer heeft gehad. Omdat het letsel bij het slachtoffer niet als zwaar lichamelijk letsel kan worden gekwalificeerd, wordt in de eis aangesloten bij het midden van de richtlijn.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, indien tot strafoplegging wordt gekomen, verzocht om de eis van de officier van justitie fors te matigen. Met verwijzing naar jurisprudentie concludeert de verdediging dat er bij een poging tot doodslag gemiddeld een, soms deels voorwaardelijke, gevangenisstraf voor de duur van twee jaar wordt opgelegd. Ten aanzien van de gevorderde bijzondere voorwaarden refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door het slachtoffer tweemaal met een mes in de borst te steken. Door zijn handelen heeft verdachte op zeer grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De gebeurtenis heeft grote impact op het slachtoffer gehad. Dit blijkt onder meer uit de verklaring van het slachtoffer dat ze nog steeds bang is en slecht slaapt. Zoals ter terechtzitting is gebleken is het haar wens om te verhuizen nu zij niet langer wil wonen op de plek waar zij dit heeft moeten meemaken. Daarnaast is het slachtoffer voor de ogen van haar zoon neergestoken, waardoor niet alleen het slachtoffer maar ook haar zoon met deze heftige gebeurtenis is geconfronteerd. Een dergelijk buitengewoon ernstig misdrijf rechtvaardigt alleen de oplegging van een langdurige (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank gekeken naar straffen in vergelijkbare zaken.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Uit het strafblad van verdachte, dat zeer omvangrijk is en vijftig pagina’s omvat, volgt dat hij niet eerder voor een ernstig geweldsdelict is veroordeeld. Daarnaast blijkt dat verdachte in de tussentijd voor andere feiten is veroordeeld, zodat artikel 63 Sr van toepassing is. Deze omstandigheden wegen echter niet op tegen de ernst van het feit en zullen dan ook niet leiden tot strafvermindering. Wel is sprake van omstandigheden die als strafverzwarend worden beschouwd. Ten eerste is verdachte degene geweest die, vanwege een conflict over een auto, op volstrekt ontoelaatbare en grensoverschrijdende wijze het recht in eigen hand heeft genomen door met een mes op aangeefster af te gaan en haar te steken. Daarbij komt dat verdachte kennelijk al langere tijd rond liep met de gedachte om het heft in eigen hand te nemen en ten overstaan van de politie ook heeft aangegeven zich niet om de gevolgen hiervan te bekommeren. De rechtbank neemt dit verdachte zeer kwalijk.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging ook kennisgenomen van de inhoud van het reclasseringsrapport van 9 november 2018. Uit voornoemde rapportage is gebleken dat eerdere ingezette hulpverlening niet heeft geleid tot het gewenste resultaat. Hoewel intensieve zorg op diverse leefgebieden wenselijk is, ziet de reclassering geen mogelijkheden meer om verdachte in het ambulante kader te helpen. Om die reden adviseert de reclassering om een straf zonder reclasseringstoezicht op te leggen. Gelet op voornoemd reclasseringsrapport ziet de rechtbank geen meerwaarde in het opleggen van bijzondere voorwaarden, anders dan een contact- en locatieverbod die dienen ter bescherming van het slachtoffer. Gelet op de angst waarin het slachtoffer nog steeds verkeert en haar wens tot de oplegging van een contact- en locatieverbod, is de rechtbank namelijk van oordeel dat het wenselijk en noodzakelijk is om aan verdachte een contact- en locatieverbod op te leggen. Daarbij geldt ten aanzien van het locatieverbod dat verdachte zich niet binnen een straal van 25 meter rondom de woning van het slachtoffer mag bevinden.

De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaar passend en geboden.

9 BENADEELDE PARTIJ

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 8.960,88. Dit bedrag bestaat uit € 1.460,88 materiële schade en € 7.500,- immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde. De vordering is ter terechtzitting door mr. Kubatsch nader toegelicht.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de materiële schade kunnen de kosten van het eigen risico, de daggeldvergoeding, de BH en de reiskosten met een totaalbedrag van € 555,88 worden toegewezen. Met betrekking tot de mantelzorg refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de kosten die voor de overige kleding worden gevorderd is onvoldoende duidelijk of de schade ten gevolge van het ten laste gelegde is geleden en de vordering moet in zoverre dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard. De immateriële schade kan gedeeltelijk worden toegewezen. De officier van justitie refereert zich aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de hoogte van het toewijsbare gedeelte.

Daarnaast eist de officier van justitie vermeerdering van het toegewezen bedrag met de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2

Het standpunt van de verdediging

Primair moet de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard in verband met de bepleite vrijspraak. Subsidiair geldt ten aanzien van de materiële schade dat de kosten voor de mantelzorg, het eigen risico en de kleding niet zijn onderbouwd. Om die reden dienen deze posten te worden afgewezen. De verdediging verzoekt het toewijsbare gedeelte van de immateriële schade fors te matigen tot maximaal € 2.000,-, waarbij de verdediging ter onderbouwing van dit verzoek verwijst naar jurisprudentie.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank wijst € 1.040,88,- aan materiële schade toe, bestaande uit de kosten voor de daggeldvergoeding voor de ziekenhuisopname, mantelzorg, t-shirt, BH en reiskosten. Voornoemde kosten zijn voldoende onderbouwd. Ten aanzien van de mantelzorg overweegt de rechtbank daarbij dat op grond van de medische verklaring het aannemelijk is dat aangeefster zes weken licht tot matig beperkt is geweest in haar vermogen tot het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden en daarvoor mantelzorg heeft gehad.

Aangeefster wordt ten aanzien van het meer aan materiële schade gevorderde niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. De gevorderde kosten ten aanzien van het eigen risico van de ziektekostenverzekering zijn onvoldoende onderbouwd. Door aangeefster is niet aangetoond dat zij als gevolg van het bewezenverklaarde kosten heeft gemaakt die voor rekening zijn gekomen van het eigen risico van haar ziektekostenverzekering. Ten aanzien van de kosten van de trui en de roze mantel/vestje geldt eveneens dat deze onvoldoende zijn onderbouwd. Uit het dossier is op geen enkele wijze gebleken dat aangeefster ten tijde van de steekpartij een trui en/of roze mantel/vestje droeg. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van deze kostenposten en bepalen dat de vordering ten aanzien van dit gedeelte slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Het toegewezen bedrag van € 1.040,88 moet worden vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente vanaf de datum van indienen van de vordering, zijnde 29 oktober 2018, tot de dag van volledige betaling.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 1.040,-,

te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 29 oktober 2018 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 20 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan [slachtoffer] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan [slachtoffer] .

Immateriële schade

Met betrekking tot de immateriële schade begroot de rechtbank, gelet op de vergoedingen die in vergelijkbare zaken worden toegekend, de schade naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid op een bedrag van € 3.500,-. Het bedrag moet worden vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente vanaf 1 augustus 2018 tot de dag van volledige betaling. De rechtbank verklaart [slachtoffer] ten aanzien van het meer aan immateriële schade gevorderde niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 3.500,-,

te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 1 augustus 2018 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 45 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan [slachtoffer] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan [slachtoffer] .

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 36 (zesendertig) maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 6 (zes) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd:

* op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , wonende aan de [adres] , [woonplaats] ;

* zich niet zal bevinden binnen een straal van 25 meter van de woning aan de [adres] , [woonplaats] ;

Benadeelde partij

- wijst de materiële vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 1.040,- (zegge: duizendveertig euro);

- veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 oktober 2018 tot de dag van volledige betaling;

- verklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 1.040,- te betalen aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 oktober 2018 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 20 dagen hechtenis;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

- wijst de immateriële vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 3.500, (zegge: vijfendertighonderd euro);

- veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2018 tot de dag van volledige betaling;

- verklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 3.500,- te betalen aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2018 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 45 dagen hechtenis;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van de immateriële schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.W. Verhaagh, voorzitter, mr. drs. S.M. van Lieshout en mr. D. Riani el Achhab, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.D.M. Osinga, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 november 2018.

Mr. E.J.W. Verhaagh en mr. drs. S.M. van Lieshout zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 01 augustus 2018 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal, in haar (linker)borst, althans in de borststreek, heeft gestoken en/of gesneden en/of geprikt,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

Subsidiair

hij op of omstreeks 1 augustus 2018 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om, aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal in de (linker)borst, althans de borststreek, heeft gestoken en/of gesneden en/of geprikt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 1 augustus 2018 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk mishandeld een persoon genaamd [slachtoffer] , door met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, in de linkerborst, althans de borststreek, te steken en/of te prikken en/of te snijden, waardoor deze [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal van 18 september 2018 en 10 oktober 2018, onderzoek 31 Anjer18 / MD4R01806, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, District Stad-Utrecht, doorgenummerd 1 tot en met 196. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Het proces-verbaal van verhoor aangeefster, p. 37-39.

3 Een schriftelijk bescheid, te weten een geneeskundige verklaring, p. 44.

4 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 68.