Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5856

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-11-2018
Datum publicatie
03-12-2018
Zaaknummer
UTR 17/3975
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

retrospectieve invoervergunning, kaviaar, China, CITES, overmacht, proportionaliteit

artikel 15 Uitvoeringsverordening

Invoer van kaviaar zonder daartoe strekkende invoervergunning. Aanvraag om een retrospectieve invoervergunning afgewezen omdat niet is voldaan aan de tweede voorwaarde genoemd in artikel 15, tweede lid, van de Uitvoeringsverordening (Verordening (EG) nr. 865/2006). Eiseres moet namelijk verantwoordelijk worden gehouden voor de onregelmatigheden die zich hebben voorgedaan bij de invoer van de kaviaar, namelijk het ontbreken van een invoervergunning. Niet gebleken dat eiseres niet verantwoordelijk kan worden gehouden. Het in dit geval vasthouden aan de regelgeving is in overeenstemming met het doel van de regelgeving. Met het stellen van voorwaarden voor het verlenen van een retrospectieve invoervergunning wordt immers bijgedragen aan de controle op het handelsverkeer ter bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het invoeren zonder invoervergunning beperkt dan wel ontneemt verweerder de controlemogelijkheden, wat in strijd is met de hiervoor genoemde doelstelling. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/3975

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 november 2018 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. N.F. Barthel),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (voorheen: de staatssecretaris van Economische Zaken), verweerder

(gemachtigde: mr. J.H. Verheul-Verkaik).

Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een retrospectieve invoervergunning voor de invoer van kaviaar vanuit China afgewezen.

Bij besluit van 23 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gelijktijdig met de behandeling van de beroepszaak met zaaknummer UTR 17/4459, plaatsgevonden op 18 oktober 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en de heer [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. De rechtbank gaat uit van het volgende. Op 5 mei 2017 heeft eiseres een aanvraag ingediend bij de CITES Management Autoriteit (CITES) voor een invoervergunning voor de invoer van kaviaar vanuit China. Omdat de aanvraag onvolledig was, heeft CITES eiseres verzocht de aanvraag aan te vullen. Hier heeft eiseres op 16 juni 2017 gehoor aan gegeven. Vervolgens is de aanvraag op 20 juni 2017 voor advies doorgestuurd naar de Wetenschappelijke Autoriteit van CITES in Nederland. Op 21 juni 2017 heeft eiseres bij CITES gemeld dat een zending kaviaar al op 20 juni 2017, zonder daartoe strekkende invoervergunning, was ingevoerd en op Schiphol aanwezig was. De aanvraag van eiseres is vervolgens omgezet in een aanvraag voor een retrospectieve invoervergunning. Dit heeft geleid tot het hierboven beschreven procesverloop. De douane heeft de kaviaar in bewaring genomen.

  2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseres niet in aanmerking komt voor een retrospectieve invoervergunning voor de invoer van kaviaar vanuit China, omdat niet wordt voldaan aan de tweede voorwaarde genoemd in artikel 15, tweede lid, van de Verordening (EG) nr. 865/2006 (de Uitvoeringsverordening). Eiseres moet namelijk verantwoordelijk worden gehouden voor de onregelmatigheden die zich hebben voorgedaan bij de invoer van de kaviaar, namelijk het ontbreken van een invoervergunning.

  3. Eiseres voert aan dat verweerder het bestreden besluit heeft genomen in strijd met het motiveringsbeginsel. Bij de afwijzing van de aanvraag heeft verweerder namelijk een aanvullend toetsingskader gehanteerd door de redelijkheid in de belangenafweging te betrekken. Verweerder heeft vervolgens in het bestreden besluit nagelaten te motiveren waarom, naar aanleiding van het bezwaar, de redelijkheid niet langer in de besluitvorming moet worden betrokken. Verder is eiseres van mening dat verweerder een te strikte interpretatie heeft gegeven aan artikel 15, tweede lid, van de Uitvoeringsverordening. Die interpretatie zorgt er namelijk voor dat er feitelijk (bijna) nooit een retrospectieve invoervergunning kan worden verleend, terwijl dit niet bijdraagt aan de met de regelgeving te beschermen belangen. Hier was sprake van een overmachtssituatie die tot het verlenen van een retrospectieve vergunning had moeten leiden. Eiseres mocht afgaan op de verklaringen van de exporteur over de termijn waarbinnen een invoervergunning zou worden verleend. Ook kan eiseres niet worden verweten dat de exporteur de kaviaar al op het vliegtuig naar Nederland had gezet en eiseres kon dat ook niet meer terugdraaien. Het enige wat wel kon, was er melding van maken bij CITES. Dat heeft eiseres ook gedaan. Eiseres erkent dat sprake is van een onregelmatigheid door in te voeren zonder invoervergunning. Het in dit geval niet verlenen van een retrospectieve invoervergunning draagt naar haar mening echter niet bij aan de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. De zending kweekkaviaar voldeed immers aan alle vereisten. Dat blijkt ook uit de omstandigheid dat voor latere zendingen steeds een invoervergunning is verleend. Omdat de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten nooit in het geding is geweest, vindt eiseres het gevolg van het niet verlenen van de retrospectieve vergunning, te weten de vernietiging van de zending kaviaar ter waarde van in totaal € 30.000,-, disproportioneel.

  4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanvraag om een vergunning terecht is afgewezen en het bezwaar terecht ongegrond is verklaard. De beoordeling heeft plaatsgevonden aan de hand van artikel 15, tweede lid, van de Uitvoeringsverordening en eiseres voldoet niet aan de tweede voorwaarde die daarin is gesteld. In de visie van verweerder moet eiseres namelijk verantwoordelijk worden gehouden voor het ontbreken van een invoervergunning. Dat er tussen eiseres en de uitvoerder in China een communicatiefout heeft plaatsgevonden, levert geen overmachtssituatie op. De communicatiefout is een omstandigheid die voor risico van eiseres dient te blijven. Verder dient eiseres op de hoogte te zijn geweest van de geldende afhandelingstermijn voor dergelijke vergunningen van in beginsel één maand. Dit volgt uit artikel 8, derde lid, van de Uitvoeringsverordening. Er is geen sprake van een aanvullend toetsingskader, aldus nog steeds verweerder.

  5. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat verweerder een aanvullend toetsingskader heeft toegepast bij de beoordeling of zij in aanmerking komt voor een retrospectieve invoervergunning. Daargelaten dat het bestreden besluit een volledige heroverweging inhoudt, heeft verweerder de aanvraag beoordeeld aan de hand van artikel 15 van de Uitvoeringsverordening.

  6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiseres niet voldoet aan de tweede voorwaarde van artikel 15, tweede lid, van de Uitvoeringsverordening. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de onregelmatigheden die zich hebben voorgedaan. De rechtbank overweegt daarbij dat de vraag of eiseres voor de onregelmatigheden verantwoordelijk kan worden gehouden een andere vraag is dan of sprake is van overmacht. Een situatie van overmacht kan een rol spelen in het kader van de verantwoordelijkheid, maar is niet zonder meer doorslaggevend. In dit geval heeft er een miscommunicatie plaatsgevonden tussen eiseres en de exporteur. Eiseres heeft echter niet onderbouwd dat zij er alles wat redelijkerwijs van haar verwacht mocht worden, aan heeft gedaan om die miscommunicatie of het gevolg daarvan te voorkomen. Zo is bijvoorbeeld niet gebleken dat eiseres zwart op wit heeft vastgelegd dat de exporteur pas zorg zou dragen voor de verzending op het moment dat de invoervergunning zou zijn afgegeven. In de door eiseres met haar bezwaarschrift meegestuurde brief van de exporteur van 22 juni 2017, die kennelijk is opgesteld naar aanleiding van het in bewaring nemen van de kaviaar door de douane, leest de rechtbank eerder een aanwijzing dat een dergelijke afspraak tussen eiseres en de exporteur op het moment van de invoer niet bestond. Uit de brief blijkt namelijk dat de exporteur de kaviaar heeft verzonden op basis van de veronderstelling dat eiseres binnen drie dagen een importvergunning zou krijgen. Ook is vermeld dat de exporteur in de toekomst wacht met het verzenden van goederen totdat eiseres over een importvergunning beschikt. Dat de exporteur de kaviaar te snel heeft verzonden, zonder de verlening van de invoervergunning af te wachten, is dan ook een omstandigheid die in de risicosfeer van eiseres valt. Van een te strikte interpretatie van de regelgeving is gelet op het voorgaande geen sprake.

  7. De vervolgvraag is of het in dit geval vasthouden aan de regelgeving in overeenstemming is met het doel van die regelgeving. Die vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend. Met het stellen van voorwaarden voor het verlenen van retrospectieve invoervergunningen wordt immers bijgedragen aan de controle op het handelsverkeer ter bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het invoeren zonder invoervergunning beperkt dan wel ontneemt verweerder de controlemogelijkheden, wat in strijd is met de hiervoor genoemde doelstelling. Dat de zending kaviaar volgens eiseres wel voldeed aan alle vereisten, doet aan het voorgaande niet af. De beperking of ontneming van de controlemogelijkheden van verweerder is daarmee immers niet weggenomen. Tot slot volgt de rechtbank verweerder in het standpunt dat de door eiseres benoemde gevolgen van het niet verlenen van de retrospectieve invoervergunning evenredig zijn ten opzichte van de met de regelgeving te beschermen belangen.

  8. Het beroep is ongegrond.

  9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, voorzitter, mr. P.J.M. Mol en mr. O. Veldman, leden, in aanwezigheid van mr. J.P.A. ter Schure, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 november 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.