Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5855

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-10-2018
Datum publicatie
06-12-2018
Zaaknummer
NL18.11030
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Samenlevingsovereenkomst. Beroep door de man op geschilbeslechting door arbitrage bij NAI naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0307
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

Zittingsplaats Utrecht

zaaknummer: NL18.11030

Vonnis in incident van 1 oktober 2018

in de zaak van

[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident, hierna te noemen: de vrouw,
advocaat J. Kaljee te IJsselstein,

tegen

[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in de hoofdzaak,
eiser in het incident, hierna te noemen: de man,
advocaat L.J.P. Selders te Houten.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de procesinleiding

  • -

    het verweerschrift tevens houdende de incidentele vordering tot onbevoegdverklaring

  • -

    het verweerschrift in het incident.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De beoordeling in het incident

2.1.

In deze procedure gaat het in de hoofdzaak om het volgende. Partijen hebben van 2005 tot eind 2014 een affectieve relatie met elkaar gehad. Gedurende deze periode hebben zij samengewoond in de uitsluitend aan de man in eigendom toebehorende woning. Op 26 november 2010 hebben zij een samenlevingsovereenkomst gesloten, zoals neergelegd in de notariële akte van diezelfde datum. Tijdens de samenleving heeft de vrouw, met gelden afkomstig uit de nalatenschap van haar moeder, verbouwingen aan voornoemde woning gefinancierd. Volgens art. 21 samenlevingsovereenkomst heeft de vrouw “ter financiering van de verbouwing van de woning” € 60.000,-- ingebracht, waardoor zij een “gedurende de looptijd van deze overeenkomst” een niet-opeisbare vordering heeft jegens de man. Na het beëindigen van hun relatie hebben partijen op 15 februari 2015 een onderhandse akte ondertekend, met als opschrift “Afspraken wat betreft de ontbinding van het samenlevingscontract …”.

2.2.

De vrouw vordert in de hoofdzaak veroordeling van de man tot betaling van € 53.000,--, zijnde het volgens haar nog resterende door de man verschuldigde bedrag betreffende de investering in zijn woning.

2.3.

De man heeft in het incident een beroep gedaan op de onbevoegdheid van deze rechtbank. De man heeft verwezen naar art. 17 lid 3 samenlevingsovereenkomst, waarin staat:

“Geschillen tussen partijen over verdeling, verrekening, waardering en betaling zullen uitsluitend en in hoogste ressort worden beslecht door arbitrage overeenkomstig het Arbitrage Reglement van het Nederlands Arbitrage Instituut.”.

De vrouw stelt dat aan het arbitragebeding geen rechtsgevolg toekomt en heeft onder meer een beroep gedaan op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid van art. 6:248 lid 2 BW.

2.4.

De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 6:248 lid 2 BW bepaalt dat een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel niet van toepassing is voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Dit kan ook meebrengen dat een arbitragebeding in een samenlevingsovereenkomst buiten toepassing moet blijven (vgl. hof Amsterdam 5 maart 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:654, rov, 2.6)

2.5.

Vaststaat dat de vrouw in dit kader onder meer de volgende – door de man niet betwiste – feiten en omstandigheden heeft aangevoerd. De vrouw heeft de onderhavige procedure bij de rechtbank aanhangig gemaakt op basis van een toevoeging van de Raad voor de Rechtsbijstand. Vanwege haar inkomens- en vermogenspositie komt zij in aanmerking voor een toevoeging met de laagste eigen bijdrage van € 79,--.

Het voeren van een arbitrageprocedure bij het Nederlands Arbitrage Instituut (hierna: NAI) is voor de vrouw financieel niet haalbaar. Uit informatie op de site van de NAI blijkt dat voor het aanhangig maken van een arbitrageprocedure (i) administratiekosten zijn verschuldigd (in dit geval een bedrag tussen € 750,-- en € 800,--) en (ii) een depotbedrag voor het salaris van de arbiters(s). Dit depotbedrag bedraagt minimaal € 4.500,-- voor een zogenoemde “Arbitrage voor kleine belangen”. Voorwaarde voor een dergelijke NAI-procedure is dat de wederpartij dient in te stemmen met het voeren van een dergelijke procedure. Gesteld noch gebleken is dat de man bereid is in te stemmen met een dergelijke arbitrage voor kleine belangen. Dit betekent dat de vrouw een reguliere arbitrageprocedure bij de NAI zal dienen te voeren waarvoor zij minimaal € 10.000,-- in depot dient te storten. Verder is hierbij van belang van belang dat de vrouw weliswaar een bedrag van € 53.000,-- vordert van de man, maar dat zolang de verschuldigdheid van dit bedrag door de man niet vaststaat en door hem is voldaan, voornoemd bedrag niet beschikbaar is voor de vrouw om de minimaal benodigde € 10.750,-- aan het NAI te voldoen voor het aanhangig maken van een arbitrageprocedure.

2.6.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank met de vrouw van oordeel dat zij onder deze omstandigheden geen effectieve toegang heeft tot vaststelling van haar burgerlijke rechten door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht, zoals dat is gewaarborgd door art. 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Aldus is het beroep van de man op het arbitragebeding in artikel 17 lid 3 van de samenlevingsovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

2.7.

Bij deze stand van zaken hebben partijen geen belang meer bij de beoordeling van hun overige in het bevoegdheidsincident aangevoerde stellingen. Immers, de resterende geschilpunten in het bevoegdheidsincident – zoals de vraag of het arbitragebeding is overeengekomen, of dit beding ook ziet op de vordering van de vrouw uit artikel 21 samenlevingsovereenkomst, dan wel of de vrouw heeft gedwaald ten aanzien van het arbitragebeding – kan niet afdoen aan de bevoegdheid van de rechtbank.

2.8.

De slotsom van het voorgaande is dat de incidentele vordering van de man tot onbevoegdverklaring van de rechtbank, zal worden afgewezen. De proceskosten in het incident zullen zoals gebruikelijk worden gecompenseerd, aldus dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

2.9.

Nu de man in zijn verweerschrift ook reeds verweer heeft gevoerd tegen de vordering in de hoofdzaak, zal in de hoofdzaak een mondelinge behandeling worden bepaald.

3 De beoordeling in de hoofdzaak

3.1.

De rechtbank zal een comparitie bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.

3.2.

De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.

3.3.

De behandeling van de zaak ter comparitie zal in beginsel de volgende onderwerpen bevatten. De rechter zal beginnen met een aantal formaliteiten. Vervolgens zal de rechter zo nodig vragen stellen over de feiten en over de standpunten van partijen waarin inzicht moet bestaan om tot een oordeel te kunnen komen.

3.4.

In beginsel wordt ter comparitie aan de raadslieden van partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten. Daarbij mag gebruik worden gemaakt van beknopte spreekaantekeningen. Uitgebreide mondelinge en schriftelijke uiteenzettingen zullen echter niet worden toegestaan.

3.5.

Op de comparitie zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden nagegaan hoe de verdere gang van de procedure moet zijn. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking of inschakeling van een mediator aan de orde komen. Partijen moeten er op voorbereid zijn, dat de rechtbank een mondeling tussenvonnis kan wijzen. De zitting eindigt met een aantal formaliteiten.

4 De beslissing

De rechtbank

in het incident

4.1.

wijst de vordering af,

4.2.

compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in de hoofdzaak

4.3.

beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. J.F. Beens in het gerechtsgebouw te Utrecht aan Vrouwe Justitiaplein 1 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

4.4.

bepaalt dat de partijen dan in persoon aanwezig moeten zijn,

4.5.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 15 oktober 2018 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden november 2018 tot en met januari 2019, waarna dag en uur van de comparitie zullen worden bepaald,

4.6.

bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen,

4.7.

bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de comparitie dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

4.8.

wijst partijen er op, dat voor de zitting twee uur zal worden uitgetrokken.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Beens en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2018.