Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5853

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-11-2018
Datum publicatie
30-11-2018
Zaaknummer
6665616 UC EXPL 18-1812 - 1111
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het antwoord op de vraag of informatie door (twee) pensioenfondsen over verevening een rechtshandeling is in de zin van art. 3:33 BW in samenhang met art. 3:35 BW is afhankelijk van de aard en inhoud van de informatie en niet per definitie ontkennend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2019/15
PR-Updates.nl PR-2018-0148
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 6665616 UC EXPL 18-1812 - 1111

Vonnis van 28 november 2018

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiser] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. I Verweij-Molkenboer (D.A.S. Ned. Rechtsbijstand Verz. mij. N.V.),

tegen:

1. de stichting

Stichting Pensioenfonds ABP,

gevestigd te Heerlen,

verder ook te noemen ABP,

gedaagde partij

gemachtigde: mr. E. Lutjens,

2. de stichting

Stichting Pensioenfonds Zorg en Welzijn,

gevestigd te Zeist,

verder ook te noemen PZW,

gedaagde partij

gemachtigde: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de conclusies van antwoord van ABP en PZW;

- de conclusie van repliek;

- de conclusies van dupliek van ABP en PZW;

1.2

Ten slotte is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2 De feiten

2.1

Van 1 januari 1998 tot 1 januari 2004 was de toenmalige werkgever van [eiser] verplicht aangesloten bij PZW en heeft [eiser] pensioenaanspraak opgebouwd bij PZW. Na 1 januari 2004 was de werkgever van [eiser] verplicht aangesloten bij ABP.

2.2

In het kader van de overeengekomen waardeoverdracht van PZW naar ABP is in 2006 de volledige waarde van de tot 1 januari 2004 door [eiser] bij PZW opgebouwde pensioenaanspraken door PZW aan het ABP overgedragen.

2.3

[eiser] is op [2000] van echt gescheiden van mevr. [A] (verder: [A] ).

2.4

[eiser] en [A] hebben PZW in september 2002 verzocht over te gaan tot verevening van het recht op ouderdomspensioen en flexpensioen (opgebouwd gedurende periode dat [eiser] getrouwd was met [A] en deelnemer was in het pensioenfonds van 1 januari 1998 tot [2000] ). Dit verzoek is bij brief van 21 oktober 2002 bevestigd aan [eiser] .

2.5

[eiser] heeft op 17 mei 2006 een verzoek tot waardeoverdracht ingediend om zijn pensioenaanspraken bij PZW over te dragen naar ABP en deze waardeoverdracht heeft ook plaatsgevonden.

2.6

[A] heeft niet afgezien van het recht op uitbetaling van een deel van het ouderdomspensioen van [eiser] aan haar.

2.7

Bij brief van 11 oktober 2016 heeft ABP aan [eiser] meegedeeld dat zijn pensioen van de vorige pensioenuitvoerder is overgenomen en dat daarin ook het deel zat voor zijn ex-partner.

3 De vordering en het verweer

3.1

[eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat ABP de pensioenaanspraak van [eiser] onder de geschetste omstandigheden niet kan bijstellen en om te bepalen dat ABP met terugwerkende kracht de pensioenaanspraak moet verhogen naar € 38.838,- bruto per jaar. Subsidiair vordert [eiser] dat, wanneer de kantonrechter bepaalt dat ABP de pensioenaanspraak wel mag verlagen, bepaald wordt dat PZW op grond van nalatig handelen aansprakelijk is voor de schade van € 7.728,- bruto per jaar, te vermeerderen met eventuele toekomstige indexaties die het ABP op de pensioenaanspraak toegepast zou hebben en dat PZW de schade aan [eiser] zal moeten vergoeden. Tot slot wordt gevorderd dat PZW en/of ABP in de kosten van de procedure worden veroordeeld en dat deze kosten, waaronder begrepen het salaris van de gemachtigde van [eiser] , moeten worden voldaan binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis en, voor het geval de voldoening van de proceskosten niet binnen die 14 dagen plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf te bedoelde termijn voor voldoening alsmede de nakosten.

3.2

Aan de vordering wordt ten grondslag gelegd dat het PZW aan [eiser] 10 jaar na de waardeoverdracht meldde dat zij aan het ABP abusievelijk niet heeft gemeld dat een deel van het ouderdomspensioen van [eiser] nog aan zijn voormalige echtgenote uitgekeerd diende te worden. Het gevolg daarvan is dat [eiser] in plaats van het al opgebouwde ouderdomspensioen van € 38.838,- bruto per jaar € 31.110,- bruto per jaar gaat ontvangen met alle gevolgen van dien. Omdat op de zogenoemde uitgaande waardeoverdracht van 11 november 2004 expliciet wordt aangegeven dat [eiser] is gescheiden, mocht [eiser] er op vertrouwen dat zijn ouderdomspensioen al verevend zou zijn. Bovendien had [eiser] erop mogen vertrouwen dat de door PZW verstrekte informatie correct was. [eiser] is een leek tegenover het geverseerde fonds. [eiser] heeft bovendien voor de opgave getekend, waardoor er sprake is van aanbod en aanvaarding. De waardeoverdracht en de uitgangspunten zijn daarmee definitief geworden. Ten slotte voert [eiser] aan dat hij 10 jaar lang erop mocht vertrouwen dat verevening door het pensioenfonds correct was verwerkt en dat de pensioenaanspraken bij ABP juist waren. Hij heeft er bij zijn financiële planning dan ook rekening mee gehouden. Voor zover er sprake was van een fout, is deze voor [eiser] niet kenbaar geweest. Het is niet redelijk na zo lange termijn te corrigeren. [eiser] leidt zware financiële schade. Hij heeft onomkeerbare beslissingen genomen waaronder de verkoop van zijn huis.

3.3

ABP voert aan dat met de waardeoverdracht van het opgebouwde ouderdomspensioen tevens het daaraan verbonden recht van de ex echtgenote van [eiser] op betaling van het haar toekomende deel van het pensioen is overgedragen aan het ABP. De concrete informatie over het aan de ex-echtgenote te betalen bedrag heeft ABP pas bij brief van 11 oktober 2016 aan [eiser] meegedeeld. De reden hiervan is dat PZW pas op 23 augustus 2016 aan ABP heeft meegedeeld dat in het overgedragen ouderdomspensioen een bedrag bestemd was voor rechtstreekse betaling aan de ex echtgenote van [eiser] .

3.4

PZW voert aan, in het kader van de vraag of [eiser] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen een overeenkomst tot waardeoverdracht te hebben gesloten en dat de door het fonds verstrekte informatie zijn vertrouwen schond, dat de cijfermatige opgave juist was. Verder voert zij aan dat de pensioenrechten waarop een deelnemer bij pensionering aanspraak kan maken gebaseerd zijn op en voortvloeien uit de pensioenovereenkomst en de daarop baseerde pensioenreglementen. Informatie die door middel van een pensioenoverzicht wordt verstrekt is niet bedoeld om rechten vast te stellen en kan niet gezien worden als een verklaring en/of gedraging in de zin van artikel 3:33 BW.

3.5

In voortgezet debat wijst [eiser] op de toelichting bij het Uniforme Pensioenoverzicht. Bovendien zijn er meerdere voorlichtingsbijeenkomsten geweest en heeft [eiser] zich gewend tot een expert. Het is een belangrijke taak van ABP om haar deelnemers goed te informeren. Het gevolg van het niet verstrekken van juiste informatie houdt in dat ABP tekort geschoten is in de nakoming van haar zorgverplichting. Niet alleen had ABP in 2004 al kunnen weten dat [eiser] gescheiden was, maar had ABP in haar systeem gekeken, had zij kunnen zien dat in 2010 en in 2013 uniforme pensioenoverzichten aan [eiser] zijn verstuurd van de verschillende ex-partners.

3.6

In voortgezet debat heeft PZW de opmerking gemaakt dat het bewijs van de mededeling van de door de werkgever ingeschakelde deskundige ontbreekt, terwijl het pensioenfonds geen enkele verantwoordelijkheid draagt voor mededelingen die zouden zijn gedaan door een advies van de werkgever. Verder merkt PZW op dat [eiser] niet aantoont en niet heeft aangetoond dat hij, op grond van de van PZW ontvangen informatie met betrekking tot de overdracht van de waarde en/of op grond van de van het ABP ontvangen pensioenoverzichten, bepaalde concrete onomkeerbare financiële verplichtingen is aangegaan die hij niet kan nakomen, nu hij minder pensioen ontvangt dan tot 2017 was opgenomen in zijn pensioenoverzichten.

3.7

In voortgezet debat heeft ABP nogmaals opgemerkt dat de aan [eiser] verstrekte informatie niet bepalend is voor de rechten, onder verwijzing naar laatstelijk Hof Den Bosch 19 juni 2018 (ECLI:NL:GHSHE:2018:2680). In ieder geval wist [eiser] dat een deel van zijn ouderdomspensioen door de pensioenuitvoerder aan zijn ex-echtgenote betaald zou moeten worden. De door [eiser] gestelde wetenschap van ABP van zijn scheiding met zijn echtgenote is niet relevant, want is onvoldoende voor een pensioenuitvoerder om tot verevening van het pensioen conform de Wet VPS over te gaan. Op grond van artikel 3 lid 2 van de regeling (voor berekening in geval van waardeoverdracht) had PZW aan ABP informatie moeten verstrekken over het deel van de waarde waarop het uitbetalingsrecht van de ex-echtgenote rust.

4 De beoordeling

4.1

[eiser] heeft twee fondsen in rechte betrokken. Onderscheid zal moeten worden gemaakt in de verhouding tussen [eiser] en PZW enerzijds en de verhouding tussen [eiser] en ABP anderzijds.

PZW

4.2

Als voornaamste verweer heeft PZW aangevoerd dat zij op 21 oktober 2002 aan [eiser] een brief heeft gestuurd waarin melding wordt gemaakt van het verzoek van de ex-partner een verdeling van flexpensioen en ouderdomspensioen toe te passen op grond van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding. In die brief is ook uitgerekend wat het deel is waarop de ex-echtgenote aanspraak kan maken. Voor zover [eiser] zich nog op het standpunt stelt dat het voor hem niet kenbaar was dat nog een deel van zijn pensioen aan zijn ex-echtgenote betaald zou moeten worden, is de brief van 20 oktober 2002, waar [eiser] de ontvangst niet van heeft betwist, in objectieve zin voldoende duidelijk. De kantonrechter bedoelt daarmee dat onder vijf liggende streepjes door het toenmalige PGGM is aangegeven wat de factoren zijn (huwelijksdatum, scheidingsdatum, periode deelname tijdens huwelijk, overgedragen rechten en 50-50 verhouding) en dat op grond van die vijf factoren de aanspraken van de ex-echtgenote zijn vermeld (per jaar) op welvaartsvast flex-pensioen en ouderdomspensioen. [eiser] had uit die brief redelijkerwijs moeten opmaken dat de aanspraken van zijn ex-echtgenote inhielden dat hij aan haar zou moeten gaan afdragen.

4.3

Voor zover [eiser] nog ten aanzien van PZW heeft betoogd dat een deel van het pensioen van zijn ex-echtgenote achtergebleven is, zodat hij ervan uit mocht gaan dat dit pensioen buiten het door ABP opgegeven pensioen viel en (zodat) ABP het volledige ouderdomspensioen aan hem behoorde te betalen, is door [eiser] evenwel onvoldoende weersproken dat hij ook zelf heeft erkend (randnummer 1.8 van zijn repliek) dat het fictieve bedrag achterbleef voor het bijzonder partnerpensioen, maar niet voor het ouderdomspensioen en het flexpensioen. Van deze beide is de waarde volledig naar het ABP overgegaan.

4.4

Waar [eiser] de stelling wenst te betrekken dat hij door middel van de Uniforme Pensioenoverzichten op het verkeerde been is gezet, moeten twee situaties worden onderscheiden. Enerzijds voert [eiser] aan niet in die uniforme overzichten te hebben kunnen zien dat de vereveningafspraken in dat pensioenoverzicht stonden en aan de andere kant stelt hij dat het in de loop der jaren aangeven van bedragen bij hem bepaalde verwachtingen heeft gewekt.

4.5

Ten aanzien van die eerste situatie overweegt de kantonrechter allereerst hij dat de verwerende stelling van PZW niet volgt dat informatie geen rechtshandeling inhoudt zodat art. 3:33 e.v. BW niet van toepassing kan zijn. Het hangt van de aard en inhoud van de informatie van een pensioenfonds af maar ook van de lang- of kortgerektheid van de periode waarin zij eenmaal of meermalen wordt verstrekt, of het om een (gerichte of ongerichte) rechtshandeling gaat die op enig rechtsgevolg is gericht. In dit geval was de informatie gericht op enig rechtsgevolg en is zij naar het oordeel van de kantonrechter aan te merken als rechtshandeling.

4.6

Verder is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] , nadat hij de brief van 21 oktober 2002 van PGGM gekregen had, redelijkerwijs, gelet op de aangevoerde vijf factoren en op de daarna genoemde bedragen dat zijn ex-echtgenote aanspraken had, mocht verwachten dat die aanspraken ook zouden moeten worden verzilverd. De daarna verstrekte informatie heeft [eiser] dan ook niet zodanig op het verkeerde been kunnen zetten dat hij daaruit, zonder nadere vragen van zijn kant, zou hebben kunnen opmaken dat het gestelde in de brief van 21 oktober 2002 door PZW was verlaten. Voor die vragen van de zijde van [eiser] was des te meer aanleiding, vanwege het kort tijdverloop tussen de brief van PGGM van 21 oktober 2002 en de brief van ABP van 22 februari 2006, waarin de ex-echtgenote helemaal niet meer voorkwam.

4.7

Het gevolg hiervan is dat [eiser] er in de loop de jaren, tussen 2002 en 2016, niet redelijkerwijs, onder de gegeven omstandigheden, op heeft mogen vertrouwen dat zijn ex-echtgenote haar aanspraken al had verzilverd of, met andere woorden, dat [eiser] op basis van de naar zijn zeggen bij hem gerezen verwachtingen had mogen rekenen op een hoger pensioen dan blijkt uit de brief van ABP van 23 augustus 2016.

ABP

4.8

De waardeoverdracht van het door [eiser] opgebouwde pensioen van PZW naar ABP heeft plaatsgevonden met inbegrip van het deel waarop zijn echtgenote recht had. In zoverre kan de door [eiser] ingestelde vordering om voor recht te verklaren dat ABP de pensioenaanspraak niet kan bijstellen en weer moet verhogen niet worden toegewezen. Er is niet bijgesteld of verlaagd en dus kan ook niet worden verhoogd.

4.9

Verder is voldoende komen vast te staan dat het ABP van PZW pas informatie gekregen heeft in 2016. Voor de periode gelegen tussen 2006 en 2016 had ABP derhalve niet de betrokken informatie en had ook geen eigen of nadere-onderzoeksplicht. Dit zou anders hebben kunnen zijn indien [eiser] in die tussentijd bij ABP vragen had gesteld over de afspraak over de pensioenverdeling en/of zijn pensioenopbouw. Van een activiteit van [eiser] in de periode 2006-2016 ten opzichte van ABP is evenwel niet gebleken. De opmerkingen van [eiser] met betrekking tot FPU vanaf 65 jaar en het ontstaan van extra pensioen leiden in dit verband niet tot een ander oordeel: het benodigde extra pensioen wordt verworven doordat later of niet van de FPU gebruik wordt gemaakt en heeft derhalve betrekking op een andere kwestie dan de verevening.

4.10.

De vordering van [eiser] jegens zowel PZW als ABP zal moeten worden afgewezen. [eiser] wordt in de kosten van de procedure veroordeeld.

De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van PZW en ABP, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 400,- aan salaris gemachtigde;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.M. de Laat, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 28 november 2018.