Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5829

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-11-2018
Datum publicatie
30-11-2018
Zaaknummer
UTR 18/3116
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Op 20 november 2018 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland een viertal verzoeken om een voorlopige voorziening behandeld, waarbij door Gedeputeerde Staten vergunningen krachtens de Wet natuurbescherming zijn verleend voor het wijzigen van een vleesrundveehouderij, melkrundveehouderij en een pluimveehouderij. Door verzoekers is verzocht om de verleende vergunningen te schorsen omdat, kort gezegd, zij van mening zijn dat bij de verleende vergunningen geen rekening is gehouden met de gevolgen van die activiteiten voor stikstofgevoelige leefgebieden van soorten waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen. In het kader van de gedane verzoeken is van belang het antwoord op de vraag of het Programma Aanpak Stikstof (PAS) 2015 – 2021 en de bijbehorende passende beoordeling in overeenstemming is met artikel 6, tweede en derde lid, van de Habitatrichtlijn. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft over die materie enkele prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie, welke vragen bij arrest van 7 november 2018 door het Hof zijn beantwoord.

De voorzieningenrechter is, mede gelet op het arrest van het Hof van Justitie waarin het Hof een aantal kritische kanttekeningen heeft geplaatst bij het PAS, bij uitspraak van 29 november 2018 in een tweetal zaken overgegaan tot schorsing van de verleende vergunning. De voorzieningenrechter heeft daarbij overwogen dat niet uitgesloten moet worden geacht dat het PAS aanpassing behoeft, gezien het arrest van het Hof van Justitie. Verder heeft de voorzieningenrechter in haar oordeel betrokken de omstandigheid dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 14 februari 2019 de zaken waarin de prejudiciële vragen zijn beantwoord, ter zitting zal behandelen.

In de twee andere zaken heeft de voorzieningenrechter de gevraagde voorziening afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang. In die zaken hebben de vergunninghouders te kennen gegeven eerst van de verleende vergunning gebruik te zullen maken wanneer die vergunning onherroepelijk is geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 18/3116

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 november 2018 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en Vereniging Leefmilieu, te Nijmegen, verzoekers

(gemachtigde: mr. V. Wösten),

en

Gedeputeerde Staten van Gelderland, verweerder

(gemachtigde: mr. H.J.M. Besselink).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Maatschap [derde-partij], te [woonplaats] , gemachtigde: ing. R.B.M. Aagten.

Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2017 heeft verweerder aan Maatschap [derde-partij] vergunning krachtens de Wet natuurbescherming (Wnb) verleend voor het wijzigen van een pluimveehouderij aan de [adres] te [woonplaats] .

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland alsmede de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank Gelderland heeft bij brief van 15 augustus 2018 zowel het beroep als het verzoek om een voorlopige voorziening ter verdere behandeling doorgezonden naar de rechtbank Midden Nederland. Het beroep is bij de rechtbank in behandeling onder nummer UTR 2018/3118 en het verzoek om een voorlopige voorziening onder nummer UTR 18/3116.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2018. Verzoekers zijn verschenen bij hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. M.E. de Boer en mr. P.F.H.A. Tillie. Derde-partij is niet verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist.

3. De voorzieningenrechter stelt vast dat derde-partij bij brief van 12 november 2018 de rechtbank heeft meegedeeld dat met de realisering van vergunde opzet zal worden gewacht totdat er sprake is van een onherroepelijke vergunning. Die zekerheid wenst derde-partij zelf, maar wordt ook geëist door de financier. Verder heeft derde-partij meegedeeld dat voor de beoogde ontwikkeling naast een vergunning in het kader van de Wnb ook een omgevingsvergunning nodig is voor de onderdelen ‘bouwen’ en ‘milieu’. Een aanvraag voor die vergunning zal pas worden ingediend als er duidelijkheid is omtrent de vergunning in het kader van de Wnb.

4. Gelet op hetgeen door derde-partij is meegedeeld stelt de voorzieningenrechter vast dat derde-partij geen gebruik zal maken van de in geding zijnde vergunning zolang deze niet onherroepelijk is. Nu evident geen sprake is van een onherroepelijke vergunning krachtens de Wnb en derde-partij van die vergunning dus geen gebruik zal maken in afwachting van de uitkomst van de (hoger)beroepsprocedure, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om spoedeisend belang aan te nemen. In hetgeen verzoekers hebben aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om anders te oordelen, temeer niet nu verzoekers een nieuw verzoek om een voorlopige voorziening kunnen indienen, indien zij menen dat derde-partij in weerwil van de gedane toezegging toch gebruik gaat maken van de verleende vergunning en niet meer wenst te wachten op de onherroepelijkheid van die vergunning.

5. Nu het spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening ontbreekt, wijst de voorzieningenrechter het verzoek daarom af.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van W.B. Lakeman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 november 2018.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.