Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5823

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-11-2018
Datum publicatie
30-11-2018
Zaaknummer
UTR 18/3112
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Op 20 november 2018 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland een viertal verzoeken om een voorlopige voorziening behandeld, waarbij door Gedeputeerde Staten vergunningen krachtens de Wet natuurbescherming zijn verleend voor het wijzigen van een vleesrundveehouderij, melkrundveehouderij en een pluimveehouderij. Door verzoekers is verzocht om de verleende vergunningen te schorsen omdat, kort gezegd, zij van mening zijn dat bij de verleende vergunningen geen rekening is gehouden met de gevolgen van die activiteiten voor stikstofgevoelige leefgebieden van soorten waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen. In het kader van de gedane verzoeken is van belang het antwoord op de vraag of het Programma Aanpak Stikstof (PAS) 2015 – 2021 en de bijbehorende passende beoordeling in overeenstemming is met artikel 6, tweede en derde lid, van de Habitatrichtlijn. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft over die materie enkele prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie, welke vragen bij arrest van 7 november 2018 door het Hof zijn beantwoord.

De voorzieningenrechter is, mede gelet op het arrest van het Hof van Justitie waarin het Hof een aantal kritische kanttekeningen heeft geplaatst bij het PAS, bij uitspraak van 29 november 2018 in een tweetal zaken overgegaan tot schorsing van de verleende vergunning. De voorzieningenrechter heeft daarbij overwogen dat niet uitgesloten moet worden geacht dat het PAS aanpassing behoeft, gezien het arrest van het Hof van Justitie. Verder heeft de voorzieningenrechter in haar oordeel betrokken de omstandigheid dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 14 februari 2019 de zaken waarin de prejudiciële vragen zijn beantwoord, ter zitting zal behandelen.

In de twee andere zaken heeft de voorzieningenrechter de gevraagde voorziening afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang. In die zaken hebben de vergunninghouders te kennen gegeven eerst van de verleende vergunning gebruik te zullen maken wanneer die vergunning onherroepelijk is geworden.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 18/3112

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 november 2018 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en Vereniging Leefmilieu, te Nijmegen, verzoekers

(gemachtigde: mr. V. Wösten),

en

Gedeputeerde Staten van Gelderland, verweerder

(gemachtigde: mr. H.J.M. Besselink).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij] , te [woonplaats] .

Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 2017 heeft verweerder aan [derde-partij] vergunning krachtens de Wet natuurbescherming (Wnb) verleend voor het wijzigen van een vleesrundveehouderij aan de [adres] te [woonplaats] .

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland alsmede de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank Gelderland heeft bij brief van 15 augustus 2018 zowel het beroep als het verzoek om een voorlopige voorziening ter verdere behandeling doorgezonden naar de rechtbank Midden Nederland. Het beroep is bij de rechtbank in behandeling onder nummer UTR 2018/3113 en het verzoek om een voorlopige voorziening onder nummer UTR 18/3112.

Het onderzoek ter zitting heeft, tegelijk met de zaken geregistreerd onder nummers UTR 17/3114, UTR 17/3116 en UTR 17/3119, plaatsgevonden op 20 november 2018. Verzoekers zijn verschenen bij hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. M.E. de Boer en mr. P.F.H.A. Tillie. Derde-partij is niet verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Bij brief van 17 juli 2017 heeft de rechtbank Gelderland aangegeven dat de behandeling van het beroep wordt aangehouden omdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) bij uitspraken van 17 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1259 en ECLI:NL:RVS:2017:1260) aan het Hof van Justitie van de Europese Unie een aantal prejudiciële vragen heeft gesteld. In die vragen is onder meer aan de orde gekomen of het Programma Aanpak Stikstof 2015 - 2021 (PAS) en de bijbehorende passende beoordeling in overeenstemming is met artikel 6, tweede en derde lid, van de Habitatrichtlijn.

Bij arrest van 7 november 2018 in de zaken C-293/17 en C-294/17 heeft het Hof van Justitie deze vragen beantwoord.

3. Op 9 maart 2018 heeft de voorzieningenrechter van de ABRS uitspraak gedaan op een verzoek om een voorlopige voorziening (ECLI:NL:RVS:2018:795). In die zaak heeft de voorzieningenrechter onder meer geoordeeld dat in bepaalde situaties aanleiding bestaat om een voorlopige voorziening te treffen, met het doel dat wordt voorkomen dat de depositie op de hexagonen waar nu meer dan 60% van de ontwikkelingsruimte is uitgegeven, kan toenemen. Dat betekent, zo oordeelde de voorzieningenrechter van de ABRS in die zaak, dat een voorlopige voorziening is aangewezen ten aanzien van vergunningen waarin ontwikkelingsruimte is toegedeeld voor een activiteit die leidt tot een toename van depositie op een hexagoon waarvoor meer dan 60% van de beschikbare ontwikkelingsruimte in segment 2 is uitgegeven en de vergunde activiteit nog niet of niet volledig is gerealiseerd.

4. Mede naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van 7 november 2018 hebben verzoekers onder meer aangevoerd dat de passende beoordeling op een reeks van kritiekpunten onvoldoende blijkt om te kunnen concluderen dat geen significante negatieve effecten optreden. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het arrest van het Hof van Justitie blijkt dat het PAS toelaatbaar is, zij het dat de wetenschappelijke onderbouwing die ten grondslag ligt aan het programma en de maatregelen waarop de onderbouwing is gebaseerd, voldoende zekerheid moet bieden dat de natuurwaarden geen schade zullen ondervinden van de betreffende activiteiten. Verweerder heeft verder aangevoerd dat inmiddels nadere informatie aan de ABRS is verstrekt met betrekking tot de onderbouwing van het PAS en dat binnenkort nog meer informatie daarover aan de ABRS zal worden verstrekt.

5. In deze zaak is tussen partijen in geschil of sprake is van een vergunning waarin ontwikkelingsruimte moet worden toegedeeld voor een activiteit die leidt tot een toename van depositie op een hexagoon waarvoor meer dan 60% van de beschikbare ontwikkelingsruimte is uitgegeven en de vergunde activiteit nog niet of niet volledig is gerealiseerd en of gelet daarop een voorlopige voorziening is aangewezen. Daarbij is mede van belang het antwoord op de vraag of (cumulatie van alle) deposities van minder dan 0,05 mol al dan niet significante gevolgen hebben voor de Natura 2000-gebieden, en om die reden bij de beoordeling moeten worden betrokken.

6. Het Hof van Justitie heeft onder meer geconcludeerd dat de in het PAS opgenomen uitzondering op de vergunningplicht voor activiteiten die een stikstofdepositie veroorzaken die de drempel- of grenswaarde niet overschrijdt, slechts is toegestaan als er geen wetenschappelijke twijfel bestaat dat die activiteiten geen schadelijke gevolgen hebben voor de betrokken Natura 2000-gebieden. Naar de mening van verzoekers voldoet de onderbouwing van het PAS niet aan deze eis.

7. Voor de vraag of, in lijn met de uitspraak van de ABRS van 9 maart 2018, sprake is van toedeling van ontwikkelingsruimte voor een activiteit die leidt tot een toename van depositie op een hexagoon waarvoor meer dan 60% van de beschikbare ontwikkelingsruimte is uitgegeven, is het eindoordeel van de ABRS op dit punt van wezenlijk belang. Gelet op de kritische kanttekeningen van het Hof van Justitie is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet uitgesloten dat het PAS op dit punt aanpassing behoeft.

8. Nu thans onduidelijk is of de nader door verweerder te verstrekken informatie omtrent de onderbouwing van het PAS voldoet aan de eisen die daaraan zijn gesteld, en in aanmerking nemende dat de ABRS op 14 februari 2019 de zaken waarin de prejudiciële vragen door het Hof van Justitie zijn beantwoord, ter zitting zal behandelen, ziet de voorzieningenrechter, alle belangen afwegend, aanleiding om het besluit van 9 juni 2017 te schorsen tot zes weken na de uitspraak van de rechtbank in het bodemgeschil (zaak UTR 17/3113).

9. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht vergoedt. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder tevens in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting).

Beslissing

De voorzieningenrechter,

- schorst het besluit van 9 juni 2017 tot zes weken na de uitspraak van de rechtbank in het bodemgeschil (zaak UTR 17/3113),

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333,- aan verzoekers te vergoeden,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van W.B. Lakeman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 november 2018.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.