Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5821

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
26-09-2018
Datum publicatie
30-11-2018
Zaaknummer
16/130180-18
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2019:8257
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Politierechter. Vrijspraak poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel. Bewijsuitsluiting ogv art 28b Sv en niet verlenen cautie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16/130180-18

Vonnis van de politierechter van 26 september 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen),

wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 september 2018.

De politierechter heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. M. Vollebregt en van hetgeen verdachte en mr. B.J.H. Sijbom, advocaat te Almere, naar voren hebben gebracht.

De politierechter heeft na sluiting van het onderzoek meteen mondeling vonnis gewezen.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 3 juli 2018 te Lelystad opzettelijk en met voorbedachten rade heeft geprobeerd zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door [slachtoffer] met een mes in de borst te steken.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de politierechter is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 VRIJSPRAAK

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. De officier van justitie heeft aangevoerd dat er geen sprake is van een vormverzuim. Deze situatie kan worden vergeleken met die waarin een beroep wordt gedaan op het vertrouwensbeginsel. De Hoge Raad heeft in jurisprudentie over het vertrouwensbeginsel geoordeeld dat het aan het openbaar ministerie is om te bepalen waar een verdachte voor wordt vervolgd. Aan de mededeling van een verbalisant kunnen geen rechten worden ontleend. In dit geval is verdachte vervolgd voor een poging tot zware mishandeling. Daarom is het informeren over de raadsman en het afstand doen van consultatiebijstand op een juiste manier gebeurd. Indien er al sprake zou zijn van een vormverzuim is de vraag welk nadeel verdachte heeft geleden. Er is hier geen sprake van nadeel nu de verdenking na het verhoor van verdachte juist is afgezwakt. De procespositie heeft juist een voordelig effect gehad. Indien de politierechter oordeelt dat het verhoor van verdachte dient te worden uitgesloten van het bewijs, dan is er nog steeds voldoende wettig en overtuigend bewijs. Op het moment dat verbalisanten verdachte op straat aantroffen is zij uit zichzelf gaan verklaren. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt niet dat verbalisanten haar hebben ondervraagd. Dit was dan ook geen verhoorsituatie waarin verdachte op haar rechten gewezen had moeten worden. Indien deze verklaring ook dient te worden uitgesloten van het bewijs is er nog altijd voldoende bewijs. Hoewel slachtoffer de naam van verdachte niet heeft genoemd, maar spreekt over een meisje dat hem gestoken zou hebben, zijn er appgesprekken tussen verdachte en slachtoffer waaruit blijkt dat het gaat om deze verdachte. Daarnaast is verdachte aangetroffen in de omgeving waar het steekincident heeft plaatsgevonden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde en heeft daartoe aangevoerd dat de verklaring van verdachte afgelegd tijdens haar verhoor op 4 juli 2018 om 11.00 uur moet worden uitgesloten van het bewijs. Verdachte is aangehouden ter zake van een poging tot doodslag. Uit artikel 28b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, volgt dat voor een verdachte die aangehouden is voor een strafbaar feit waarop een gevangenisstraf van 12 jaar of meer is gesteld, onverwijld een raadsman in kennis moet worden gesteld. In zo’n situatie moet altijd een raadsman worden opgeroepen, ongeacht of de verdachte hier zelf om heeft gevraagd. De omstandigheid dat de verdenking na de piketfase is afgezwakt, maakt niet dat de vermelde wet- en regelgeving niet langer van toepassing is. Uit het proces-verbaal van voorgeleiding naar aanleiding van de aanhouding volgt dat aan verdachte is meegedeeld dat zij recht heeft op een advocaat en dat zij vervolgens afstand heeft gedaan van het recht op consultatiebijstand. Dit was echter alleen mogelijk na een gesprek met een raadsman. Het niet bieden van deugdelijke toegang tot rechtsbijstand betreft een substantieel onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. De raadsman heeft bepleit dat dit een ernstig verzuim is en dat verdachte door de schending nadeel heeft ondervonden nu zij haar procespositie niet tijdig heeft kunnen bepalen. De raadsman verzoekt daarom het proces-verbaal van het verhoor van verdachte uit te sluiten van het bewijs.

Voor het overige bevat het dossier onvoldoende bewijs om verdachte te veroordelen. De verklaringen van verdachte bij het eerste politiecontact zijn algemeen en niet afgelegd na het geven van de cautie. Daarnaast is nagelaten om het bij verdachte aangetroffen mes te onderzoeken op biologische sporen, is niet duidelijk welk meisje het slachtoffer bedoelt en heeft het slachtoffer ook geen aangifte gedaan. De raadsman verzoekt de politierechter verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde feit.

4.3

Het oordeel van de politierechter

Schending artikel 28b van het Wetboek van Strafvordering

De strekking van artikel 28b van het Wetboek van Strafvordering is de bescherming van verdachte in de piketfase. Op dat moment moet worden uitgegaan van het feit waar de politie van uitgaat en verdachte over wil horen, in dit geval een poging tot doodslag. De door de officier van justitie genoemde jurisprudentie over het vertrouwensbeginsel heeft betrekking op een andere situatie. Verdachte is gehoord voor een 12-jaarsfeit. Zij had daarom een raadsman moeten raadplegen voor zij afstand deed van het recht op rechtsbijstand. Dit is een ernstig vormverzuim en een schending die raakt aan de fundamentele norm van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Dat de norm niet bewust is geschonden doet daar niet aan af. Verdachte heeft nadeel ondervonden in deze cruciale fase waarin je moet kunnen overleggen. Daarom ziet de politierechter geen verschil tussen het bewust onthouden van rechtsbijstand en een fout die zoals in dit geval niet bewust is gemaakt. Het is een fundamenteel recht als bedoeld in de Salduz-jurisprudentie en de schending daarvan dient te leiden tot bewijsuitsluiting. Het verhoor van verdachte zal dan ook worden uitgesloten van het bewijs.

Verklaring op straat

Verbalisanten zien verdachte op straat lopen met een tas waar een mes uit steekt. Zij waren kort daarvoor nog bij het slachtoffer van het steekincident. Zij spreken verdachte aan omdat ze haar zien met het mes. In combinatie met het steekincident kort daarvoor, had verdachte door verbalisanten moeten worden aangemerkt als verdachte en had haar de cautie meegedeeld moeten worden. Dat is blijkens het proces-verbaal niet gebeurd. Verdachte is wel gaan verklaren, maar zonder dat de cautie aan haar was meegedeeld. Dit is een schending van een fundamenteel recht en dient eveneens te leiden tot bewijsuitsluiting.

Overig bewijs

Het slachtoffer is blijkens zijn verklaring gestoken door een vrouw en er is een vrouw gezien op straat met een mes. Het slachtoffer heeft geen aangifte gedaan en het aangetroffen mes is niet onderzocht. Dit is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. De politierechter zal verdachte daarom vrijspreken van het ten laste gelegde.

5 BESLISSING

De politierechter:

Vrijspraak

- verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. den Haan, politierechter in tegenwoordigheid van

mr. F.G.T. Russcher-Jansen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van

26 september 2018.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 3 juli 2018 te Lelystad, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachte rade

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

immers heeft verdachte, voornoemde [slachtoffer] met een mes, althans

een scherp en/of puntig voorwerp in de borst gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art. 303 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )