Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5740

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-11-2018
Datum publicatie
27-11-2018
Zaaknummer
16.652595-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij eerder vonnis ISD-maatregel opgelegd, hoger beroep in die zaak loopt nog. Officier vordert weer oplegging van de maatregel. Rechtbank volgt eis niet, want heeft geen invloed op de executie en tweemaal de ISD tenuitvoerleggen kan onwenselijk zijn

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummers: 16.652595-18; 23.003188-15 (vordering tenuitvoerlegging); 16.659940-16 (vordering tenuitvoerlegging); 13.741194-17 (vordering tenuitvoerlegging) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 13 november 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ,

gedetineerd in de [verblijfplaats] in [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 oktober 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. N. Schapendonk en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw mr. P.A.Th. Lemmers, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: op 25 juli 2018 in Almere [slachtoffer] heeft mishandeld door hem tegen zijn lichaam te duwen, bij zijn keel te pakken en in zijn gezicht te slaan.

Feit 2: op 25 juli 2018 in Almere hoeveelheden cocaïne en heroïne in zijn bezit heeft gehad.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de onder feit 1 ten laste gelegde mishandeling ˗ in die zin dat verdachte [slachtoffer] tegen zijn lichaam heeft geduwd en in zijn gezicht heeft geslagen ˗ en het onder feit 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van de onder feit 1 ten laste gelegde mishandeling. De verklaringen van aangever [slachtoffer] en getuige [getuige] zijn onbetrouwbaar. Daarom is er onvoldoende bewijs in het dossier voorhanden om tot een bewezenverklaring van dit feit te kunnen komen.

De raadsvrouw heeft zich wat betreft een bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Bewezenverklaring feit 1

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 25 juli 2018 werkzaam was in café [café] , gelegen aan de [straatnaam] in [plaatsnaam] . Hij zei tegen een man dat hij het café niet meer binnen mocht komen.2 De man sloeg hem op zijn kaak.3 Hij werd geslagen midden op zijn kin met de vuist. Hij heeft drie dagen een stijve kaak gehad.4 Als hij zijn kaak bewoog voelde hij een stekende pijn.5

Getuige [getuige] heeft verklaard dat de man [voornaam van slachtoffer] een duw gaf met zijn handen tegen het bovenlijf. De man gaf [voornaam van slachtoffer] weer een duw en sloeg [voornaam van slachtoffer] tegen zijn gezicht. Hij raakte hem op zijn kin.6

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] kregen opdracht om naar de [straatnaam] in [plaatsnaam] te gaan omdat een portier van café [café] zou zijn mishandeld. Verbalisanten hoorden dat cameratoezicht [plaatsnaam] de verdachte in beeld had en dat de centralist mee kon kijken.

Verbalisanten kwamen ter plaatse en zagen een man die voldeed aan het opgegeven signalement. De centralist gaf door dat dit de verdachte van de mishandeling was.7 De man bleek te zijn [verdachte] .8

Verdachte heeft verklaard dat hij op 25 juli 2018 bij café [café] was en een man van het café hem had aangesproken.9

De rechtbank overweegt dat, voor zover de verdediging heeft willen betogen dat de verklaringen van aangever [slachtoffer] en getuige [getuige] onbetrouwbaar zijn en daarom van het bewijs moeten worden uitgesloten, dit verweer wordt verworpen. De verklaringen van aangever [slachtoffer] en getuige [getuige] komen op grote lijnen en relevante punten overeen. De rechtbank verwijst daarbij onder meer naar het feit dat beiden verklaren dat verdachte eerst was weggestuurd bij het café en vervolgens weer probeerde binnen te komen, dat de stemming van verdachte ineens omsloeg toen hem werd verteld dat hij moest vertrekken en dat verdachte na het slaan van aangever wegrende. De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding om aan hun verklaringen te twijfelen.

De rechtbank stelt op grond van voornoemd bewijs vast dat verdachte op 25 juli 2018 in [plaatsnaam] [slachtoffer] tegen het lichaam heeft geduwd en in het gezicht heeft geslagen. Verdachte heeft zich met deze handelingen schuldig gemaakt aan de onder feit 1 ten laste gelegde mishandeling. De rechtbank acht dit feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Nu op grond van de verklaringen in het dossier niet vastgesteld kan worden dat verdachte

[slachtoffer] bij zijn keel heeft gepakt of vastgegrepen, zal verdachte wegens gebrek aan bewijs in zoverre van feit 1 worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring feit 2

Verdachte heeft het ten laste gelegde feit bekend. De raadvrouw heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

- proces-verbaal van bevindingen10;

- proces-verbaal onderzoek verdovende middelen11;

- rapport identificatie van veelvoorkomende drugs van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) d.d. 3 augustus 2018;

- bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 30 oktober 2018.

Uit het proces-verbaal van onderzoek naar de bij verdachte aangetroffen verdovende middelen en het rapport van het NFI volgt dat verdachte in totaal zeven gram cocaïne in zijn bezit had. Dit is meer dan de hoeveelheid van 3,28 gram cocaïne die in de tenlastelegging staat genoemd. De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 25 juli 2018 in Almere opzettelijk een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en 1,97 gram heroïne aanwezig heeft gehad.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op 25 juli 2018 te [plaatsnaam] opzettelijk mishandelend [slachtoffer] tegen het lichaam heeft geduwd en in het gezicht heeft geslagen.

2.

op 25 juli 2018 te Almere opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en 1,97 gram heroïne, zijnde cocaïne of heroïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder feit 1 en feit 2 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1:

Mishandeling.

Ten aanzien van feit 2:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft primair gevorderd verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna ISD-maatregel) voor de duur van twee jaar op te leggen en de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht niet in mindering te brengen op de duur van deze maatregel.
Bij vonnis van 17 augustus 2018 is door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Midden-Nederland aan verdachte de ISD-maatregel opgelegd. Verdachte heeft tegen dit vonnis beroep ingesteld. Dit beroep loopt nog en onduidelijk is wanneer de inhoudelijke behandeling daarvan zal plaatsvinden. Er bestaat een mogelijkheid dat het gerechtshof anders zal oordelen dan de rechtbank en verdachte niet de ISD-maatregel zal opleggen. Om die reden eist de officier van justitie ook in deze zaak dat aan verdachte de ISD-maatregel zal worden opgelegd. Mocht het gerechtshof de beslissing van de rechtbank van 17 augustus 2018 in stand houden, dan zal de officier ervoor zorgen dat de ISD-maatregel maar één keer ten uitvoer wordt gelegd.

De officier van justitie heeft subsidiair gevorderd verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft naar voren gebracht dat het beeld dat de reclassering van verdachte schetst niet juist is. Verdachte moet nog een kans krijgen. De raadsvrouw heeft meerdere brieven uit 2016 overgelegd, waaruit zou blijken dat werkgevers lovend over hem zijn en vaste contracten willen aanbieden. Als verdachte een kans krijgt om aan het werk te gaan gebeuren er geen verkeerde dingen meer. Verdachte is geen onbeschreven blad, maar alles moet in de juiste context worden gezien. De ISD-maatregel is daarom niet passend. Dat is de reden dat er beroep is ingesteld tegen het vonnis van 17 augustus 2018 en dat ook in deze zaak de ISD-maatregel niet zou moeten worden opgelegd.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft een bedrijfsleider van een café geduwd en een klap in zijn gezicht gegeven. Het slachtoffer is daardoor gehinderd bij het uitoefenen van zijn werkzaamheden en heeft pijn gehad.

Verdachte heeft ook hoeveelheden cocaïne en heroïne in zijn bezit gehad. Door het beschikbaar hebben en het gebruik van deze middelen die sterk verslavend werken, wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd. Daarnaast ontstaat overlast in de samenleving, aangezien het voorhanden hebben van harddrugs in het algemeen ook gepaard gaat met andere vormen van criminaliteit, vaak gepleegd door gebruikers in het kader van financiering van hun behoefte aan deze middelen.

De rechtbank maakt uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van

18 september 2018 op dat verdachte meermalen is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder mishandeling en overtreding van de Opiumwet.

Uit het rapport van het [naam] […] van 27 juni 2018 maakt de rechtbank op dat er weinig leefgebieden van verdachte stabiel zijn. Verdachte heeft een aantal reclasseringstoezichten gehad die niet tot gedragsverandering hebben geleid. Verdachte lijkt inmiddels lijdensdruk te ervaren wat maakt dat hij zich meer begeleidbaar opstelt, maar de reclassering heeft niet de indruk dat er daadwerkelijk van een verandering in houding sprake is en schat in dat verdachte niet in staat zal zijn deze houding voor langere tijd vast te houden. Op 27 juli 2018 heeft het [naam] […] een aanvullend rapport uitgebracht. In dit rapport is geadviseerd om aan verdachte de ISD-maatregel op te leggen, omdat de mogelijkheden in een ambulant traject zijn uitgeput. Bij vonnis van de meervoudige kamer van 17 augustus 2018 is de ISD-maatregel aan verdachte opgelegd.

Hoewel aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van de ISD-maatregel wordt voldaan en de reclassering deze maatregel wenselijk en noodzakelijk acht, zal de rechtbank de eis van de officier van justitie om deze maatregel op te leggen niet volgen. Als het gerechtshof het vonnis van de rechtbank van 17 augustus 2018 in stand laat, zal verdachte in dat kader het ISD-traject ingaan en de behandeling en begeleiding krijgen die nodig zijn om hem er in de toekomst van te kunnen weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Indien de rechtbank ook in deze zaak aan verdachte de ISD-maatregel oplegt, heeft de rechtbank er geen invloed op of deze niet ook zal worden geëxecuteerd. Met het uitspreken van dit vonnis ontstaat immers een executieplicht voor het openbaar ministerie, waaraan zij dient te voldoen. Voor zover zij daarvan zou kunnen en willen afwijken, is dit niet aan de rechtbank maar aan het openbaar ministerie. Dit kan tot de onwenselijke situatie leiden dat de ISD-maatregel tweemaal ten uitvoer zal worden gelegd. Gelet hierop, zal de rechtbank in deze zaak aan verdachte geen ISD-maatregel opleggen.

Nu het de rechtbank voorts is gebleken dat eerder aangeboden hulpverlening en behandeling in een ambulant kader en voorwaardelijk opgelegde straffen niet hebben geleid tot gedragsverandering en het voorkomen van recidive, volstaat de rechtbank in deze zaak met ‘kaal afstraffen’ en zal aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd. Bij de bepaling van de duur van deze straf heeft de rechtbank in het nadeel van de verdachte rekening gehouden met zijn aanzienlijke strafblad en verder acht geslagen op de oriëntatiepunten van het LOVS voor feiten als bewezenverklaard en straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Voorts overweegt de rechtbank dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht niet van toepassing is, nu de eerder opgelegde ISD-maatregel een maatregel betreft en daarom niet onder de werking van dat artikel valt.

Aan verdachte zal worden opgelegd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes weken. De tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft gezeten wordt op deze duur in mindering gebracht. Het bevel tot voorlopige hechtenis zal worden opgeheven met ingang van het tijdstip dat de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van de gevangenisstraf.

9 VORDERINGEN TENUITVOERLEGGING

De officier van justitie heeft subsidiair - indien de rechtbank geen ISD-maatregel aan verdachte oplegt - de tenuitvoerlegging gevorderd van drie voorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd in de zaken onder de parketnummers 23.003188-15,

16.659940-16 en 13.741194-17.

De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de vorderingen tot tenuitvoerlegging.

Verdachte is veroordeeld bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2017 tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank in Lelystad van 28 februari 2017 tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden en bij vonnis van de politierechter in de rechtbank in Amsterdam van 25 augustus 2017 tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven weken.

Verdachte heeft zich binnen de aan de voorwaardelijke straffen verbonden proeftijden van twee jaar opnieuw schuldig gemaakt aan strafbare feiten. Om die reden zullen deze straffen alsnog ten uitvoer gelegd worden. De rechtbank ziet in deze zaak geen aanleiding van dit uitgangspunt af te wijken.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder feit 1 en feit 2 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder feit 1 en feit 2 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 weken;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de opgelegde vrijheidsstraf;

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 23.003188-15

- wijst de vordering toe;

- gelast de tenuitvoerlegging van de door het gerechtshof Amsterdam bij arrest van

25 januari 2017 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen;

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16.659940-16

- wijst de vordering toe;

- gelast de tenuitvoerlegging van de door de meervoudige kamer in de rechtbank Lelystad bij vonnis van 28 februari 2017 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden;

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 13.741194-17

- wijst de vordering toe;

- gelast de tenuitvoerlegging van de door de politierechter in de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 25 augustus 2017 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 weken.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Bos, voorzitter, mrs. J.F. Haeck en V.C. Kool, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.F. van Dam, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 november 2018.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 25 juli 2018 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk mishandelend [slachtoffer] tegen het lichaam heeft geduwd en/of bij de keel heeft gepakt/vastgegrepen en/of in het gezicht, althans tegen het hoofd heeft geslagen.

2.

hij op of omstreeks 25 juli 2018 te Almere opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3,28 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 1,97 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 26 juli 2018, genummerd 2018214940, doorgenummerd pagina 1 t/m pagina 70. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Pagina 7.

3 Pagina 9.

4 Verklaring [slachtoffer] bij de rechter-commissaris op 27 september 2018, blz. 2 onderaan en blz. 3 bovenaan.

5 Pagina 9.

6 Pagina 19.

7 Pagina 21.

8 Pagina 22.

9 Verklaring verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 30 oktober 2018.

10 Pagina 21 t/m 23.

11 Pagina 46 t/m 50.