Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5730

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-11-2018
Datum publicatie
23-11-2018
Zaaknummer
16/705065-18 (P)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2021:4616
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Woningoverval. Verweer rechtmatigheid afspraak met of toezegging aan getuige. Heeft gelegenheid bestaan tot behoorlijke en effectieve ondervraging van de getuige? Straftoemeting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16/705065-18 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 23 november 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1977] te [geboorteplaats]

thans gedetineerd te Penitentiaire Inrichting Alphen aan den Rijn

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 17 augustus 2018 en 9 november 2018. Op laatstgenoemde datum heeft de inhoudelijke behandeling plaatsgevonden.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. D.M.A. van der Zwan en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw mr. H.M. Aalmoes, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1:
op 8 december 2016 in Almere, samen met anderen, zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld en/of afpersing van een groot geldbedrag (van circa 600.000 euro) en/of een mobiele telefoon toebehorende aan [benadeelde] en/of [slachtoffer 1] ;

feit 2:
op 15 januari 2018 in Amsterdam een pistool en 15 scherpe patronen voorhanden heeft gehad.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig en de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde.

Bespreking van een verweer

Namens verdachte is betoogd dat de rechtbank het Openbaar Ministerie in de strafvervolging niet-ontvankelijk zal verklaren, althans zal beslissen tot bewijsuitsluiting of meer subsidiair tot strafvermindering. Dit verweer is in de kern gestoeld op de waardering van de feitelijke en juridische gang van zaken met betrekking tot het verhoor van [getuige 1] , een getuige, en tevens medeverdachte (hierna: [getuige 1] ). Deze gang van zaken is door de verdediging

– samengevat – geduid als volgt.

Met [getuige 1] zijn door, althans onder het gezag van, de officier van justitie afspraken gemaakt of zijn aan haar toezeggingen gedaan, die de juridische toets der kritiek volstrekt niet kunnen doorstaan. De officier van justitie heeft stelselmatig het bestaan van die afspraken/toezeggingen aan het zicht van de verdediging en de rechter willen onttrekken, ook door daarover ter terechtzitting evident onjuiste informatie te verstrekken. In weerwil van de herhaalde ontkenning door de officier van justitie is het bestaan van die afspraken/toezeggingen inmiddels vast komen te staan. Vervolgens is ten aanzien van de vorm gebleken dat aan bestaande regelgeving (artikel 152 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) en de Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken) ten onrechte voorbij is gegaan, terwijl ten aanzien van de inhoud – een immuniteitstoezegging – niet anders kan worden geconcludeerd dat deze op grond van het wettelijk stelsel ontoelaatbaar is. Voorts is gebleken, dat de van één van de verhoren gemaakte geluidsopname niet meer beschikbaar is, terwijl ten aanzien van een ander verhoor is gebleken dat de door [getuige 1] afgelegde verklaring niet juist is gerelateerd. Tot slot is een effectieve ondervraging van de getuige niet mogelijk gebleken, omdat de met het verhoor belaste rechter-commissaris het door de getuige gedane beroep op het verschoningsrecht heeft gehonoreerd.

Door dit een en ander is komen vast te staan dat er in deze zaak onherstelbare verzuimen zijn begaan en dat deze verzuimen, op zichzelf beschouwd en in elk geval in samenhang bezien zowel aan het Zwolsman- als het Karmancriterium voldoen, en hebben te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring, aldus de verdediging.

De officier van justitie heeft gemotiveerd geconcludeerd tot verwerping van dit verweer.

Met betrekking tot de feitelijke gang van zaken is aan de rechtbank het volgende gebleken.

Naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [A] op 30 april 2017 is een opsporingsonderzoek ingesteld naar aanleiding van haar gewelddadige dood. In het bestek van dat onderzoek hebben politie en justitie zicht gekregen op een op 6 december 2016 gepleegde woningoverval, het feit dat in de onderhavige zaak aan de rechtbank ter beoordeling voorligt.

Deze overval is door politie en justitie vervolgens in betekenisvol verband gebracht met dat moordonderzoek. Op zeker moment is [getuige 1] bij de politie in beeld gekomen als iemand die zou beschikken over informatie die kon bijdragen aan de opsporing in het moordonderzoek. Eenmaal in gesprek en verhoor met [getuige 1] zag de politie zich gesteld voor een kennelijk dilemma aan de zijde van [getuige 1] . Immers, [getuige 1] gaf de politie op goede gronden de indruk dat zij over relevante informatie beschikte, terwijl haar prijsgeven daarvan zou (kunnen) bijdragen aan de verdenking tegen haarzelf, te weten dat [getuige 1] een strafrechtelijk relevante rol heeft vervuld bij die woningoverval. Aldus stond de naar informatie hunkerende politie tegenover [getuige 1] die daarover relevante informatie kon, doch niet onvoorwaardelijk wilde verstrekken. Gesteld voor deze situatie heeft de politie met toestemming van de officier van justitie bij zekere verhoren aan [getuige 1] voorgehouden dat zij in het geval van haar verklaren tijdens die verhoren ‘zichzelf niet strafrechtelijk zou belasten’ (de rechtbank begrijpt: die verklaring niet zou worden betrokken bij een ter zake tegen haar ingestelde of in te stellen strafvervolging). Op enig moment heeft de politie die toezegging op één lijn gesteld met een andere gedane mededeling, te weten dat [getuige 1] voor mogelijke betrokkenheid bij de woningoverval niet zou worden vervolgd door de officier van justitie.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Voorop moet worden gesteld dat zich bij de stukken in het dossier niet ook een kennisgeving in de betekenis van het bepaalde in artikel 226j, derde lid, Sv bevindt. Dit wekt geen verbazing, bezien in het licht van de door de officier van justitie herhaald gedane mededeling dat er in de onderhavige zaak met betrekking tot [getuige 1] geen afspraak of toezegging in de zin van artikel 226g Sv valt te melden. Kortom, in de onderhavige strafzaak doet zich niet de in het Tweede boek, Titel III, Vierde afdeling B, van het Wetboek van Strafvordering geregelde figuur voor.

Volgens mededeling van de officier van justitie is door het Openbaar Ministerie aan [getuige 1] geen immuniteit toegezegd. Bevestiging voor de juistheid van die mededeling vindt de rechtbank in de verklaring van de ter terechtzitting als getuige gehoorde politieambtenaar [verbalisant 1] . Naast anderen is hij belast geweest met de verhoren van de eerder genoemde [getuige 1] . Volgens zijn als getuige afgelegde verklaring en onder verwijzing naar de van die verhoren verbatim opgemaakte verslagen is op 12 mei 2017 in het licht van het eerder beschreven spanningsveld tegen [getuige 1] gezegd dat zij zichzelf niet zou belasten. Die mededeling is op 15 januari 2018 ook door zijn collega [verbalisant 2] aan [getuige 1] gedaan. [verbalisant 1] heeft op 15 januari 2018 daaraan nog toegevoegd dat [getuige 1] naar aanleiding van haar verklaring door de officier van justitie niet zou worden vervolgd. Echter, die mededeling over niet-vervolging is, zo blijkt uit zijn verklaring afgelegd ter terechtzitting op 9 nov 2018, door hem niet gedaan namens, noch met instemming of wetenschap van de officier van justitie, en is in retrospectief ondoordacht gedaan, in de zin dat de mogelijke portee daarvan door de politie toen niet is onderkend.

De tussenconclusie luidt dat in de onderhavige zaak niet is gebleken van een strafvorderlijke afspraak met een getuige die tevens verdachte is, noch van een immuniteitstoezegging door de officier van justitie. Mitsdien is van laakbaar stelselmatig bemantelen van het bestaan van afspraken/toezeggingen noch van het daarover verstrekken van evident onjuiste informatie door de officier van justitie evenmin gebleken.

Vervolgens ligt de – niet door de verdediging met zoveel woorden geformuleerde – vraag voor of de gewraakte toezegging door de politie over niet-vervolging door de officier van justitie met zo’n (verboden) immuniteitstoezegging op één lijn dient te worden gesteld. De rechtbank stelt voorop dat de beantwoording van die vraag in de zaak tegen verdachte slechts zijdelings van belang is. Immers, in de onderhavige zaak ligt niet de vraag ter beantwoording voor of [getuige 1] aan die toezegging door de politie als verdachte rechtens te respecteren verwachtingen kan ontlenen. Die toezegging kan mogelijk wel betekenis hebben voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de door [getuige 1] afgelegde verklaringen. Immers, het is in het algemeen niet ondenkbaar dat zo’n toezegging de getuige ertoe brengt verklaringen af te leggen waarvan de inhoud niet overeenkomt met de waarheid althans daarmee op gespannen voet staat. Die stelling is evenwel door de verdediging niet betrokken, terwijl de inhoud van die verklaringen daarvoor voorshands geen redelijk aanknopingspunt biedt. Daarbij komt, dat [getuige 1] door de rechter-commissaris in aanwezigheid van de verdediging als getuige is gehoord. Dat de getuige [getuige 1] naast het beantwoorden van vragen ook met een beroep op het haar ingevolge artikel 209 Sv toekomende verschoningsrecht daarvan heeft mogen afzien, maakt niet dat zulks een onherstelbaar verzuim of een schending van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) oplevert.

Vervolgens ligt nog het verwijt van schending van de in artikel 152 Sv neergelegde verbaliseringsplicht voor. Dat verwijt is – naar de rechtbank de verdediging begrijpt – gegrond op de veronderstelling aan de zijde van de verdediging dat er in de sleutel van een getuigentraject een gehoudenheid tot verslaglegging en verstrekking moet worden aangenomen. Uit wat door de rechtbank ten aanzien van het bestaan daarvan in het voorgaande is vastgesteld en overwogen volgt logischerwijs dat dit verwijt feitelijke grondslag mist.

Het voorgaande voert tot de slotsom dat de rechtbank het verweer in al zijn onderdelen verwerpt. De gang van zaken met betrekking tot de verhoren van [getuige 1] dient niet te worden beoordeeld aan de hand van de voor “kroongetuigen” toepasselijke regelgeving, terwijl van een immuniteitstoezegging door de officier van justitie niet is gebleken. Van een schending van de verbaliseringsplicht is niet gebleken. Wel heeft de verdediging op goede gronden bezwaar gemaakt tegen de wijze waarop transparantie is betracht. De hiervoor beschreven onorthodoxe gang van zaken met betrekking tot het verhoor van [getuige 1] roept immers vragen op, die eerder gedocumenteerd beantwoord hadden kunnen en ook behoren te worden. Echter, die constatering levert niet een verzuim op dat noopt tot rechterlijke sanctionering op de voet van artikel 359a Sv in de zin van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. De officier van justitie heeft haar standpunten verwoord in een ter terechtzitting overgelegd schriftelijk requisitoir. Zakelijk weergegeven heeft zij het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van feit 1 kunnen de verklaringen van getuige [getuige 1] tot het bewijs worden gebezigd. Primair heeft de verdediging een behoorlijke en effectieve mogelijkheid gehad om haar als getuige te ondervragen. Subsidiair is de verdediging voldoende compensatie geboden voor het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om [getuige 1] te ondervragen. Daarnaast zou een veroordeling niet in beslissende mate op de verklaring van [getuige 1] zijn gebaseerd, omdat haar verklaring in voldoende mate steun vindt in het dossier.

De officier van justitie acht feit 2 wettig en overtuigend te bewijzen op grond van het proces-verbaal van doorzoeking van de woning van verdachte, waarbij onder meer een vuurwapen en munitie onder het kussen van verdachte zijn aangetroffen, en een proces-verbaal van categorisering.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft namens verdachte vrijspraak bepleit van het onder feit 1 ten laste gelegde. Zij heeft haar standpunten verwoord in een ter terechtzitting overgelegde pleitnotitie. Zakelijk weergegeven heeft zij het volgende aangevoerd.

Met verwijzing naar de zogenoemde Vidgen-jurisprudentie van de Hoge Raad is bepleit, dat de verklaringen die zijn afgelegd door de eerder in dit vonnis genoemde [getuige 1] voor het bewijs niet bruikbaar zijn. Doordat het aan [getuige 1] is toegestaan om zich bij gelegenheid van haar verhoor als getuige met een beroep op haar verschoningsrecht vragen van de verdediging niet te hoeven beantwoorden, heeft het de verdediging ontbroken aan een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om haar als getuige te ondervragen. Gelet op de inhoud van de door haar afgelegde verklaringen kan niet anders dan worden geconcludeerd dat de betrokkenheid van de verdachte bij de ten laste gelegde woningoverval in beslissende mate berust op de inhoud van haar verklaringen. Voor zover andere bewijsmiddelen voorhanden zijn heeft in dat geval te gelden dat [getuige 1] daarvan de bron is. Dit een en ander betekent, nu toereikend bewijs niet voorhanden is, dat de verdachte van die woningoverval dient te worden vrijgesproken. Voor zover de verklaringen van [getuige 1] wel voor het bewijs gebezigd kunnen worden, levert de feitelijke en juridische gang van zaken met betrekking tot het verhoor van [getuige 1] een verzuim op dat noopt tot rechterlijke sanctionering op de voet van artikel 359a Sv in de zin van bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

FEIT 1

De bruikbaarheid van de verklaring van [getuige 1] voor het bewijs

De rechtbank overweegt naar aanleiding van het zogenoemde Vidgen-verweer het volgende. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad ontleent de verdachte aan artikel 6 EVRM de aanspraak op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid een getuige te (doen) ondervragen. Indien die mogelijkheid niet benut is kunnen worden, dan gelden beperkingen voor het bewijsgebruik van door een getuige afgelegde verklaringen. Zo mag in dat laatstbedoelde geval een bewezenverklaring niet in beslissende mate op die verklaring worden gebaseerd. En in het tegenovergestelde geval – waarin de bewezenverklaring wél in beslissende mate op zo’n verklaring is gebaseerd – dient het ontbreken van die mogelijkheid van een behoorlijke en effectieve ondervraging in voldoende mate te worden gecompenseerd. Tot zover het door de rechtbank te hanteren beoordelingskader.

Toetsing van het voorliggende geval aan dat kader wijst het volgende uit.

De getuige [getuige 1] is op 1 november 2018 door de rechter-commissaris in aanwezigheid van de verdediging gehoord. Daarbij is aan de verdediging de gelegenheid geboden om aan de getuige vragen te stellen, welke gelegenheid door de verdediging ook is benut. Bij oppervlakkige beschouwing van het van dat verhoor opgemaakte proces-verbaal dringt zich aan de lezer daarvan mogelijk het beeld op dat [getuige 1] als getuige met een beroep op het haar (ingevolge artikel 209 Sv) toekomende verschoningsrecht het aan de verdediging onmogelijk heeft gemaakt het ondervragingsrecht effectief uit te oefenen. Het is kennelijk dit beeld waarop de verdediging het tot bewijsuitsluiting strekkende verweer heeft gegrond.

Bij nauwkeurige lezing van dat proces-verbaal kan dat beeld echter geen standhouden. De verdediging is in de gelegenheid gesteld vragen aan [getuige 1] te stellen. De eerste bij die gelegenheid gestelde reeks van vragen strekten er kennelijk toe om informatie van [getuige 1] te krijgen die kan bijdragen aan het kunnen voeren van rechtmatigheidsverweren, in elk geval ontbreekt het verband met wat [getuige 1] eerder bij de politie inhoudelijk (en voor de verdachte belastend) heeft verklaard over het in de tenlastelegging geformuleerde verwijt. Ten aanzien van de beschuldiging zelf zijn vervolgens slechts enkele vragen gesteld. In dat verband heeft [getuige 1] twee vragen niet willen beantwoorden. Op de vraag of [getuige 1] bij de politie naar waarheid heeft verklaard heeft zij geantwoord: “Ja, absoluut”. Vervolgens zijn nog twee vragen gesteld die betrekking hebben op de periode die is gelegen, ruim nadat de aan verdachte verweten overval heeft plaatsgehad. Vervolgens is in het proces-verbaal gerelateerd dat het volgens de mening van de verdediging gelet op de proceshouding van de getuige geen zin heeft om vragen te stellen.

Wanneer de rechtbank de inhoud van dit verhoor in ogenschouw neemt, is zeer wel denkbaar dat de mogelijk door de verdediging nog te stellen vragen die wel raken aan de beschuldiging ook niet zouden worden beantwoord door de getuige. Dit is echter speculatie en voor de beantwoording van de vraag of de verdediging de getuige behoorlijk en effectief heeft kunnen ondervragen niet van betekenis. De verdediging heeft er klaarblijkelijk op enig moment voor gekozen geen (nadere) vragen meer te stellen aan de getuige. Deze keuze lijkt te zijn ingegeven door de duiding van de verdediging van de proceshouding van de getuige [getuige 1] en – naar de rechtbank aanneemt – een prognose dienaangaande. Die duiding en prognose raken aan de wijze waarop het ondervragingsrecht wordt uitgeoefend. De manier waarop dit recht wordt uitgeoefend ligt in dit verband echter niet ter beoordeling van de rechtbank voor, maar is ter beoordeling van de verdediging.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is de vraag of de verdediging een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om de getuige te (doen) ondervragen. De rechtbank stelt vast dat de gestelde vragen die redelijkerwijs kunnen worden beschouwd als betrekking hebbend op de aan de beschuldiging te relateren inhoud van de eerder door [getuige 1] afgelegde verklaringen door de verdediging zijn gesteld, zij het in aantal sterk beperkt. Die vragen zijn door de getuige ten dele beantwoord, en het is de verdediging die op zeker moment ervoor heeft gekozen van nadere bevraging van de getuige [getuige 1] af te zien.

Aan het oordeel van de rechtbank doet niet af dat [getuige 1] op de vragen die kennelijk kunnen bijdragen aan het kunnen voeren van rechtmatigheidsverweren geen antwoord heeft willen geven, te minder omdat voor wat in de opsporing feitelijk is verricht, voorgevallen en geschied als uitgangspunt heeft te gelden dat het de functionarissen van politie en justitie zijn, die ter zake informatie hebben te verstrekken.

Voor zover de verdediging nog ten verwere heeft willen aanvoeren dat aan [getuige 1] bij dat verhoor geen verschoningsrecht toekwam, heeft te gelden dat [getuige 1] (ook) zichzelf in haar eerde afgelegde verklaringen onmiskenbaar ernstig heeft belast, zodat zij op goede gronden op haar verschoningsrecht is gewezen. Immers, gelijk eerder in dit vonnis door de rechtbank is vastgesteld bestonden er ter zake jegens [getuige 1] geen vervolgingsbeletselen.

Het voorgaande voert tot de slotsom dat voor de verdediging de gelegenheid tot een behoorlijke en effectieve bevraging van de getuige heeft opengestaan en dat deze ook door de verdediging is benut.

In zoverre ligt er geen beletsel om door [getuige 1] afgelegde verklaringen te bezigen voor het bewijs, indien en voor zover deze als betrouwbaar worden geoordeeld. Dat oordeel zal hierna worden gegeven.

Bewijsmiddelen

De overval

[slachtoffer 1] (geboortedatum [1938]2) heeft verklaard dat zij op 8 december 2016 door het raam van haar huis keek en een “post iemand” zag staan. Ze deed de deur open en werd gelijk vastgepakt.3 Ze werd door dader 1 vastgepakt. Ze werd opgetild en neergelegd. Hij omklemde haar met zijn armen om haar heen en tilde haar op. Hij nam haar mee naar de woonkamer en legde haar neer. Ze werd vastgemaakt met plakband. Deze man heeft plakband voor haar mond gedaan en haar handen bij elkaar gemaakt. Het was plakband, van dat brede. Haar enkels zijn ook bij elkaar geplakt met die plakband. Dader 2 heeft zij niet binnen zien komen. Die persoon was op een gegeven moment wel binnen en liep heen en weer in de kamer.4 Een Apple iPhone is weggenomen.5 Nadat ze weg waren heeft zij zichzelf los gemaakt.6

Op het ritformulier van de ambulance (ritdatum 8 december 2016) is vermeld dat mevrouw [slachtoffer 1] is overvallen door een vrouw en twee mannen. Door een man opgetild en op de grond gegooid. Plakband over het gezicht en om de polsen en enkels.7

[getuige 2] heeft op een donderdagochtend in december een busje zien staan voor de woning van [slachtoffer 1] . Met [slachtoffer 1] wordt [slachtoffer 1] bedoeld. Ze zag een manspersoon lopen tussen de genoemde bus en de woning van [slachtoffer 1] . Deze manspersoon droeg een DHL jasje.8

[getuige 3] is de huishoudster van [slachtoffer 1] . Zij belde aan en [slachtoffer 1] zei dat ze was overvallen. Dat was op donderdag, want zij komt altijd op donderdag.9

Verklaring van getuige [getuige 1]

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij denkt dat [A] tegen [medeverdachte ] en/of [bijnaam] heeft gezegd dat er geld valt te halen bij de moeder van [B] , haar ex.10 [medeverdachte ] heeft tegen haar gezegd wat ze moest aantrekken en wat ze moest doen.11 Ze moest een trui van DHL aantrekken en een pet van DHL opzetten. [medeverdachte ] droeg ook kleding van DHL. [bijnaam] droeg zwarte kleding.12 [medeverdachte ] pakte een doosje uit de bus en gaf het aan [getuige 1] . Zij moest aanbellen. [medeverdachte ] ging bij haar staan toen die vrouw open deed. [bijnaam] en [medeverdachte ] liepen door met die oude vrouw en duwden [getuige 1] ook mee naar binnen.13 hoorde de oude mevrouw zeggen “ik werk mee, ik werk mee”.14 De buit is meegenomen naar de woning van [A] . [getuige 1] had nog nooit zoveel geld in haar leven gezien. [getuige 1] heeft briefjes van 10 en 20 gekregen. [A] kreeg stapels briefjes van 50 euro.15

Getuige [getuige 1] herkent de haar bekende “ [bijnaam] ” op een foto uit het politiesysteem van [verdachte] , geboren op [1977] te [geboorteplaats] .16 [getuige 1] herkent de haar bekende [medeverdachte ] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte ]17) op een foto uit het politieststeem van [medeverdachte ] , geboren op [1986] te [geboorteplaats] .18

Opgenomen gesprekken [getuige 1] en [A]

Op de Samsung telefoon van [getuige 1] zijn audiobestanden aangetroffen. Deze audiobestanden zijn beluisterd en hierop wordt de stem van [getuige 1] herkend.19 Ook wordt op deze bestanden de stem van [A] herkend.20 In een opgenomen gesprek zegt [A] tegen [getuige 1] het volgende. Ze gaat alles opbiechten.21 zegt dat hij weet dat ze geld hebben gepakt en dat zij veel heeft gepakt. Ook zegt [A] dat zij [getuige 1] heeft benaderd omdat [bijnaam] iemand nodig had die ergens moest aanbellen.22 Daarnaast zegt [A] dat [medeverdachte ] het werk allemaal heeft gedaan en de grootste buit naar [bijnaam] is gegaan.23

Opgenomen gesprekken [getuige 1] , [C] en [D]

Op de Samsung telefoon van [C] is een audiobestand aangetroffen. Dit audiobestand is beluisterd en hierop worden de stemmen van [getuige 1] , [C] en [D] herkend. Een vierde deelnemer aan het gesprek wordt ‘ [E] ’ of ‘ [E] ’ genoemd.24 In het opgenomen gesprek zegt [getuige 1] het volgende. [getuige 1] moest aanbellen en in de hal wachten. Ze zijn met z’n tweeën naar binnen gegaan.25 Het waren December-tijden. [A] belde haar op. Het enige wat [getuige 1] moest doen was aanbellen. Het was bij haar ex-man. Zij moest een DHL shirt aan met pet en heeft aangebeld. Ze hebben haar vastgepakt en vastgebonden. Het bleek de moeder van [B] te zijn. [getuige 1] heeft de twintigjes en tientjes gekregen.26 Ze is de bus ingegaan en toen zijn zij in het huis van [A] het geld gaan tellen.27

Historische verkeersgegevens telefoon [getuige 1] en verdachte

De gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] werd geïdentificeerd als [getuige 1] .28 Uit de historische verkeersgegevens blijkt dat het toestel * [telefoonnummer] op 8 december 2016 tot 07:26 uur de mast in de directe omgeving van haar woning aanstraalt, van 07:26 – 10:40 uur geen activiteit registreert en om 10:40 uur een mast aanstraalt in de directe omgeving van de woning van [A] .29

In de slaapkamer van verdachte is een Samsung type S5 mini aangetroffen.30 Het imei-nummer van deze telefoon is [imei-nummer] . De telefoon maakte gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer] .31 Uit onderzoek is gebleken dat dit telefoonnummer in gebruik is geweest bij verdachte.32 De relevante mastgegevens van de telefoon zijn onderzocht. Op 8 december 2016 om 08:02 uur maakt de telefoon contact met een router in de omgeving van de woning van verdachte. Om 11:35 en 11:36 op diezelfde dag maakt de telefoon contact met een telefoonmast in de nabijheid van de woning van [A] .33

Verklaring getuige [getuige 4]

Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat zij [getuige 1] (de rechtbank begrijpt: [getuige 1] ) op 8 december 2016 niet kon bereiken. Zij was met een man ergens heen.34 [getuige 1] sprak niet over het geld dat ze ineens te besteden had. Ze heeft in de auto waarin [getuige 1] zat een zak met pakken van briefjes van 20 gezien. Toen [getuige 1] en [getuige 4] gingen shoppen had [getuige 1] ongeveer € 3.000 bij zich.35 [getuige 1] heeft aan [getuige 4] verteld dat zij en [A] hebben aangebeld bij de oma van [B] . Daar waren [bijnaam] en [medeverdachte ] ook bij.36 [bijnaam] is [verdachte] [medeverdachte ] is de [medeverdachte ] waar ze over sprak.37

Telefoon van [slachtoffer 1]

Uit de historische verkeersgegevens van het bij [slachtoffer 1] in gebruik zijnde telefoonnummer [telefoonnummer] blijkt dat dit nummer op 6 december 2016 werd gebruikt in een iPhone 4S met imeinummer [imei-nummer] . Vanaf 15 december 2016 werd het telefoonnummer gebruikt in een iPhone 5 met imeinummer [imei-nummer] .38

Bewijsoverwegingen

Betrouwbaarheid verklaring [getuige 1]

heeft in verschillende verhoren uitgebreid en gedetailleerd verklaard over een woningoverval die is gepleegd op 8 december 2016. De rechtbank stelt vast dat haar verklaringen inhoudelijk niet alleen op hoofdlijnen maar ook op detailniveau voldoende met elkaar overeenkomen en consistent zijn. Bovendien vindt haar verklaring verankering in de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen en in de overige stukken in het dossier. [getuige 1] heeft namelijk gedetailleerd verklaard over een door haar omschreven klok in de hal van de woning van [slachtoffer 1] . Zo’n klok is ook op die plaats in de woning aangetroffen. Daarnaast heeft zij verklaard dat zij de overval heeft gepleegd met twee mannen. Dit vindt bevestiging in het ritformulier van de ambulance. Ook de modus operandi, namelijk dat [getuige 1] in DHL-kleding voor de deur stond, vindt bevestiging in de verklaring van [slachtoffer 1] en in de bij [F] aangetroffen DHL-kleding met daarop tot de persoon van [getuige 1] te herleiden DNA-sporen.

De rechtbank acht de verklaring van [getuige 1] gelet op het voorgaande betrouwbaar en derhalve kan de verklaring voor het bewijs worden gebezigd.

De overval

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat op 8 december 2016 in Almere een overval heeft plaatsgevonden in de woning van mevrouw [slachtoffer 1] . De feitelijke gang van zaken tijdens deze overval kan de rechtbank niet precies vaststellen, omdat er geen aangifte is gedaan en mevrouw [slachtoffer 1] om haar moverende redenen niet het achterste van haar tong heeft laten zien. Desondanks leidt de rechtbank uit de bewijsmiddelen af dat er bij de overval geweld is gebruikt tegen [slachtoffer 1] . Er stonden personen vermomd als DHL bezorgers voor de deur, ze is naar binnen geduwd, opgetild, op de grond gegooid en vast getapet achtergelaten. Vervolgens is zij met de ambulance naar het ziekenhuis vervoerd.

Voorts leidt de rechtbank uit de bewijsmiddelen af dat bij de overval een telefoon van mevrouw [slachtoffer 1] en een geldbedrag zijn buitgemaakt. Om hoeveel geld het gaat en aan wie het geld toebehoort kan weliswaar niet precies worden vastgesteld, maar op basis van de bewijsmiddelen kan in elk geval worden vastgesteld dat het om een groot geldbedrag gaat. Ook leidt de rechtbank uit de bewijsmiddelen af dat het geldbedrag in elk geval niet toebehoort aan verdachte of diens mededaders. Bevestiging voor het buitmaken van de telefoon vindt de rechtbank in de verklaring van [slachtoffer 1] en in de vaststelling dat het door [slachtoffer 1] gebruikte telefoonnummer vanaf 15 december 2016 in een andere telefoon werd gebruikt.

De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of het geldbedrag en de telefoon zijn buitgemaakt door diefstal met geweld of door afpersing. In dat kader stelt de rechtbank vast dat [getuige 1] [slachtoffer 1] “ik werk mee, ik werk mee” heeft horen zeggen. Hieruit leidt de rechtbank af dat zij is gedwongen tot afgifte en er dus sprake was van afpersing.

Daderschap

[getuige 1] heeft verklaard dat zij samen met [medeverdachte ] en [bijnaam] de overval heeft gepleegd. Zij heeft ook verklaard dat zij verdachte herkent als [bijnaam] . De rechtbank leidt daaruit af dat verdachte [bijnaam] is en dat verdachte betrokken is geweest bij de overval. Die betrokkenheid vindt ondersteuning in de verklaring van de getuige [getuige 4] , de audiobestanden in de telefoon van [getuige 1] en in de historische verkeersgegevens van de telefoon van verdachte.

Medeplegen

Om tot een bewezenverklaring te komen voor het onderdeel medeplegen dient sprake te zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat daarvan sprake is geweest, in de vorm van een gezamenlijke uitvoering door verdachte, medeverdachte [medeverdachte ] en [getuige 1] van de overval en dat de buit is verdeeld onder verdachte, medeverdachte [medeverdachte ] , [getuige 1] en [A] . De rechtbank oordeelt daarom dat sprake is geweest van een voor het bewijs toereikende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en diens medeverdachten dat het tenlastegelegde medeplegen voor bewezenverklaring in aanmerking komt.

FEIT 2

Bewijsmiddelen

Op 15 januari 2018 werd verdachte in zijn bed in zijn woning in Amsterdam aangetroffen. Op het bed werd ter hoogte van het hoofdeinde een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aangetroffen. Het voorwerp was voorzien van een patroonhouder.39

Uit onderzoek is gebleken dat het voorwerp een vuurwapen, pistool, merk Star, model 30 MI, kaliber 9mm is. Het vuurwapen behoort tot categorie III sub I van de Wet wapens en munitie.40 In het patroonmagazijn van het vuurwapen zaten 15 scherpe patronen kaliber 9x19mm, merk S&B. Deze patronen behoren tot categorie III van de Wet wapens en munitie.41

Bewijsoverwegingen

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat het vuurwapen met de munitie is gevonden op het hoofdeinde van het bed waarin verdachte op dat moment lag te slapen. Onder die omstandigheden kan het niet anders dan dat verdachte wetenschap en beschikkingsmacht heeft gehad over dat vuurwapen en die patronen. De rechtbank acht aldus ook feit 2 wettig en overtuigend bewezen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

feit 1:

op 8 december 2016 te Almere, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld [slachtoffer 1] (geboren op [1938] ) heeft gedwongen tot de afgifte van een groot geldbedrag en een (mobiele) telefoon, toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, welk geweld hierin bestond dat
- hij en zijn mededaders vermomd (in DHL kleding) naar de woning van die [slachtoffer 1] zijn gegaan en
- die [slachtoffer 1] de woning in hebben geduwd en
- die [slachtoffer 1] hebben opgetild en (vervolgens) op de grond hebben gegooid en
- die [slachtoffer 1] hebben gekneveld door de polsen en enkels en mond van die [slachtoffer 1] (vast) te tapen en
- (vervolgens) dat geld en die telefoon hebben meegenomen en
- die [slachtoffer 1] gekneveld hebben achtergelaten;

feit 2:

op 15 januari 2018 te Amsterdam een vuurwapen van categorie III, te weten een pistool (merk/model Star 30 MI, kaliber 9mm) en (bijbehorende) munitie van categorie III, te weten 15 scherpe patronen (merk S&B, kaliber 9x19mm), voorhanden heeft gehad.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder feit 1 en feit 2 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 1:
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 2:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, strafbaar gesteld bij artikel 55 lid 3 onder a van de Wet wapens en munitie
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55 lid van de Wet wapens en munitie.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar en zes maanden.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de zaak relatief oud is. Ook heeft [slachtoffer 1] geen aangifte gedaan. Het onderzoek naar de overval is in wezen een bijzaak in het onderzoek op de moord op [A] . De zaak moet daarom niet groter worden gemaakt dan dat de zaak is. Daarnaast heeft de verdediging verwezen naar de oriëntatiepunten van het binnen de organisatie van de Rechtspraak bestaande Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS), die bij een woningoverval met licht geweld een gevangenisstraf van drie jaren als uitgangspunt voor strafoplegging noemen. Er kan in deze zaak niet tot een zwaardere kwalificatie worden gekomen dan de toepassing van licht geweld. Ook voor het wapen geldt dat de LOVS-oriëntatiepunten een lagere straf voorschrijven dan de vordering van de officier van justitie, namelijk een gevangenisstraf van drie maanden. Daarnaast is geen sprake van recidive ten aanzien van wapenbezit.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een woningoverval waarbij een groot geldbedrag en een telefoon zijn buitgemaakt. Deze woningoverval kenmerkte zich door de min of meer professionele wijze waarop deze is uitgevoerd. Zo werd er door een persoon vermomd als pakketbezorger aangebeld. Hierdoor werd het slachtoffer misleid om de deur open te doen. Vervolgens zijn er drie voor het slachtoffer onbekende personen de woning binnengedrongen. Het slachtoffer is daarbij de gang in geduwd, opgetild, op de grond gegooid en haar polsen en enkels zijn aan elkaar vast getapet. Na de overval werd het slachtoffer aan haar lot overgelaten door verdachte en zijn mededaders. Het slachtoffer was ten tijde van de overval 79 jaar oud. Bovendien werd zij overvallen in haar eigen woning, bij uitstek een plek waar iemand zich veilig moet voelen.

De ervaring leert dat slachtoffers van woningovervallen nog geruime tijd daarvan nadelige psychische gevolgen ondervinden. Aan het feit dat het slachtoffer in dit geval geen aangifte heeft gedaan, mag niet de conclusie worden verbonden dat de overval voor het slachtoffer geen zeer angstaanjagende ervaring is geweest. Het is niet ondenkbaar dat andere, niet geopenbaarde redenen ten grondslag hebben gelegen aan het afzien van het doen van aangifte. Wat daarvan ook zij, verdachte heeft met zijn onder 1 bewezen geachte handelen aangetoond geen enkel respect te hebben voor de fysieke en psychologische integriteit van het slachtoffer noch voor het eigendomsrecht van anderen. Verdachte heeft slechts oog gehad voor zijn eigen financiële gewin, ook al ging dat zeer vergaand ten koste van een ander.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een pistool en 15 patronen scherpe munitie. Het onbevoegd voorhanden hebben van een dergelijk vuurwapen en munitie brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich.

Gelet op de hiervoor beschreven ernst van de bewezen geachte feiten kan niet anders worden volstaan dan met de oplegging van een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de overval en het wapenbezit twee op zichzelf staande misdrijven, nu niet is vast komen te staan dat het wapen is gebruikt bij de overval. De rechtbank zal deze feiten daarom bij de straftoemeting in zoverre geïsoleerd wegen. Daarbij neemt de rechtbank de LOVS-oriëntatiepunten als uitgangspunt voor de strafoplegging. Voor een woningoverval met toegepast licht geweld gaan deze oriëntatiepunten uit van een gevangenisstraf van drie jaren en voor het voorhanden hebben van een pistool van een gevangenisstraf van drie maanden.

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de woningoverval geen sprake is van ‘slechts’ een woningoverval met licht geweld. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat naast geweld, ook sprake is geweest van kneveling en in geknevelde toestand achterlaten van het slachtoffer. Bovendien was het geweld gericht tegen een kwetsbare op leeftijd zijnde vrouw en is het toegepast in haar eigen woning. Daarbij was ook sprake van een min of meer professionele uitvoering door onder meer het slachtoffer te misleiden met de DHL-pakken. Dit maakt dat niet kan worden volstaan met een afdoening conform voornoemd oriëntatiepunt.

Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank ook ten aanzien van het wapenbezit. Daarbij weegt de rechtbank strafverzwarend mee dat uit het ten name van verdachte gestelde Uittreksel justitiële documentatie van 28 september 2018 blijkt dat hij – zij het enige tijd geleden – is veroordeeld voor soortgelijke misdrijven.

Nu verdachte heeft geweigerd enig inzicht te geven in zijn persoonlijk omstandigheden, kan de rechtbank daarmee logischerwijs geen rekening houden. Daarnaast kent de rechtbank geen strafmatigende betekenis toe aan het gegeven dat de woningoverval langer dan twee jaar geleden heeft plaatsgevonden. Immers, het opsporingsapparaat heeft pas in 2017, nadat het stoffelijk overschot van [A] is aangetroffen, kennis gekregen van de gepleegde overval waarna het onderzoek naar de woningoverval is gestart.

De rechtbank neemt – alles overwegende – ten aanzien van de woningoverval een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar en ten aanzien van het wapenbezit een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden tot uitgangspunt. Aldus zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar en zes maanden opleggen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

9 BESLAG

Teruggave aan verdachte van horloges

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de onder verdachte in beslag genomen horloges (merk Rolex) verbeurd zal verklaren, omdat deze horloges zouden zijn aangekocht met geld dat is buitgemaakt bij de overval.

De verdediging heeft die stelling betwist en overigens daartegenin gebracht dat uit de certificaten van de horloges zou blijken dat deze horloges al voor de datum van de overval zijn gekocht.

De rechtbank overweegt dat uit de stukken in het dossier niet blijkt dat deze horloges na de datum van de overval zouden zijn gekocht. Daarnaast is de stelling van de verdediging niet weerlegd door de officier van justitie. Dit maakt dat de rechtbank niet kan vaststellen dat deze horloges grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen. De horloges zijn daarom naar het oordeel van de rechtbank niet vatbaar voor verbeurdverklaring. Dit een en ander betekent dat de rechtbank de teruggave zal gelasten aan verdachte van deze in beslag genomen en niet teruggegeven horloges.

Onttrekking aan het verkeer van het vuurwapen en de munitie

De rechtbank zal de in beslag genomen voorwerpen, te weten een vuurwapen en munitie met goednummer PL0900-2017128415-2120412, onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. De voorwerpen zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane feit aangetroffen. Met betrekking tot deze voorwerpen is het onder feit 2 bewezen verklaarde feit begaan

De inbeslaggenomen pillen

Uit de stukken in het dossier blijkt dat onder de verdachte zijn inbeslaggenomen en niet-teruggegeven: pillen (XTC), met goednummer PL0900-2017128415-2122008. Weliswaar stelt de rechtbank vast dat deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, terwijl deze voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane feit zijn aangetroffen. Echter, nu niet kan worden geoordeeld dat deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven, komen deze niet op de voet van artikel 36c of 36d van het Wetboek van Strafrecht voor onttrekking aan het verkeer in aanmerking. De rechtbank verstaat, dat de officier van justitie zo nodig de onttrekking bij afzonderlijke beschikking zal vorderen.

Teruggave aan verdachte van de overige goederen

De rechtbank zal – in overeenstemming met de vordering van de officier van justitie – de teruggave gelasten aan verdachte van de overige onder verdachte in beslag genomen voorwerpen, voor zover deze voorwerpen niet hierboven zijn genoemd. Deze voorwerpen zijn niet vatbaar voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering verzet zich niet tegen teruggave.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 36c, 57, 63 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder feit 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder feit 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 jaren en 6 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Beslag

- gelast de teruggave van de onder verdachte in beslag genomen horloges (merk Rolex);

- verklaart volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:
vuurwapen en munitie met goednummer PL0900-2017128415-2120412;

- gelast de teruggave aan verdachte van de overige onder verdachte in beslag genomen voorwerpen, behoudens de pillen (XTC) met goednummer PL0900-2017128415-2122008.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Veldhuisen, voorzitter, mrs. A.M.M.E. Doekes-Beijnes en P.K. Oosterling-van der Maarel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P. Lootsma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 november 2018.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 08 december 2016 te Almere, althans in liet arrondissement

Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, met liet oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

een groot geldbedrag (van circa 600.000 euro) en/of een (mobiele) telefoon, in

elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] en/of

[slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en / of vergezeld en

/ of gevolgd van geweld en / of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1]

(geboren op [1938] ), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor

te bereiden en / of gemakkelijk te maken en / of om bij betrapping op

heterdaad aan zichzelf en / of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld

misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren, welk geweld en / of welke bedreiging met geweld

hierin bestond(en) dat

- hij en/of zijn mededader(s) vermomd (in DHL/TNT kleding) naar de woning van

die [slachtoffer 1] is/zijn gegaan en/of

- die [slachtoffer 1] de woning in heeft/hebben geduwd/gesleept en/of

- die [slachtoffer 1] op heeft/hebben opgetild en/of (vervolgens) op de grond

heeft/hebben gegooid en/of naar/op de grond geduwd/gewerkt/gebracht en/of

- die [slachtoffer 1] heeft/hebben gekneveld door de polsen (althans armen) en/of

enkels (althans benen) en/of mond van die [slachtoffer 1] (vast) te tapen/binden

en/of

- ( vervolgens) dat geld en/of die telefoon heeft/hebben weggenomen en/of

- die [slachtoffer 1] gekneveld heeft/hebben achtergelaten;

en/of

hij op of omstreeks 08 december 2016 te Almere, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te

bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] (geboren

op [1938] ) heeft gedwongen tot de afgifte van een groot geldbedrag

(van circa 600.000 euro) en/of een (mobiele) telefoon, in elk geval van enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] en/of die [slachtoffer 1]

, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn

mededader(s), welk geweld en / of welke bedreiging met geweld hierin

bestond(en) dat

- hij en/of zijn mededader(s) vermomd (in DHL/TNT kleding) naar de woning van

die [slachtoffer 1] is/zijn gegaan en/of

- die [slachtoffer 1] de woning in heeft/hebben geduwd/gesleept en/of

- die [slachtoffer 1] op heeft/hebben opgetild en/of (vervolgens) op de grond

heeft/hebben gegooid en/of naar/op de grond geduwd/gewerkt/gebracht en/of

- die [slachtoffer 1] heeft/hebben gekneveld door de polsen (althans armen) en/of

enkels (althans benen) en/of mond van die [slachtoffer 1] (vast) te tapen/binden

en/of

- ( vervolgens) dat geld en/of die telefoon heeft/hebben weggenomen en/of

- die [slachtoffer 1] gekneveld heeft/hebben achtergelaten;

2.

hij op of omstreeks 15 januari 2018 te Amsterdam, althans in Nederland, een of meer vuurwapens van categorie III, te weten een pistool (merk/model Star 30 MI, kaliber 9mm), en/of (bijbehorende) munitie van categorie III, te weten 15 scherpe patronen (merk S&B, kaliber 9x19mm), voorhanden heeft gehad.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 11 juni 2018, genummerd MDRAB17008, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 1 tot en met pagina 2127. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van verhoor aangeefster/getuige [slachtoffer 1] , pagina 76.

3 Proces-verbaal van verhoor aangeefster/getuige [slachtoffer 1] , pagina 77.

4 Proces-verbaal van verhoor aangeefster/getuige [slachtoffer 1] , pagina 78.

5 Proces-verbaal van verhoor aangeefster/getuige [slachtoffer 1] , pagina 81.

6 Proces-verbaal van verhoor aangeefster/getuige [slachtoffer 1] , pagina 79

7 Bijlage “ritformulier GGD Flevoland” bij proces-verbaal van bevindingen, pagina 259.

8 Proces-verbaal bewoonster [adres] [woonplaats] , pagina 94.

9 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , pagina 97.

10 Bijlage “uitwerking tweede getuige verhoor VRH-2017-05-340926 12 mei 2017” bij proces-verbaal van bevindingen, pagina 2048 en 2050.

11 Bijlage “uitwerking tweede getuige verhoor VRH-2017-05-340926 12 mei 2017” bij proces-verbaal van bevindingen, pagina 2050.

12 Bijlage “uitwerking tweede getuige verhoor VRH-2017-05-340926 12 mei 2017” bij proces-verbaal van bevindingen, pagina 2051.

13 Bijlage “uitwerking tweede getuige verhoor VRH-2017-05-340926 12 mei 2017” bij proces-verbaal van bevindingen, pagina 2052.

14 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , pagina 125.

15 Bijlage “uitwerking tweede getuige verhoor VRH-2017-05-340926 12 mei 2017” bij proces-verbaal van bevindingen, pagina 2054.

16 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 138.

17 Bijlage “uitwerking tweede getuige verhoor VRH-2017-05-340926 12 mei 2017” bij proces-verbaal van bevindingen, pagina 2048.

18 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 138.

19 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 494.

20 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 495.

21 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 501.

22 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 502.

23 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 503.

24 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 1864.

25 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 1870.

26 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 1871.

27 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 1872.

28 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 270.

29 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 277.

30 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 320.

31 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 321.

32 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 665.

33 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 320

34 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , pagina 237.

35 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , pagina 238.

36 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , pagina 239 en pagina 240.

37 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , pagina 241.

38 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 262 en pagina 263.

39 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 695.

40 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 700.

41 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 701.