Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5713

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-11-2018
Datum publicatie
28-11-2018
Zaaknummer
UTR 18/252
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ambtenarenwet; 18-maandenregeling.

55aa van het Barp

De rechtbank Midden-Nederland heeft vandaag uitspraak gedaan in drie zaken waarin ambtenaren van de politie verzocht hebben om toepassing van de remplaҫantenregeling en/of de 18-maandenregeling. In deze uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder ten onrechte een peildatum voor de beoordeling van de mogelijkheid een herplaatsingskandidaat te plaatsen heeft gehanteerd en dat verweerder in het algemeen had moeten uitgaan van de situatie op het moment van het indienen van de aanvraag. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat verweerder, door slechts een bandbreedte te hanteren van 0,9 tot 1,1 er voor zorgt dat maar sporadisch gebruik kan worden gemaakt van deze regeling. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. Verweerder moet onderzoeken of op het moment van de aanvraag op 14 augustus 2017 de mogelijkheid bestond eisers aanvraag toe te wijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 18/252

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 november 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. drs. P.W. Kuijper),

en

de korpschef van politie, verweerder

(gemachtigden: mr. N. Mathura en mr. L.K. Wireckx).

Procesverloop

Bij besluit van 30 augustus 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verzoek om toepassing van de remplaҫantenregeling en/of de 18-maandenregeling (hierna: de 18-maandenregeling) op grond van artikel 55aa van het Besluit algemene rechtspositieregeling politie (hierna: Barp) afgewezen.

Bij besluit van 7 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de onderhavige zaak en de zaken geregistreerd onder de zaaknummers UTR 18/281 en UTR 18/278, heeft gevoegd plaatsgevonden op 31 juli 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

De rechtbank heeft het onderzoek heropend en het beroep ter verdere behandeling verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank. Partijen hebben desgevraagd toestemming verleend om zonder nadere zitting uitspraak te doen. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiser, geboren op [geboortedatum] 1956, is werkzaam bij verweerder in de functie van [functie van eiser] . Eiser heeft zich op 27 september 2016 aangemeld voor de 18-maandenregeling. Bij brief van 16 december 2016 heeft verweerder te kennen gegeven dat op dat moment geen toepassing werd gegeven aan de 18-maandenregeling. In aanvulling daarop heeft verweerder bij brief van 3 maart 2017 nadere uitleg gegeven waarom geen toepassing werd gegeven aan de 18-maandenregeling. Verweerder heeft bij brief van 12 juli 2017 aangeven dat er op dat moment wel mogelijkheden waren om onderzoek te doen of er gebruik kon worden gemaakt van de 18-maandenregeling en aangegeven dat er bij de functie van eiser sprake is van overbezetting zodat hij, indien hij een aanvraag zou indienen, niet in aanmerking komt voor de 18-maandenregeling. Eiser heeft vervolgens op 14 augustus 2017 een aanvraag ingediend. Bij besluit van 30 augustus 2017 heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat sprake is van overbezetting.

2. Verweerder heeft het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en zich op het standpunt gesteld dat niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat er een formatieplaats vrijkomt door het vertrek van de remplaçant. Daartoe wordt aangevoerd dat sprake is van een overbezetting van 0,26 fte, zodat geen formatieplaats ontstaat in de zin van artikel 55aa van het Barp voor de plaatsing van een herplaatsingskandidaat. In het verweerschrift stelt verweerder dat hij een brandbreedte van 0,9 tot 1,1 fte gebruikt voor de vraag of er voldoende formatieruimte is die bij vertrek van de medewerker de herplaatsing van 1 fte mogelijk maakt. Omdat er ten gevolge van het vertrek van eiser een formatieruimte van 0,8 fte ontstaat, die niet binnen die bandbreedte valt, ontstaat er volgens verweerder geen ruimte voor de plaatsing van een herplaatsingskandidaat.

3. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft besloten dat hij niet in aanmerking komt voor de 18-maandenregeling. Eiser is geplaatst op de functie van [functie van eiser] en er is een formatie ingericht van 8 fte. Op de plek waar eiser werkzaam is zijn 8 medewerkers geplaatst op de functie van [functie van eiser] . Er is dus een ingerichte formatie voor 8 personen en er zijn ook daadwerkelijk 8 medewerkers op de functie van [functie van eiser] geplaatst in het team van eiser. Derhalve komt er door het vertrek van eiser een formatieplek vrij. De enige reden van overbezetting is dat een aantal collega’s meer uren per week werkt dan de 36 uur per week die als 1,0 fte geldt.

Voor zover voor het vrijkomen van een formatieplek enkel gekeken zou moeten worden naar de bezetting in aantallen fte in plaats van de bezetting in aantal medewerkers heeft te gelden dat eiser nog steeds zorgt voor een vrijkomende formatieplek als hij vertrek. Eiser bezet momenteel een plek voor 1,06 fte en er is een overbezetting van 0,26 fte. Na het vertrek van eiser is er derhalve sprake van een onderbezetting van 0,8 fte. Ingevolge artikel 125g van de Ambtenarenwet mag er geen onderscheid gemaakt worden tussen ambtenaren op grond van arbeidsduur. Dit betekent dat ook niet gesteld kan worden dat er geen formatieplek vrij zou komen, omdat er minder dan 1,0 fte ruimte is. Er zijn mogelijk ook herplaatsingskandidaten die minder dan 36 uur per week werken. Er is ruimte om een herplaatsingskandidaat te plaatsen voor 0,8 fte. Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder ten onrechte ex nunc toetst. Voor het beantwoorden van de vraag of eiser in aanmerking komt voor de 18-maandenregeling moet de aanvraagdatum (of een redelijke termijn nadien) gehanteerd worden, aldus eiser.

4. Tussen partijen is niet in geschil dat op eisers verzoek op grond van het overgangsrecht artikel 55aa van het Barp, zoals dat luidde tot 1 juni 2016, van toepassing blijft, nu eiser zijn verzoek voor 1 januari 2018 heeft gedaan. Dit artikel luidde als volgt:

1. De ambtenaar die niet als herplaatsingskandidaat of pre-herplaatsingskandidaat is aangewezen, wordt door het bevoegd gezag op diens verzoek ontheven van werkzaamheden, met behoud van aanspraken tot het einde van zijn loopbaan indien

a. op de vrijkomende formatieplaats een pre-herplaatsingskandidaat kan worden geplaatst of een herplaatsingskandidaat kan worden herplaatst en

b. er op het moment van ontheffen een ontslagbesluit is genomen met een ingangsdatum

maximaal 18 maanden na het moment van ontheffen, dan wel

c. de ambtenaar binnen 18 maanden na het moment van ontheffen, gebruik maakt van de

levensloopregeling in de vorm van einde loopbaanverlof en daarbij is vastgelegd dat het

levensloopverlof wordt voortgezet tot aan het moment van ontslag.

(..)

5. De rechtbank stelt vast dat verweerder, gelet op het primaire besluit, als peildatum voor de beoordeling van de mogelijkheid een herplaatsingskandidaat te plaatsen 1 augustus 2017 heeft gehanteerd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder 1 augustus 2017 niet als peildatum heeft kunnen hanteren. Verweerder heeft niet gemotiveerd op welke grondslag hij een peildatum mocht hanteren en daarnaast evenmin waarom juist voor deze datum is gekozen. De mededeling ter zitting van verweerder dat er in het voorjaar van 2017 een informeel overleg tussen werknemersorganisaties en de nationale politie heeft plaatsgevonden en dat daarbij is besproken dat gelet op het grote aantal belangstellenden voor de 18-maandenregeling, de verschillende data waarop de belangstelling is geuit en het geringe aantal herplaatsingskandidaten, besloten is om een peildatum vast te stellen, is daartoe onvoldoende. Verweerder heeft daarnaast niet uitgelegd waarom uitdrukkelijk is gekozen voor 1 augustus 2017. De rechtbank betrekt bij dit oordeel dat haar ambtshalve is gebleken dat verweerder in de zaken van de heer [achternaam 1] (UTR 18/281) en de heer [achternaam 2] (UTR 18/278) een andere peildatum heeft gehanteerd, namelijk 1 juni 2017. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het algemeen had moeten uitgaan van de situatie op het moment van het indienen van de aanvraag, hetgeen past in de systematiek van het bestuursrecht in zijn algemeenheid. Een belanghebbende heeft immers na het indienen van zijn aanvraag slechts een geringe invloed op de termijn waarop verweerder uiteindelijk beslist op de aanvraag. In eisers geval had verweerder moeten uitgaan van de datum waarop eiser zijn aanvraag heeft ingediend, te weten 14 augustus 2017.

6. De rechtbank overweegt verder dat het doel van de 18-maandenregeling is om feitelijk formatieplaatsen vrij te maken voor het plaatsen van herplaatsingskandidaten. Door een bandbreedte te hanteren van 0,9 tot 1,1 zorgt verweerder er naar het oordeel van de rechtbank voor dat maar sporadisch gebruik kan worden gemaakt van deze regeling. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op de nota van toelichting bij artikel 55aa (oud) van het Barp (gepubliceerd in de Staatscourant 2014, nummer 52,) waarin is aangegeven dat mag worden verwacht dat een verzoek niet te snel wordt afgewezen, de 18-maandenregeling te restrictief toepast. Volgens artikel 1, aanhef en onder k, van het Barp kunnen er ook deelbetrekkingen met een arbeidstijd van gemiddeld minder dan 36 uur per week zijn. De 0,8 fte aan formatieruimte die in het geval van vertrek van eiser beschikbaar is, komt neer op een arbeidsplaats van bijna 29 uur per week. De rechtbank acht het bij een formatieplaats van deze omvang niet op voorhand ondenkbaar dat hiervoor een herplaatsingskandidaat kan worden gevonden.

7. Gelet op al het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep gegrond dient te worden verklaard en het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Verweerder moet onderzoeken of op het moment van de aanvraag op 14 augustus 2017 de mogelijkheid bestond eisers aanvraag toe te wijzen. Verweerder dient daartoe vast te stellen wat de formatie op 14 augustus 2017 was. Verweerder dient vervolgens te beoordelen of er een herplaatsingskandidaat op de plek van eiser kon worden geplaatst.

Verweerder dient inzichtelijk te maken hoeveel herplaatsingskandidaten er op dat moment waren en waarom zij wel of niet op de functie van eiser konden worden geplaatst. Indien het voor verweerder niet (meer) mogelijk is om te onderzoeken dan wel vast te stellen of eiser op het moment van zijn aanvraag aan de voorwaarden voldeed dan komen de eventuele nadelige gevolgen die daaruit zijn voortgevloeid voor rekening en risico van verweerder. Eenvoudiger gezegd, dan zal ervan uitgegaan moeten worden dat hij voldeed aan de voorwaarden en toegelaten had moeten worden tot de regeling. Indien eisers aanvraag had moeten worden toegewezen dient verweerder het verzoek van eiser per een toekomende datum alsnog te honoreren. Eiser kan immers niet met terugwerkende kracht voor de 18-maandenregeling in aanmerking worden gebracht. Als blijkt dat eiser ten onrechte een periode geen gebruik heeft kunnen maken van de 18-maandenregeling, moet verweerder bezien op welke wijze eiser daarvoor gecompenseerd moet worden. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 501,- per punt en een wegingsfactor 1).


Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak
een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, voorzitter, en mr. C.M. Dijksterhuis en mr. E.E.M. van Abbe, leden, in aanwezigheid van L.S. Lodder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 november 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.