Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5689

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-11-2018
Datum publicatie
21-11-2018
Zaaknummer
16/659245-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De 20-jarige verdachte is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld voor vuurwapenbezit, drugshandel, vernieling en overtreden van de wegenverkeerswet.

De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de feiten door een andere afdoening dan een gevangenisstraf, miskend zouden worden. De rechtbank berecht verdachte, anders dan de officier van justitie geëist heeft, niet volgens het jeugdstrafrecht. Hierdoor valt de straf hoger uit dan de eis van de officier van justitie. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank verder rekening gehouden met het strafblad, verdachte is eerder veroordeeld voor verkeersdelicten, en straffen die doorgaans bij dit soort strafbare feiten worden opgelegd. Verdachte wordt veroordeeld tot een celstraf van 5 maanden en een geldboete van duizend euro. Ook krijgt hij een ontzetting van de rijbevoegdheid van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16/659245-18 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 21 november 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1997] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 4 juli 2018 en 7 november 2018. Op laatstgenoemde datum heeft de inhoudelijke behandeling plaatsgevonden.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. C.J. Booij en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. R. Pothast, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1.

op 31 maart 2018 in Hilversum en Amsterdam een pistool en scherpe patronen voorhanden heeft gehad;

2.

op 31 maart 2018 in Hilversum en Amsterdam 7,06 gram cocaïne en 23,27 gram MDMA aanwezig heeft gehad;

3.

op 31 maart 2018 in Amsterdam een scooter heeft vernield, beschadigd of onbruikbaar heeft gemaakt, door met een auto tegen die scooter aan te rijden;

4.

op 31 maart 2018 in de arrondissementen Midden-Nederland en Amsterdam verkeersovertredingen heeft begaan die gevaar op de weg veroorzaakten en het verkeer hinderden.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van het onder 3 en 4 ten laste gelegde heeft de raadsman vrijspraak bepleit, vanwege het gebrek aan bewijs dat verdachte de bestuurder van de auto was.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

Ten aanzien van feit 1

Het feit is door verdachte begaan. Verdachte heeft het onder 1 ten laste gelegde feit bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 7 november 2018;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van

31 maart 2018, genummerd 201808891-13, opgemaakt door politie Midden-Nederland, inhoudende de bevindingen van de verbalisanten2;

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 8 mei 2018, genummerd 2018088891-72, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, inhoudende de bevindingen van de verbalisant.

Ten aanzien van feit 2

Het feit is door verdachte begaan. Verdachte heeft het onder 2 ten laste gelegde feit bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 7 november 2018;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 31 maart 2018, genummerd 201808891-35, opgemaakt door politie

Midden-Nederland, inhoudende de bevindingen van de verbalisant3;

- een geschrift, inhoudende een rapport identificatie van veelvoorkomende drugs van het Nederlands Forensisch Instituut van 12 april 20184.

Ten aanzien van feit 3 en feit 4

Op 31 maart 2018 zagen verbalisanten in Hilversum een personenauto van het merk Ford Fiesta rijden. Het voertuig was voorzien van het kenteken: [kenteken] . Het voertuig reed op de N525 in de richting van de A1.5 De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] gaven de bestuurder een stopteken. Het voertuig reed de oprit op van de A1 richting Amsterdam.6 De rijkssnelweg A1 betreft een snelweg waarbij een maximale snelheid van 100 kilometer per uur is toegestaan.7 De verbalisanten gingen voor het voertuig rijden en gaven een volgteken. De snelheid van het voertuig minderde naar ongeveer 60 kilometer per uur. Het voertuig voerde vervolgens zijn snelheid op en reed met oplopende snelheid de politieambtenaren links voorbij.8 Het voertuig reed met een snelheid van ongeveer 190 à 195 kilometer per uur. Ter hoogte van knooppunt Watergraafsmeer werd de rijbaan opgedeeld in twee toegangswegen. Dit betreft de A10. Het voertuig reed op de rijkstrook in de richting van Watergraafsmeer en wisselde op het laatste moment van strook en reed in de richting van de Zeeburgertunnel.9 Het voertuig nam de afslag S115 / Durgerdam en vervolgde zijn weg over de S115 (Zuiderzeeweg) waarbij de bebouwde kom van Amsterdam werd binnengereden. Het voertuig reed ongeveer 100 kilometer per uur in de richting van de IJdoornlaan. Op de S115 reed een voertuig met lage snelheid. Het voertuig reed het voertuig (de rechtbank begrijpt: het langzaam rijdende voertuig) links voorbij, haalde het voertuig in en voegde direct weer in op de rijbaan, waardoor het voertuig dat werd ingehaald werd afgesneden. Het voertuig vervolgde zijn weg over de IJdoornlaan. Het voertuig naderde de rotonde IJdoornlaan / Volendammerweg en reed deze weg op. De verbalisanten hebben het voertuig met het dienstvoertuig geramd. Ter hoogte van de Spanderswoudstraat hebben de verbalisanten het voertuig nogmaals geramd. Het voertuig gleed door in de richting van de Spanderswoudstraat, alwaar een andere politie-eenheid het voertuig tegemoet reed en ramde. De Spanderswoudstraat betrof een weg met meerdere appartementencomplexen. Het voertuig reed met een snelheid van ongeveer 70 kilometer per uur over het trottoir. Het voertuig raakte een op het trottoir geparkeerde scooter, die door de lucht vloog en ten val kwam.10 Aan het einde van de straat bij het trottoir Spanderswoudstraat werd het voertuig nogmaals geramd. Daarbij belandde het voertuig met de rechtervoorzijde in een struik.11 Verbalisant [verbalisant 3] zag dat de bestuurder zijn portier opende en wegrende.12 Verbalisant [verbalisant 2] zag dat het portier aan de bestuurderszijde openstond. Hij zag dat een persoon, te weten de bestuurder, van het voertuig vandaan rende. Dit betrof een in het donker gekleed persoon met zwart haar en tenger postuur. [verbalisant 2] zag dat de verdachte op ongeveer 30 meter voor hem rende. Hij zag dat de verdachte dezelfde man was als hij eerder bij het voertuig zag wegrennen. De bijrijder zat nog in het voertuig.13 Verbalisant [verbalisant 2] heeft de achtervolging te voet ingezet. Hij trof de verdachte tussen de bosschages aan.14

Verbalisant [verbalisant 2] acht het niet mogelijk dat verdachte passagier was van de Ford Fiesta. Voorafgaand aan de achtervolging heeft [verbalisant 2] twee mannen in het voertuig zien zitten. Deze zaten op de bestuurdersstoel en de bijrijdersstoel. Nadat het voertuig gecrasht was, stond het voertuig in de bosschages. Hierdoor waren beide deuren aan de rechterzijde van het voertuig geblokkeerd. De bijrijder, medeverdachte [medeverdachte] , kon hierdoor niet tijdig uit het voertuig komen. Een persoon rende weg van Ford Fiesta. Dit bleek later verdachte te zijn.15

Medeverdachte [medeverdachte] heeft op 3 april 2018 bij de rechter-commissaris onder meer het volgende verklaard. “Ik heb zelf niet gereden. U vraagt mij wie er heeft gereden. Er zat nog één persoon in de auto bij mij.”16

[benadeelde] heeft aangifte gedaan van vernieling van zijn scooter gepleegd op 31 maart 2018 in Amsterdam.17 De scooter heeft schade aan de voorvork, voorschermen en zichtbare schade aan het rempedaal en zijschermen.18

Bewijsoverweging

Verdachte heeft het onder 3 en 4 tenlastegelegde ontkend en heeft daartoe aangevoerd dat niet hij, maar medeverdachte [medeverdachte] , de bestuurder van de auto was. De rechtbank acht dit scenario niet aannemelijk en overweegt daartoe het volgende. Verdachte is aangehouden nadat hij bij het voertuig vandaan was gerend. Zowel verbalisant [verbalisant 2] als verbalisant [verbalisant 3] hebben gezien dat de bestuurder bij het voertuig vandaan rende. [verbalisant 2] heeft gerelateerd dat verdachte dezelfde man was als hij eerder bij het voertuig zag wegrennen. Daarbij komt dat verbalisant [verbalisant 2] heeft gerelateerd dat de deuren van de rechterzijde van het voertuig geblokkeerd waren, doordat de auto met de rechterzijde in de bosschages tot stilstand is gekomen. Dit maakt het onaannemelijk dat verdachte de auto via de passagierszijde heeft verlaten. Bovendien stond het portier aan de bestuurderszijde open. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de lezing van verdachte dan ook niet volgen. Naar het oordeel van de rechtbank is verdachte de bestuurder van de Ford geweest en is hij, gelet op de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, aldus degene die de feiten 3 en 4 gepleegd heeft.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op 31 maart 2018 te Hilversum en Amsterdam een vuurwapen van categorie III, te weten een pistool (Crvena Zastava 99), en munitie categorie III, te weten scherpe patronen (S&B) voorhanden heeft gehad;

2.

op 31 maart 2018 te Hilversum en Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 7,06 gram van een materiaal bevattende cocaïne en 23,27 gram van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en MDMA telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

op 31 maart 2018 in de arrondissementen Midden-Nederland en Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een scooter toebehorende aan [benadeelde] , heeft beschadigd, door toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk met een auto tegen die scooter aan te rijden;

4.

op 31 maart 2018, in de arrondissementen Midden-Nederland en Amsterdam, als bestuurder van een personenauto, te weten een Ford Fiesta, daarmee rijdende op de wegen N525 en A1 (komende uit de richting Laren en gaande in de richting van Amsterdam) en A10 (komende uit de richting knooppunt Watergraafsmeer en gaande in de richting Zeeburgertunnel en Amsterdam Noord) en de S115 (Zuiderzeeweg) en de IJdoornlaan en de Volendammerweg en Spanderswoudstraat,

- een stopteken heeft genegeerd van politieambtenaren, [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en

- nadat hij eerst zijn snelheid had verminderd tot ca. 60 km/u zijn snelheid heeft vermeerderd toen hij de politieambtenaren was genaderd en

- zijn personenauto met verhoogde snelheid naar links heeft gestuurd om genoemde politieambtenaren heen en

- met zeer grote snelheid, ca. 190 km/u, althans hogere snelheid dan de wettelijk toegestane snelheid van 100 km/u, zijn weg heeft vervolgd over de A1 en

- vervolgens de afrit S115 / Durgerdam heeft genomen en zijn weg heeft vervolgd over de S115 (Zuiderzeeweg) waarna hij met zijn auto met zeer hoge snelheid, ca. 100 km/u, althans een hogere snelheid dan de wettelijk toegestane snelheid van 50 km/u, de bebouwde kom is ingereden van Amsterdam en

- binnen de bebouwde kom van Amsterdam zijn auto naar links heeft gestuurd om een op de Zuiderzeeweg rijdend voertuig in te halen en vervolgens voorbij dit voertuig direct weer naar rechts heeft ingevoegd, waardoor hij met zijn personenauto dit aldaar rijdende voertuig heeft afgesneden en

- met zijn voertuig met oplopende snelheid tot ca. 70 km/u zijn weg heeft vervolgd over de Spanderswoudstraat te Amsterdam en over het aldaar gelegen trottoir heeft gereden

- waarbij een botsing heeft plaatsgevonden tussen de door hem, verdachte, bestuurde personenauto en een aldaar geparkeerde scooter,

door welke gedragingen gevaar op die weg werd veroorzaakt, en het verkeer op die weg werd gehinderd.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1, 2, 3 en 4 anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

1.

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

2.

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

3.

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen;

4.

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

Ten aanzien van feit 1, 2 en 3

120 dagen jeugddetentie, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van

2 jaren;

- een taakstraf voor de duur van 100 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 50 dagen hechtenis;

Ten aanzien van feit 4

  • -

    een geldboete van € 1.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis;

  • -

    een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het volgende aangevoerd. Verdachte moet worden aangemerkt als first offender. Er dient rekening te worden gehouden met het voorarrest. Verdachte heeft zich aan de voorwaarden gehouden. De reclassering heeft geadviseerd om het jeugdstrafrecht toe te passen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De ernst van de feiten

Verdachte heeft zich, tijdens een achtervolging door de politie, schuldig gemaakt aan zeer gevaarlijk rijgedrag. Verdachte deed dit kennelijk om te ontkomen aan een controle. Tijdens de achtervolging, van Hilversum tot Amsterdam, heeft verdachte diverse malen volg- en stoptekens genegeerd en heeft hij met zeer hoge snelheden gereden, waarbij de maximumsnelheid zowel binnen als buiten de bebouwde kom meerdere malen fors werd overschreden en waarbij ook met hoge snelheid over een trottoir is gereden. Aan de achtervolging is uiteindelijk een einde gekomen doordat de politie het voertuig van verdachte tot stilstand heeft gebracht door het meerdere keren te rammen. Verdachte heeft met zijn rijgedrag geen enkel respect getoond voor het leven en welzijn van zijn medeweggebruikers en de politiemensen en heeft de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht. Het met hoge snelheid rijden op een trottoir voor een appartementencomplex, waar op elk moment bewoners in en uit kunnen lopen, is ook uiterst gevaarlijk. Voorts heeft verdachte tijdens deze wilde achtervolging een scooter aangereden, als gevolg waarvan de scooter beschadigd is geraakt.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van MDMA en cocaïne. Harddrugs leveren een gevaar op voor de gezondheid van gebruikers. Bovendien gaat de handel en het gebruik van dergelijke verdovende middelen vaak gepaard met verschillende vormen van criminaliteit. Verdachte heeft zich ten slotte schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben – en onbeheerd in de openbare ruimte achterlaten - van een vuurwapen met scherpe patronen. Vuurwapens en munitie vormen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen. Het ongecontroleerde bezit en het gebruik van dergelijke voorwerpen brengen gevoelens van onveiligheid in de samenleving met zich mee en zijn naar hun aard gevaarlijk voor een ieder die met het gebruik daarvan zou kunnen worden geconfronteerd.

De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan. Daarbij komt dat verdachte op geen enkele wijze verantwoordelijkheid heeft genomen voor de feiten die hij heeft begaan en zich geen moment rekenschap gegeven heeft van de gevolgen die zijn handelen hebben gehad. Verdachte wijst grotendeels naar zijn medeverdachte. Dit weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee.

De persoon van verdachte

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

  • -

    een verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie van 21 september 2018, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor verkeersdelicten;

  • -

    een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 2 juli 2018, uitgebracht door M. Teisman, reclasseringswerker;

Voornoemd reclasseringsrapport houdt onder meer het volgende in. Verdachte is een ontkennende verdachte. Derhalve kan de reclassering bij een bewezenverklaring niet goed inschatten wat er aan het delict ten grondslag heeft gelegen. Het recidiverisico kan gezien de ontkennende houding en het ontbreken van eerdere veroordelingen niet ingeschat worden.

Toepassing geven aan het jeugdstrafrecht?

Verdachte was ten tijde van het ten laste gelegde meerderjarig. Dit betekent dat verdachte in beginsel volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht. De wet geeft de mogelijkheid om ten aanzien van jongvolwassenen die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit wel de leeftijd van achttien jaar, maar nog niet de leeftijd van drieëntwintig hebben bereikt toepassing te geven aan het jeugdstrafrecht indien de rechtbank daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan. Een en ander dient tegen elkaar te worden afgewogen.

De rechtbank ziet de ernst van de feiten en met name de zeer gevaarlijke en brutale manier waarop verdachte op de vlucht is geslagen voor de politie als zwaarwegende contra-indicaties voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Dat zelfde geldt voor de omstandigheid dat verdachte een vuurwapen met munitie en een zak met harddrugs aanwezig had, in combinatie met de aanwezigheid van een mobiele telefoon met daarop vele drugsgerelateerde contacten en een grote hoeveelheid contant geld. Al deze omstandigheden wijzen naar het oordeel van de rechtbank sterk in de richting van een criminele levensstijl van verdachte. Ook betrekt de rechtbank bij haar afweging de omstandigheid dat verdachte zijn voorlopige hechtenis doorbracht in volwassenendetentie, te weten de Penitentiaire Inrichting Nieuwegein en dat verdachte heeft gesproken met de volwassenreclassering, te weten Reclassering Nederland. Uit het reclasseringsadvies blijkt voorts dat verdachte niet openstaat voor een eventuele behandeling en dat hij geen inmenging wenst van zijn ouders, die ook overigens niet bij het onderhavige strafproces betrokken zijn. Ten slotte ziet de rechtbank in de proceshouding van verdachte, namelijk dat hij op geen enkele wijze verantwoordelijkheid heeft willen nemen voor de thans bewezenverklaarde feiten, een laatste contra-indicatie voor succesvolle interventies binnen het jeugdstrafrecht.

De rechtbank zal dus geen toepassing geven aan het jeugdstrafrecht.

De straf

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafoplegging acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en op straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de feiten door een andere afdoening dan een gevangenisstraf, miskend zouden worden. De rechtbank komt, nu zij op basis van de hiervoor overwogen omstandigheden anders dan de officier van justitie geen toepassing geeft aan het jeugdstrafrecht, en voorts gelet op de ernst van de feiten en de persoon van verdachte, tot een hogere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan de officier van justitie heeft geëist.

Alles in overweging nemende acht de rechtbank ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde een gevangenisstraf voor de duur van vijf (5) maanden en ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde een geldboete van € 1.000,- en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaren, passend en geboden.

9 BENADEELDE PARTIJ

[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van

€ 800,-, ter zake van materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 3 ten laste gelegde feit.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de bepleite vrijspraak ten aanzien van feit 3. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren, nu niet duidelijk is of de verzekering de schade heeft vergoed. Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht de vordering te matigen.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 3 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank gaat ervan uit dat de benadeelde partij de vordering naar waarheid heeft ingevuld en dat de schade dus niet reeds is vergoed door de verzekering. Daarbij komt dat de benadeelde partij niet verplicht is schadevergoeding te claimen bij haar verzekering.

De rechtbank acht het gevorderde bedrag redelijk en waardeert de schade daarom op

€ 800,-. De rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente van 31 maart 2018 tot de dag van volledige betaling.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 800,- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 31 maart 2018. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 16 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen:

  • -

    14a, 14b, 14c, 23c, 24c, 36f, 57, 62 van het Wetboek van Strafrecht en

  • -

    26 en 55 van de Wet wapens en munitie en

  • -

    2 en 10 van de Opiumwet en

  • -

    5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte voor het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf van 5 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- veroordeelt verdachte voor van het onder 4 bewezen verklaarde tot een geldboete van

€ 1.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 20 dagen;

- ontzegt verdachte ter zake van het onder 4 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 24 maanden;

- bepaalt dat van de ontzegging een gedeelte van 12 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Benadeelde partij

- wijst de vordering van [benadeelde] toe tot een bedrag van € 800,-;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente van 31 maart 2018 tot de dag van volledige betaling;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde] aan de Staat € 800,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente van 31 maart 2018 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 16 dagen hechtenis;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.S. Ludwig, voorzitter, mrs. H.J. Bos en E. Slager, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van Klompenburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 november 2018.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 31 maart 2018 te Hilversum en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland een vuurwapen van categorie III, te weten een pistool,(Crvena Zastava 99), en/of munitie categorie III, te weten scherpe patronen (S&B) voorhanden heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 31 maart 2018 te Hilversum en/of Amsterdam, in elk geval

in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 7,06 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 23,27 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op of omstreeks 31 maart 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland opzettelijk en wederrechtelijk een scooter, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en / of beschadigd en / of onbruikbaar gemaakt, door toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk (met een auto) tegen die scooter aan te rijden;

4.

hij, op of omstreeks 31 maart 2018, in de/het arrondissement(en) Midden-Nederland en/of Amsterdam, althans in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto, te weten een Ford Fiesta), daarmee rijdende op de weg(en) N525 en/of A1 (komende uit de

richting Laren en gaande in de richting van Amsterdam) en/of A10 (komende uit de richting knooppunt Watergraafsmeer en gaande in de richting Zeeburgertunnel en Amsterdam Noord) en/of de S115 (Zuiderzeeweg) en/of de IJdoornlaan en/of de Volendammerweg en/of Spanderswoudstraat,

- een stopteken heeft genegeerd van (een) politieambtena(a)r(en), [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en/of

- ( nadat eerst zijn snelheid had verminderd tot ca 60 km/u) zijn snelheid heeft vermeerderd/gas heeft gegeven toen hij de politieambtena(a)r(en) was genaderd en/of

- zijn personenauto (met verhoogde snelheid) naar links heeft gestuurd om genoemde politieambtena(a)r(en) heen en/of

- met (zeer) grote snelheid, ca 190 km/u, althans hogere snelheid dan de wettelijk toegestane snelheid van 100 km/u, en/of met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse zijn weg heeft vervolgd over de A-1 en/of

- ( vervolgens) de afrit S115 richting Durgerdam heeft genomen en zijn weg heeft vervolgd over de S115 (Zuiderzeeweg) waarna hij met zijn auto met (zeer) hoge snelheid, ca 100 km/u, althans een hogere snelheid dan de wettelijk toegestane snelheid van 50 km/u, de bebouwde kom is ingereden van Amsterdam en/of

- binnen de bebouwde kom van Amsterdam zijn auto naar links heeft gestuurd om een op de Zuiderzeeweg rijdend voertuig in te halen en/of (vervolgens) voorbij dit voertuig direct weer naar rechts heeft ingevoegd, waardoor hij met zijn personenauto dit aldaar rijdende voertuig heeft afgesneden en/of

- met zijn voertuig met oplopende snelheid tot ca 70 km/u zijn weg heeft vervolgd over de Spanderswoudstraat te Amsterdam en over het aldaar gelegen trottoir heeft gereden en/of

- niet in staat is geweest om zijn personen auto tijdig tot stilstand te brengen binnen een afstand waarover hij voornoemde weg kon overzien en/of waarover deze vrij was, waarbij en/of waardoor een botsing en/of aanrijding heeft plaatsgevonden tussen de door hem, verdachte, bestuurde personenauto en een aldaar geparkeerde scooter,

door welke gedraging(en) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 1 april 2018, genummerd 2018088891, opgemaakt door politie-eenheid Midden-Nederland, district Gooi en Vechtstreek, doorgenummerd 1 tot en met 240. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Pagina 8.

3 Pagina 43.

4 Pagina 235.

5 Pagina 8.

6 Pagina 9.

7 Pagina 8.

8 Pagina 9.

9 Pagina 10.

10 Pagina 11.

11 Pagina 12.

12 Pagina 28.

13 Pagina 12.

14 Pagina 13.

15 Pagina 240.

16 De verklaring van medeverdachte [medeverdachte] bij de rechter-commissaris op 3 april 2018.

17 Pagina 233.

18 Pagina 234.