Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5688

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-11-2018
Datum publicatie
21-11-2018
Zaaknummer
16/659246-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank kan onvoldoende worden vastgesteld dat verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van drugs in de auto. Verdachte heeft het ten laste gelegde ontkend en niet kan worden uitgesloten dat medeverdachte de drugs bij zich droeg, zonder dat verdachte hiervan wist. De rechtbank acht het ten laste gelegde daarom niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16/659246-18 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 21 november 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1992] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 4 juli 2018 en 7 november 2018. Op laatstgenoemde datum heeft de inhoudelijke behandeling plaatsgevonden.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. C.J. Booij en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw mr. Y. Karga, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

in de periode van 1 maart 2018 tot en met 31 maart 2018 in Hilversum en Amsterdam samen met een of meer anderen opzettelijk 6,28 gram cocaïne en 23,27 gram MDMA heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd dan wel aanwezig heeft gehad.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 VORMVERZUIM

De rechtbank heeft verdachte ter terechtzitting van 7 november 2018, meteen na hem de cautie te hebben gegeven en voorafgaand aan zijn verhoor als verdachte, beëdigd als getuige in de gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandelde zaak van zijn medeverdachte ( [medeverdachte] , parketnummer 16/659245-18). De officier van justitie en de raadsvrouw hebben zich hiertegen niet verzet. Aan verdachte is daarbij medegedeeld dat de rechtbank ten behoeve van een efficiënte behandeling van de feiten in beginsel zijn verklaring over de aan hem ten laste gelegde feiten zal beschouwen als zowel zijn verklaring als verdachte in zijn eigen strafzaak, als ook zijn verklaring als getuige in de strafzaak van de medeverdachte. Voorts is verdachte medegedeeld dat hij zich als verdachte dus kan beroepen op zijn zwijgrecht en dat hij zich als getuige kan beroepen op zijn verschoningsrecht.

Na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank gebleken dat de hiervoor weergegeven werkwijze blijkens jurisprudentie van de Hoge Raad niet in overeenstemming is met een behoorlijke procesorde. Dit is in het bijzonder het geval omdat door deze werkwijze de aan artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering ten grondslag liggende verklaringsvrijheid van verdachte op ontoelaatbare wijze onder druk kan komen te staan.

Naar het oordeel van de rechtbank hoeft deze, op zich onjuiste, werkwijze in de onderhavige zaak echter niet tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting te leiden. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Verdachte werd bijgestaan door een raadsvrouw, die zich tegen de gang van zaken niet heeft verzet. Voorts is de procedure aan verdachte duidelijk uitgelegd en heeft verdachte te kennen gegeven dat hij de procedure begreep. Dat dit ook daadwerkelijk het geval was, leidt de rechtbank af uit de omstandigheid dat verdachte op vragen die hem door de raadsman van de medeverdachte alsmede door de rechtbank expliciet als getuige werden gesteld, een ander antwoord gaf dan op eenzelfde soort vragen die hem door de rechtbank als verdachte werden gesteld. Daarbij komt dat de feiten waarover verdachte als getuige werd bevraagd niet aan hem ten laste waren gelegd. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte door de werkwijze niet in zijn verdediging is geschaad. De rechtbank verbindt derhalve geen rechtsgevolg aan de onjuiste werkwijze ter terechtzitting.

5 VRIJSPRAAK

5.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank kan onvoldoende worden vastgesteld dat verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van drugs in de auto. Verdachte heeft het ten laste gelegde ontkend en niet kan worden uitgesloten dat medeverdachte [medeverdachte] de drugs bij zich droeg, zonder dat verdachte hiervan wist. De rechtbank acht het ten laste gelegde daarom niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken.

6 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.S. Ludwig, voorzitter, mrs. H.J. Bos en E. Slager, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van Klompenburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 november 2018.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op één of meer tijdstip(pen) in de periode gelegen tussen 1 maart 2018 tot en met 31 maart 2018 te Hilversum en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans éénmaal (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 6,28 gram gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 23,27 gram gram, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.