Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5656

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-11-2018
Datum publicatie
20-11-2018
Zaaknummer
16-659498-18
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal met geweld, een woninginbraak en een poging woninginbraak waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Tijdens dit laatste feit heeft de verdachte de bewoner omver geduwd, of gelopen, om te vluchten. De bewoner heeft hierbij zwaar lichamelijk letsel opgelopen. De echtgenote van de bewoner, die zelf ook aan de kant is geduwd, heeft haar man buiten bewustzijn aangetroffen en zij heeft minutenlang met de vrees geleefd dat haar man het niet zou overleven.

Alle drie de feiten, maar met name de poging woninginbraak, zijn ernstige feiten waarbij de verdachte zich enkel heeft laten leiden door het oogmerk van eigen financieel gewin en in het geheel geen rekening heeft gehouden met de (psychische en fysieke) schade die hij de slachtoffers zou kunnen aandoen en heeft aangedaan. De ervaring leert dat dergelijke feiten een zeer grote indruk maken op slachtoffers en dat zij daarvan nog lange tijd de lichamelijke en psychische gevolgen kunnen ondervinden.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het strafblad van de man en een psychologisch rapport. Uit dat rapport blijkt dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een aandachtstekortstoornis.

De rechtbank volgt de psycholoog in zijn overwegingen en de conclusie dat er geen reden is voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een forse gevangenisstraf op zijn plaats is, aangezien verdachte zich niet alleen heeft schuldig gemaakt aan een poging woninginbraak in vereniging en een diefstal met geweld, maar ook aan een zeer ernstige poging woninginbraak met geweld, waaraan aangever zwaar lichamelijk letsel heeft overgehouden. Nu de rechtbank van oordeel is dat verdachte wel begeleiding en behandeling nodig heeft, zal een gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk worden opgelegd. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, passend en geboden. Daarbij zullen de bijzondere voorwaarden worden opgelegd zoals deze door de deskundigen zijn geadviseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-1002
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16-659498-18

Vonnis van de meervoudige kamer van 20 november 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats]

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] te ( [postcode] ) [woonplaats]

thans verblijvende in de [verblijfplaats]

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 6 november 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. C. Booij en van hetgeen verdachte en mr. C.H. Dijkstra, advocaat te Amersfoort, alsmede de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1 primair: op 10 juli 2018 te Baarn, samen met anderen, althans alleen, heeft ingebroken in een woning en een kluis met inhoud heeft weggenomen;

Feit 1 subsidiair: een poging daartoe heeft gedaan;

Feit 2: op 23 april 2018 te Baarn bij de [naam winkel] met (bedreiging met) geweld een pak ijs heeft gestolen;

Feit 3 primair: op 24 december 2017 te Soest met (bedreiging met) geweld heeft geprobeerd in te breken in een woning, ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen;

Feit 3 subsidiair: op 24 december 2017 te Soest [slachtoffer 1] heeft mishandeld, waarbij die [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair, 2 en 3 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen en heeft zich daarbij gebaseerd op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair ten laste gelegde feit en heeft daartoe aangevoerd dat er geen sprake is van een voltooide woninginbraak, maar dat het bij een poging is gebleven, zodat slechts het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit kan worden bewezen. Mocht de rechtbank hier anders over oordelen, dan betreft het een lege kluis en dient “met inhoud” te worden weggestreept. De raadsvrouw heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het onder 2 en het onder 3 primair ten laste gelegde eveneens bewezen kan worden, met de opmerking dat er ten aanzien van feit 3 geen sprake was van boos opzet maar slechts van voorwaardelijk opzet bij verdachte.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1 primair

Bewijsmiddelen 1

Aangever [getuige 1] heeft namens [slachtoffer 3] aangifte gedaan van een woninginbraak aan de [adres] in [woonplaats] op 10 juli 2018.2

Getuige [getuige 1] heeft bij de politie verklaard dat hij op 10 juli 2018 omstreeks 03.30 uur wakker werd van geluid komend uit de richting van het huis van de achterbuurman aan de [adres] te [woonplaats] . Getuige en zijn vrouw hoorden een geluid dat klonk alsof er met een voorwerp op een metalen plaat werd geslagen. Vervolgens zagen getuige en zijn vrouw een schim van een persoon voor het raam van de werkkamer van bovengenoemde woning. Toen het geluid van het slaan op metaal voorbij was, hoorden zij een geluid wat leek op het verschuiven van iets zwaars. Kort hierop hoorden zij dat er iemand op een dakje sprong. Getuige keek uit het raam en zag door de bosschages een schim weglopen uit de voortuin van bovengenoemde woning in de richting van de rijbaan van de [straatnaam] . Hierna zagen zij koplampen van een auto welke de straat in reed, dit bleek later de politie te zijn.3

Getuige [getuige 2] heeft bij de politie verklaard dat zij, nadat zij het geluid hoorde van iemand die sprong, een persoon in de voortuin van de buren zag lopen. Deze persoon liep tussen de opening van de planten en bomen door naar de weg. Deze persoon liep snel door.4

Verbalisanten gaan, na de melding, naar de woning aan de [adres] te [woonplaats] . Daar rond 03.40 uur aangekomen treffen zij een persoon, half liggende tegen de gevel van de woning, in de tuin, aan. Het betrof verdachte [verdachte] .5 Verbalisant [verbalisant 2] zag dat de jongen bezweet was. Ook rook hij dat er een zweetgeur van de jongen afkwam. Hij was lichtelijk aan het hijgen.6 Verbalisant [verbalianst 1] heeft een onderzoek in de woning gedaan en zag dat achter een schuin afdakje, belegd met dakpannen, een openslaand raam was opengebroken op de eerste verdieping van de woning. Hij zag dat er braaksporen tussen de sponningen van dit raam zaten. Hierop is de verbalisant door het genoemde raam de woning ingegaan en hij zag op het genoemde afdakje in de dakgoot een zilveren kluis liggen, van ongeveer 60 bij 60 cm groot. Aan deze kluis zag hij braaksporen zitten. Hij had het vermoeden dat deze kluis uit het genoemde opengebroken raam was gesleept en zo in de dakgoot was gelegd.7 Hij zag tevens aan de genoemde kluis losse schroeven zitten die aan de uiteinden wit waren. Verbalisant zag in een kleine studeerkamer voorzien van twee inpandige kasten, in een van de inpandige kasten aan de onderzijde wit gruis op de vloer liggen. Tevens zag hij een groot gat in de muur zitten op de vloer in deze inpandige kast. Kennelijk was hier de kluis weggebroken.8 [A] , dochter van de bewoners, bevestigt dit.9

Verbalisant [verbalisant 3] doet onderzoek in de woning in verband met mogelijke sporen en zij zag, naast indruksporen van drie breekvoorwerpen, een handschoenspoor met een noppenmotief op de middelste raamstijl aan de binnenzijde. Verder zag zij in de werkkamer een grote sleutel die door de daders mogelijk was gebruikt om de kluis uit de muur te breken. Verbalisant heeft DNA-epitheel met een wattenstaafje veiliggesteld vanaf deze sleutel10 en dit spoor heeft SIN-nummer AALU2149NL gekregen.11

Er is DNA van verdachte aangetroffen op de door verdachte achtergelaten grote steeksleutel met SIN-nummer AALU2149NL.12

Er is gebruik gemaakt van in ieder geval drie verschillende breekwerktuigen. Verdachte was niet in het bezit van enig breekvoorwerp toen hij werd aangehouden. In de directe omgeving is uitvoerig gezocht naar de ontbrekende breekvoorwerpen echter deze zijn niet aangetroffen.13

Verbalisant [verbalisant 4] heeft verklaard dat verdachte direct na zijn aanhouding in de dienstauto werd geplaatst en vervolgens hoorde een collega dat er een telefoon af ging in de dienstauto. Deze collega herkende de beltoon niet. Later op het politiebureau bleek dat verdachte twee telefoons in zijn bezit had.14

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij niet wil zeggen waarom hij die desbetreffende nacht in die tuin was en verder heeft verdachte verklaard dat hij geen handschoenen aan had die nacht. Hij is niet uit de voortuin van de woning gelopen richting de straat.15

Bewijsoverweging

De rechtbank acht gelet op bovenstaande bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een van de daders is geweest die in de nacht van 10 juli 2018 in de woning aan de [adres] in [woonplaats] een woninginbraak heeft gepleegd. De rechtbank is van oordeel dat deze woninginbraak in vereniging is gepleegd, gelet op de omvang en zwaarte van de kluis, de getuigen die een persoon zien weglopen net voordat de politie arriveert, de aangetroffen afdrukken van handschoenen waarvan verdachte zegt dat die niet door hem zijn gebruikt, het feit dat verdachte in die nacht werd gebeld en het feit dat er verschillende breekvoorwerpen zijn gebruikt, die niet bij verdachte of rondom de woning aan de [adres] zijn aangetroffen. Dat er slechts sprake zou zijn van een poging, zoals door de raadsvrouw is bepleit, volgt de rechtbank niet. Voor een veroordeling ter zake van (voltooide) diefstal van een aan een ander toebehorend goed is onder meer vereist dat de dader zich een zodanige feitelijke heerschappij over dat goed heeft verschaft dan wel dit zodanig aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende heeft onttrokken dat de wegneming van het goed als voltooid kan gelden. Dat daarvan sprake is volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de omstandigheden dat de verankerde kluis is losgebroken uit de muur en vervolgens via het raam in de dakgoot is terechtgekomen. De kluis was op dat moment buiten de woning. Daarmee hadden verdachte en zijn mededader de feitelijke heerschappij over de kluis en was deze aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende, die op vakantie was, onttrokken.

Feit 2

Verdachte heeft het onder 2 ten laste gelegde feit bekend. De verdediging heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen en volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 6 november 2018;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van aangifte van [slachtoffer 4] , mede namens de [naam winkel] , van 23 april 2018, PL0900-2018113777-1, doorgenummerde pagina’s 5 en 6.

Feit 3 primair

Bewijsmiddelen 16

Aangever [slachtoffer 1] heeft, mede namens [slachtoffer 2] bij de politie verklaard dat hij samen met zijn vrouw woont op de [adres] in [woonplaats] . Op zondag 24 december 2017 midden in de nacht werd aangever wakker van gestommel, alsof er iemand op zolder liep. Aangever is vervolgens uit bed gestapt om te gaan kijken. Hij is vervolgens vanaf zijn slaapkamer, via de overloop naar de grote slaapkamer aan de achterzijde van de woning gelopen. Aangever is de grote slaapkamer binnen gegaan en heeft de deur gesloten om de deur naar de zolder te kunnen openen. Vervolgens is aangever de trap op gelopen. Toen zag hij iets naar beneden komen. Het was iets grijs/blauws. Het was een persoon. Het volgende wat aangever zich herinnert is dat hij op het bed lag in de slaapkamer aan de achterzijde van de woning en dat er allemaal hulpverleners om hem heen stonden.17 Van zijn vrouw heeft aangever begrepen dat er tot op heden geen spullen uit de woning worden gemist.18

Aangeefster [slachtoffer 2] heeft bij de politie verklaard dat zij wakker werd van gestommel en geschreeuw. Toen zij merkte dat haar man niet in bed lag, is zij opgestaan en is zij hun slaapkamer uitgelopen en naar de slaapkamer aan de achterzijde van de woning gelopen. Zij zag dat de deur van de slaapkamer dicht was en deze heeft zij geopend. Aangeefster zag dat haar man op de grond schuin achter de deur lag. Hij lag met zijn hoofd tegen de muur/plint aan de rechterzijde van de entree. Tegelijkertijd kwam er iemand achter de deur vandaan, die kennelijk via de trap naar zolder, naar beneden was gelopen. Aangeefster werd door deze persoon opzij geduwd en zij zag dat deze persoon langs haar heen liep en via de trap naar beneden ging naar de begane grond. Toen ze daarna bij haar man kwam, zag ze dat hij niet aanspreekbaar was en zij zag dat hij bloedde op zijn achterhoofd. Aangeefster heeft 112 gebeld.19

Uit de geneeskundige verklaring blijkt dat er bij aangever sprake was van een hersenbloeding, aangezichtsletsel, verwondingen op de rug, twee gebroken ribben en een gebroken pink.20

Verbalisant zag aan de voorzijde van de woning in de sluitnaad van de voordeur indruksporen van een werktuig. Zij zag dat deze indruksporen afkomstig waren van een breekijzer. Door het wrikken waren de sloten ontzet en/of afgebroken, waardoor de voordeur kon worden open geduwd en de woning kon worden betreden.21

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij die bewuste nacht heeft geprobeerd in te breken in bovengenoemde woning door de voordeur te forceren en vervolgens naar de zolder te gaan. Verdachte heeft verder verklaard dat hij op de zolder was toen hij aangever zag. Verdachte heeft ter zitting ook verklaard dat hij toen van de trap naar beneden is gerend en aangever daarbij licht heeft geraakt met zijn schouder.22

Bewijsoverweging

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Ter zitting heeft verdachte gezegd dat hij aangever, toen hij de trap van de zolder af kwam, alleen licht heeft geraakt. Voor zover hij daarmee heeft willen betogen dat van opzet op geweld geen sprake was, volgt de rechtbank dit niet. Door met snelheid de (smalle) zoldertrap af te rennen, waarop op dat moment ook aangever stond, heeft verdachte ten minste het voorwaardelijk opzet gehad dat hij daarbij aangever omver duwde dan wel liep en aldus op het met geweld ontvluchten van de woning. De rechtbank betrekt daarbij de verklaring van aangever [slachtoffer 1] dat hij zich alleen nog herinnert dat een persoon van de trap kwam en daarna niets meer, en de verklaring van aangeefster [slachtoffer 2] , dat zij haar man roerloos op de grond zag liggen en tegelijkertijd verdachte uit die kamer zag komen, die haar vervolgens ook opzij duwde. Verder betrekt de rechtbank bij haar oordeel het zware letsel dat bij aangever als gevolg van de val van de trap is ontstaan.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

Primair

hij op of omstreeks 10 juli 2018, te [woonplaats] , althans in het arrondissement

Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen,

in/uit een woning gelegen aan de [adres] , een goed(eren), te weten een kluis, met inhoud), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij de verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht, door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

2.

hij op of omstreeks 23 april 2018 te [vestingingsplaats] , althans in het arrondissement

Midden-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen, in/uit een winkelpand, te weten de [naam winkel] gelegen aan de [adres] , een hoeveelheid ijs, merk Ben&Jerry, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam winkel] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld, tegen [slachtoffer 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf, hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer 4] meermalen, althans eenmaal, met gebalde vuist met kracht te slaan en/of te stompen in/op/tegen het hoofd, althans het lichaam en/of die [slachtoffer 4] dreigend de woorden toe te voegen: 'Wat moet jij nou?';

3.

Primair

hij op of omstreeks 24 december 2017 te [woonplaats] , althans in het arrondissement

Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, in/uit een woning gelegen

aan de [adres] , weg te nemen goederen en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte, en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen door middel van

braak en/of verbreking, en/of met voormeld oogmerk, de voordeur van die woning heeft open gebroken/geforceerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke poging tot diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] , gepleegd met het

oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij de betrapping op

heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit

van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld

hierin bestonden dat hij, verdachte,

- die [slachtoffer 1] heeft geduwd en/of omver heeft gelopen, althans met die

[slachtoffer 1] (met kracht) in contact is gekomen, waardoor die [slachtoffer 1] ten val

is gekomen, en/of

- vervolgens die [slachtoffer 2] opzij heeft geduwd,

tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten hersenletsel, aangezichtsletsel, verwondingen op de rug, twee gebroken ribben en/of een gebroken pink, althans enig lichamelijk letsel bekwam.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 1 primair:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de

plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

feit 2:

diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping

op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren;

feit 3 primair:

poging tot diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij

betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van

het gestolene te verzekeren, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft en

terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel

van braak.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met daarbij de bijzondere voorwaarden overeenkomstig het reclasseringsrapport met daarbij ook het meewerken aan het aanleggen van het elektronische controlemiddel. De officier van justitie heeft daarbij gevorderd dat de voorwaarden uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de eis van de officier van justitie enkel ziet op vergelding en dat hij geen pedagogisch accent heeft aangebracht. Er dient volgens de raadsvrouw meer rekening te worden gehouden met de leeftijd van verdachte, zijn achtergrond en zijn problematiek. De raadsvrouw is verder van mening dat er ten aanzien van feit 3 geen sprake is van boos opzet maar van voorwaardelijk opzet bij verdachte en dit moet ook worden meegewogen in de strafmaat.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een woninginbraak in vereniging en een poging woninginbraak waarbij het slachtoffer als gevolg van het handelen van verdachte zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Tijdens dit laatste feit heeft verdachte de bewoner, die zich in de besloten veiligheid van zijn woning waande, omver geduwd of gelopen om zijn vlucht mogelijk te maken, waardoor deze zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De echtgenote van het slachtoffer heeft, naast dat zij zelf ook aan de kant is geduwd door verdachte, haar man buiten bewustzijn aangetroffen en heeft minutenlang met de vrees geleefd dat haar man het niet zou overleven. Van die angst heeft zij daarna nog maanden lang last gehad. Het kan verdachte niet zijn ontgaan dat door zijn handelen tijdens de vlucht aangever (zwaar lichamelijk) letsel heeft opgelopen. Verdachte heeft zich hierom niet bekommerd.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. De gepleegde winkeldiefstal is brutaal, maar ernstiger nog vindt de rechtbank dat verdachte met de gewelddadige reactie daarna geen blijk heeft getoond van enig respect voor andermans persoonlijke en lichamelijke integriteit.

Alle drie de feiten, maar met name de poging woninginbraak, zijn ernstige feiten waarbij de verdachte zich enkel heeft laten leiden door het oogmerk van eigen financieel gewin en in het geheel geen rekening heeft gehouden met de (psychische en fysieke) schade die hij de slachtoffers zou kunnen aandoen en heeft aangedaan. De ervaring leert dat dergelijke feiten een zeer grote indruk maken op slachtoffers en dat zij daarvan nog lange tijd de lichamelijke en psychische gevolgen kunnen ondervinden. Dat dit hier het geval was blijkt mede uit de schriftelijke slachtofferverklaringen van de heer [slachtoffer 1] en mevrouw [slachtoffer 2] die ter terechtzitting zijn voorgedragen. Voorts vergroten dergelijke feiten meer in het algemeen gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 24 september 2018, waaruit blijkt dat verdachte in 2017 een strafbeschikking heeft gekregen voor overtreding van de APV in Baarn. Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met het psychologisch rapport van mr. drs. R.A. Sterk van 10 oktober 2018 en zijn aanvulling daarop van 5 november 2018. Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met het reclasseringsadvies van 11 oktober 2018.

Uit de rapporten van de bovengenoemde psycholoog blijkt dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit (ADHD). Er is geen gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens geconstateerd. Er is te weinig informatie verkregen om goed zicht te krijgen op de eventuele doorwerking van de ADHD op het gedrag van verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten. Gelet hierop onthoudt de psycholoog zich van het doen van een uitspraak over de mate waarin het tenlastegelegde - indien bewezen - verdachte kan worden toegerekend. Het is verder vanuit psychopathologisch oogpunt niet mogelijk om een uitspraak te doen over de kans op herhaling. Verdachte leeft als een jong volwassene, die nog richting moet geven aan zijn leven. Hij kan zich goed handhaven in een volwassen setting als [verblijfplaats] en hij wil ook niet geplaatst worden in een jeugdsetting. De ADHD brengt met zich mee dat hij vluchtig kan zijn in zijn handelen en hij is nog niet erg serieus. Dit gaat echter niet zover dat er vanuit gedragskundig oogpunt nog duidelijk sprake is van gedrag van een minderjarige. Gezien het voorgaande zijn er geen argumenten gevonden voor toepassing van het strafrecht voor minderjarigen. Het was voor de psycholoog niet mogelijk om de mate waarin het tenlastegelegde verdachte kan worden toegerekend te bepalen. Derhalve kan er, vanuit forensisch oogpunt, geen behandeladvies gegeven worden, aldus de psycholoog.

Uit bovengenoemd reclasseringsrapport komt naar voren dat de reclassering criminogene factoren ziet in impulsief gedrag, het gebrek aan dagbesteding en de sociale contacten. Het is volgens de reclassering echter ook opvallend dat verdachte het afgelopen jaar plotseling in beeld komt vanwege strafbare feiten. Hierbij zou volgens de reclassering de scheiding van zijn ouders, het verblijven op twee adressen, uitval van school en het zonder dagbesteding komen te zitten, aan hebben kunnen bijgedragen. Voor de toekomst acht de reclassering het wenselijk dat het gezinssysteem wordt betrokken bij de begeleiding omdat zij een rol lijken te spelen in het functioneren van verdachte door middel van het bieden van structuur. De reclassering adviseert bij een veroordeling een deels voorwaardelijk straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een gedragsinterventie CoVa, een locatieverbod met elektronisch toezicht, een locatiegebod en het verkrijgen/behouden van een dagbesteding. De reclassering adviseert de dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden en toezicht.

De rechtbank volgt de psycholoog in zijn overwegingen en de conclusie dat er geen reden is voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een forse gevangenisstraf op zijn plaats is, aangezien verdachte zich niet alleen heeft schuldig gemaakt aan een poging woninginbraak in vereniging en een diefstal met geweld, maar ook aan een zeer ernstige poging woninginbraak met geweld, waaraan aangever zwaar lichamelijk letsel heeft overgehouden. Nu de rechtbank van oordeel is dat verdachte wel begeleiding en behandeling nodig heeft, zal een gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk worden opgelegd. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, passend en geboden. Daarbij zullen de bijzondere voorwaarden worden opgelegd zoals deze door de deskundigen zijn geadviseerd.

Nu verdachte zich in een korte tijd heeft schuldig gemaakt aan meerdere ernstige feiten, waaronder misdrijven die zijn gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en de rechtbank, gelet op het feit dat verdachte onvoldoende tot geen inzicht heeft gegeven en er daarnaast sprake is van minimale begeleiding, van oordeel is dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal begaan, zal de rechtbank bevelen dat de bijzondere voorwaarden die verdachte zullen worden opgelegd, dadelijk uitvoerbaar zijn.

9 BESLAG

Blijkens het relaas proces-verbaal23 zijn de volgende goederen in beslag genomen: de kluis met de daarbij aangetroffen papieren. Een armband en schoenen van verdachte en een geldbedrag van 1550 euro dat verdachte ten tijde van de aanhouding bij zich had. Ter zitting heeft de officier van justitie aangegeven dat er een aanvraag conservatoir beslag is voor het geldbedrag. Om die reden zal de rechtbank geen beslissing nemen over het beslag op het geldbedrag. Ten aanzien van de overige goederen zal worden beslist dat deze teruggaan naar de rechthebbenden.

10 BENADEELDE PARTIJEN

10.1

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 10.233,47. Dit bedrag bestaat uit € 7.500,00 aan immateriële schade en

€ 2.733,47 aan materiële schade, ten gevolge van de aan verdachte onder 3 ten laste gelegde feit. Daarbij vordert de benadeelde partij de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

10.1.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij integraal toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente. De officier van justitie heeft verzocht om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

10.1.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu de vordering pas één dag voor de zitting is ingediend en daarnaast is de vordering niet eenvoudig en niet overzichtelijk opgesteld.

Subsidiair is de raadsvrouw ten aanzien van de gevorderde materiele schade van mening dat:

-de stelpost ziekenhuisdaggeldvergoeding ad €112,- kan worden toegewezen.

-de stelpost extra telefoon-administratie en reiskosten kan worden toegewezen tot een bedrag van €14,70 aan vervoerskosten naar de neuroloog en de traumahulp op 20 februari 2018 en €10,- aan extra telefoonkosten en de overige kosten dienen te worden afgewezen. De raadsvrouw heeft dit onderbouwd door te stellen dat er geen sprake is van ziekenhuisbezoek nu de benadeelde partij zelf in het ziekenhuis lag en ten aanzien van de overige opgevoerde reiskosten is er slechts sprake van onderbouwing ten aanzien van het bezoek aan de neuroloog op 18 januari 2018 en het bezoek aan de naar de neuroloog en de traumahulp op 20 februari 2018. Extra telefoonkosten bedragen volgens de richtlijn €10,- en het meerdere is niet onderbouwd.

-de stelpost verlies van zelfwerkzaamheid dient te worden afgewezen, nu niet is onderbouwd dat er iemand is ingehuurd om de tuin te onderhouden. Daarnaast betwist de raadsvrouw deze kosten aangezien het feit is gepleegd in december. In die periode is een tuin in ruste.

-de stelpost herstel braakschade deur dient te worden afgewezen want deze is onvoldoende onderbouwd; het is niet gebleken dat de verzekering maar beperkt dekt en daar komt bij dat de bijgevoegde offerte dateert van na de toewijzing door de verzekeraar van het schadebedrag dat voor vergoeding in aanmerking komt. Niet is gebleken dat die offerte bij de verzekeraar is ingediend;

-de stelpost extra veiligheidssloten dient te worden afgewezen nu het uitgangspunt is dat enkel kosten die samenhangen met het strafbare feit voor vergoeding in aanmerking komen. Een benadeelde partij mag zichzelf in een betere toestand brengen dan voorheen, maar de kosten daarvoor zijn niet aan een verdachte door te berekenen;

-de stelpost medische kosten dient te worden afgewezen, met uitzondering van de kosten met betrekking tot het eigen risico ten aanzien van de orthopediebehandeling van de pink. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er geen onderbouwing is waarom de aanpassing van de bril niet door de verzekering zou worden vergoed. Ten aanzien van het eigen risico voor psychische hulp blijkt uit het dossier dat er juist geen psychische hulp nodig was.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de raadsvrouw zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de hoogte van het bedrag aan immateriële schade dient te worden gematigd.

10.1.3

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [slachtoffer 1] , niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder feit 3 bewezen verklaard feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank overweegt dat de volgende schadeposten in zijn geheel voor vergoeding in aanmerking komen: de ziekenhuisdaggeldvergoeding van €112,-, de reis- en parkeerkosten ten aanzien van de bezoeken aan de neuroloog en de traumahulp op 20 februari 2018 van respectievelijk (20 x 0,26km + 3=) €8,20 en (25 x 0,26=) € 6,50, het eigen risico voor de psychische hulp van €198,88 en het eigen risico ten aanzien van de orthopediebehandeling van de pink van €48,74. De materiële schade voor zover die betrekking heeft op de schadepost extra telefoonkosten, zal conform de richtlijn, worden vastgesteld op €10,00. De materiële schade die betrekking heeft op de extra veiligheidssloten komt niet voor vergoeding in aanmerking omdat dit algemene preventiekosten zijn en deze maatregelen zijn niet als een gevolg van het bewezenverklaarde feit aan verdachte toe te rekenen. De kosten die gemaakt zijn in verband met het aanpassen van de bril van aangever komen niet voor vergoeding in aanmerking nu er onvoldoende is onderbouwd dat dit schade betreft die een rechtstreeks gevolg is van het strafbare feit. De schadepost herstel braakschade deur komt eveneens niet voor vergoeding in aanmerking omdat de schade al door de verzekering is vergoed en onvoldoende is onderbouwd dat daarnaast nog meer schade is geleden als gevolg van het gepleegde strafbare feit. De overige gevorderde materiële schade (reiskosten en verlies van zelfwerkzaamheid) komt niet voor vergoeding in aanmerking omdat dit onvoldoende is onderbouwd. Gelet op het voorgaande komt het totaalbedrag dat aan materiële schade zal worden toegewezen neer op €384,32. De rechtbank acht daarnaast een bedrag van € 3.000,00 ter zake immateriële schade redelijk en billijk. De rechtbank zal daarom de vordering tot het bedrag van € 3.384,32 toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 24 december 2017 tot de dag van volledige betaling.

De benadeelde partij heeft meer gevorderd, zowel aan immateriële schade als aan materiële schade dan de rechtbank zal toewijzen. De behandeling van de vordering levert voor dat deel een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

De rechtbank zal in het belang van voornoemde benadeelde partij als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opleggen, omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die het bewezen geachte feit heeft toegebracht.

10.2

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 5.020,-. Dit bedrag bestaat uit € 5.000,- aan immateriële schade en € 20,- aan materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 3 ten laste gelegde feit. Daarbij vordert de benadeelde partij de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

10.2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij integraal toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente. De officier van justitie heeft verzocht om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

10.2.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de gevorderde materiële schade op het standpunt gesteld dat de vordering niet is onderbouwd en om die reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair is de raadsvrouw van mening dat de vordering dient te worden gematigd tot een bedrag van €10,- conform de richtlijn letselschade. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade is er onvoldoende onderbouwing dat de benadeelde partij PTSS heeft opgelopen en derhalve dient deze vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard. Subsidiair dient de vordering volgens de raadsvrouw te worden beperkt tot een bedrag van €1.000,-.

10.2.3

Het oordeel van de rechtbank

Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder feit 3 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De materiële schade die is gevorderd ziet op de schadepost extra telefoonkosten en deze zal, conform de richtlijn, worden vastgesteld op €10,00. De rechtbank overweegt dat voldoende is onderbouwd dat benadeelde partij [slachtoffer 2] immateriële schade heeft geleden en acht een bedrag van € 2.000,00 ter zake immateriële schade redelijk en billijk. De rechtbank zal daarom de vordering tot het bedrag van € 2.010,00 toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 24 december 2017 tot de dag van volledige betaling.

De benadeelde partij heeft meer gevorderd, zowel aan immateriële schade als aan materiële schade dan de rechtbank zal toewijzen. De behandeling van de vordering levert voor dat deel een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

De rechtbank zal in het belang van voornoemde benadeelde partij als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opleggen, omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die het bewezen geachte feit heeft toegebracht.

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 45, 57, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 primair, 2, 3 primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 5 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van drie jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

* zich meldt op de dag van zijn vrijlating uit de penitentiaire inrichting bij Reclassering Nederland op het adres [adres] te [plaatsnaam] . Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren;

* verplicht is mee te werken aan gedragsinterventie cognitieve vaardigheden van de reclassering;

* mee werkt aan het verkrijgen en/of behouden van een dagbesteding in de vorm van (vrijwilligers)werk of een opleiding, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* gedurende het eerste jaar van de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met slachtoffers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* zich gedurende maximaal het eerste jaar van de proeftijd niet bevindt in het verboden gebied (zie kaartje op de laatste pagina van het reclasseringsrapport van 11 oktober 2018), zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt; verdachte werkt mee aan (de aanleg van) elektronische controle in verband met dit locatieverbod; verdachte gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische controle nodig is dat verdachte in Nederland blijft;

* gedurende maximaal het eerste jaar van de proeftijd op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig zal zijn op een van tevoren afgesproken verblijfadres, zolang de reclassering dit nodig acht. Daarbij heeft verdachte op doordeweekse dagen een aaneengesloten blok van 12 uur ter invulling van zijn dagbesteding. In de weekenden heeft verdachte 4 uur per dag vrij te besteden. Wanneer verdachte op doordeweekse dagen geen dagbesteding heeft, heeft hij 2 uur vrij te besteden. De precieze tijdstippen worden vooraf vastgesteld door de reclassering, in overleg met verdachte en afhankelijk van de dagbesteding. Het locatiegebod wordt gecontroleerd met een elektronisch controlemiddel. De huidige verblijfadressen zijn [adres] en [adres] te [woonplaats] . Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft.

- waarbij aan Reclassering Nederland de opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

- beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Beslag

  • -

    gelast de teruggave van de kluis en de daarbij behorende papieren aan [slachtoffer 3] ;

  • -

    gelast de teruggave van de schoenen en de armband aan verdachte;

Benadeelde partijen

[slachtoffer 1] (feit 3 primair)

- wijst de vordering van [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 3.384,32, bestaande uit

€ 384,32 aan materiële schade en € 3.000,00 aan immateriële schade;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 december 2017 tot de dag van volledige betaling;

- veroordeelt verdachte ook in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart [slachtoffer 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat

€ 3.384,32 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 december 2017 tot de dag van de algehele voldoening, bij niet betaling aan te vullen met 43 dagen hechtenis, met dien verstande dat dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

[slachtoffer 2] (feit 3 primair)

- wijst de vordering van [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 2.010,00, bestaande uit

€ 10,00 aan materiële schade en € 2.000,00 aan immateriële schade;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 december 2017 tot de dag van volledige betaling;

- veroordeelt verdachte ook in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart [slachtoffer 2] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat

€ 2.010,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 december 2017 tot de dag van de algehele voldoening, bij niet betaling aan te vullen met 30 dagen hechtenis, met dien verstande dat dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.F. Koenis, voorzitter, mrs. A.C. van den Boogaard en I.J.B. Corbeij, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van der Meulen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 november 2018.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 10 juli 2018, te Baarn, althans in het arrondissement

Midden-Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen,

in/uit een woning (gelegen aan de [adres] ),

(een) goed(eren), te weten een kluis, met inhoud), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij de verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats

van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die goederen onder zijn/hun

bereik heeft/hebben gebracht, door middel van braak en/of verbreking en/of

inklimming;

art 311 lid 1 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 2 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 10 juli 2018 te Baarn, althans in het arrondissement

Midden-Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen

aan de [adres] ),

weg te nemen goederen en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3]

, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s) en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te

verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed(eren)/geld onder zijn/hun bereik

te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming,

met zijn mededader(s), althans alleen,

- in het bezit van (meerdere) inbraakwerktuigen, althans harde en/of scherpe

voorwerpen en/of met (een) (paar) handschoen(en), naar die locatie is/zijn

gegaan, en/of

- ( vervolgens) op het schuine dak van die woning aldaar zijn geklommen, en/of

- ( vervolgens) met die inbraakwerktuigen één of meer (twee) ramen (van die

woning) heeft/hebben opengebroken/geforceerd, en zodoende zich/hun de toegang

tot de woning heeft/hebben verschaft, en/of

- ( vervolgens) door dat/die geforceerde, althans geopende, raam/ramen dat pand

heeft/hebben betreden, en/of

- ( vervolgens) een kluis (in die woning) heeft/hebben losgebroken en/of in de

dakgoot heeft/hebben geplaatst/achtergelaten,

waarna de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet werd voltooid;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 23 april 2018 te Baarn, althans in het arrondissement

Midden-Nederland,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen, in/uit

een (winkel)pand, te weten de [naam winkel] (gelegen aan de [adres] ),

een hoeveelheid ijs (merk Ben&Jerry), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [naam winkel] , in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte,

welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld, tegen [slachtoffer 4] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te

maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf, hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die

[slachtoffer 4] meermalen, althans eenmaal, (met gebalde vuist) (met kracht) te slaan

en/of te stompen in/op/tegen het hoofd, althans het lichaam en/of die [slachtoffer 4]

(dreigend) de woorden toe te voegen: 'Wat moet jij nou?';

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

Primair

hij op of omstreeks 24 december 2017 te Soest, althans in het arrondissement

Midden-Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, in/uit een woning (gelegen

aan de [adres] ), weg te nemen goederen en/of geld,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in

elk geval aan een ander dan aan verdachte,

en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen door middel van

braak en/of verbreking, en/of met voormeld oogmerk, de voordeur van die

woning heeft open gebroken/geforceerd, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke poging tot diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] , gepleegd met het

oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij de betrapping op

heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit

van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld

hierin bestonden dat hij, verdachte,

- die [slachtoffer 1] heeft geduwd en/of omver heeft gelopen, althans met die

[slachtoffer 1] (met kracht) in contact is gekomen, waardoor die [slachtoffer 1] ten val

is gekomen, en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer 2] (opzij) heeft geduwd,

tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel (te weten

hersenletsel, aangezichtsletsel, verwondingen op de rug, twee gebroken ribben

en/of een gebroken pink), althans enig lichamelijk letsel bekwam;

art 312 lid 2 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 24 december 2017 te Soest, althans in het arrondissement

Midden-Nederland,

[slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] om ver te duwen en/of

omver te lopen, althans met die [slachtoffer 1] (met kracht) in contact is gekomen,

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel (te weten hersenletsel,

aangezichtsletsel, verwondingen op de rug, twee gebroken ribben en/of een

gebroken pink), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en / of pijn

heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd 2018197852, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 112. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van aangifte van [getuige 1] namens [slachtoffer 3] , pag. 26.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , pag. 38 en 41.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , pag. 77.

5 Proces-verbaal van bevindingen [verbalianst 1] , pag. 43.

6 Proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 2] , pag. 53/54.

7 Proces-verbaal van bevindingen [verbalianst 1] , pag. 43.

8 Proces-verbaal van bevindingen [verbalianst 1] , pag. 44.

9 Proces-verbaal van verhoor [A] , pag. 82.

10 Proces-verbaal van sporenonderzoek, pag. 66.

11 Proces-verbaal van sporenonderzoek, pag. 67.

12 Proces-verbaal van het Nederlands Forensisch Instituut, pag. 106.

13 Proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 4] , pag. 70

14 Proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 4] , pag. 69.

15 Proces-verbaal van terechtzitting van 6 november 2018.

16 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd 2018197852C, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 113 tot en met 183. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

17 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] mede namens [slachtoffer 2] , pag. 124.

18 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] mede namens [slachtoffer 2] , pag. 125.

19 Proces-verbaal van verhoor slachtoffer [slachtoffer 2] , pag. 129.

20 Geneeskundige verklaring, pag. 126.

21 Proces-verbaal sporenonderzoek en letselfotografie, pag. 132.

22 Proces-verbaal van terechtzitting van 6 november 2018.

23 Relaas proces-verbaal van [verbalisant 4] , pag. 6.