Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5647

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-11-2018
Datum publicatie
20-07-2021
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1827
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:RBMNE:2019:1292
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak WOB-verzoek RTL. Documenten betr. het luchtruim v/d Krim en Oekraine en de veiligheid daarvan. Deels onvoldoende gemotiveerde weigeringsgronden. Strijd met art. 3:2 en 7:12 Awb. Verzoek herziening. Geen nieuwe feiten/omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 18/1827

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 november 2018 in de zaak tussen

RTL Nederland, te Hilversum, eiseres

(gemachtigden: P. Klein en R.J.E. Vleugels),

en

Minister van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder

(gemachtigden: mr. H. Borman en M.A. de Jong).

Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek om herziening van een besluit van 27 mei 2015 afgewezen en het verzoek om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) gedeeltelijk toegewezen.

Bij besluit van 30 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2018. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiseres heeft verweerder bij brief van 16 maart 2015 op grond van de Wob verzocht om openbaarmaking van “alle documenten bij of onder verweerder, dan wel zijn voorganger, betreffende het luchtruim van de Krim en Oekraïne en de veiligheid daarvan”. Dit verzoek was door eiseres beperkt tot de periode vanaf 19 maart 2014 tot en met het moment van de ramp met MH17 op 17 juli 2014. Bij besluit van 27 mei 2015 heeft verweerder de bij de zoekslag aangetroffen documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt. Tegen dit besluit heeft eiseres geen rechtsmiddelen aangewend.

2. Bij brief van 19 juni 2017, aangevuld bij brief van 20 juli 2017, heeft eiseres verweerder verzocht om heroverweging van het besluit van 27 mei 2015. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit verzoek onder verwijzing naar het besluit van 27 mei 2015 afgewezen. Aan de afwijzing heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangedragen die aanleiding geven het besluit te herzien.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder ook beslist op het door eiseres, gelijktijdig met het herzieningsverzoek, ingediende Wob-verzoek. Eiseres heeft verzocht om openbaarmaking van “alle documenten bij en onder verweerder, dan wel zijn voorganger, die relateren aan de veiligheid van het luchtruim boven Oekraïne en de Krim”. Eiseres heeft het verzoek beperkt tot de periode vanaf het moment dat in 2013 afspraken zijn gemaakt tussen de Staat en luchtvaartmaatschappijen over het delen van waarschuwingen en meldingen tot en met de datum van het (aangevulde) verzoek, te weten 20 juli 2017. Verweerder heeft bij het primaire besluit vastgesteld dat het Wob-verzoek in totaal 85 documenten omvat. Daarvan heeft hij een deel openbaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit besluit gehandhaafd onder aanvulling van de motivering ervan.
Het verzoek om herziening

4. Tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek voert eiseres aan dat zij nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht, heeft gesteld. Volgens eiseres werpen die feiten en omstandigheden een nieuw of ander licht op de gevaren in het luchtruim boven Oekraïne. Eiseres stelt dat dit aanleiding geeft voor een nieuwe beoordeling van de weigeringsgronden die zijn toegepast op een drietal documenten, genummerd 5, 9, en 23 op de inventarislijst behorende bij het besluit van 27 mei 2015.

5. De rechtbank overweegt dat verweerder in zijn afwijzing van het verzoek om herziening toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dit artikel is bepaald dat een bestuursorgaan na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag mag afwijzen onder verwijzing naar die eerdere afwijzende beschikking, als de aanvrager geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld. Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 23 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3131) toetst de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid, of verweerder zich terecht en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.

6. De rechtbank is van oordeel dat eiseres geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld die kunnen leiden tot een ander besluit over de openbaarmaking van de documenten met nummers 5, 9 en 23. De feiten en omstandigheden die eiseres in haar beroepschrift noemt zijn aanwijzingen voor het bestaan van documenten die volgens eiseres ten tijde van het besluit van 27 mei 2015 bij of onder verweerder zouden berustten. Of verweerder beschikt over eerdergenoemde drie documenten staat bij het herzieningsverzoek van eiseres echter niet ter discussie. Verweerder heeft eiseres hiervan immers bij het besluit van 27 mei 2015 op de hoogte gebracht. Eiseres verzet zich tegen verweerders integrale weigering om deze documenten openbaar te maken. Wil er in dit geval sprake zijn van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb, dan is het noodzakelijk dat die zien op verweerders toepassing van de weigeringsgronden op documenten 5, 9 en 23. Onvoldoende is dat de feiten en omstandigheden na het eerdere besluit zijn voorgevallen of niet eerder konden worden aangevoerd. Zij dienen ook daadwerkelijk aanleiding te geven tot twijfel over de juistheid van verweerders weigering de documenten openbaar te maken. Aanwijzingen die mogelijk iets zeggen over de aanwezigheid van andere documenten bij of onder verweerder geven die aanleiding niet. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder het verzoek van eiseres terecht en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd heeft afgewezen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit. In wat eiseres aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders afwijzing evident onredelijk is. De beroepsgrond slaagt niet.
Het Wob-verzoek

7. Eiseres voert ten eerste aan dat zij er niet van is overtuigd dat de bij het bestreden besluit gevoegde inventarislijst met 85 documenten volledig is. Volgens eiseres zijn er concrete aanwijzingen dat er meer documenten bij of onder verweerder berusten die onder de reikwijdte van het Wob-verzoek vallen. Ter zitting heeft eiseres gesteld dat verweerder de reikwijdte van het huidige Wob-verzoek breder had moeten opvatten dan de reikwijdte van het eerdere Wob-verzoek van 16 maart 2015. Nu verweerder dit niet heeft gedaan, zijn er documenten ten onrechte niet verstrekt of in ieder geval ten onrechte niet genoemd op de inventarislijst, zo stelt eiseres. Volgens haar heeft verweerder de documenten bij organen die verantwoording afleggen aan verweerder, zoals de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en de Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL), ten onrechte niet bij de zoekslag betrokken. Eiseres heeft de rechtbank daarom verzocht verweerder op te dragen een nieuwe zoekslag uit te voeren.

8. De rechtbank is van oordeel dat uit de bewoording van het huidige Wob-verzoek en ook anderszins niet is gebleken dat verweerder de reikwijdte hiervan breder had moeten opvatten dan die van het eerdere Wob-verzoek. Het huidige Wob-verzoek ziet immers net als het eerdere verzoek op de openbaarmaking van documenten bij of onder verweerder die gaan over de veiligheid van het luchtruim van of boven de Krim en Oekraïne. Uit de verklaringen van eiseres ter zitting heeft de rechtbank niet opgemaakt dat eiseres desondanks heeft bedoeld een naar inhoud ruimer verzoek te doen. Het huidige Wob-verzoek onderscheidt zich wel van het eerdere verzoek voor zover daarin de periode waarover documenten zijn verzocht is verruimd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het huidige Wob-verzoek slechts behoefde op te vatten als een verzoek om documenten die dateren van de twee periodes waarover het eerdere Wob-verzoek zich niet uitstrekte. Dit komt erop neer dat de rechtbank bij haar beoordeling slechts documenten kan betrekken die zijn opgemaakt in de periode vanaf het moment dat in 2013 afspraken zijn gemaakt tussen de Staat en luchtvaartmaatschappijen over het delen van waarschuwingen en meldingen tot 19 maart 2014, en de periode vanaf de ramp met MH17 op 17 juli 2014 tot en met de datum van het huidige Wob-verzoek op 20 juli 2017. Voor zover de aanwijzingen van eiseres zien op de mogelijke aanwezigheid van documenten in de periode vanaf 19 maart 2014 tot en met 17 juli 2014, is de rechtbank, met inachtneming van haar overwegingen in rechtsoverweging 6, van oordeel dat eiseres in deze procedure niet kan bereiken dat verweerder naar het bestaan hiervan alsnog onderzoek verricht.

9. Over de door eiseres gestelde aanwijzingen voor de aanwezigheid van documenten die bij of onder verweerder berusten maar niet op de inventarislijst zijn vermeld, overweegt de rechtbank het volgende. Uit vaste rechtspraak van de ABRvS (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2043) volgt dat wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig overkomt, het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt is om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust.

10. De rechtbank overweegt dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat op basis van grondig onderzoek alle documenten die onder het verzoek van eiseres vallen zijn verzameld en zijn opgenomen in de inventarislijst. Daarbij heeft verweerder gemotiveerd waarom bepaalde documenten buiten de reikwijdte van het verzoek vallen dan wel waarom hij niet over de door eiseres aanwezig veronderstelde documenten beschikt. De volgende documenten zijn door verweerder niet aangetroffen:

- Documenten waarin NCTV door verweerder is geïnformeerd over het verslag van het

DG overleg van ECAC uit met 2014;

- Documenten waarin verweerder private partijen, zoals luchtvaartmaatschappijen,

informeert over de International Civil Aviation Organization State Letters;

- Documenten waarin de ambtelijke en politieke leiding van het ministerie van

Infrastructuur en Milieu wordt geïnformeerd over zowel de Krim als Oekraïne;

- Meer documenten rondom het onderzoek van de Onderzoeksraad voor Veiligheid

(OVV).

De rechtbank acht deze mededeling van verweerder niet ongeloofwaardig. De rechtbank is van oordeel dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze documenten toch onder verweerder berusten. De door eiseres gestelde aanwijzingen zijn daarvoor te algemeen geformuleerd en maken onvoldoende concreet welke documenten ontbreken op de inventarislijst. De enkele stelling dat het ongeloofwaardig is dat de documenten er niet zijn is hiervoor onvoldoende.

11. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de overige aanwijzingen zien op bij verweerder aanwezig veronderstelde documenten die buiten de reikwijdte van het Wob-verzoek vallen. Zo heeft eiseres niet expliciet verzocht om openbaarmaking van meldingen of informatie uit het systeem van het European Co-ordination Centre for Accident and Incident Reporting Systems (Eccairs). De rechtbank overweegt dat dit bovendien een systeem van de Europese Commissie betreft en eiseres niet heeft onderbouwd waarom meldingen in dit systeem toch onder het Wob-verzoek vallen. Ook documenten over interne evaluaties vallen naar het oordeel van de rechtbank niet onder de reikwijdte van het Wob-verzoek. Verweerder heeft toegelicht dat evaluaties die hebben plaatsgevonden niet zijn te relateren aan de veiligheid van het luchtruim boven de Krim en Oekraïne. De rechtbank ziet in wat eiseres aanvoert geen aanleiding om het standpunt van verweerder niet te volgen.

12. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om te veronderstellen dat er nog andere documenten onder verweerder berusten, die niet op de inventarislijst zijn vermeld. De rechtbank overweegt hierbij tot slot dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat de zoekslag voor elk Wob-verzoek ook altijd de documenten aanwezig bij organen die onder hem ressorteren beslaat. In wat eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder bij de behandeling van het huidige Wob-verzoek van deze werkwijze is afgeweken. De beroepsgrond slaagt niet. Aan het verzoek van eiseres om verweerder op te dragen een nieuwe zoekslag te verrichten komt de rechtbank niet tegemoet.

13. Eiseres voert verder aan dat verweerder de uitzonderingsgronden en beperkingen uit artikel 10, tweede lid, onder a en c, en artikel 11, eerste lid, van de Wob te ruim heeft toegepast. Eiseres stelt dat verweerder de openbaarmaking van de gevraagde informatie op willekeurige wijze heeft geweigerd. Zowel de openbaargemaakte als de geweigerde documenten en passages bevatten volgens eiseres informatie over risico’s voor het luchtruim en eiseres vindt het onbegrijpelijk dat de ene keer wel is gekozen voor openbaarmaking en de andere keer niet. Eiseres stelt bovendien dat het algemeen belang bij openbaarmaking van informatie over risico’s voor het luchtruim zwaarder weegt, omdat het gaat om het belang van de veiligheid van het luchtvaartverkeer. Volgens eiseres had verweerder voorts per deel van ieder document moeten beoordelen of openbaarmaking van de gevraagde informatie achterwege gelaten mocht worden. Eiseres heeft in dit verband ter zitting betwist dat er enkel persoonlijke beleidsopvattingen staan vermeld in de documenten waarvan verweerder de openbaarmaking op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob integraal heeft geweigerd. Eiseres stelt daarbij dat sommige documenten afkomstig zijn van een bestuursorgaan dat verantwoording aflegt aan verweerder. Die documenten kunnen volgens eiseres geen persoonlijke beleidsopvattingen bevatten. Bij de integrale weigering van documenten heeft verweerder, ten slotte, ten onrechte niet gekeken naar mogelijke subsidiaire verstrekkingsvormen, aldus eiseres.

14. De rechtbank oordeelt in algemene zin allereerst het volgende. De rechtbank volgt eiseres niet in het standpunt dat verweerder meer documenten openbaar had moeten maken omdat deze in het belang van de veiligheid van luchtvaartverkeer. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2217) vooronderstelt de Wob het belang van openbaarmaking voor een goede en democratische besluitvorming als een op zichzelf staand belang. Het gewicht van dit belang is niet afhankelijk van het onderwerp waarop de documenten betrekking hebben. Dit betekent dat bij de beoordeling of de gevraagde documenten al dan niet openbaar moeten worden gemaakt aan het zwaarwegende belang van openbaarheid van overheidsinformatie, vanwege de aard van de bestuurlijke aangelegenheid of de documenten waar om wordt gevraagd, niet meer gewicht kan toekomen. Bij die beoordeling speelt alleen mee of de gronden, zoals opgenomen in de artikelen 10 en 11 van de Wob, of een bijzondere openbaarmakingsregeling met een uitputtend karakter aan openbaarmaking van de documenten in de weg staan. Voor het betrekken van het belang van de veiligheid van het luchtvaartverkeer is dan ook geen ruimte.

15. De rechtbank volgt eiseres evenmin in het standpunt dat documenten afkomstig van een bestuursorgaan dat verantwoording aflegt aan verweerder niet (integraal) geweigerd mogen worden op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob, omdat die niet zonder meer persoonlijke beleidsopvattingen bevatten. Eiseres heeft haar stelling niet onderbouwd en de rechtbank ziet niet in waarom informatie bij of onder bestuursorganen, die onderdeel uitmaken van het ministerie van verweerder, niet beschermd zou worden door de bepalingen in de Wob. Sinds de uitspraak van de ABRvS van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:314) zal het bestuursorgaan echter wel per zelfstandig onderdeel van een document voor intern beraad met informatie over een bestuurlijke aangelegenheid moeten bezien of het onderdeel persoonlijke beleidsopvattingen bevat en of openbaarmaking op grond van artikel 11 van de Wob om die reden mag worden geweigerd. De rechtbank beoordeelt in rechtsoverweging 18 en 19 of verweerder dit juist heeft gedaan.

16. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder niet is gehouden om te bezien of de informatie in de documenten op een andere wijze verstrekt kan worden. De rechtbank overweegt hierbij dat de door eiseres gewenste verstrekkingsvormen, zoals een uittreksel of een samenvatting van de inhoud, worden genoemd in artikel 7 van de Wob. Dit artikel regelt de vorm waarin het bestuursorgaan informatie verstrekt. Het gaat dan om informatie waarop de weigeringsgronden en beperkingen van de artikelen 10 en 11 van de Wob niet van toepassing zijn. Artikel 7 van de Wob is niet van toepassing op informatie waarvan openbaarmaking op grond van deze artikelen moet of mag worden geweigerd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 14 mei 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD1470).

17. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis genomen van alle documenten zoals vermeld op de inventarislijst. Eiseres heeft toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb. Aan de hand van de in rechtsoverweging 13 weergegeven beroepsgrond beoordeelt de rechtbank in de navolgende rechtsoverwegingen of verweerder de (gedeeltelijke) openbaarmaking van de documenten op de inventarislijst terecht heeft geweigerd.

18. Over de geweigerde (passages in de) volgende documenten is de rechtbank van oordeel dat verweerder heeft mogen weigeren deze openbaar te maken op de grond zoals in het document vermeld: 3, 8, 11 tot en met 16, 18 tot en met 23, 26, 27, 29 tot en met 33, 36, 38 tot en met 40, 45, 46, 48, 49, 53, 54, 56 tot en met 58, 60 tot en met 68, 73, 76, 77, 78 en 80 tot en met 85. Voor zover deze documenten, waarvan de openbaarmaking integraal is geweigerd op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob, feitelijke gegevens bevatten heeft verweerder terecht gesteld dat deze zodanig verweven zijn met de persoonlijke beleidsopvattingen dat zij niet zijn te scheiden. Van verweerder wordt niet verwacht dat hij binnen een zelfstandig onderdeel van een document per zin of zinsdeel bepaalt of verwevenheid een weigering kan rechtvaardigen.

19. Over de hierna volgende (onderdelen van) documenten is de rechtbank van oordeel dat de door verweerder gehanteerde weigeringsgrond de weigering niet kan dragen, dan wel dat onvoldoende gemotiveerd is waarom de weigeringsgrond zich tegen openbaarmaking verzet.

Document 1: verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de openbaarmaking van het document PowerPointpresentatie integraal is geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob. Niet valt in te zien waarom de eerste slide niet openbaar gemaakt kan worden.

Document 2: de rechtbank acht een integrale weigering tot openbaarmaking van het document op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob zonder nadere motivering niet begrijpelijk. De rechtbank ziet niet in waarom de tweede alinea en de kopjes van het document onder deze weigeringsgrond vallen.

Document 4: de rechtbank acht een integrale weigering tot openbaarmaking van het document op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob zonder nadere motivering niet begrijpelijk. De eerste pagina van het document is niet zonder meer aan te merken als een beleidsopvatting. Verweerder dient per onderdeel van het document te beoordelen of artikel 11, eerste lid, een weigering tot openbaarmaking rechtvaardigt. Indien verweerder de persoonlijke levenssfeer van personen die genoemd worden in het document wil beschermen dan dient daarvoor een andere weigeringsgrond te worden ingeroepen.

Document 6: verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de informatie op pagina 3 van het document en op pagina 10 onder paragraaf 3.27, onder f, buiten het verzoek valt. De overige informatie heeft verweerder mogen weigeren op de grond dat de informatie buiten het Wob-verzoek valt.

Document 7: zonder nadere motivering is niet duidelijk waarom de informatie op pagina 6, onder paragraaf 2.3, buiten het verzoek valt. De overige informatie heeft verweerder mogen weigeren op de grond dat de informatie buiten het Wob-verzoek valt.

Document 10: zonder nadere motivering is niet duidelijk waarom informatie op het voorblad, op pagina 5 onder paragraaf 3.1 en op pagina 18 onder paragraaf 6.2, van het document buiten het verzoek valt.

Document 24: verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de openbaarmaking van het document PowerPointpresentatie integraal is geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob. Niet valt in te zien waarom de eerste slide niet openbaar gemaakt kan worden.


Document 36: verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wob zich verzet tegen openbaarmaking van de bijlage bij het verslag. Dit betreft een overzicht van de besproken onderwerpen tijdens de vergadering.

Document 41: de rechtbank acht een integrale weigering tot openbaarmaking van het document op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob zonder nadere motivering niet begrijpelijk. De eerste alinea op pagina 1 bevat feitelijkheden die niet zijn verweven met persoonlijke beleidsopvattingen. De weigering tot openbaarmaking van de overige alinea’s heeft verweerder voldoende gemotiveerd. De rechtbank is evenwel gebleken dat een deel van deze alinea’s buiten het verzoek valt.


Document 47: verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de slide na de slide getiteld “Area concerned” en de slide na de slide getiteld “Alternative routings” buiten het verzoek vallen.

Document 50: de rechtbank acht het zonder nadere motivering niet begrijpelijk waarom de informatie op de eerste pagina, eerste alinea, onder het vierde opsommingsteken, buiten het verzoek valt. Hetzelfde geldt voor de informatie in paragraaf 4 op pagina 3.

Document 51: de rechtbank acht het zonder nadere motivering niet begrijpelijk waarom de informatie op de eerste pagina, onder gedachtestreepje 2, buiten het verzoek valt. Dit geldt ook voor figuur 5 en de eerste alinea van paragraaf 2.3 op pagina 5.

Document 52: verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wob zich verzet tegen openbaarmaking van de weggelakte afbeelding in de PowerPointpresentatie. Te meer omdat een vergelijkbare afbeelding in document 54 wel openbaar is gemaakt.

Document 55: de rechtbank acht het zonder nadere motivering niet begrijpelijk waarom de informatie op pagina 6 onder paragraaf 2.8 buiten het verzoek valt.


Document 59: de rechtbank acht het zonder nadere motivering niet begrijpelijk waarom de informatie op pagina 3 onder paragraaf 1.4 buiten het verzoek valt.

Document 69: de rechtbank acht het zonder nadere motivering niet begrijpelijk waarom de informatie op pagina 3, in de meest rechter kolom, vierde alinea, buiten het verzoek valt. Hetzelfde geldt voor de informatie op pagina 8, in de meest rechter kolom, tweede alinea.


Document 74: verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wob zich verzet tegen openbaarmaking van het de weggelakte afbeelding in de PowerPointpresentatie. Dit te meer omdat een vergelijkbare afbeelding in document 54 wel openbaar is gemaakt.

Conclusie

20. Uit rechtsoverweging 19 volgt dat het bestreden besluit ten aanzien van de daarin genoemde documenten niet zorgvuldig is voorbereid en niet berust op een deugdelijke motivering. Het besluit is daarom in zoverre genomen in strijd met artikel 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. Nu aan dit besluit een gebrek kleeft dat zich leent voor herstel, zal de rechtbank verweerder op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb, in de gelegenheid dit te herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank daarom een tussenuitspraak. Verweerder kan het gebrek herstellen met een aanvullende motivering of met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het hier voorliggende besluit. Om het gebrek te herstellen moet verweerder de geweigerde informatie ten aanzien waarvan de gegeven motivering onvoldoende is bevonden ofwel alsnog openbaar maken, ofwel ten aanzien hiervan met inachtneming van wat hiervoor is overwogen een nadere motivering indienen.

21. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak. Verweerder deelt de rechtbank op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb en om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak, mede of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

22. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    draagt verweerder op binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

  • -

    stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

  • -

    houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M.M. Heppe, rechter, in aanwezigheid van
mr. B.L. Meijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 november 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.