Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5642

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-08-2018
Datum publicatie
22-11-2018
Zaaknummer
6552965 AC EXPL 17-4832
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:RBMNE:2019:2483
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

letselschade na bedrijfsongeval

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-1312
PS-Updates.nl 2018-1016
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 6552965 AC EXPL 17-4832 HH/1480

Vonnis van 15 augustus 2018

inzake

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiseres] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. Ph.J.N. Aarnoudse,

tegen:

de stichting

[gedaagde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. E.J.C. de Jong.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 28 februari 2018,

  • -

    de producties 22 tot en met 26 van [eiseres] ,

  • -

    de comparitie van partijen op 7 juni 2018, waarvan aantekeningen zijn bijgehouden.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] , geboren op [geboortedatum] 1967, is met ingang van 25 augustus 2007 bij [gedaagde] als groepsleider in dienst getreden, aanvankelijk voor bepaalde tijd, met ingang van 25 februari 2008 voor onbepaalde tijd. Het betrof een functie voor 32 uur per week. [eiseres] was verantwoordelijk voor de ondersteuning en begeleiding van jongeren met gedragsproblemen. [eiseres] beschikt over een diploma mbo SPW. Voorafgaand aan haar indiensttreding bij [gedaagde] is [eiseres] gedurende een aantal jaren werkzaam geweest in een penitentiaire inrichting.

2.2. '

[gedaagde] is een zorginstelling die zich onder meer richt op de ondersteuning van mensen met een verstandelijke beperking. Onderdeel van [gedaagde] is de organisatie [naam organisatie] , die zich specifiek richt op jongeren met licht verstandelijke beperkingen en gedragsproblemen. [eiseres] was werkzaam als groepsleider in het orthopedagogisch behandelcentrum [naam behandelcenturm] van [naam organisatie] in [vestigingsplaats] , locatie [naam locatie] , waar jongeren tussen twaalf en achttien jaar met zeer ernstige gedragsproblemen worden behandeld. De groep waarop [eiseres] werkzaam was ( [adres] ) bestond alleen uit jongens.

2.3.

[eiseres] heeft twee kinderen uit een inmiddels ontbonden huwelijk. Ten tijde van het incident woonde [eiseres] samen met haar minderjarige autistische zoon van 13 in Deventer. Haar dochter woonde op dat moment bij haar vader in Amsterdam.

2.4.

Naast haar werk bij [gedaagde] was [eiseres] voor gemiddeld 20 uur per week als zweminstructrice werkzaam bij [bedrijfsnaam 1] - [naam] . Zij besteedde daarnaast tijd aan haar hobby’s, onder meer het verzorgen en berijden van paarden. Twee keer per week gaf zij als vrijwilligster paardrijles aan kinderen van 7 tot 12 jaar met een beperking.

2.5.

Op 4 september 2008 werd de late dagdienst bezet door [eiseres] en haar vrouwelijke collega [A] . Aangezien er op enig moment tijdens deze dienst sprake was geweest van een onrustige situatie, was er een derde groepsleider op de groep aanwezig, [B] .

2.6.

Op 4 september 2008 omstreeks 22.00 uur heeft zich op de werkvloer een incident voorgedaan, waarbij een tweetal cliënten zich agressief gedroeg tegen [eiseres] en [B] . [B] kreeg een kopstoot (van cliënt genaamd [cliënt 1] ) en werd door een andere cliënt ( [cliënt 2] ) in een wurggreep genomen. Toen [eiseres] hem te hulp wilde komen, kreeg zij (in ieder geval) van [cliënt 2] een duw en viel zij tegen een muur of een kast.

2.7.

[eiseres] heeft zich op 5 september 2008 ziek gemeld, bij zowel [gedaagde] als [bedrijfsnaam 1] - [naam] .

2.8.

[eiseres] heeft aangegeven dat zij beperkingen ervaart in haar bewegingen (met name armen, schouders en rug), vermoeidheidsklachten heeft, een continu bandgevoel om het hoofd, chronische pijn, duizeligheid, hoofdpijn die doortrekt naar nek en schouders, tintelingen in de handen, en daarnaast onder meer last heeft van vergeetachtigheid en slecht slapen.

2.9.

[eiseres] heeft de groene kaart van de huisarts over de periode 2000 tot aan het voorval in 2008 overgelegd.

2.10.

Sinds april 2009 woont [eiseres] bij haar partner in [woonplaats] . Voor huishoudelijke taken hebben zij hulp ingeschakeld van de moeder van de partner van [eiseres] . De kinderen van [eiseres] wonen op dit moment bij hun vader in Amsterdam.

2.11.

[eiseres] heeft bij [gedaagde] verschillende re-integratiepogingen gedaan. Na een periode van twee jaar, op 3 september 2010, ontving [eiseres] een WIA-uitkering. [gedaagde] heeft de arbeidsovereenkomst met [eiseres] na de verkregen ontslagvergunning van het UWV met ingang van 1 juli 2011 opgezegd. Het dienstverband van [eiseres] met [bedrijfsnaam 1] - [naam] is op 1 januari 2010 geëindigd, met goedvinden van het UWV. Sinds 3 september 2010 krijgt [eiseres] 70% van haar laatstverdiende salaris bij [bedrijfsnaam 1] - [naam] en [gedaagde] (waarvan de eerste twee maanden 75%).

2.12.

In opdracht van [gedaagde] heeft [bedrijfsnaam 2] B.V. (hierna [bedrijfsnaam 2] ) een expertiserapport d.d. 12 januari 2010 opgesteld. Daarin is onder meer het volgende vermeld:

“(…)

Betrokkene : (…) [eiseres]

(…)

Schadeclaim : 04.09.2008

(…)

Evenement : begeleidster is aangevallen door bewoner

Aard letsel : kwetsuur wervelkolom

Beroep : groepsleidster

Arbeidsongeschikt : ja

(…)

III TOEDRACHTONDERZOEK

(…)

b. Toedrachtomschrijving

Als gevolg van agressief gedrag/fysiek geweld van een bewoner van leefeenheid [adres] van [naam behandelcenturm] [naam organisatie] [naam locatie] te [vestigingsplaats] , heeft begeleidster mevrouw [eiseres] lichamelijk letsel opgelopen.

(…)”

2.13.

Bij vonnis van 20 april 2011 heeft de kantonrechter van deze rechtbank voor recht verklaard dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] heeft geleden en zal lijden als gevolg van het incident op 4 september 2008.

2.14. '

[gedaagde] heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. In het arrest van 15 januari 2013 heeft Gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

In het arrest wordt onder meer het volgende overwogen:

Heeft [eiseres] schade geleden tijdens de uitoefening van haar werkzaamheden bij [gedaagde] ?

5.6

Met betrekking tot de vraag of [eiseres] schade heeft geleden tijdens de uitoefening van haar werkzaamheden bij [gedaagde] overweegt het hof het volgende. Op grond van de rechtsoverweging 4.11 en 4.12 vermelde verklaringen van [eiseres] , de in rechtsoverweging 4.16 vermelde verklaring van [A] en de stellingen [gedaagde] zelf, zoals vermeld onder 13 van haar memorie van grieven, staat vast dat [eiseres] tijdens het incident op 4 september 2008 geprobeerd heeft een cliënt, [cliënt 2] , die haar collega [B] agressief wilde benaderen, tegen te houden waarbij zij – in ieder geval – een duw heeft gekregen en tegen een muur of een kast is gevallen.

Tevens staat vast dat [eiseres] direct na het incident haar huisarts heeft bezocht vanwege klachten aan onder andere haar handen, benen en nek dat dat vervolgens onder behandeling is (geweest) van (een) medisch specialist(en) en/of fysiotherapeut.

[eiseres] heeft zich ziek gemeld met ingang van 5 september 2008. [gedaagde] heeft deze ziekmelding geaccepteerd. Vanaf februari 2009 heeft [eiseres] drie keer twee uur per week op therapeutische basis re-integratiewerkzaamheden verricht. Vanaf 25 september 2009 heeft [eiseres] zich weer volledig ziek gemeld. Vanaf 3 september 2010 ontvangt [eiseres] een WIA (WGA) uitkering op basis van volledige arbeidsongeschiktheid. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat [eiseres] op 4 september 2008 in ieder geval enig letsel en/of gezondheidsschade heeft geleden als gevolg van het incident dat plaatsvond tijdens de uitoefening van haar werkzaamheden bij [gedaagde] . Ook het in rechtsoverweging 4.15 vermelde expertiserapport van [bedrijfsnaam 2] van 12 januari 2010, dat in opdracht van [gedaagde] is uitgebracht, vormt een bevestiging van dit oordeel.

(…)

De aard en omvang van de schade van [eiseres] als gevolg van het incident op 4 september 2008

5.29 '

[gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat de door [eiseres] gestelde lichamelijke en psychische klachten een gevolg zijn van het incident op 4 september 2008. Het hof heeft hiervoor beslist dat [eiseres] op 4 september 2008 in ieder geval enig letsel en/of andere gezondheidsklachten heeft geleden als gevolg van het incident en voorts dat [gedaagde] hiervoor aansprakelijk is op grond van artikel 7:658 lid 1 en 2 BW. [eiseres] heeft in eerste aanleg verwijzing naar de schadestaatprocedure gevorderd. De kantonrechter heeft deze vordering toegewezen. De schadestaatprocedure is naar het oordeel van het hof bij uitstek geschikt om de exacte aard en omvang van de schade die [eiseres] stelt te hebben geleden en eventueel nog zal lijden als gevolg van het incident op 4 september 2008 vast te stellen. Voor zover de exacte toedracht van het incident op 4 september 2008 voor de vaststelling van de aard en omvang van die schade van belang is, kan dit ook in de schadestaat procedure aan de orde komen. Dit geldt ook voor de eventuele lichamelijke gesteldheid van [eiseres] vóór het incident die mogelijk verband hield met het feit dat zij vóór het incident zwemles gaf en paard reed.”

2.15.

Bij beschikkingen van 28 februari 2012 en 3 oktober 2012 heeft het Gerechtshof Arnhem op verzoek van [gedaagde] voorlopige deskundigenberichten gelast, naar aanleiding waarvan een psychiater ( [C] ), een neuroloog ( [D] ) en een neuropsycholoog ( [E] ) zijn benoemd.

2.16.

De neuroloog heeft op 6 maart 2013 een rapport uitgebracht, de neuropsycholoog op 14 maart 2014 en de psychiater op 16 maart 2014.

2.17.

In het rapport van de neuroloog [D] staat:

“(…)

Bij neurologisch onderzoek thans is er sprake van een vertraagd bewegingspatroon en langzame monotone spraak bij betrokkene zonder dat daarvoor een neurologisch substraat aanwezig is.

Tevens is er sprake van wisselende tremor van het lichaam en de rechterarm zonder bijkomende andere extrapiramidale stoornissen; ook dit aangaande kan geen neurologisch substraat aangegeven worden.

Tijdens het onderzoek is er sprake van een snelle ademhaling passend bij chronische hyperventilatie; dat aangaande kan dit aanleiding geven tot de klachten die betrokkene aangeeft aangaande tintelingen in het gelaat en de handen alsmede de lichte sensaties en duizeligheden in het hoofd die zij ervaart. Een neurologisch substraat voor hyperventilatie is er bij betrokkene niet.

Zowel op cervicaal als lumbaal niveau is er bij betrokkene sprake van een zeer forse bewegingsbeperking en hypertonie van de paravertebrale musculatuur zonder dat er aanwijzingen zijn te denken op enig niveau van een radiculair irritatie of uitvalsyndroom. Een organische neurologische substraat voor de gevoelsstoornissen in het rechterbeen en/of de bij onderzoek geconstateerde dysmetrie, die bij geïntendeerde bewegingen anderszins niet aanwezig is, ontbreekt.

Op de in het verleden en laatstelijk vervaardigde röntgenopnamen inclusief MRI-scans van de cervicale en lumbale wervelkolom worden weliswaar afwijkingen gezien, maar is er geen sprake van met het trauma samenhangende afwijkingen of afwijkingen die, een deel van, de klachten van betrokkene zouden kunnen verklaren.

Concluderend is er sprake van multipele klachten en verschijnselen bij betrokkene die zich ontwikkeld hebben na het haar overkomen incident doch waarvoor geen neurologisch substraat aanwezig is.

Aanvullend kan, zoals in het verleden in het […] Ziekenhuis in [vestigingsplaats] al is aangegeven, nadere psychiatrische begeleiding c.q. expertise overwogen worden.

(…)

In grote lijnen is er sprake van een consistentie ten aanzien van de overlegde medische dossiers en het verhaal van betrokkene.

Ondergetekende is, anders de eerst geconsulteerde neuroloog, niet van mening dat er bij betrokkene sprake is van een al dan niet traumatisch ontstane hernia op niveau C4-C5 van de cervicale wervelkolom.

(…)

Verwijzend naar hetgeen bij ‘samenvatting en conclusie’ is vermeld, is er bij betrokkene geen sprake van een neurologisch substraat op grond waarvan haar klachten of een deel van de klachten zou kunnen worden verklaard. Mogelijk dat een deel van de klachten van betrokkene (tintelingen in de handen en gelaat, lichte sensaties in het hoofd en mogelijk oorsuizen) verklaard kunnen worden door de aanwezigheid van een hyperventilatiesyndroom doch dit is geen neurologische diagnose dan wel een verschijnsel wat bij betrokkene op neurologische gronden kan worden verklaard.

(…)

Gelet op de beantwoording van de vorige vraagstelling kan op neurologische gronden geen beperkingenprofiel worden aangegeven.”

En verder in zijn aanvullende rapport van 1 mei 2013:

“Waar de begeleidend fysiotherapeut van betrokkene stelt dat door ondergetekende het totale beeld bij betrokkene het gevolg is van chronisch hyperventileren ofwel een hyperventilatiesyndroom, kan ik niet onderschrijven; in de conceptrapportage staat vermeld dat mogelijk een deel van de klachten daarmee zou kunnen worden verklaard doch dat er voor de vele andere klachten geen neurologisch substraat is aan te geven.

(…)

Waar de fysiotherapeut melding maakt van een doorgemaakt acceleratie/deceleratie trauma (whiplash) meent ondergetekende dat betrokkene wel betrokken is geweest bij een trauma, maar dat er geen sprake is geweest van een trauma met een typisch whiplash-mechanisme (achterop aanrijding).”

2.18.

Op 14 maart 2014 heeft [E] naar aanleiding van neuropsychologisch/psychodiagnostisch onderzoek een rapport opgesteld waarin onder meer staat:

“(…)

Wat er uit het geheel van de bevindingen naar voren komt is een beeld dat eigenlijk meer vragen oproept dan het beantwoordt. Een aantal van de bevindingen zijn, althans vanuit het perspectief van ons vakgebied “too bad to be true”. Dit geldt bijvoorbeeld voor het leestempo in de Kleurwoordentaak. Ook het min of meer zwakbegaafde resultaat van het intelligentieonderzoek kan niet worden geaccepteerd als een reële weergave van betrokkenes intellectuele niveau, althans niet in prétraumatisch doen. Evenmin zijn er goede argumenten om intellectverval aannemelijk te achten. In de praktijk ziet men dat hooguit bij enkele patiënten die zeer ernstig cerebraal beschadigd zijn, bijvoorbeeld in het kader van een coma vigil waaruit iemand tegen verwachting in toch nog is ontwaakt. Betrokkenes prestaties zijn over de gehele linie zo zwak dat ze zeer waarschijnlijk vooral een reflectie vormen van betrokkenes klachtenbeeld als diffuus geheel. Opmerkelijk is overigens dat ze spontaan geen cognitieve klachten benoemt, maar vooral een gevoel van uitvalsverschijnselen in de benen met de nadruk op rechts, alsmede pijn in nek en schouders uitstralende naar de armen, vervolgens duizeligheid, oorsuizen en een band om het hoofd. Het is natuurlijk mogelijk dat dit complex aan klachten, met inbegrip van een adequate verwerking (zie de opmerking van haar partner over acceptatie) aanleiding is tot een diffuus beeld waarmee ze ten dele ook beneden haar feitelijke kunnen presteert. Het zou dus kunnen dat hier en daar meetartefacten ontstaan doordat betrokkene eenvoudigweg afgeleid wordt door pijn of parethesieën, of geconfronteerd wordt met een zeker onvermogen en zich daarin vastbijt vanuit emoties die met het al genoemde acceptatieproces te maken hebben.

Tenslotte kan ook de voor betrokkene belastende treinreis een factor zijn geweest, al spreekt de klinische ervaring van de afgelopen jaren dat toch wel enigszins tegen.

Concluderend komen we tot de volgende beantwoording van de vraagstelling:

Ad 1

Er zijn diffuse en globale stoornissen aantoonbaar in het mentale functioneren van betrokkene. Stoornissen in taalgebruik, de regulatie van emoties en gedrag of de helderheid van het bewustzijn hebben we vanuit ons vakgebied bezien niet kunnen vaststellen. Genoemde stoornissen zijn niet specifiek te benoemen, zie overigens Ad 3.

Ad 2

Het is niet aannemelijk dat bovengenoemde stoornissen worden veroorzaakt door een hersenbeschadiging in relatie tot de beschreven toedracht van het ongeval. Indien dat het geval zou zijn geweest, dan zou met posttraumatisch een bewustzijnsdaling van betekenisvolle duur hebben kunnen verwachten, in de vorm van coma en of PTA. Daarvan lijkt geen sprake. Bovendien is naderhand ook sprake geweest van neurologische evaluaties met evenmin conclusies in deze richting.

Tenslotte zijn noch de aard van het klachtenbeeld, noch het beloop van herstel indicatief voor bijvoorbeeld een commotio of een contusio cerebri.

Ad 3

Het lijkt ons waarschijnlijker dat er andere oorzaken zijn van niet cerebrale origine. Daarbij valt te denken aan een pijnsyndroom, verwerkings/acceptatieproblematiek, mogelijk zelfs pre-existente factoren (bij ons overigens niet bekend), een psychiatrische stoornis (hoewel het huidige onderzoek daarvoor geen directe indicatie biedt), medicijngebruik (Oxycodone valt in categorie 2 en heeft dus een licht tot matig negatieve invloed op de rijvaardigheid, maar van dit soort middelen is bekend dat die beïnvloeding al na enkele weken zich matigt.)

Ad 4

Beperkingen die rechtstreeks kunnen worden toegeschreven aan een cerebrale beschadiging als hierboven bedoeld zijn er dus niet, al presenteert betrokkene een beeld dat op zich diverse ernstige beperkingen doet veronderstellen. Maar die liggen dus buiten ons vakgebied.

(…)”

2.19.

[C] , psychiater, heeft als volgt gerapporteerd:

“BESCHOUWING

Centraal in de bevindingen van het huidige psychiatrisch onderzoek staat dat er een zeer grote discrepantie is in het feit dat onderzochte zich presenteert als een ernstig gehandicapt en geïnvalideerd iemand die vrijwel helemaal ADL afhankelijk is geworden en het feit dat er geen somatoneurologische of psychiatrische en neuropsychologische symptomatologie bij haar kan worden aangetoond.

Opmerkelijk is dat onderzochte gedurende de verschillende onderzoeken in de afgelopen jaren steeds heeft gezegd dat ze geen psychische klachten of verschijnselen aan het incident over gehouden heeft, terwijl ze in het recente neuropsychologisch onderzoek bij het invullen van een trauma gerelateerde klachtenlijst zeer vele cognitieve klachten aan geeft. Die konden overigens niet geobjectiveerd worden, terwijl er in datzelfde onderzoek bleek dat er een zeer grote discrepantie is in haar intellectuele prestaties en datgene wat ze volgens haar opleidingsniveau zou moeten kunnen scoren.

Op het ontbreken van psychische klachten en verschijnselen in de in het verleden vermelde anamnetische gegevens is één uitzondering, t.w. dat wat vermeld staat op het (ongedateerde) “Schade-onderbouwingsformulier: Voorschot” van Slachtofferhulp Nederland. Daarin staat dat ze een onveilig gevoel aan het incident overhouden heeft, dat ze bang is voor de eigen veiligheid op en buiten het werk, hetgeen zich uit door een verhoogde alertheid op straat en een angst in het openbaar. Dit gevoegd bij het feit dat ze op dat formulier heeft vermeld dat ze zich heel machteloos heeft gevoeld toen ze zag dat de collega door een van de pupillen in een wurggreep werd gehouden, zou men kunnen denken dat onderzochte lijdende is aan een posttraumatische stress stoornis. In de anamnestische en observationele gegevens van het huidige psychiatrische onderzoek heb ik daar echter geen duidelijke aanwijzingen voor gezien. Ze heeft ook geen voor een dergelijke stoornis typische verschijnselen zoals slaapstoornissen met nachtmerries die thematisch aan het incident zijn gebonden, geen flash backs en geen aanhoudende verhoogde prikkelbaarheid. In de anamnese vermeldt ze op geen enkel moment klachten of verschijnselen die daar ook op zouden kunnen duiden. Een voor de posttraumatische stress stoornis adekwate behandeling (EMDR) bracht geen verandering in het klachtenpatroon.

En last but no least, er zijn in het neuropsychologische onderzoek verschillende aanwijzingen, dat ze zich voor het functie onderzoek niet of onvoldoende wilde c.q. kon inzetten. De neuropsycholoog vermeldt bij dit laatste gegeven overigens dat over de oorzaak van dat onderpresteren geen uitspraak gedaan kan worden, maar hij zegt wel dat een aantal bevindingen te slecht zijn om waar te zijn.

(…)

In mijn differentiaal diagnostiek past naar mijn oordeel de conclusie ‘aggravatie’ het beste bij het geheel van mijn observaties en de hulponderzoeken. Onderzochte zegt dat ze destijds in haar zoektocht naar werk ‘vastigheid’ zocht. Toen ze een half jaar een vaste baan had overkwam haar het genoemde incident waarna ze zich arbeidsongeschikt meldde en waarna er nooit een adekwate behandeling op gang gekomen is voor de door haar genoemde klachten en verschijnselen, sterker nog haar gehele lichamelijke toestand verslechterde in de loop der jaren zodanig dat ze intussen vrijwel invalide en geheel afhankelijk is geworden van de steun van haar directe omgeving. Ze laat er ook geen twijfel over bestaan dat haar toestand mede is verslechterd doordat de aansprakelijke partij niet mee wil werken aan de door haar opgeëiste financiële compensatie voor alle gemiste (levens)kansen, er is een opvallende discrepantie tussen de beweerde beperkingen en de objectieve bevindingen, en ze vertoonde een opvallend gebrek aan medewerking tijdens het diagnostisch onderzoek.

Voor de diagnose ‘nagebootste stoornis’ ontbreken de interne drijfveer en verschijnselen van een intrapsychische noodzaak om de rol van de zieke in stand te houden.

DIAGNOSTISCHE CLASSIFICATIE

As 1: aggravatie (V65.2)

As 2: geen diagnose

As 3: verschillende lichamelijke problemen en klachten waarvoor geen somatoneurologische verklaring is gevonden

2.20.

In de brief van 17 februari 2014 heeft de heer [F] , klinisch psycholoog, het volgende aangegeven:

“Mevrouw [eiseres] komt sinds eind mei 2013 wekelijks op therapiegesprek.

(…)

Patiënte was een vrouw, die actief en avontuurlijk in het leven stond. Ze werkte hard om haar activiteiten en hobby’s te kunnen bekostigen en voelde zich onafhankelijk en vrij. Haar partner en kinderen hebben dezelfde levensstijl. Na het geweldsincident kan ze deze levensstijl niet meer voortzetten en voelt zich als een last voor anderen. Daarnaast heeft de langlopende juridische strijd haar geraakt, omdat ze het gevoel heeft steeds als ‘aansteller’ betiteld te worden.

In de gesprekken komt sterk de lijdenslast van haar huidige situatie naar voren en hoe dit haar kwaliteit van leven heeft geminimaliseerd. Ze verafschuwd haar afhankelijkheid van anderen en het besef wat ze allemaal verloren heeft geeft momenteel vooral veel boosheid /frustratie. De term ‘aggravatie’ verbaast me dan ook vanwege de insinuatie van opzettelijke verergering van de klachten. Dit komt niet overeen met hoe patiënte zich bij mij presenteert. Ze heeft op de meeste vlakken (financieel, sociaal, werk, vrijetijdsbesteding, relationeel, zelfbeeld) veel of alles verloren en zou graag haar oude leven willen oppakken. Om deze reden zie ik niet welke ziektewinst de aggravatie haar geven.”

2.21.

Bij beschikking van deze rechtbank van 25 maart 2015 is het verzoek van [eiseres] tot benoeming van een arbeidsdeskundige en een schade-expert afgewezen. De kantonrechter heeft overwogen:

“5.4 De kantonrechter is met de [gedaagde] van oordeel dat een voorlopig deskundigenbericht met benoeming van een arbeidsdeskundige thans niet zinvol is, omdat uit de thans voorliggende rapporten niet voldoende blijkt dat [eiseres] ten gevolge van het incident schade heeft geleden in de zin van het ontstaan van beperkingen die haar zouden kunnen hinderen bij (bijvoorbeeld) het verrichten van (betaalde) werkzaamheden. Hierbij speelt een rol dat [eiseres] de uitkomsten van de rapportages heeft betwist. In dat geval kan geen beoordelingskader voor een arbeidsdeskundige worden vastgesteld. Bovendien heeft nog geen juridische weging van de rapporten plaatsgevonden en is de vraag naar de toerekenbaarheid van de klachten c.q. beperkingen aan het ongeval (nog) niet beantwoord. Het thans uitbrengen van een arbeidsdeskundige rapportage kan tot gevolg hebben dat de bodemrechter, bij een andere waardering van de reeds uitgebrachte medische rapporten, opnieuw een arbeidsdeskundige rapportage nodig heeft.”

2.22. '

[gedaagde] heeft aan [eiseres] een voorschot onder algemene titel verstrekt van € 30.000,00.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] om

 aan [eiseres] een schadevergoeding te betalen als gevolg van de schade die zij heeft opgelopen in de uitoefening van haar werkzaamheden vanaf 4 september 2008 ter hoogte van:

  1. inkomensterugval € 129.239,40 (voor eventuele toekomstige schade heeft [eiseres] uitdrukkelijk een voorbehoud gemaakt)

  2. immateriële schade € 15.000,00

  3. vervoerskosten € 311,10

  4. kosten huishoudelijke hulp € 27.810,00

  5. rechtsbijstandskosten

-buitengerechtelijke kosten € 36.300,00

-griffierechten € 1.303,75

-advocaatkosten € 54. 951,64

(te verminderen met toe te wijzen buitengerechtelijke kosten)

6) medische kosten

-informatieverzoeken € 329,98

-eigen risico 2008 t/m 2017 € 2.715,00

-niet vergoede medische kosten

Menzis zorgvezekering € 15.360,00

7) belastingschade € 10.120,56

Totaal € 293.751,43

althans een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag waarop het verstrekte voorschot ad € 30.000,00 in mindering strekt.

 de hiervoor vastgestelde (schade)bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 september 2008, de datum van de onrechtmatige gedraging, althans vanaf de data van de respectievelijke betalingen door [eiseres] plaatsvonden, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum tot en met de dag van algehele voldoening,

 ' [gedaagde] te veroordelen om aan [eiseres] te betalen de (na)kosten

3.2. '

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering met als conclusie dat de kantonrechter deze zal afwijzen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het staat vast dat [gedaagde] is tekortgeschoten in haar in artikel 7:658 lid 1 BW omschreven zorgplicht en dat zij aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] heeft geleden en zal lijden als gevolg van het incident op 4 september 2008. Daarmee is [gedaagde] in beginsel verplicht de gehele schade te vergoeden. [gedaagde] is daartoe bij vonnis van de kantonrechter van 20 april 2011, welk vonnis is bekrachtigd door het gerechtshof Amsterdam in het arrest van 15 januari 2013, ook veroordeeld. Als vast komt te staan dat de door [eiseres] gestelde schade niet zou zijn uitgebleven als het incident niet had plaatsgevonden, moet vervolgens beoordeeld worden wat de omvang is van de schade, of/in hoeverre [eiseres] heeft voldaan aan haar schadebeperkingsplicht en in hoeverre de schade aan [gedaagde] kan worden toegerekend. Ook hierover bestaat discussie.

4.2.

[eiseres] heeft aangevoerd dat zij sinds het incident lijdt aan verschillende klachten die tot ernstige beperkingen hebben geleid. Volgens [eiseres] is zij volledig hulpbehoeftig en niet meer in staat om betaald werk en werkzaamheden in de huishouding te verrichten. [gedaagde] heeft op haar beurt verwezen naar de door de drie deskundigen opgestelde rapporten, waaruit volgt dat de door [eiseres] gestelde klachten en beperkingen in objectieve zin niet zijn komen vast te staan. De deskundigen hebben aangegeven dat zij op hun vakgebied geen beperkingen hebben kunnen vaststellen. Uit de rapporten vloeit ook verbazing voort over het verschil tussen de klachten die [eiseres] presenteert enerzijds en de (niet) geconstateerde afwijkingen en beperkingen anderzijds.

4.3.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] de uitkomsten van de deskundigenrapporten betwist. Ook eerder, tijdens de procedure waarbij [eiseres] heeft verzocht om de benoeming van een arbeidsdeskundige en een schade-expert, heeft [eiseres] bezwaren geuit tegen de inhoud van de rapporten. Naar het oordeel van de kantonrechter is echter onvoldoende gesteld of gebleken dat de rapporten inhoudelijk gezien niet voldoen aan de eisen die daaraan redelijkerwijs gesteld mogen worden. De kantonrechter moet constateren dat door [eiseres] geen zwaarwegende bezwaren zijn gesteld aangaande de inhoud van de rapporten. De enkele omstandigheid dat [eiseres] het niet eens is met de conclusies die daarin zijn geformuleerd, is daarvoor onvoldoende. Van de partij die een deskundigenbericht bekritiseert mag worden verlangd dat zij haar stellingen deugdelijk onderbouwt, bijvoorbeeld door een rapport van een andere deskundige in het geding te brengen waarin de conclusies van de deskundige op overtuigende wijze worden weersproken. Aan een brief van de behandelend psycholoog kan die betekenis niet worden toegekend. Nu een deugdelijke onderbouwing van de inhoudelijke kritiek ontbreekt, kan niet worden aangenomen dat sprake is van voldoende zwaarwegende en steekhoudende argumenten tegen de inhoud van de overgelegde rapportages. Deze zullen dan ook als uitgangspunt kunnen dienen voor de afwikkeling van de schade van [eiseres] .

4.4.

Uitgaande van deze rapporten moet worden aangenomen dat objectieve neurologische, neuropsychologische en/of psychiatrische afwijkingen en stoornissen bij [eiseres] ontbreken. [eiseres] heeft aangevoerd dat dit niet in de weg hoeft te staan aan het aannemen van rechtens relevante klachten en beperkingen. [eiseres] is van mening dat haar situatie lijkt op de gevallen als beschreven in de arresten van de Hoge Raad (Hoge Raad 8 juni 2001, NJ 2001, 433 (Zwolsche Algemene/ [achternaam] ); Hoge Raad 20 december 2013, NJ 2014, 128 (Zwolsche Algemene/ [achternaam] II); Hoge Raad 13 februari 2015, RvdW 2015, 318 (London / X). In deze uitspraken gaat het er in essentie om gaat of, ondanks het ontbreken van medische objectieve afwijkingen, sprake is van een plausibel patroon van klachten en beperkingen. Deze plausibiliteitstoets komt neer op een sterk feitelijke beoordeling aan de hand van alle beschikbare informatie, aldus [eiseres] .

4.5.

[eiseres] heeft verder gesteld dat ten aanzien van de bewijslevering van het causale verband evenmin geldt dat een medisch aantoonbare verklaring vereist is en dat het conditio sine qua non-verband in beginsel geleverd is als het slachtoffer voor het ongeval de betreffende gezondheidsklachten niet had, de klachten op zich door het ongeval veroorzaakt kunnen worden en een alternatieve verklaring voor de klachten ontbreekt. [eiseres] heeft er op gewezen dat zij de door haar gestelde klachten voor het voorval niet had (zoals blijkt uit de groene kaart van de huisarts) en dat – al zouden de klachten deels psychisch zijn – geldt dat de schadeveroorzakende partij het slachtoffer moet nemen zoals deze is. Het enkele feit dat het (voort)bestaan van de subjectieve gezondheidsklachten het gevolg is van somatiseren door het slachtoffer, betekent volgens haar ook niet dat het causaal verband tussen deze klachten en het ongeval ontbreekt. Dat is alleen anders wanneer het slachtoffer van het somatiseren in redelijkheid een verwijt kan worden gemaakt of wanneer aannemelijk is dat, gelet op de psychische constitutie van het slachtoffer, ook zonder het ongeval door somatisering vergelijkbare gezondheidsklachten zouden zijn ontstaan. Dit laatste is bij haar niet het geval, aldus [eiseres] .

4.6. '

[gedaagde] is van mening dat niet kan worden geconcludeerd dat er in dit geval ruimte is voor toepassing van de rechtsregel die voortvloeit uit de jurisprudentie van de Hoge Raad betreffende niet-objectiveerbare klachten. Er is geen sprake van een conversiestoornis bij [eiseres] en er kan ook niet worden gesproken van een whiplash-achtige stoornis, aldus [gedaagde] . Verder is er geen psychiatrische stoornis vastgesteld die kan verklaren waarom [eiseres] dermate ernstige, invaliderende klachten naar voren brengt zonder dat die klachten geobjectiveerd kunnen worden. Alles wijst er volgens [gedaagde] op dat de klachten van [eiseres] niet reëel zijn en/of dat deze ingebeeld en/of voorgewend en/of overdreven zijn. [gedaagde] heeft daarbij vermeld dat uit de rapporten van [C] en [E] blijkt dat [eiseres] aan het neuropsychologisch onderzoek niet dan wel onvoldoende medewerking heeft verleend of heeft kunnen verlenen.

4.7.

De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] terecht heeft opgemerkt dat voor het bewijs van het bestaan van haar subjectieve gezondheidsklachten en het verband tussen deze klachten en het voorval niet noodzakelijk is dat bij haar op basis van geldende standaarden een erkend ziektebeeld kan worden vastgesteld. Het valt niet in te zien dat bij de klachten die [eiseres] ondervindt een andere lijn gevolgd zou moeten worden dan bij een klachtenpatroon zoals dat volgt uit de in de door haar aangehaalde arresten. Om die reden is de stelling van [gedaagde] dat door de deskundigen geen afwijkingen op neurologisch gebied zijn vastgesteld en dat op neurologische gronden geen beperkingen zijn aangewezen naar het oordeel van de kantonrechter voor de beoordeling van de stelling van [eiseres] dat sprake is van gezondheidsklachten dan ook niet beslissend. Doorslaggevend is of de klachten van [eiseres] plausibel zijn en of sprake is van causaal verband tussen deze klachten en het incident, maar niet of deze klachten van [eiseres] kunnen worden gekwalificeerd als een objectieve stoornis.

4.8.

Uit de overlegde stukken blijkt dat [eiseres] sinds het incident lijdt aan een groot aantal klachten, waarvoor zij de nodige medicatie gebruikt. De klachten zijn door verschillende deskundigen geconstateerd. Uit de overgelegde rapporten volgt dat het gaat om klachten bestaande uit in ieder geval beperkingen in het bewegen, vermoeidheid, continue bandgevoel om het hoofd, chronische pijn, duizeligheid, concentratieproblemen, moeite met dubbeltaken, intolerantie voor drukte en lawaai, woordvindingproblemen, planningsproblemen, prikkelbaarheid, onzekerheid en angst, hoofdpijn die doortrekt naar nek en schouders, slecht slapen, vergeetachtigheid, incontinentie, visusklachten, zwaar gevoel in de armen, tintelingen in de handen, onvermogen tot het optillen van de benen, en oorsuizen. Naar het oordeel van de kantonrechter kan al met al worden vastgesteld dat zich bij [eiseres] vanaf het incident een consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten heeft vertoond.

4.9.

Gelet op de omvang van het klachtenpatroon van [eiseres] is naar het oordeel van de kantonrechter echter begrijpelijk dat bij [gedaagde] twijfels bestaan of de gestelde klachten wellicht zijn ingebeeld, voorgewend of overdreven, en of deze volledig het gevolg zijn van het ongeval, althans volledig aan het ongeval kunnen worden toegerekend. [C] heeft in zijn rapport bovendien opgemerkt ‘In mijn differentiaal diagnostiek past naar mijn oordeel de conclusie ‘aggravatie’ het beste bij het geheel van mijn observaties en de hulponderzoeken.’ en dat ook vermeld in zijn DSM-analyse. De kantonrechter acht deze vermelding echter onvoldoende voor de conclusie dat [eiseres] haar situatie daadwerkelijk bewust erger voordoet dan deze is. Dit geldt ook als de opmerkingen van [C] en ook [E] over de houding van [eiseres] bij de onderzoeken in aanmerking wordt genomen. Er zou sprake zijn van bevindingen die meer vragen dan antwoorden oproepen, waarbij sommige bevindingen te slecht zijn om waar te zijn, maar wat daarvan de oorzaak is, is niet duidelijk.

4.10.

Naar het oordeel van de kantonrechter is het van belang dat er meer duidelijkheid komt over de opmerking in het rapport [C] over aggravatie. Het komt de kantonrechter daarom geraden voor dat [C] tijdens een nader te bepalen comparitie van partijen een toelichting geeft op dit punt. De kantonrechter beraad zich nog over de nader aan hem voor te leggen vragen.

4.11.

[C] heeft telefonisch te kennen gegeven dat hij bereid is om ter zitting een en ander toe te lichten. Hij zal, net als partijen, door de kantonrechter in de gelegenheid worden gesteld om op te geven op welke dagen hij verhinderd is.

4.12.

De kantonrechter bepaalt dat gelet op de omstandigheden van het onderhavige geval het voorschot op de kosten van de deskundige door [gedaagde] moet worden gedeponeerd. De kantonrechter zal de beslissing over het voorschot ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

4.13.

Tijdens de comparitie van partijen zal ook worden onderzocht op welke wijze [gedaagde] zich na het incident heeft opgesteld ten aanzien van [eiseres] en hoe de re-integratie is verlopen. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [eiseres] de houding van [gedaagde] niet als positief heeft ervaren, waarop namens [gedaagde] enkel werd vermeld dat ter zitting geen personeelsdossier voorhanden was, zodat niet op de opmerking van [eiseres] over de houding van [gedaagde] kon worden ingegaan. Naar het oordeel van de kantonrechter is wel van belang dat er op dit punt duidelijkheid komt, omdat de handelwijze van [gedaagde] mogelijk een rol zou kunnen spelen bij de toename van de gezondheidsklachten die [eiseres] ervaart. [gedaagde] had zich hierop ook moeten voorbereiden. De kantonrechter acht het van belang dat hierover alsnog nadere informatie wordt verstrekt.

4.14.

De kantonrechter wijst erop dat hij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.

De hoogte van de schade

4.15.

De (omvang van de) schade en ook de toerekenbaarheid daarvan aan [gedaagde] komt pas aan de orde als de klachten van [eiseres] en het causale verband tussen de klachten en [eiseres] zijn komen vast te staan. Ook is het de vraag of [eiseres] voldoende heeft gedaan om haar schade te beperken. Vooruitlopend hierop wordt hierna een overzicht gegeven van de verschillende door [eiseres] gevorderde bedragen en de reactie van [gedaagde] .

Inkomensverlies

4.16.

[eiseres] heeft gesteld dat zij uitgaande van een jaarlijks netto-inkomen van € 34.490,50 zonder haar ongeval over de periode 2008 tot en met september 2017 een netto-inkomen van € 342.030,79 zou hebben verdiend en dat zij feitelijk over de periode van 2008 tot en met september 2017 € 212.791,39 heeft verdiend, waardoor zij een netto-inkomensterugval heeft geleden van € 129.239,40. Voor wat betreft de toekomst wenst [eiseres] een voorbehoud te maken.

4.17. '

[gedaagde] heeft geen bezwaren geuit tegen de concrete schadeberekening, met dien verstande dat het gemaakte voorbehoud wat haar betreft niet aan de orde kan zijn. Als het zover is, wil [gedaagde] de zaak in een keer volledig afdoen. [gedaagde] betwist in de eerst plaats echter dat [eiseres] arbeidsongeschikt is en ook dat die arbeidsongeschiktheid het gevolg zou zijn van het incident op 4 september 2008. Het enkele feit dat [eiseres] door het UWV als arbeidsongeschikt wordt aangemerkt betekent volgens [gedaagde] niet dat [eiseres] ook in civielrechtelijke zin arbeidsongeschikt is en dat [gedaagde] de daardoor ontstane schade dient te vergoeden.

4.18.

Een beslissing op dit onderdeel is pas aan de orde als er meer duidelijkheid is over het klachtenpatroon van [eiseres] .

Immateriële schade

4.19.

[eiseres] vordert een bedrag van € 15.000,00 aan immateriële schadevergoeding. Zij heeft gesteld dat zij nog steeds dagelijks wordt geconfronteerd met hoofd-, rug- en nekklachten, psychische klachten en beperkingen in haar bewegingsvrijheid. De klachten beïnvloeden de gemoedstoestand van [eiseres] aanzienlijk, wat tot een blijvend verminderd vermogen om inkomsten uit arbeid te verwerven leidt, aldus [eiseres] .

[gedaagde] heeft betwist dat een bedrag van € 15.000,00 redelijk is.

4.20.

De kantonrechter overweegt dat ook voor de begroting van het smartengeld geldt dat er eerst meer duidelijkheid zal moeten komen over de door [eiseres] gestelde klachten. Bij de begroting van smartengeld heeft de rechter overigens een discretionaire bevoegdheid en mag hij rekening houden met alle omstandigheden van het geval. In geval van lichamelijk letsel dient de rechter daarbij in het bijzonder te letten op de aard en ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor de betrokkene. Ook moet worden gelet op de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen hebben toegekend, rekening houdend met de sinds die uitspraken opgetreden inflatie.

Vervoerskosten

4.21.

Onweersproken is dat [eiseres] diverse vervoerskosten heeft moeten maken die voor vergoeding in aanmerking komen. Indien daaraan wordt toegekomen, zullen de door haar gevorderde kosten van € 311,10 zonder meer worden toegewezen.

Huishoudelijke hulp

4.22.

[eiseres] vordert over de periode van 1 oktober 2008 tot en met 31 augustus 2017 vergoeding van huishoudelijk hulp voor een bedrag van € 27.810,00. Zij heeft gesteld dat zij fysiek niet in staat is om de huishoudelijke werkzaamheden te verrichten en dat haar partner een baan heeft, waardoor huishoudelijk hulp noodzakelijk is. De moeder van haar partner heeft verklaard dat zij [eiseres] vier uur per week helpt. [gedaagde] ziet echter niet in waarom zij een vergoeding voor huishoudelijke hulp zou moeten betalen die mede ten goede komt van de partner van [eiseres] . Mantelzorg komt niet volgens [gedaagde] niet voor vergoeding in aanmerking.

4.23.

De kantonrechter merkt hierover alvast op dat in de rede ligt om bij het bepalen van (de hoogte van) de vergoeding voor huishoudelijke hulp aan te sluiten bij de richtlijn van de Letselschade Raad.

Kosten rechtsbijstand

4.24.

[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten voor een bedrag van € 36.300,00 conform de maximumvergoeding op basis van de PIV-staffel.

Daarnaast verzoek [eiseres] om [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.

[eiseres] vordert tevens veroordeling in de volledige advocaatkosten en griffierechten die zij heeft moeten voldoen om (al) haar vorderingen in rechte te verhalen, te weten € 58.524,39 en € 1.303,75, een en ander verminderd met de reeds door haar ontvangen proceskostenvergoeding van € 3.590,75 en de door de rechtbank toe te wijzen buitengerechtelijke incassokosten. [eiseres] heeft gesteld dat zij deze kosten bij een redelijke houding van [gedaagde] niet had hoeven maken.

4.25. '

[gedaagde] heeft de buitengerechtelijke kosten betwist. Volgens haar zijn voorafgaande aan de voorliggende procedure weinig tot geen buitengerechtelijke werkzaamheden verricht door de advocaat van [eiseres] . De werkzaamheden rechtvaardigen volgens haar in ieder geval niet een bedrag van € 36.300,00. [gedaagde] heeft verder opgemerkt dat [eiseres] een bedrag van € 476,00 aan griffierecht heeft betaald en dat dit bedrag eventueel zal worden verdisconteerd in de proceskosten.

[gedaagde] heeft tenslotte gesteld dat er geen rechtsgrond is voor toewijzing van de gevorderde advocaatkosten, omdat uitgangspunt is dat de proceskostenveroordeling wordt gebaseerd op het liquidatietarief dat door de rechtbank en gerechtshoven wordt gehanteerd en dat er geen reden is om daarvan af te wijken. Zij heeft betwist dat sprake is van een extreem onredelijke houding die maakt dat daarvoor aanleiding zou kunnen bestaan.

4.26.

De kantonrechter overweegt dat voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten dient te worden gesteld en onderbouwd op grond waarvan deze verschuldigd zijn en voorts dat genoemde kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. Uitgangspunt is dat het moet gaan om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiseres] ten aanzien van voormelde criteria voldoende gesteld en onderbouwd om tot toewijzing van het gevorderde te kunnen overgaan. Voor de hoogte van het gevorderde bedrag acht de kantonrechter redelijk om aan te sluiten bij de tabel behorend bij de PIV-overeenkomst. Dit betekent dat de vergoeding afhankelijk zal zijn van de het schadebedrag.

4.27.

Voor vergoeding van de door [eiseres] gevorderde advocaatkosten is naar het oordeel van de kantonrechter geen plaats. Onvoldoende gesteld of gebleken is dat de houding van [gedaagde] daartoe aanleiding geeft.

Medische kosten

4.28.

[eiseres] stelt dat zij kosten heeft moeten maken in verband met het opvragen van medische informatie voor een bedrag van € 329,98. Verder is zij aan haar ziektekostenverzekeraar verschuldigd geworden een bedrag van € 2.715,00 (IZA) en € 310,00 (Menzis). [eiseres] vordert van [gedaagde] betaling van deze bedragen.

4.29. '

[gedaagde] heeft tegen deze bedragen geen bezwaar gemaakt. Wel heeft zij betwist dat de kosten van de door [eiseres] gevolgde energetische therapie gedurende de periode 1 oktober 2008 tot en met 13 september 2013 van € 15.360,00 voor vergoeding in aanmerking komen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] gesteld dat de therapie weliswaar niet is voorgeschreven door een arts, maar dat zij daarbij wel veel baat heeft. Alleen tijdens deze therapie kan [eiseres] zich ontspannen. [gedaagde] is echter van mening dat nog los van het feit dat deze therapie kennelijk niet of nauwelijks effect heeft en kennelijk niet een behandeling is die ingevolge het Besluit Zorgverzekering voor vergoeding in aanmerking komt, de bedragen niet met schriftelijke stukken zijn onderbouwd.

4.30.

De kantonrechter overweegt dat om voor vergoeding in aanmerking te komen niet vereist is dat komt vast te staan dat de behandelingen medisch noodzakelijk zijn. Beslissend is of de betrokkene in de gegeven omstandigheden – waaronder de persoonlijke omstandigheden – redelijk handelde door de desbetreffende behandeling te ondergaan en verder of de kosten daarvan naar hun omvang redelijk zijn. Op grond van één van de kernbeginselen van het schadevergoedingsrecht – het slachtoffer moet zoveel mogelijk worden gebracht in een situatie die vergelijkbaar is met de situatie van het voor het ongeval – is er alle reden om het slachtoffer bij dit soort kosten het voordeel van de twijfel te geven en om in ieder geval belang te hechten aan de perceptie van het slachtoffer ten aanzien van het – door hem ervaren – effect van de ter discussie staande behandelingen. Als de verzekeraar zich tegen vergoeding van bepaalde medische kosten verzet, dienen hoge eisen gesteld te worden aan het verweer van de verzekeraar; de verzekeraar zal gemotiveerd dienen aan te geven waarom in dit geval, gelet op de persoonlijke omstandigheden van het slachtoffer, de medische behandeling niet wenselijk is. Naarmate de met de behandeling gemoeide kosten lager zijn, zijn de aan de stelplicht van de verzekeraar te stellen eisen hoger. (NJ 1963, 61 en NJ 1991, 26)

4.31.

[eiseres] zal tijdens de nader te bepalen comparitie van partijen in gelegenheid worden gesteld om haar vordering op dit onderdeel nader te onderbouwen. [gedaagde] zal daar vervolgens op kunnen reageren.

Toekomstige (belasting)schade

4.32.

De door [eiseres] gevorderde belastingschade van € 10.120,56 is niet toewijsbaar nu [gedaagde] te kennen heeft gegeven dat zij bereid is om - voor zover daaraan wordt toegekomen – een belastinggarantie af te geven.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

beveelt partijen, in persoon (rechtspersonen rechtsgeldig vertegenwoordigd), desgewenst vergezeld van een gemachtigde, om voor de kantonrechter te verschijnen in verband met een door [C] te geven nadere toelichting op zijn rapport en het geven van inlichtingen over wat is vermeld onder 4.10, op een nader, in overleg met partijen en [C] , vast te stellen dag en tijdstip;

5.2.

verwijst de zaak naar de rolzitting van 19 september 2018 te 9.30 uur; op deze rolzitting hoeven partijen niet te verschijnen;

5.3.

bepaalt dat beide partijen en [C] voor of uiterlijk op de hiervoor vermelde rolzitting schriftelijk aan de kantonrechter kunnen opgeven op welke dagen zij in de vier maanden nadien verhinderd zijn; daarvoor gelden de volgende regels:

- bij de opgave dienen partijen ten minste vijftien dagdelen vrij te laten waarop de comparitie zou kunnen plaatsvinden;

- indien partijen bij hun opgave minder dan het hiervoor verzochte aantal dagdelen vrij laten, zal de comparitie kunnen worden bepaald op een niet daarvoor opgegeven dagdeel;

- vervolgens zal een datum en tijdstip voor de comparitie worden bepaald;

- indien partijen geen gebruik maken van de mogelijkheid om verhinderdata op te geven zal de kantonrechter een datum bepalen waarvan dan in beginsel geen uitstel meer mogelijk is;

- voor het opgeven van verhinderdata zal geen uitstel worden verleend;

5.4.

bepaalt voorts dat de comparitie in beginsel niet zal worden uitgesteld nadat daarvoor dag en tijdstip zijn bepaald;

5.5.

bepaalt dat, indien partijen stukken in het geding willen brengen, zij deze tenminste één week voor de comparitie in kopie aan de kantonrechter en aan de wederpartij dienen toe te zenden;

de kosten

5.6.

bepaalt met het oog op de vaststelling van het voorschot ter zake van de kosten van [C] het volgende:

- [C] dient binnen drie weken na de datum van dit vonnis een begroting van zijn kosten op te geven aan kantonrechter, gespecificeerd naar het aantal uren, het uurtarief en de overige kosten;

- de griffie zal bedoelde opgave toezenden aan partijen;

- partijen kunnen binnen twee weken daarna bij de kantonrechter schriftelijk bezwaar maken tegen de begroting;

- indien niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, wordt het voorschot terzake van de kosten van [C] reeds nu voor alsdan vastgesteld op het door de deskundige te begroten bedrag;

- indien wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal het voorschot worden vastgesteld bij afzonderlijke beslissing;

5.7.

bepaalt dat [gedaagde] het bedrag van het voorschot ter griffie moet deponeren binnen twee weken nadat zij een daartoe strekkend betalingsverzoek van de griffie heeft ontvangen;

5.8.

draagt de griffier op om [C] onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot;

5.9.

verklaart de beslissing over het voorschot uitvoerbaar bij voorraad;

de overige beslissingen

5.10.

draagt de griffier op een afschrift van dit vonnis toe te zenden aan [C] ;

5.11.

bepaalt dat de verdere processtukken binnen één week na de datum van dit vonnis aan de deskundige dienen te worden toegezonden door [eiseres] ;

5.12.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.S. Penders, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2018.