Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5615

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-11-2018
Datum publicatie
16-11-2018
Zaaknummer
16.659276-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag en het opzettelijk stichten van brand. Hij heeft een wijnfles gevuld met wasbenzine, met daaraan bevestigd een brandende lont, in een winkel gegooid waarin het slachtoffer zich op dat moment bevond. Gelet op het advies van deskundigen acht de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat het gevaar voor anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis van verdachte voor een termijn van een jaar eist. Tevens is dit de voor verdachte benodigde omgeving om de juiste medicatie te krijgen, daarop ingeregeld te raken en de benodigde behandeling te ondergaan, om vervolgens op enig moment te kunnen kijken naar een passend resocialisatietraject.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16.659276-18 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 16 november 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1978] te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in het Justitieel Complex Zaanstad te Westzaan.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 november 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. R. Leuven en van hetgeen de uitdrukkelijk gemachtigde raadsvrouw van verdachte,

mr. E.L. Gast, advocaat te [vestigingsplaats] , naar voren heeft gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op of omstreeks 13 april 2018 te [vestigingsplaats]

1. heeft geprobeerd om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven door een brandende lont in een fles met (was)benzine in het winkelbedrijf ‘ [winkelbedrijf] ’ te gooien, waarin die [slachtoffer] zich bevond, en daarbij tegen die [slachtoffer] te zeggen “Ga dood!”, waarna brand is ontstaan in voornoemd winkelbedrijf;

2. opzettelijk brand heeft gesticht door de onder 1 genoemde handelingen, waardoor (het meubilair van) voornoemd winkelbedrijf (gedeeltelijk) is verbrand en daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten was.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen voor zover dat een poging tot doodslag betreft. Er zijn weliswaar aanwijzingen voor het plegen van het feit met voorbedachten rade, maar er zijn ook diverse contra-indicaties die tot vrijspraak van de voorbedachten rade dienen te leiden.

Het onder 2 ten laste gelegde acht de officier van justitie eveneens wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van de onder 1 (impliciet primair) ten laste gelegde poging tot moord. Ten aanzien van de onder 1 (impliciet subsidiair) ten laste gelegde poging tot doodslag en de onder 2 ten laste gelegde brandstichting heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

[slachtoffer] (hierna: aangever) heeft, mede namens de rechtspersoon [winkelbedrijf] , aangifte gedaan van brandstichting, gepleegd op 13 april 2018 in [vestigingsplaats] . Aangever heeft onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:

‘Ik zag een persoon met een witte damesfiets mijn winkel voorbij lopen. Tien seconden later zag ik dezelfde persoon in de deuropening van mijn winkel staan. De deur van mijn winkel stond open. Ik zag die persoon een fles naar binnen gooien. Ik denk een wijnfles. Ik zag dat de gegooide fles de vloer van mijn winkel raakte en zag dat er direct een vuurzee ontstond. Deze vuurzee nam direct in omvang toe en kwam ook in mijn richting. Ik voelde direct de hitte van de brand. Ik zag dat de vuurzee groter werd en dat het zwart werd in de winkel.2

In een proces-verbaal van bevindingen is door verbalisanten, dan wel één van hen, onder meer, zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd:

‘Aangever had een filmpje gekregen van omstanders. Aangever herkende op dit filmpje de man van het gooien van de fles in zijn winkel. Verbalisant [verbalisant 1] zag op dit filmpje dat er een man stilstond met een witte fiets. Deze man had grijs/blond haar en een blauwe rugtas. Verbalisant [verbalisant 2] herkende de man op het filmpje direct en voor 100 % als verdachte. Zij had verdachte de dag ervoor gehoord en herkende hem aan zijn gezicht, postuur en stem’3

In een proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het bekijken van camerabeelden van de winkel is onder meer, zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd:

‘Ik zag een man met een blauwe tas op zijn rug en een witte dan wel lichtkleurige fiets. Ik zag dat de man met zijn fiets uit beeld was om 19.51:58. Ik zag vervolgens om 19.52:04 een persoon vanuit de linkerzijde in beeld komen lopen richting de in/uitgang van de winkel. Ik zag dat de man in een versnelde pas richting de in/uitgang liep en ik zag dat hij een voorwerp in zijn linkerhand vasthield en zijn arm naar achteren bracht langs zijn linker oor. Ik zag vervolgens dat de persoon een man betrof en dat hij met zijn linkerhand een voorwerp de winkel in gooide. Ik zag dat dit kennelijk met kracht gebeurde doordat hij zijn gehele lichaam naar voren en naar achteren bracht om kracht te zetten tijdens het gooien. Ik zag dat het voorwerp door de man de winkel ingegooid werd. Ik zag direct nadat het voorwerp de winkel ingegooid werd dat er een steekvlam ontstond. Dit was zichtbaar in de weerspiegeling van de winkelruit en het beeld werd compleet opgelicht. Ik zag dat de man vervolgens wegrende in de richting van waar hij vandaag kwam. Op het moment dat de man uit beeld is, is er een vlammenzee in de winkel zichtbaar en ontstaat er rookontwikkeling in de winkel. De eigenaar van de winkel rent hierna de winkel uit.’4

Uit onderzoek door de politie is gebleken dat de winkel van aangever ongeveer 4 meter breed en 8 meter lang is.5

In het ‘Proces-verbaal Brandoorzaakonderzoek’ is onder meer, zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd:

‘Ik zag in de winkel aan de linkerzijde voor de balie een inbranding en roetvorming aan de houten en glazen vitrinekast. De inbranding verliep van laag naar hoog, dus vanaf vloerniveau naar het plafond. Dit is kenmerkend voor een vloeistofbrand, een poelbrand, vanaf de vloer. De brand had zich ontwikkeld waardoor een deel van het systeemplafond en de houten balkconstructie was aangebrand. Op de vloer voor de balie lagen glasdelen van een groene glazen fles. De hals van de fles was voorzien van een aangebrande lont, waarschijnlijk textiel, en deze was middels de dop gefixeerd. Door mij werd in de naad van het laminaat voor de inbranding in de vitrinekast een naar wasbenzine riekend brandmonster veiliggesteld. De conclusie is dat door de dader een glazen fles, gevuld met wasbenzine (mogelijk circa 700 milliliter) en voorzien van een brandende lont in de winkel is gegooid met het oogmerk brand te stichten. Door deze door de dader gepleegde handelingen, brak de fles, vloeide de ontbrandbare wasbenzine over de vloer en ontstond er brand met gemeen gevaar voor goederen, de winkel en de aaneengesloten bebouwing en bovengelegen woningen en gemeen gevaar voor personen, de aangever en de bovengelegen bewoners.’6

De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

Bewijsoverwegingen feiten 1 en 2

Verdachte heeft de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten ontkend. Gelet op de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank echter wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een fles met wasbenzine, met daaraan bevestigd een brandende lont, de betreffende winkel in heeft gegooid. Het opzettelijk gooien van een dergelijke molotovcocktail in een relatief kleine ruimte levert naar het oordeel van de rechtbank levensgevaar op voor personen die zich daarin bevinden. Zeker als – zoals in het onderhavige geval – de enige manier om te vluchten door/langs het vuur is. De rechtbank is daarom van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte met het opzettelijk gooien van de molotovcocktail opzet op de dood van [slachtoffer] heeft gehad. De rechtbank ziet daarbij aanwijzingen in het dossier dat sprake is geweest van een voorafgaande planning van dit feit, maar het dossier bevat ook diverse contra-indicaties. Er lijkt immers sprake te zijn van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering. Ook is niet uit te sluiten dat de besluitvorming en de uitvoering in plotselinge hevige drift hebben plaatsgevonden. Gelet op de aanwezigheid van deze contra-indicaties acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde met voorbedachten rade heeft begaan, zodat verdachte van dat deel van het onder 1 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

De feiten en omstandigheden die volgen uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen brengen met zich dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag en aan brandstichting, zoals hierna onder 5 omschreven.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op 13 april 2018 te [vestigingsplaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven,

- open vuur, te weten een brandende lont, in aanraking heeft gebracht met een hoeveelheid wasbenzine die zich in een wijnfles bevond en

- vervolgens voormelde brandende lont en wijnfles gevuld met wasbenzine heeft gegooid in winkelbedrijf ' [winkelbedrijf] ' en in de richting van [slachtoffer] die zich op dat moment in voornoemd winkelbedrijf ' [winkelbedrijf] ' bevond, en

- waarna die wijnfles gevuld met wasbenzine op de grond terecht is gekomen en vervolgens is gebroken en voormelde wasbenzine over de grond vloeide en er brand is ontstaan en de brand zich verder heeft verspreid,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

op 13 april 2018 te [vestigingsplaats] opzettelijk brand heeft gesticht door

- open vuur, te weten een brandende lont in aanraking te brengen met een hoeveelheid wasbenzine die zich in een wijnfles bevond en

- vervolgens voormelde brandende lont en wijnfles gevuld met wasbenzine te gooien in winkelbedrijf ' [winkelbedrijf] ' en in de richting van [slachtoffer] die zich op dat moment in voornoemd winkelbedrijf ' [winkelbedrijf] ' bevond, en

- waarna die wijnfles gevuld met wasbenzine op de grond terecht is gekomen en vervolgens is gebroken en voormelde wasbenzine over de grond vloeide en er brand is ontstaan en de brand zich verder heeft verspreid,

ten gevolge waarvan (het meubilair van) winkelbedrijf ' [winkelbedrijf] ' gedeeltelijk is verbrand en daarvan gemeen gevaar voor de aangrenzende percelen van voornoemd winkelbedrijf ' [winkelbedrijf] ' en levensgevaar voor [slachtoffer] te duchten was.

Voor zover in het onder 1 en 2 bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 1:

poging tot doodslag;

feit 2:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Over verdachte zijn de volgende rapporten opgemaakt:

- een Pro Justitia rapport van 13 juni 2018, opgemaakt door A.P. van der Burg, GZ-psycholoog;

- een Pro Justitia rapport van 21 juni 2018, opgemaakt door A.W.M.M. Stevens, psychiater en S.M. van Neerrijnen, rapporteur in opleiding en psychiater.

Het rapport, opgemaakt door voornoemde psychiaters, houdt onder meer het volgende in.

Verdachte is lijdend aan ernstige psychiatrische stoornissen, te weten schizofrenie en een stoornis in alcoholgebruik. Deze stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. Indien het ten laste gelegde bewezen wordt geacht, is het zeer aannemelijk dat de ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens de gedragskeuzes en gedragingen beïnvloed kunnen hebben.

Hoewel er geen delictscenario is te schetsen, zou gezegd kunnen worden, op grond van het huidige beeld en het feit dat zeer aannemelijk is dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde ook psychotisch (en achterdochtig) was, dat het ten laste gelegde hem in ieder geval verminderd toe te rekenen is. De stoornis is van zeer grote invloed geweest op zijn gedrag. Verdachte laat echter dermate bizarre wanen zien dat mogelijk het delictscenario nooit volledig helder zal worden (dus ook niet bij volledige medewerking van verdachte) en het valt zeker niet uit te sluiten en het is aannemelijk dat verdachte het ten laste gelegde geheel niet toe te rekenen is.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft psychiater Van Neerrijnen nader uitleg gegeven over de bevindingen, conclusies en adviezen zoals deze zijn neergelegd in voornoemd rapport en de totstandkoming daarvan. De psychiater heeft als te doen gebruikelijk het concept-rapport, waarin werd geadviseerd verdachte ontoerekeningsvatbaar te verklaren, ingeleverd bij het NIFP. Het NIFP gaf als feedback dat rapporteurs in hun advies ‘teveel op de stoel van de rechter zijn gaan zitten’ en dat het advies in dat kader aangepast diende te worden. Dit heeft geleid tot de inhoud van voornoemde rapportage. Ter zitting heeft psychiater Neerrijnen aangegeven het advies van voornoemde psycholoog te onderschrijven.

Voornoemde psycholoog komt tot vergelijkbare conclusies wat betreft de bij verdachte aanwezige ziekelijke stoornissen. Ten tijde van het ten laste gelegde was er bij verdachte sprake van forse paranoïde wanen, voortkomend uit zijn schizofrene stoornis. Het overlijden van zijn moeder en de dood van zijn kat hebben zijn structurele kwetsbaarheid waarschijnlijk verder onder druk gezet. Met de verder oplopende stress worden zijn paranoïde wanen nog overtuigender en is hij nog minder in staat het onderscheid te maken tussen waan en realiteit.

Het is aannemelijk dat hij dit onderscheid ten tijde van het ten laste gelegde vrijwel niet meer heeft kunnen maken. Dit gecombineerd met het overmatig alcoholgebruik die dag – voortkomend uit de al jaren spelende alcoholafhankelijkheid – heeft tot gevolg gehad dat verdachte zijn op dat moment gewelddadige impulsen niet langer kon controleren. De ziekelijke stoornis beïnvloedde zijn gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde. Omdat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde niet meer in staat is geweest in vrijheid zijn wil te bepalen en andere gedragskeuzen te maken, wordt geadviseerd het ten laste gelegde in het geheel niet aan verdachte toe te rekenen. De psycholoog heeft dit advies tijdens het onderzoek ter terechtzitting nader toegelicht en gehandhaafd.

De rechtbank neemt de conclusies van voornoemde deskundigen over en maakt deze tot de hare. Op basis hiervan is de rechtbank van oordeel dat het hiervoor bewezen verklaarde niet aan verdachte kan worden toegerekend en zal zij verdachte daarom ontslaan van alle rechtsvervolging.

8 OPLEGGING VAN MAATREGEL

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, conform het advies van de onder 7 genoemde deskundigen, gevorderd aan verdachte op te leggen de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor een termijn van een jaar.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging sluit zich aan bij de adviezen van de onder 7 genoemde deskundigen en is van mening dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht en moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Het opleggen van de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis van verdachte voor een termijn van een jaar is in dezen passend.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag alsmede aan brandstichting, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is geweest. Hij heeft een wijnfles gevuld met wasbenzine, met daaraan bevestigd een brandende lont, in een winkel gegooid waarin het slachtoffer zich op dat moment bevond. Dit is een ernstig en gevaarlijk feit. Niet alleen is dit voor het slachtoffer een zeer beangstigende gebeurtenis geweest, maar ook voor omstanders en omwonenden.

De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte

Bij haar beslissing heeft de rechtbank acht geslagen op:

- een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 21 september 2018, waaruit volgt dat verdachte eenmaal door een rechter is veroordeeld ter zake van een drietal strafbare feiten, waaronder een geweldsdelict;

- de hiervoor onder 7 genoemde Pro Justitia rapportages, alsmede hetgeen de psycholoog en de psychiater tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 2 november 2018 naar voren hebben gebracht. De deskundigen achten het recidiverisico hoog. Er bestaat consensus tussen de deskundigen over het advies, namelijk het opleggen van de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis van verdachte voor een termijn van een jaar. De psycholoog geeft aan dat dit dient te gebeuren in combinatie met de juiste medicatie, met name om hem rust en structuur te bieden en zoveel mogelijk stress bij hem weg te nemen. De psychiater rapporteert dat de behandeling verder zou moeten bestaan uit het ontwikkelen van ziektebesef en zieke-inzicht door onder andere psycho-educatie. Het ontwikkelen van (intrinsieke) motivatie tot behandeling moet worden bewerkstelligd. De deskundigen hebben ter zitting desgevraagd aangegeven dat het opleggen van – bijvoorbeeld – TBS met voorwaarden niet haalbaar is, omdat verdachte zich gelet op zijn toestand/problematiek niet aan de te stellen voorwaarden kan houden, en het opleggen van TBS met dwangverpleging een brug te ver is;

- een reclasseringsadvies (beknopt) van Reclassering Nederland, opgesteld door mevrouw C.S. Pruis van 18 juni 2018, waarin zij zich conformeert aan het (aanvankelijke: dat wil zeggen de ontoerekeningsvatbaarheid) advies van de psychiater. Voornoemde Pruis heeft dit advies tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 2 november 2018 nader toegelicht en gehandhaafd.

De op te leggen maatregel

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat het gevaar voor anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis van verdachte voor een termijn van een jaar eist. Tevens is dit de voor verdachte benodigde omgeving om de juiste medicatie te krijgen, daarop ingeregeld te raken en de benodigde behandeling te ondergaan, om vervolgens op enig moment te kunnen kijken naar een passend resocialisatietraject.

9 BENADEELDE PARTIJ

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van

€ 11.478,00. Dit bedrag bestaat uit € 8.478,00 materiële schade en € 3.000 immateriële schade, ten gevolge van de aan verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de hoogte van het toe te kennen bedrag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en heeft ten aanzien van de vordering enkele opmerkingen gemaakt.

De immateriële schade wordt terecht gevorderd. Weliswaar is de casus in de uitspraak die ter onderbouwing bij het voegingsformulier is gevoegd, van een andere orde, maar de hoogte van het bedrag is redelijk. Het gevorderde eigen risico is voldoende aannemelijk. Het verlies aan inkomen is onvoldoende onderbouwd dan wel levert de vordering ten aanzien van deze schadepost een onevenredige belasting op van het strafgeding.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering wegens onvoldoende onderbouwing daarvan, dan wel deze te matigen.

De immateriële schade is onderbouwd met een uitspraak, waarin de casus van een andere orde is dan de onderhavige. Bovendien is onduidelijk in hoeverre familieomstandigheden (overlijden van een familielid) debet zijn geweest aan de omvang van de gestelde schade.

Het gevorderde eigen risico is mogelijk opgesoupeerd door behandelingen die niet met het strafbare feit in verband gebracht kunnen worden. Deze schadepost is onvoldoende onderbouwd. Het verlies aan inkomen is eveneens onvoldoende onderbouwd.

De raadvrouw heeft voorts verzocht de aan de schadevergoedingsmaatregel verbonden vervangende hechtenis op 1 dag te stellen, nu verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van de feiten.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Overwegingen met betrekking tot de materiële schade

Het gevorderde bedrag aan eigen risico is bij de enkele stelling ervan gebleven en is gemotiveerd betwist door de raadsvrouw van verdachte. Wegens onvoldoende onderbouwing zal de benadeelde partij in dat deel van zijn vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Het verlies van inkomen is eveneens gemotiveerd betwist. De onderbouwing van deze schadepost is zeer summier. Bovendien valt deze niet direct te rijmen met de verklaring van aangever – afgelegd op 16 april 2018 – dat hij ‘de winkel heeft opengegooid omdat hij veel vaste klanten heeft die hij wil helpen’. De benadeelde partij zal daarom ook met betrekking tot deze schadepost in zijn vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Overwegingen met betrekking tot de immateriële schade

Naar het oordeel van de rechtbank is vast te komen staan dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden, gelet op de aard en ernst van de feiten waarvan de benadeelde partij het slachtoffer is geworden, en gelet op de door hem gegeven onderbouwing. Deze schade vloeit rechtstreeks voort uit de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten. De uitspraak waar de benadeelde partij ter onderbouwing naar heeft verwezen is echter niet in al zijn facetten een vergelijkbare casus te noemen, nu deze deels van een andere orde is. De rechtbank ziet hierin aanleiding een lager bedrag vast te stellen en toe te kennen.

De rechtbank zal bij de vaststelling van de hoogte van de immateriële schade gebruik maken van haar bevoegdheid de schade te schatten en de rechtbank begroot die schade op een alleszins redelijk te noemen bedrag van € 1.500,00. De rechtbank zal de immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

Conclusie

Vaststaat, gelet op het voorgaande, dat de benadeelde partij als gevolg van de hiervoor onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade op € 1.500,00, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 13 april 2018 tot de dag van volledige betaling.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partij aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 1.500,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 13 april 2018 tot de dag van volledige betaling.

Tegenover niet betaling van dit bedrag staat in beginsel een aanvulling van de betalingsverplichting met 25 dagen hechtenis. De rechtbank ziet echter in de omstandigheid dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar zal worden verklaard, aanleiding de hoogte van het aantal aan te vullen dagen hechtenis te halveren. Dit betekent dat als door verdachte niet wordt betaald, de betalingsverplichting zal worden aangevuld met (afgerond naar beneden) 12 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 36f, 37, 45, 57, 157 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte voor het onder 1 en 2 bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ten aanzien van die feiten;

Oplegging maatregel

- gelast dat verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst voor een termijn van één jaar;

Benadeelde partij [slachtoffer] (feiten 1 en 2)

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 1.500,00, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met wettelijke rente van 13 april 2018 tot de dag van volledige betaling ;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan de benadeelde partij;

  • -

    verklaart de benadeelde partij voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij aan de Staat

€ 1.500,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente van 13 april 2018 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 12 dagen hechtenis;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.K. Oosterling-van der Maarel, voorzitter, mrs.

V.M.A. Sinnige en E. Slager, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.J. Laanstra, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 november 2018.

Mr. Sinnige, voornoemd, is buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

Feit 1:

hij op of omstreeks 13 april 2018 te [vestigingsplaats] , gemeente Gooise Meren, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven,

- open vuur, te weten een brandende lont, althans een brandend voorwerp, in aanraking heeft gebracht met een hoeveelheid (was)benzine, althans met een brandbare stof die zich in een (wijn)fles bevond en/of

- ( vervolgens) voormelde brandende lont en (wijn)fles gevuld met (was)benzine heeft gegooid in en/of in de richting van winkelbedrijf ' [winkelbedrijf] ' en/of in de richting van [slachtoffer] die zich op dat moment in voornoemd winkelbedrijf ' [winkelbedrijf] ' bevond, waarbij hij, verdachte, tegen [slachtoffer] heeft gezegd: "Ga dood!", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of

- waarna en/of waardoor die (wijn)fles gevuld met (was)benzine op de grond terecht is gekomen en/of (vervolgens) is gebroken en voormelde (was)benzine over de grond vloeide en er brand is ontstaan en/of de brand zich verder heeft verspreid,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2:

hij op of omstreeks 13 april 2018 te [vestigingsplaats] , gemeente Gooise Meren, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht door

- open vuur, te weten een brandende lont, althans een brandend voorwerp, in aanraking te brengen met een hoeveelheid (was)benzine, althans met een brandbare stof die zich in een (wijn)fles bevond en/of

- ( vervolgens) voormelde brandende lont en (wijn)fles gevuld met (was)benzine te gooien in en/of in de richting van winkelbedrijf ' [winkelbedrijf] ' en/of in de richting van [slachtoffer] die zich op dat moment in voornoemd winkelbedrijf ' [winkelbedrijf] ' bevond, waarbij hij, verdachte, tegen [slachtoffer] heeft gezegd: "Ga dood!", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of

- waarna en/of waardoor die (wijn)fles gevuld met (was)benzine op de grond terecht is gekomen en/of (vervolgens) is gebroken en voormelde (was)benzine over de grond vloeide en er brand is ontstaan en/of de brand zich verder heeft verspreid,

ten gevolge waarvan (het meubilair van) winkelbedrijf ' [winkelbedrijf] ' geheel of gedeeltelijk is verbrand en daarvan gemeen gevaar voor de aangrenzende perce(e)l(en) van voornoemd winkelbedrijf ' [winkelbedrijf] ', in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor [slachtoffer] en/of winkelend publiek, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer] en/of winkelend publiek, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van genummerd PL0900-2018103097, opgemaakt door politie eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 164. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Pagina’s 38 en 39.

3 Pagina 58.

4 Pagina’s 91 en 92.

5 Pagina 70.

6 Pagina 75, vanaf ‘onderzoek plaats delict. Pagina 76, tot en met de ‘Conclusie’.