Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5606

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-11-2018
Datum publicatie
22-11-2018
Zaaknummer
UTR 18/548 en UTR 18/2430
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bijstand; intrekking; schending inlichtingenplicht; boete.

17 Pw en 18a Pw

Verweerder heeft het recht op bijstand met ingang van 25 februari 2002 ingetrokken en een bedrag van € 257.502,21 van eisers teruggevorderd. Verder heeft verweerder een boete opgelegd van € 8.200,- (in het bestreden besluit verlaagd naar € 4.235,- en in het verweerschrift verlaagd naar € 1.368,91). Uit de verklaringen van eisers volgt dat zij op enig moment over een bedrag van € 250.000,- hebben beschikt. Eisers hebben hier geen melding van gedaan en zij hebben hiermee hun inlichtingenplicht geschonden. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand over de periode in geding niet kan worden vastgesteld. Het ligt op de weg van eisers om aannemelijk te maken dat

zij, indien zij destijds wel aan de inlichtingenplicht zouden hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zouden hebben gehad. Eisers hebben niet aannemelijk hebben gemaakt op welk moment zij over het bedrag van € 250.000,- hebben beschikt. Zij hebben geen objectieve bewijsstukken overgelegd en de verklaringen van zichzelf en van derden zijn met elkaar tegenstrijdig. Verweerder heeft het recht op bijstand over de periode van 25 februari 2002 tot en met 30 november 2016 terecht ingetrokken. Tegen de terugvorderingen zijn geen gronden gericht. De rechtbank is verder van oordeel dat het beroep gericht tegen de opgelegde boete gegrond is. Verweerder is er niet in geslaagd aan te tonen dat bij eisers sprake is geweest van een dermate grote, aan opzet grenzende, mate van nalatigheid dat hen grove schuld kan worden verweten. Er is sprake van gewone verwijtbaarheid. De rechtbank stelt de hoogte van de boete met toepassing van artikel 8:72a van de Awb vast op € 684,45.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 18/548 en UTR 18/2430

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 november 2018 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , te [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. G.J.A.M. Gloudi),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [naam gemeente] , verweerder

(gemachtigde: A.G. Wormgoor).

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2017 (primair besluit I) heeft verweerder de bijstand van eisers met ingang van 25 februari 2002 ingetrokken.

Bij besluit van 8 juni 2017 (primair besluit II) heeft verweerder de over de periode van 25 februari 2002 tot en met 30 november 2016 gemaakte kosten van bijstand tot een bruto bedrag van € 257.502,21 van eisers teruggevorderd.

Bij besluit van 23 januari 2018 (bestreden besluit I) heeft verweerder overeenkomstig het advies van de bezwaarschriftencommissie het bezwaar van eisers tegen primair besluit I ongegrond verklaard en het bezwaar van eisers tegen primair besluit II niet-ontvankelijk verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer UTR 18/548.

Bij besluit van 20 oktober 2017 (primair besluit III) heeft verweerder aan eisers een boete ter hoogte van € 8.200,- opgelegd.

Bij besluit van 23 mei 2018 (bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eisers gedeeltelijk gegrond verklaard en de hoogte van de opgelegde boete gewijzigd naar
€ 4.235,-.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit II ook beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer UTR 18/2430.

Verweerder heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2018. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eisers ontvingen sinds 25 februari 2002 een bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Participatiewet (Pw). Op 25 augustus 2016 hebben eisers middels een wijzigingsformulier doorgegeven dat zij vanaf [2016] een zelfstandige onderneming hebben, te weten juwelierszaak “ [naam juwelierszaak] ” te [vestigingsplaats] . Naar aanleiding van deze melding is verweerder op 29 augustus 2016 een onderzoek naar de rechtmatigheid van de verleende bijstand gestart. De bevindingen hiervan zijn neergelegd in het “Adviesrapport Handhaving” van 28 maart 2017. Vervolgens heeft verweerder bij primair besluit I de bijstand van eisers met ingang van 25 februari 2002 ingetrokken. Bij primair besluit II heeft verweerder de over de periode van 25 februari 2002 tot en met 30 november 2016 gemaakte kosten van bijstand tot een bruto bedrag van € 257.502,21 van eisers teruggevorderd. Bij primair besluit III heeft verweerder aan eisers een boete ter hoogte van € 8.200,- opgelegd.

De intrekking

2. Verweerder heeft zich in het primaire besluit I op het standpunt gesteld dat eisers hun inlichtingenplicht hebben geschonden door geen concreet objectief verifieerbare gegevens te verstrekken over (de herkomst van) het bedrag van € 250.000,- waarover zij zouden hebben beschikt om hun juwelierszaak te starten en over het moment waarop zij over dit bedrag hebben beschikt. Door de schending van de inlichtingenplicht is over de periode van 25 februari 2002 tot en met 30 november 2016 het recht op bijstand niet vast te stellen, aldus verweerder. In het bestreden besluit I heeft verweerder het primaire besluit I gehandhaafd.

3. Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte heeft tegengeworpen dat zij hun inlichtingenplicht hebben geschonden en dat wegens schending van de inlichtingenplicht het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Eisers hebben aan verweerder doorgegeven – zij het wat later – dat zij een eigen onderneming zijn gestart. Ook hebben zij getracht de financiering zo duidelijk mogelijk uit te leggen. Tijdens de hoorzitting in bezwaar hebben zij ook hun boekhouder meegenomen om meer uitleg te geven. Verder is uit het dossier niet af te leiden dat eisers eerder geld hebben geleend ten behoeve van de financiering van hun juwelierszaak. Het scenario van verweerder, dat eisers jarenlang het geld zelf voor handen hadden, is volstrekt onwaarschijnlijk en ook niet de waarheid. Eisers hebben in de jaren tot 2016 terecht bijstand ontvangen. Ten onrechte is de vermeende schending van de inlichtingenplicht uitgerekt en toegepast op alle jaren. Verweerder heeft ten onrechte de vermeende onduidelijkheid over de geldstromen gekoppeld aan het hele tijdvak van de bijstandsuitkering. De intrekking met terugwerkende kracht is niet terecht. Eisers hebben verder in beroep een (ongedateerde) verklaring ondertekend door [A] , [eiser 1] en [B] overgelegd waaruit volgens eisers de juiste gang van zaken blijkt met betrekking tot het door hen geleende bedrag.

4. Nu verweerder de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode strekt de beoordeling zich uit tot de periode van 25 februari 2002 tot en met 23 mei 2017, zijnde de datum van het primaire besluit I.

5. De rechtbank stelt allereerst vast dat eisers hun beroepsgrond dat in de te beoordelen periode sprake is geweest van verschillende bijstandswetten die een verschillende toetsing hanteerden, ter zitting hebben ingetrokken. Daarom beoordeelt de rechtbank deze beroepsgrond niet.

6. Artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet en artikel 17, eerste lid, van respectievelijk de Wet werk en bijstand en de Pw, zoals die achtereenvolgens luiden in de te beoordelen periode, bepalen dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

7. Schending van de inlichtingenplicht levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenplicht zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB, bijvoorbeeld de uitspraak van 12 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1120) kunnen daarbij ook de door de betrokkene in de fase van beroep en hoger beroep alsnog verstrekte gegevens worden betrokken.

8. De rechtbank stelt vast dat uit de verklaringen van eisers, in bijzonder uit de verklaringen die eiser op 14 november 2016 en 19 december 2016 heeft afgelegd, volgt dat zij op enig moment over een bedrag van € 250.000,- hebben beschikt. Aan deze vaststelling doet niet af dat eisers naderhand hebben gesteld niet over een bedrag van € 250.000,- maar over een bedrag van € 170.000,- te hebben beschikt. Eisers hebben immers geen rechtens acceptabele verklaringen gegeven voor het feit dat eiser eerst en tot twee keer toe heeft verklaard dat hij over een bedrag van € 250.000,- heeft beschikt en vervolgens deze verklaring heeft gewijzigd. In dit verband wordt voorts verwezen naar de rechtsoverwegingen 11 en 12 hieronder.

9. De rechtbank is van oordeel dat eisers de op hen rustende inlichtingenplicht hebben geschonden door geen melding bij verweerder te maken van het feit dat zij op enig moment over een bedrag van € 250.000,- hebben beschikt. Het gaat hierbij immers om zaken waarvan het eisers redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Anders dan eisers kennelijk menen, stelt verweerder zich niet op het standpunt dat eisers vanaf 25 februari 2002 over het bedrag van € 250.000,- hebben beschikt, maar stelt verweerder zich op het standpunt dat niet duidelijk is wanneer eisers de beschikking over dit bedrag hebben gekregen. Verweerder kan daarom niet vaststellen of en, zo ja, in hoeverre eisers in de te beoordelen periode in bijstandbehoevende omstandigheden hebben verkeerd. Het is aan eisers om aannemelijk te maken dat zij, indien zij destijds wel aan de inlichtingenplicht zouden hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zouden hebben gehad. Dit betekent dat het aan hen is om aan te tonen op welk moment zij over een bedrag van € 250.000,- hebben beschikt.

10. De rechtbank stelt voorop dat eisers geen objectieve verifieerbare gegevens hebben overgelegd, maar slechts verklaringen van zichzelf en van derden (namelijk vrienden en familie). Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de verklaringen met betrekking tot het bedrag dat zij van de broer van eiser, [B] , zouden hebben geleend om de onderneming [naam juwelierszaak] op te starten tegenstrijdig zijn. Zo heeft eiser tijdens het spreekkamergesprek op 14 november 2016 verklaard dat hij een bedrag van € 250.000,- heeft geleend en dat hij dit contant heeft ontvangen van familieleden. Hij ontving € 9.000,- per keer. Tijdens het spreekkamergesprek op 19 december 2016 heeft eiser verklaard dat hij het gehele bedrag van € 250.000,- in augustus 2016 heeft ontvangen, dat hiervan een bedrag van ongeveer € 30.000,- vanuit Australië naar Nederland is gebracht en dat de overige € 220.000,- is ontvangen via Zweden en Duitsland. Eiser heeft verklaard twee keer een bedrag van € 55.000,- te hebben ontvangen vanuit Duitsland en twee keer een bedrag van € 55.000,- te hebben ontvangen vanuit Zweden. Eisers hebben voorts een verklaring van [C] van 25 juni 2017 overgelegd waarin staat dat hij € 20.000,- cash heeft ontvangen van [B] na hem te hebben ontmoet in Sydney op 25 juli 2016 en dat hij dit heeft meegenomen naar Nederland. Verder staat hier in dat hij eiser op 29 juli 2016 in Amsterdam heeft ontmoet en hem het geld heeft gegeven. Eisers hebben verder een verklaring van afdracht en ontvangst van 24 juli 2016 overgelegd. In deze verklaring staat dat [D] een bedrag van € 150.000,- dat eigendom is van [B] heeft overhandigd aan eiser. Eiser heeft in dit stuk verklaard dat hij een bedrag van € 150.000,- heeft ontvangen van [D] . In een in beroep overgelegde (ongedateerde) schriftelijke verklaring (bijlage bij de brief van eisers’ gemachtigde d.d. 12 juni 2018) staat dat eiser een bedrag van € 250.000,- van zijn broer zou lenen, maar dat hij uiteindelijk maar een bedrag van € 170.000,- heeft geleend, omdat dit voldoende was om de juwelierszaak te beginnen. Een bedrag van € 150.000,- is vervoerd door de heer [D] , afkomstig uit Sydney. Dit is vervoerd naar Stockholm. Eiser en de heer [A] zijn vervolgens met de auto naar Stockholm gegaan om dit geld in ontvangst te nemen en mee te nemen naar Nederland. Het resterende bedrag van € 20.000,- is door de heer en mevrouw [C] , afkomstig uit Sydney, vervoerd vanuit Sydney naar Schiphol en vanuit daar naar [woonplaats].

11. De rechtbank overweegt dat eisers desgevraagd niet hebben kunnen uitleggen waarom de verklaringen met elkaar tegenstrijdig zijn. Voor zover eisers zich op het standpunt hebben gesteld dat zij tijdens de gesprekken met verweerder op ongeoorloofde wijze onder druk zijn gezet, is de rechtbank van oordeel dat hiervoor in het dossier geen aanknopingspunten te vinden zijn. In het rapport van het gesprek van 14 november 2016 is aangevinkt dat eisers de verklaringen zonder enige dwang of druk hebben afgelegd en eisers hebben dit rapport ook ondertekend. Het rapport van het gesprek van 19 december 2016 heeft eiser niet ondertekend, maar eiser heeft hierbij wel aangegeven dat de inhoud daarvan overeenstemt met zijn verklaring, maar dat hij niet tekent voordat zijn boekhouder de verklaring ook heeft doorgenomen. Ook hieruit blijkt niet dat sprake is geweest van ongeoorloofde druk. Bovendien is gesteld noch gebleken dat eisers zich na de gesprekken tot verweerder hebben gewend met de opmerking dat hun verklaringen door uitgeoefende druk niet (geheel) juist zijn geweest. Dit betoog slaagt dan ook niet.

12. Ter zitting is namens eisers aangevoerd dat de in beroep overgelegde ongedateerde schriftelijke verklaring de juiste gang van zaken weergeeft. Zoals eiser ter zitting desgevraagd heeft erkend, is de gang van zaken zoals vermeld in die verklaring niet bijzonder ingewikkeld. Niet valt in te zien waarom eiser dit dan niet tijdens de eerdere gesprekken aan verweerder heeft kunnen vertellen. Deze verklaring is bovendien niet met objectieve verifieerbare bewijzen onderbouwd. Eisers hadden bijvoorbeeld een bewijs van de geldopname door eisers broer, vliegtickets en kopieën van paspoorten en/of visa van de betrokken personen kunnen overleggen. Naar het oordeel van de rechtbank is door eisers niet aannemelijk gemaakt dat voornoemde verklaring de werkelijke gang van zaken weergeeft.

13. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt op welk moment zij over het bedrag van € 250.000,- hebben beschikt. Eisers hebben dus niet aangetoond of en, zo ja, in hoeverre zij in de periode van 25 februari 2002 tot en met 30 november 2016 in bijstandbehoevende omstandigheden hebben verkeerd. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat wegens schending van de inlichtingenplicht eisers’ recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Verweerder heeft het recht op bijstand over de periode van 25 februari 2002 tot en met 30 november 2016 terecht ingetrokken.

14. Het beroep geregistreerd onder zaaknummer UTR 18/548 is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling dan wel veroordeling van verweerder tot vergoeding van renteschade bestaat geen aanleiding.

De terugvordering

15. De rechtbank stelt vast dat eisers geen gronden hebben gericht tegen de niet‑ontvankelijkverklaring van hun bezwaar tegen primair besluit II. Daarom beoordeelt de rechtbank dit gedeelte van het besluit niet.

De boete

16. Verweerder heeft bij primair besluit III aan eisers een boete opgelegd van € 8.200,- wegens schending van de inlichtingenplicht doordat eisers niet tijdig melding hebben gemaakt van het starten van een onderneming en zij geen objectieve en verifieerbare gegevens hebben overgelegd over (verzwegen) vermogen. Het benadelingsbedrag is vastgesteld op een netto bedrag van € 222.262,72, nu over de gehele periode van 25 februari 2002 tot en met 30 november 2016 het recht op bijstand niet is vast te stellen. Verweerder is bij de afstemming van de boete uitgegaan van grove verwijtbaarheid. In beginsel is dan een boete van 75% van het benadelingsbedrag aangewezen, maar het boetebedrag is in dit geval gemaximaliseerd tot € 8.200,-.

17. Bij het bestreden besluit II heeft verweerder het bezwaar van eisers gedeeltelijk gegrond verklaard en het boetebedrag verlaagd naar € 4.235,-. Verweerder heeft overwogen dat bij de vaststelling van het benadelingsbedrag wordt uitgegaan van de door eisers overgelegde verklaring van 24 juli 2016, waarin eiser aangeeft van de heer [D] € 150.000,- te hebben ontvangen dat toebehoort aan zijn broer [B] . Vanwege overschrijding van de vermogensgrens is eisers gedurende de periode van 24 juli 2016 tot en met 30 november 2016 ten onrechte bijstand verstrekt. Het benadelingsbedrag heeft verweerder vastgesteld op € 5.646,75. Verweerder heeft verder overwogen dat sprake is van grove schuld, nu eisers tot en met de bezwaarprocedure in de gelegenheid zijn gesteld om bewijsstukken te overleggen met betrekking tot hun financiële situatie en zij dit hebben nagelaten. Verweerder stelt de boete daarom vast op 75% van het benadelingsbedrag.

18. In het verweerschrift van 23 juli 2018 heeft verweerder aangegeven het boetebedrag te wijzigen naar € 1.026,-. Verweerder heeft overwogen dat de juiste periode waarin verweerder is benadeeld moet worden vastgesteld op 24 juli 2016 tot en met 24 augustus 2016, het moment waarop eisers hebben gemeld dat zij een onderneming zijn gestart. Het benadelingsbedrag heeft verweerder vastgesteld op netto € 1.368,91. Nu sprake is van grove schuld is het boetebedrag vastgesteld op 75 % van het benadelingsbedrag.

19. Op grond van het eerste lid van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Gelet op wat onder rechtsoverweging 18. staat, stelt de rechtbank vast dat verweerder met het verweerschrift een besluit heeft genomen in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb.

20. In het feit dat verweerder heeft erkend dat het bestreden besluit II niet ongewijzigd in stand kan blijven, ziet de rechtbank reeds aanleiding om het beroep tegen het bestreden besluit II gegrond te verklaren en het bestreden besluit II te vernietigen voor zover dat ziet op de benadelingsperiode en de hoogte van het benadelingsbedrag. Wat onder rechtsoverweging 18. staat betekent dat ook primair besluit III voor zover dat ziet op de benadelingsperiode en de hoogte van het benadelingsbedrag onrechtmatig is en dus niet in stand kan blijven. Verweerder is met het in het verweerschrift opgenomen besluit niet volledig tegemoetgekomen aan het beroep van eisers. Het beroep van eisers wordt dan ook op grond van artikel 6:19, eerste lid van de Awb, geacht mede te zijn gericht tegen het besluit zoals dat is genomen met het verweerschrift.

21. Eisers hebben aangevoerd dat zij hun inlichtingenplicht niet hebben geschonden. Eiser heeft op 24 juli 2016 een bedrag gefinancierd gekregen ten behoeve van de juwelierszaak die op [2016] is geopend. Het bedrag dat eiser daarbij heeft ontvangen is een lening en is als zodanig ook gekwalificeerd in de jaarstukken van de onderneming. Dit bedrag kan dus niet worden aangemerkt als middelen in de zin van de wet. Eisers hebben de financiering van de onderneming goed uitgelegd en aan de hand van verifieerbare gegevens voldoende verantwoord. Het enige verwijt dat verweerder eisers kan maken is dat zij te laat melding hebben gemaakt van start van de juwelierszaak, maar het niet tijdig melden levert geen benadeling op ten aanzien van verweerder. De boete is dan ook ten onrechte opgelegd.

22. Artikel 18a, eerste lid, van de Pw bepaalt dat het college een bestuurlijke boete oplegt van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw. Gelet op deze tekst is in het kader van de oplegging van een bestuurlijke boete dus relevant of in de periode waarin het gestelde benadelingsbedrag aan de belanghebbende is verstrekt sprake is geweest van schending van de inlichtingenplicht.

23. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB (bijvoorbeeld de uitspraak van 28 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3024) moet het bestuursorgaan bij het opleggen van een boete wegens schending van de inlichtingenplicht feiten stellen en, voor zover betwist, aantonen dat betrokkene de inlichtingenplicht heeft geschonden. Ook als de besluitvorming over de herziening en de terugvordering vaststaat, dient in het kader van de boete een zelfstandig oordeel over de schending van de inlichtingenplicht te worden gegeven (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 28 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3024, en 25 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2730).

24. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de door eisers overgelegde verklaring van 24 juli 2016, zoals vermeld onder 17., voldoende aangetoond dat eisers de op hen rustende inlichtingenplicht hebben geschonden door in de periode van 24 juli 2016 tot en met 24 augustus 2016 niet te hebben gemeld dat zij beschikten over vermogen. Het gaat hierbij immers om zaken waarvan het eisers redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. De rechtbank verwerpt de stelling van eisers dat zij de op hen rustende inlichtingenplicht niet hebben geschonden, omdat zij het bedrag van € 150.000,- (zoals genoemd onder rechtsoverweging 17.) hebben geleend en dat daarom dit bedrag niet kan worden aangemerkt als middelen in de zin van de wet waarover zij hebben beschikt. Eisers hebben immers niet aannemelijk gemaakt dat zij dit bedrag hebben geleend. In dit verband wijst de rechtbank nog op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 10. tot en met 12. over de tegenstrijdigheid van de verschillende verklaringen. Aan eisers kan van het niet nakomen van de inlichtingenplicht een verwijt worden gemaakt. Verweerder was daarom verplicht een boete op te leggen.

25. Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van grove schuld. Eisers hebben naar eer en geweten gehandeld. Verder hebben zij, samen met hun boekhouder en neef, steeds volledige uitleg gegeven over de gang van zaken. Eisers weten niet wat verweerder nog meer wil horen. Als er al sprake zou zijn van verwijtbaarheid, dan is er sprake van gewone verwijtbaarheid.

26. Voor een weergave van de relevante wetgeving en uitgangspunten bij de beoordeling van de evenredigheid van een bestuurlijke boete wordt verwezen naar de overwegingen 5.1 tot en met 5.11 van de uitspraak van de CRvB van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:12 en de tekst van artikel 18a van de Pw en artikel 2 en 2a van het Boetebesluit socialezekerheidswetten, zoals deze ten tijde in geding luidden.

27. Uit voornoemde uitspraak volgt dat een weging dient plaats te vinden van alle feiten en omstandigheden en dat de hoogte van de boete moet worden afgestemd op de individuele situatie van de betrokkene. Een beboetbare gedraging leidt bij ‘gewone’ verwijtbaarheid tot een boete ter hoogte van 50% van het benadelingsbedrag. Afwijking van dit percentage naar boven is gerechtvaardigd indien sprake is van opzet of grove schuld. Onder opzet wordt in dit verband verstaan: het willens en wetens handelen of nalaten, wat ertoe heeft geleid dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen. Onder grove schuld wordt verstaan: een ernstige, aan opzet grenzende, mate van nalatigheid, waardoor ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen. Aangezien opzet of grove schuld zijn te beschouwen als verzwarende omstandigheden, die zullen leiden tot een hogere boete, ligt het op de weg van het bestuursorgaan om aan te tonen dat daarvan sprake is. Afwijking van dit percentage naar beneden is aangewezen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid bij de overtreder. Het bestuursorgaan dient op basis van de beschikbare informatie, zo nodig aangevuld met door de betrokkene nader te verstrekken inlichtingen of gegevens, te beoordelen of sprake is van verminderde verwijtbaarheid (zie ook de uitspraak van de CRvB van 2 januari 2018, ECLI:NLCRVB:2018:6).

28. Verweerder is er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd om aan te tonen dat sprake is van grove schuld. Verweerder heeft aangevoerd dat eisers tot en met de bezwaarprocedure in de gelegenheid gesteld zijn om bewijsstukken te overleggen met betrekking tot hun financiële situatie en dat zij dit hebben nagelaten. Daarmee heeft verweerder niet aangetoond dat sprake is van grove schuld. De aangevoerde omstandigheden onderscheiden zich immers niet in doorslaggevende mate van de situatie van ‘gewone’ verwijtbaarheid. Dat eisers na het verzoek daartoe van verweerder geen bewijsstukken hebben overgelegd met betrekking tot hun financiële situatie, ziet niet op de schending van de inlichtingenplicht als gevolg waarvan ten onrechte bijstand is ontvangen en de daarbij horende benadelingsperiode. Immers, eisers wordt verweten dat zij de inlichtingenplicht hebben geschonden door er geen melding van te maken dat zij beschikten over vermogen. Daarna is hen gevraagd informatie over de herkomst van dat vermogen te verstrekken en het moment waarop zij over dit vermogen beschikken. Dat zij dat niet (voldoende) hebben gedaan, ziet echter op een gedraging van na het verwijt dat hen wordt gemaakt, namelijk het niet melden van vermogen.

29. Uit wat onder 28. staat volgt dat ter zake van de schending van de inlichtingenplicht door eisers geen sprake is van verzwarende omstandigheden. Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat sprake is van ‘gewone’ verwijtbaarheid. Dit betekent dat 50% van het benadelingsbedrag een passend uitgangspunt is bij de afstemming van de boete op het aspect van verwijtbaarheid. Dit zou neerkomen op een naar beneden afgerond bedrag van (netto € 1.368,91  2 =) netto € 684,45.

30. In de onder 26. vermelde uitspraak van de CRvB van 11 januari 2016 volgt dat als uitgangspunt geldt dat betrokkene een boete bij normale verwijtbaarheid binnen 12 maanden kan voldoen. Voor de bepaling van de fictieve (minimum-) draagkracht bij personen met een inkomen op bijstandsniveau moet in beginsel steeds 10% van de toepasselijke bijstandsnorm worden aangehouden. De rechtbank verwijst hierbij naar een uitspraak van de CRvB van

16 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1816).

31. Ter vaststelling van de fictieve draagkracht van eisers gaat de rechtbank uit van een inkomen op bijstandsniveau naar de norm voor gehuwden. De bijstandsnorm voor gehuwden is met ingang van 1 juli 2018 vastgesteld op € 1.423,66. De fictieve draagkracht van eisers kan worden vastgesteld op € 1.708,32 (= 12 x 10% van € 1.423,66). Gelet hierop kunnen eisers binnen 12 maanden de boete ter hoogte van € 684,45 voldoen. De stellingen van eisers dat zij vanaf 1 februari 2018 in het geheel geen inkomen hebben, dat sprake is van een huurachterstand en van een dreigende ontruiming zijn niet nader onderbouwd, zodat de rechtbank hierin geen reden ziet voor een verdere matiging van de boete.

32. Zoals reeds geoordeeld in onder 20. is het beroep tegen het bestreden besluit II gegrond en dient het bestreden besluit II te worden vernietigd, voor zover het betreft de benadelingsperiode en de hoogte van de opgelegde boete. Uit het voorgaande volgt dat ook het besluit dat is genomen in het verweerschrift dient te worden vernietigd, voor zover het betreft de hoogte van de opgelegde boete. De rechtbank ziet aanleiding om zelf te voorzien door het primair besluit III in zoverre te herroepen en de rechtbank stelt de hoogte van de boete met toepassing van artikel 8:72a van de Awb vast op € 684,45,-. Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit II en van het vernietigde gedeelte van het in het verweerschrift opgenomen besluit.

33. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

34. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank kent geen punten toe voor het indienen van het bezwaarschrift en het verschijnen ter hoorzitting, nu verweerder deze kosten al bij het bestreden besluit II heeft vergoed.

35. Het verzoek van eisers om verweerder te veroordelen tot vergoeding van eventuele renteschade is niet gemotiveerd en onderbouwd. Daarom wijst de rechtbank dit verzoek af.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart het beroep geregistreerd onder zaaknummer UTR 18/548 ongegrond;

 verklaart het beroep geregistreerd onder zaaknummer UTR 18/2430 gegrond;

 vernietigt het bestreden besluit II voor zover dat ziet op de benadelingsperiode en de hoogte van de boete;

 vernietigt het in het verweerschrift van 23 juli 2018 opgenomen besluit voor zover dat ziet op de hoogte van de opgelegde boete;

 herroept het primaire besluit III, voor zover dat ziet op de benadelingsperiode en de hoogte van de boete;

 stelt de hoogte van de boete vast op € 684,45,-;

 bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit II en het vernietigde gedeelte van het in het verweerschrift van 23 juli 2018 opgenomen besluit;

 draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eisers te vergoeden;

 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.002,-; en

 wijst het verzoek om verweerder te veroordelen tot vergoeding van renteschade af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, voorzitter, en mr. M. Ramsaroep en mr. J.G. Nicholson, leden, in aanwezigheid van L.S. Lodder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 november 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.