Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5592

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-11-2018
Datum publicatie
15-11-2018
Zaaknummer
16/660185-17 (P)
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 38-jarige automobilist uit Utrecht die twee jaar geleden een fietser schepte en vervolgens doorreed is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk. Ook moet hij voor de periode van één jaar zijn rijbewijs inleveren.

Op 26 november 2016 reed de man in een BMW van een vriend met hoge snelheid over de kruising van de Pijperlaan met de Leidseweg in Utrecht. Op de kruising kwam de man in botsing met een fietser waardoor het slachtoffer door de lucht werd geslingerd en verderop op straat terecht kwam. De verdachte is na het ongeluk doorgereden terwijl hij wist dat de fietser letsel had en hulp nodig had. Pas na enkele uren kon de politie de automobilist aanhouden. Hij bleek tijdens het autorijden onder invloed van alcohol te zijn geweest.

Het slachtoffer heeft nog altijd veel last van het ongeluk. Volgens een medisch rapport kan hij nooit meer voluit rennen of springen. De rechtbank noemt het rijgedrag van de automobilist zeer kwalijk. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank gekeken naar straffen in vergelijkbare zaken. Naast de gevangenisstraf en het inleveren van zijn rijbewijs komt de man onder reclasseringstoezicht en moet hij meewerken aan een gedragsinterventie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/660185-17 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 15 november 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [postcode] te [woonplaats] .

1
1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 november 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. H. Leepel en van hetgeen verdachte en mr. T.C. Schouten, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de slachtofferverklaring en vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij, de heer [slachtoffer] , bijgestaan door mr. E. van Esser.

2
2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1 primair:

zich op 26 november 2016 te Utrecht als bestuurder van een personenauto zodanig heeft gedragen dat aan zijn schuld te wijten is dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend te rijden, waardoor fietser [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen;

feit 1 subsidiair:

op 26 november 2016 te Utrecht als bestuurder van een personenauto gevaar op de weg heeft veroorzaakt en/of verkeer op de weg heeft gehinderd, waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen;

feit 2:
zich op 26 november 2016 te Utrecht schuldig heeft gemaakt aan het verlaten van de plaats van het ongeval terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat aan een ander, te weten [slachtoffer] , letsel en/of schade was toegebracht en/of terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat een ander in hulpeloze toestand werd achtergelaten.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair en het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Verdachte heeft zeer onvoorzichtig gereden door onder invloed van alcohol met een te hoge snelheid op de rijbaan voor rechtsaf auto’s in te halen en vervolgens rechtdoor te rijden en te onvoorzichtig een kruising te naderen waardoor hij in botsing is gekomen met het slachtoffer. Vervolgens heeft verdachte de plaats van ongeval verlaten, terwijl hij wist dat er een aanrijding had plaatsgevonden en dat deze persoon zich in hulpeloze toestand zou kunnen bevinden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak van het onder feit 1 primair aan verdachte ten laste gelegde bepleit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat verdachte te hard heeft gereden. Voorst is de inhaalmanoeuvre via de voor rechts afslaand verkeer bestemde rijbaan niet aan te merken als aanmerkelijk onvoorzichtig gedrag en heeft deze inhaalmanoeuvre ook niet geleid tot het verkeersongeval. Omdat een ander het glas wodka 7-up voor verdachte heeft ingeschonken, was verdachte zich er niet van bewust dat hij iets teveel alcohol had gedronken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen feit 1 primair en feit 2 1

De rechtbank gaat op grond van de bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 26 november 2016, omstreeks 23.51 uur, vond er op het kruispunt van de [straatnaam 1]

met de [straatnaam 2] een verkeersongeval plaats tussen een personenauto en een fietser.

De personenauto, te weten een BMW, reed voorafgaand aan het ongeval over de [straatnaam 1] komende uit de richting van het [straatnaam 3] en gaande in de richting van [straatnaam 4] . De fietser kwam vanuit de richting van de [straatnaam 5] en wilde de rijbaan van de [straatnaam 1] oversteken. Op de kruising werd de fietser aangereden door de BMW. Als gevolg van dit ongeval raakte de fietser gewond. De bestuurder van de BMW heeft na het ongeval de plaats van het ongeval verlaten.2

De [straatnaam 1] is een voorrangsweg gelegen binnen de bebouwde kom in de gemeente Utrecht. De ter plaatse maximum toegestane snelheid betreft 50 km/uur voor motorvoertuigen. Ter plaatse was de rijbaan, voor en na het kruisingsvlak, door middel van een verhoogde verkeersgeleider verdeeld in twee rijbanen. Voor het kruispunt was de rechterrijbaan door middel van geblokte markering en vlak voor de stopstreep door middel van een dubbel doorgetrokken streep verdeeld in een rijstrook bestemd voor rechtdoor gaand verkeer en een voorsorteerstrook bestemd voor rechtsaf slaand verkeer naar de [straatnaam 2] . Ter hoogte van de plaats van het ongeval was rechts een aansluiting met de [straatnaam 2] . Links was een aansluiting met een fietspad dat liep vanaf de [straatnaam 5] en aansloot op de [straatnaam 1] . In het verlengde van dit fietspad was een plaats waar fietsers pleegden de [straatnaam 1] over te steken. Na het kruispunt bestond de rechter rijbaan slechts uit één rijstrook bestemd voor rechtdoor gaand verkeer.

De aanwezige verkeerslichteninstallatie bleek elke dag om 23.00 uur op “geel knipperen” te gaan. Dit hield in dat de installatie op het moment van het ongeval op “geel knipperen” stond. 3

Verdachte heeft verklaard dat hij op de avond van 26 november 2016 in de BMW van zijn vriend [A] heeft gereden, daarmee een aanrijding heeft veroorzaakt en vervolgens is doorgereden. Verdachte heeft verder verklaard dat hij, voordat hij in de auto is gestapt, één wodka-Sprite heeft gedronken.4 Verdachte verklaarde dat hij (ter hoogte van de [straatnaam 6] ) de auto’s die afsloegen in de richting van het [naam] hotel heeft ingehaald. Tevens verklaarde hij dat het kan kloppen dat hij nog meer auto’s, tussen de [straatnaam 6] en de kruising waar het ongeluk gebeurde, rechts heeft ingehaald.

Verder verklaarde verdachte dat de ruit van de BMW na de aanrijding gedeukt en gebarsten was en dat zijn vriend [A] , bijrijder van de BMW, direct na de aanrijding zei: “Het is een fietser”.5 Ter zitting verklaarde verdachte: “Ik heb geremd direct na de aanrijding. Daarvoor heb ik niet geremd”.6

Getuige [getuige 1] verklaarde dat hij op 26 november 2016 samen met vier vrienden over het fietspad tussen de [straatnaam 5] en de [straatnaam 1] te Utrecht fietste. [getuige 1] zag dat [slachtoffer] de kruising fietsend overstak. [getuige 1] zag en hoorde dat er een auto, een zwarte BMW, met hoge snelheid over de [straatnaam 1] reed in de richting van [straatnaam 4] . De auto had een hogere snelheid dan de overige auto’s die door de auto rechts werden ingehaald. De auto sloeg niet rechtsaf, maar reed plots in de richting van de [straatnaam 4] over de kruising waar [slachtoffer] overstak. [getuige 1] zag dat de auto [slachtoffer] aanreed en dat de auto vervolgens doorreed terwijl [slachtoffer] op de auto lag. [slachtoffer] viel verderop van de auto. De auto reed weg, zonder dat er een inzittende uitstapte. [getuige 1] schatte de snelheid van de auto op ongeveer 70 km/uur.7

Getuige [getuige 2] stond op 26 november 2016 omstreeks 23.50 uur stil op de [straatnaam 2] te Utrecht. Hij had zicht op de [straatnaam 1] en zag een aantal fietsers uit tegengestelde richting aankomen. Hij zag dat de persoon, die achter het groepje aanfietste, ook de [straatnaam 1] overstak toen er vanuit de richting van het [straatnaam 3] een donkere BMW aan kwam rijden. Hij zag dat deze auto heel hard tegen de fietser aanreed. [getuige 2] had het idee dat de snelheid van de BMW heel hoog was. Hij zag dat de persoon op de fiets hoog door de lucht vloog en verderop het wegdek terechtkwam. Hij zag dat de BMW niet stopte en vol gas doorreed.8

De bijrijder van de BMW, [A] , heeft verklaard dat hij dacht dat verdachte ten tijde van het ongeluk zo’n 60 à 70 km/uur reed.9

Het NFI heeft een tijdscorrectie toegepast op het ademalcoholgehalte van verdachte van

175 microgram alcohol per liter adem (ug/l) dat op 27 november 2016 om 02:52 uur is vastgesteld. Uit dit NFI-onderzoek blijkt dat het bloedalcoholgehalte van verdachte in een tijdsduur van ongeveer 3 uur zal zijn afgenomen met 0,30 tot 0,75 mg/ml. Hieruit volgt dat het ademalcoholgehalte op 26 november 2016 omstreeks 23.50 uur waarschijnlijk gelegen zal hebben tussen 305 en 500 microgram alcohol per liter adem (ug/l).10

Blijkens het door [bedrijfsnaam] opgestelde medisch advies heeft [slachtoffer] door de aanrijding onder andere gebitsletsel en wonden in het aangezicht opgelopen. Voorts is bij hem sprake van een fractuur in het middenhandsbeentje in het verlengde van de duim en fracturen in de linkerknie en kuitbeen. [slachtoffer] heeft door het ongeval meerdere operaties moeten ondergaan. Na revalidatie heeft hij minder klachten, maar voluit rennen en springen is nog niet mogelijk en wordt ook niet meer verwacht.11

Bewijsoverwegingen

Feit 1

De vraag die de rechtbank ten aanzien van het eerste tenlastegelegde feit dient te beantwoorden is of verdachte zich zodanig heeft gedragen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994). Daarvan is sprake in geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Bij deze beoordeling komt het aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat verdachte, na het inhalen van auto’s die afsloegen naar het [naam] -hotel, op de rijbaan voor rechtsafslaand verkeer is blijven rijden en dat hij pas net voor de kruising waar de aanrijding heeft plaatsgevonden weer op de rijbaan voor rechtdoor is gaan rijden. Fietsers die de [straatnaam 1] oversteken, zoals [slachtoffer] , hoeven er niet op te rekenen dat auto’s die op de rijbaan voor rechtsafslaand verkeer rijden, toch rechtdoor rijden. Een andere omstandigheid die heeft geleid tot het ongeval is dat verdachte reed met een hogere snelheid dan de maximumsnelheid van 50 km/uur die was toegestaan en hij het kruispunt heeft genaderd zonder af te remmen. Daarnaast was verdachte onder invloed van alcohol.

De rechtbank is op grond van deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, van oordeel dat het rijgedrag van verdachte is aan te merken als zeer onvoorzichtig en onoplettend.

De rechtbank merkt het hiervoor bij de bewijsmiddelen genoemde lichamelijk letsel dat

[slachtoffer] ten gevolge van de aanrijding heeft opgelopen aan als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 6 van de WVW 1994.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

Uit het gegeven dat de bijrijder direct na de aanrijding riep dat verdachte een fietser had aangereden én het feit dat de voorruit van de auto gebarsten was, concludeert de rechtbank dat verdachte wist dat hij een persoon had geraakt en dat deze persoon letsel en/of schade moet hebben gehad als gevolg van de aanrijding.

Naar het oordeel van de rechtbank is er daarnaast ook sprake van dat verdachte het slachtoffer na de aanrijding in hulpeloze toestand heeft achtergelaten. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het slachtoffer ernstig gewond op de weg is achtergebleven en dat hij afhankelijk was van de hulp van derden. Weliswaar waren er vrienden en andere omstanders in de nabije omgeving aanwezig die de huldiensten hebben gebeld, maar dit maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het slachtoffer zich daardoor niet in hulpeloze toestand bevond. Het aanwezig zijn van anderen en het door hen bieden van hulp betreft immers een van de wil en het gedrag van de verdachte onafhankelijke omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte niet opheft. Voor straffeloosheid is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende dat de bij een verkeersongeval betrokkene er gemakshalve op vertrouwt dat omstanders voor het slachtoffer zullen zorgen, zonder dat hem is gebleken dat die hulp op dat moment daadwerkelijk wordt geboden. Een dergelijke visie staat haaks op de ratio van de strafbaarstelling, waarbij van de bij het ongeval betrokkene wordt gevergd dat hij zich bekommert om het hulpbehoevende slachtoffer. Het is zijn plicht om een ander bij te staan indien deze ten gevolge van het ongeval ernstig gewond is (vgl. Kamerstukken II 1990/91, 22030, 3 (MvT), p. 70.) Vast staat dat verdachte dat niet heeft gedaan.

Uit het voorgaande volgt dat verdacht zich schuldig heeft gemaakt aan het verlaten van een plaats ongeval in de zin van artikel 7 WVW.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Feit 1 primair:

op 26 november 2016 te Utrecht als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder

van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, [straatnaam 1]

(overgaande in de [straatnaam 4] ), en gekomen bij de kruising van die

[straatnaam 1] met de [straatnaam 2] , en op welke kruising voornoemde [straatnaam 1] is

onderverdeeld in twee rijstroken, waarbij de rechter rijstrook bestemd is voor rechts afslaand verkeer en de linker rijstrook bestemd is voor recht doorgaand verkeer, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend,

- aldaar te rijden terwijl hij onder invloed van alcohol was en

- te rijden met een hogere snelheid dan de toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur en

- met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig over voornoemde rechter rijstrook, bestemd voor rechts afslaand verkeer, te rijden en

- de op de linker rijstrook bevindende motorrijtuig(en) rechts in te halen en

- vervolgens voornoemde kruising zonder de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig te verminderen te naderen en

- voornoemde kruising op te rijden om rechtdoor zijn weg over de [straatnaam 1] (in de richting van de [straatnaam 4] ) te vervolgen en

- de snelheid van zijn motorrijtuig niet zodanig te regelen dat hij in staat was om zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, ten gevolge waarvan hij tegen een voor hem op die weg rijdende verkeersdeelnemer (fietser) gebotst is, waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten

- een of meer wonden in het gezicht en

- een breuk in vinger en/of hand en

- letsel aan het gebit en

- breuken in het been en de knie

werd toegebracht.

Feit 2:

op 26 november 2016 te Utrecht op de [straatnaam 1] als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto), door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist, aan een ander letsel en schade was toegebracht en,terwijl daardoor, naar hij wist, een ander aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht in

hulpeloze toestand werd achtergelaten.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 1 primair:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht;

feit 2 primair:

overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

  • -

    een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd voor de duur van twee jaren met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij Reclassering Nederland en deelname aan de gedragsinterventie CoVa of Cova+ of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden;

  • -

    een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaren, met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs vóór het tijdstip waarop de straf ingaat, ingevorderd en ingehouden is geweest.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen. Verdachte heeft een baan als vertegenwoordiger en inkoper en hij heeft zijn rijbewijs nodig voor zijn werk.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van de straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van de artikelen 6 en 7 van de Wegenverkeerswet door met zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag een ongeluk te veroorzaken en vervolgens door te rijden en het slachtoffer in hulpeloze toestand achter te laten. Verdachte heeft onder invloed van alcohol en met een te hoge snelheid kort voor de kruising gewisseld naar de rijbaan voor rechtdoor, waarbij hij zonder af te remmen de kruising heeft genaderd, waarbij hij op het slachtoffer is gebotst.

Het slachtoffer werd hierdoor door de lucht geslingerd en bleef verderop zwaar gewond op straat liggen.

Het slachtoffer bleek wonden in het gezicht, een breuk in de hand, letsel aan zijn gebit en breuken in het been en de knie te hebben. Later zou blijken dat meerdere operaties nodig waren, maar dat desondanks volledig herstel van het slachtoffer uit zou blijven. Zo zou het slachtoffer volgens het medisch rapport van 24 september 2018 waarschijnlijk nooit meer voluit kunnen rennen en springen. Blijkens de op de zitting voorgelezen slachtoffer-verklaring wordt het slachtoffer nog iedere dag geconfronteerd met de gevolgen van de aanrijding. Zijn leven heeft gedurende langere tijd stilgestaan. Ook op andere betrokkenen, zoals de familie en vrienden van het slachtoffer, heeft de aanrijding enorme impact gehad.

Na het ongeluk is verdachte niet gestopt om zich om het slachtoffer te bekommeren, maar is hij doorgereden terwijl hij wist dat aan het slachtoffer letsel en schade was toegebracht door de aanrijding en terwijl hij wist dat het slachtoffer hulpbehoevend was. Verdachte kon pas na opsporingsactiviteiten uren later worden aangehouden. Dit gedrag rekent de rechtbank de verdachte zeer aan.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank de geldende oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt genomen. Het LOVS geeft ten aanzien van het overtreden van artikel 6 Wegenverkeerswet onder invloed van alcohol (<570 ug/l), waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaren. Met betrekking tot het overtreden van artikel 7 Wegenverkeerswet geeft het LOVS geen oriëntatiepunt.

De rechtbank heeft gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van

20 september 2018. Uit dit uittreksel volgt, voor zover relevant, dat verdachte in 2015 is veroordeeld voor het begaan van een snelheidsovertreding. Dit betrekt de rechtbank in het nadeel van verdachte bij het bepalen van een passende straf.

De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het reclasseringsadvies van 19 oktober 2018. Daaruit blijkt dat verdachte het moeilijk vindt om over het delict en zijn verantwoordelijkheid daarbij te praten. De reclassering adviseert een gedeelte van de straf voorwaardelijk op te leggen, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en deelname aan de gedragsinterventie CoVa of Cova+ of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden.

De rechtbank merkt op dat de redelijke termijn net niet is overschreden, maar dat de rechtbank bij de op te leggen straf wel in strafmatigende zin rekening zal houden met het forse tijdsverloop tussen de aanrijding en de terechtzitting.

Gelet op het zeer kwalijke rijgedrag van verdachte, de omstandigheid dat hij de plaats van het ongeval heeft verlaten en de gevolgen van het ongeluk voor het slachtoffer, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lagere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering gesteld is geweest. De rechtbank zal daarvan 4 maanden voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van 2 jaren en met de bijzondere voorwaarden dat verdachte zich zal houden aan de meldplicht bij de reclassering en het volgen van een gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden.

Daarnaast zal de rechtbank verdachte ten aanzien van het onder feit 1 primair bewezen verklaarde een ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen voor de duur van 1 jaar. De rechtbank acht 1 jaar passend gelet op voornoemd tijdsverloop en de door de verdediging aangevoerde persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank zal bepalen dat de duur van deze ontzegging wordt verminderd met de tijd gedurende welke het rijbewijs vóór het tijdstip waarop de straf ingaat, ingevorderd en ingehouden is geweest.

9 TEN AANZIEN VAN DE BENADEELDE PARTIJ EN DE SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Het slachtoffer heeft in zijn vordering benadeelde partij aangegeven dat de immateriële schade op een bedrag van €6.000,- moet worden vastgesteld. Hierbij is verwezen naar uitspraken in soortgelijke zaken. Reeds €3.500,- is door de verzekering aan het slachtoffer uitgekeerd. Het slachtoffer vordert in deze strafzaak het resterende bedrag van €2.500,- aan immateriële schade.

9.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de resterende €2.500,- immateriële schade toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij te matigen. Zij stelt zich op het standpunt dat de door de benadeelde partij aangehaalde uitspraken niet te vergelijken zijn met deze zaak, nu de slachtoffers in de andere zaken langer in het ziekenhuis hebben verbleven dan het slachtoffer in deze zaak. In deze zaak zou dus niet, zoals gevorderd, meer moeten worden toegewezen dan in die andere zaken, maar juist minder.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering. Zij overweegt daartoe het volgende.

Vaststaat dat door de verzekering al een uitkering aan het slachtoffer is gedaan in de vorm van een voorschot op de immateriële schade. Nu de schade civielrechtelijk wordt afgehandeld en de rechtbank dat civielrechtelijke traject niet wil doorkruisen, waarbij de rechtbank overigens ook maar over een selectie van het schadedossier beschikt en zodoende de omvang van de schade ook niet goed kan begroten, zal zij de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering, zal de benadeelde partij in de kosten van verdachte worden veroordeeld voor zover deze betrekking hebben op het verweer tegen de vordering. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen:

- 14 a, 14b, 14c, 14d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en

- 175, 176 en 179 van de WVW 1994

zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde bewezen, zoals hiervoor in rubriek 5 vermeld;

  • -

    verklaart het onder 1 primair en onder 2 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart het onder 1 primair en onder 2 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf en maatregel

  • -

    veroordeelt verdachte voor het onder 1 primair en onder 2 bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden;

  • -

    beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 4 (vier) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd:

zich binnen twee dagen na zijn detentie zal melden bij de reclassering op het adres [adres] te [vestigingsplaats] , zolang en zo frequent als de reclassering dit noodzakelijk acht;

- mee zal werken aan de gedragsinterventie CoVa of Cova+ of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de

naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- ontzegt verdachte ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde

de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 (één) jaar;

- bepaalt dat de duur van de ontzegging wordt verminderd met de tijd gedurende

welke het rijbewijs vóór het tijdstip waarop de straf ingaat, ingevorderd en ingehouden is geweest;

Benadeelde partij [slachtoffer]

- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering;

- bepaalt dat de benadeelde partij zijn vordering slechts aan kan brengen bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte voor zover deze betrekking hebben op het verweer tegen de vordering. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.W.V. van Duursen, voorzitter, mrs. J.G. van Ommeren en D. Riani el Achhab, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Harskamp-Snoeren, griffier,

en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 november 2018.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 26 november 2016 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een

motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, [straatnaam 1]

(overgaande in de [straatnaam 4] ), en gekomen bij de kruising van die

[straatnaam 1] met de [straatnaam 2] , en op welke kruising voornoemde [straatnaam 1] is

onderverdeeld in twee rijstroken, waarbij de rechter rijstrook bestemd is voor

rechts afslaand verkeer en de linker rijstrook bestemd is voor recht door

gaand verkeer,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval

heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of

onoplettend,

- aldaar te rijden terwijl hij onder invloed van alcohol was, althans na

voorafgaand gebruik van alcohol en/of

- te rijden met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de toegestane

maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, althans met een hogere snelheid dan

ter plaatse voor veilig verkeer verantwoord was en/of

- met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig over voornoemde rechter

rijstrook, bestemd voor rechts afslaand verkeer, te rijden terwijl het zicht

op de kruising werd belemmerd en/of beperkt door de zich op de linkerrijstrook

bevindende motorrijtuig(en) en/of

- de op de linker rijstrook bevindende motorrijtuig(en) rechts in te halen

en/of

- ( vervolgens) voornoemde kruising zonder de snelheid van het door hem,

verdachte, bestuurde motorrijtuig te verminderen te naderen en/of

- niet voldoende aandacht te hebben voor het verkeer en/of de veiligheid en/of

de verkeerssituatie ter plaatse en/of

- voornoemde kruising op te rijden om rechtdoor zijn weg over de [straatnaam 1]

(in de richting van de [straatnaam 4] ) te vervolgen en/of

- de snelheid van zijn motorrijtuig niet zodanig te regelen dat hij in staat

was om zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover

hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, ten gevolge waarvan hij

tegen een voor hem op die weg rijdende verkeersdeelnemer (fietser) gebotst is,

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten

- een hersenschudding en/of

- een of meer wonden en/of littekens in het gezicht en/of

- een of meer breuken en/of doorgesneden zenuwen en/of pezen in een of meer

vinger(s) en/of hand(en) en/of

- een of meer letsel(s) aan het gebit en/of

- een of meer kneuzingen aan de longen en/of voet(en) en/of

- een of meer breuken in de/het been/benen en/of de knie,

of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte

of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

Subsidiair

hij, op of omstreeks 26 november 2016, te Utrecht, althans in het

arrondissement Midden-Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto), daarmee rijdende op de weg, [straatnaam 1] (overgaande in de [straatnaam 4]

), en gekomen bij de kruising van die [straatnaam 1] met de [straatnaam 2] , en

op welke kruising voornoemde [straatnaam 1] is onderverdeeld in twee rijstroken,

waarbij de rechter rijstrook bestemd is voor rechts afslaand verkeer en de

linker rijstrook bestemd is voor rechtdoor gaand verkeer,

- aldaar heeft gereden terwijl hij onder invloed van alcohol was, althans na

voorafgaand gebruik van alcohol en/of

- heeft gereden met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de toegestane

maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, althans met een hogere snelheid dan

ter plaatse voor veilig verkeer verantwoord was en/of

- met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig over voornoemde rechter

rijstrook, bestemd voor rechts afslaand verkeer, heeft gereden terwijl het

zicht op de kruising werd belemmerd en/of beperkt door de zich op de

linkerrijstrook bevindende motorrijtuig(en) en/of

- de op de linker rijstrook bevindende motorrijtuig(en) rechts heeft ingehaald

en/of

- ( vervolgens) voornoemde kruising zonder de snelheid van het door hem,

verdachte, bestuurde motorrijtuig te verminderen heeft genaderd en/of

- niet voldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer en/of de veiligheid

en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of

- voornoemde kruising is opgereden om rechtdoor zijn weg over de [straatnaam 1]

(in de richting van de [straatnaam 4] ) te vervolgen en/of

- de snelheid van zijn motorrijtuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in

staat was om zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand

waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, ten gevolge

waarvan hij tegen een voor hem op die weg rijdende verkeersdeelnemer (fietser)

gebotst is,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

2.

hij op of omstreeks 26 november 2016 te Utrecht, althans in het

arrondissement Midden-Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto), die bij een verkeersongeval op/aan de [straatnaam 1] was betrokken

of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt,

de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten,

terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan

een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en/of schade was toegebracht

en/of

terwijl daardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander

(te weten [slachtoffer] ) aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in

hulpeloze toestand werd achtergelaten;

art 7 lid 1 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlage opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 17 januari 2017, genummerd PL0900-2016367034, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 1 tot en met 144. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Een proces-verbaal Verlaten plaats ongeval BVH: 2016367034, pagina’s 91.

3 Een proces-verbaal Verlaten plaats ongeval BVH: 2016367034, pagina’s 93 en 94

4 Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer 2016367034-19 pagina’s 50 e.v.

5 Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer 2016367034-29 pagina’s 61 e.v.

6 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 1 november 2018.

7 Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] met nummer 2016367034-17 pagina’s 32 e.v.

8 Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] met nummer 2016367034-2, pagina’s 34 e.v.

9 Een proces-verbaal van verhoor van verdachte [A] met nummer 2016367034-20, pagina’s 43 e.v.

10 Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 3 januari 2018, getiteld ‘Herberekening ademalcoholgehalte’, pagina’s 136 e.v.

11 Een geneeskundige verklaring opgesteld door [bedrijfsnaam] , gedateerd op 24 september 2018.