Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5554

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-09-2018
Datum publicatie
19-11-2018
Zaaknummer
16/213316-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het onttrekken van goederen aan beslag, op welke goederen beslag is gelegd door deurwaarder. Verweer dat beslag niet beklijft omdat verdachte geen eigenaar was van de goederen ttv beslaglegging, verworpen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/213316-15 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 7 september 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats]

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:

( [postcode] ) [woonplaats] , [adres]

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

De zaak is op 24 augustus 2016 en 18 november 2016 behandeld bij de politierechter in deze rechtbank. De politierechter heeft op 18 november 2016 de zaak verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 24 augustus 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. C. Ament en van hetgeen verdachte en mr. C.F. Korvinus, advocaat te Amsterdam, alsmede de benadeelde partij en/of slachtoffer [slachtoffer 1] naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1 primair

in de periode van 16 januari 2013 tot en met 20 februari 2013 in Utrecht goederen waarop door de gerechtsdeurwaarder, op grond van een beschikking van de voorzieningenrechter, beslag was gelegd, aan dat beslag heeft onttrokken en/of in die periode goederen toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft verduisterd;

feit 1 subsidiair

in de periode van 16 januari 2013 tot en met 20 februari 2013 in Utrecht goederen waarop door de gerechtsdeurwaarder, op grond van een beschikking van de voorzieningenrechter, beslag was gelegd, aan dat beslag heeft onttrokken en/of in die periode goederen toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gestolen;

feit 2 op 14 februari 2013 in Doesburg [slachtoffer 3] heeft opgelicht.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend te bewijzen. De officier van justitie acht het onder 2 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte dient hiervan vrijgesproken te worden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte ten tijde van de beslaglegging geen eigenaar van de goederen was. Het eigendom berustte geheel bij [bedrijfsnaam 1] B.V. en daarom kon de beslaglegging niet bekleven. Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat verdachte gerechtigd was over een deel van de inventaris te beschikken omdat hij deze deels had afbetaald en de door hem meegenomen goederen (inmiddels) zijn eigendom waren.

Ook ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman vrijspraak bepleit nu verdachte eigenaar was van de goederen en deze niet afkomstig waren van diefstal of verduistering.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

vrijspraak feit 2

De rechtbank is, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Het dossier bevat daartoe onvoldoende aanknopingspunten.

De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde feit.

4.3.2

Bewijsmiddelen 1 feit 1 primair

[slachtoffer 1] heeft op 11 februari 2013 aangifte gedaan. Hij is eigenaar van het pand aan de [adres] te [vestigingsplaats] , welk pand werd gehuurd door [verdachte] . Op 13 augustus 2012 had hij conservatoir beslag laten leggen op de inventaris van het pand aan de [adres] te [vestigingsplaats] omdat [verdachte] een huurachterstand had. Op 9 februari 2013 was hij het pand binnengegaan en constateerde dat er inventaris uit het pand was onttrokken aan de beslaglegging. Uit de inventaris waren onder andere weggenomen: printers, diverse keukenapparatuur, meerdere stukken meubilair en een hoeveelheid keukengerei.2

[slachtoffer 2] had hem, [slachtoffer 1] , een volmacht gegeven om uit zijn naam de weggenomen spullen terug te krijgen zodat hij op die manier een gedeelte van de huurachterstand voldaan kon krijgen.3

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij het pand aan de [adres] te [vestigingsplaats] had verkocht aan [slachtoffer 1] . [verdachte] had een deel van de lening met betrekking tot de inventaris afbetaald, maar niet alles. Helder was dat [verdachte] alle goederen mocht gebruiken en dat de inventaris zijn eigendom zou worden als alles afbetaald was. 4

Op 21 april 2011 is een gebruiks-/ en koopovereenkomst opgesteld tussen [slachtoffer 2] , eigenaar, en [verdachte] , gebruiker, betreffende de slagerij, met de daarbij behorende inventaris, aan de [adres] te [vestigingsplaats] . Daarin is onder andere opgenomen dat [voorletters van verdachte] de bij de slagerij behorende inventaris op elk moment kan kopen van de eigenaar. waarbij [verdachte] eigenaar wordt op het moment dat de gehele koopsom door hem is betaald.5

Op 10 augustus 2012 is door de gerechtsdeurwaarder [A] , op verzoek van [slachtoffer 1] en krachtens een beschikking van 8 augustus 2012 gegeven door de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht, conservatoir beslag gelegd op de inventaris van de Slagerij [naam] aan de [adres] te [vestigingsplaats] , waaronder keukenapparatuur, meubilair, een printer en keukengerei.6

Op 22 februari 2013 hebben verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] in Nijmegen beslag gelegd op goederen die zich in een loods van het bedrijf [bedrijfsnaam 2] bevonden. [B] had deze goederen op verzoek van [verdachte] uit Utrecht gehaald en van verdachte gekocht.7 Onder de goederen bevonden zich onder andere keukenapparatuur, meubilair en keukengerei.8

Verdachte heeft verklaard dat hij het pand aan de [adres] in [vestigingsplaats] vanaf 2011 huurde van [slachtoffer 2] en dat hij de inventaris van dat pand in bruikleen had. Later had [slachtoffer 1] het pand gekocht van [slachtoffer 2] . Hij, [verdachte] , was geen eigenaar van de inventaris. Door de deurwaarder was er beslag gelegd op de inventaris van de slagerij. In de periode van 16 januari 2013 tot en met de eerste week van februari 2013 had hij een deel van de inventaris verkocht aan zijn ouders. Een deel van de inventaris is daarna verkocht aan [bedrijfsnaam 2] .9

Bewijsoverweging

Door de gerechtsdeurwaarder is op 10 augustus 2012, op grond van een beschikking van de voorzieningenrechter, conservatoir beslag gelegd op de inventaris van de slagerij die verdachte huurde. Dat verdachte meende dat er geen beslag gelegd kon worden omdat hijzelf geen eigenaar van de goederen was, maakt dat niet anders. Verdachte heeft de beslaglegging ook niet aangevochten, zodat het beslag is blijven bestaan. Verdachte was op de hoogte van de beslaglegging.

Uit de bruikleenovereenkomst volgt dat verdachte pas eigenaar zou zijn van de inventaris op het moment dat hij deze volledig had afbetaald. Door verdachte is de inventaris (groten)deels afbetaald. Verdachte heeft de inventaris nooit helemaal afbetaald en is daardoor op geen enkel moment eigenaar geworden van de inventaris of een deel daarvan.

Verdachte heeft opzettelijk delen van de inventaris die hij in bruikleen had, waaronder ook goederen/voorwerpen waarop beslag was gelegd door de deurwaarder, uit de slagerij weggehaald.

De rechtbank acht op grond van het vorenstaande het onder 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1 primair

in de periode gelegen tussen 16 januari 2013 en 20 februari 2013 te Utrecht, opzettelijk goederen (onder meer: keukenapparatuur en meubilair en een printer en keukengerei), waarop door de gerechtsdeurwaarder op 10 augustus 2012 uit kracht van/op grond van een beschikking gegeven door de Voorzieningenrechter bij de Rechtbank Midden-Nederland op 8 augustus 2012, beslag was gelegd, aan dat beslag heeft onttrokken,

en

in de periode gelegen tussen 16 januari 2013 en 20 februari 2013 te Utrecht, opzettelijk meerdere goederen (onder meer: keukenapparatuur en keukengerei), toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , welke goederen verdachte anders dan door misdrijf, te weten als huurder/houder, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1 primair meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

feit 1 primair

opzettelijk enig goed aan het krachtens de wet daarop gelegde beslag onttrekken

en

verduistering.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een taakstraf van 60 uren, met aftrek van het voorarrest, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 30 dagen hechtenis, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit en heeft zich, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, gerefereerd aan de eis van de officier van justitie.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan onttrekking van diverse goederen aan het daarop gelegde beslag. Door zijn handelen heeft verdachte het openbaar gezag niet geëerbiedigd, inbreuk gemaakt op het ongestoorde beslag en de gang van het recht gefrustreerd.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 16 juli 2018, waaruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten.

De rechtbank houdt bij het opleggen van de straf er rekening mee dat verdachte na het plegen van het bewezenverklaarde op 11 februari 2014 is veroordeeld tot een geldboete van

€ 500,00, subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis. De rechtbank heeft de voorschriften toegepast die gelden voor de situatie waarin verdachte een straf zou zijn opgelegd voor alle feiten tegelijk.

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van schending van de redelijke termijn. Op 11 maart 2013 is verdachte door de politie gehoord over de ten laste gelegde feiten. Dit moment geldt als een moment waarop vanwege de Nederlandse Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. Op 7 september 2018 wordt uitspraak in deze zaak gedaan. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden met ongeveer drieënhalf jaar is geschonden. De rechtbank zal hier bij de strafoplegging rekening mee houden.

Indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden zou de rechtbank een geheel voorwaardelijke taakstraf van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis, hebben opgelegd.

De rechtbank zal in het voordeel van verdachte rekening houden met (eendaadse) samenloop van het onder feit 1 primair bewezenverklaarde.

De rechtbank acht, alles afwegende, een taakstraf van 55 uren, bij het niet verrichten te vervangen door 27 dagen hechtenis, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden.

9 BESLAG

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de onder [B] in beslag genomen goederen terug te geven aan de rechthebbende, [slachtoffer 1] .

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het standpunt van de officier van justitie.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde en onder [B] in beslag genomen voorwerpen, aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende van deze voorwerpen kan worden aangemerkt, te weten [slachtoffer 1] .

10 BENADEELDE PARTIJ

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 38.286,65. Dit bedrag bestaat uit materiële schade, ten gevolge van de aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feiten.

Ter terechtzitting heeft de benadeelde partij de vordering bijgesteld in die zin dat de vordering zich beperkt tot een bedrag van € 23.286,65, zijnde de niet betaalde huurkosten.

10.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij af te wijzen, nu de gevorderde kosten niet direct een gevolg zijn van het tenlastegelegde handelen van verdachte.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het standpunt van de officier van justitie.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering nu niet, althans onvoldoende is gebleken van een direct verband tussen de gestelde schade, zijnde achterstallige huurkosten, en het onder 1 primair bewezen verklaarde feit. De benadeelde partij kan de vordering – nakoming van betalingsverplichtingen uit de huurovereenkomst - bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn vordering, zullen de kosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 55, 63, 198 en 321 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder 1 primair meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1 primair bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 55 uren;

- beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 27 dagen hechtenis;

- bepaalt dat de taakstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Beslag

- gelast de teruggave aan de rechthebbende [slachtoffer 1] van de volgende voorwerpen:

- hakblok, hout,

- 6 stellingen, merk Rea,

- slagerij weegschaal,

- kassa en weegschaal,

- vacuümtrekker,

- snijtafel,

- hakblok, kunststof,

- heteluchtoven, merk Culion,

- diverse schalen, kleur zwart,

- 3 werktafels,

- dieptekoeler, merk Gourmet,

- ijzeren (was)bak,

- Cutter

- vleeskar, metaal met wielen.

Benadeelde partij

- verklaart [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Falkmann, voorzitter, mrs. H.A. Gerritse en

A.R. Creutzberg, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 september 2018.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1. primair

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode gelegen tussen 16 januari 2013 en 20 februari 2013 te Utrecht, in elk geval in Nederland, opzettelijk een of meer goederen (onder meer: keukenapparatuur en/of meubilair en/of een printer en/of keukengerei), waarop door de gerechtsdeurwaarder op 10 augustus 2012 uit kracht van/op grond van een beschikking gegeven door de Voorzieningenrechter bij de Rechtbank Midden-Nederland op 8 augustus 2012, in elk geval krachtens de wet, beslag was gelegd, aan dat beslag heeft onttrokken”,

en/of

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode gelegen tussen 16 januari 2013 en 20 februari 2013 te Utrecht, in elk geval in Nederland, opzettelijk een of meerdere goederen (onder meer: keukenapparatuur en/of meubilair en/of een printer en/of keukengerei), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als huurder/houder, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

subsidiair

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode gelegen tussen 16 januari 2013 en 20 februari 2013 te Utrecht, in elk geval in Nederland, opzettelijk een of meer goederen (onder meet: keukenapparatuur en/of meubilair en/of een printer en/of keukengerei), waarop door de gerechtsdeurwaarder op 10 augustus 2012 uit kracht van/op grond van een beschikking gegeven door de Voorzieningenrechter bij de Rechtbank Midden-Nederland op 8 augustus 2012, in elk geval krachtens de wet, beslag was gelegd, aan dat beslag heeft onttrokken”,

en/of

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode gelegen tussen 16 januari 2013 tot en met 20 februari 2013 te Utrecht, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer goederen (onder meer: keukenapparatuur en/of meubilair en/of een printer en/of keukengerei) in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2.

hij op of omstreeks 14 februari 2013 te Doesburg, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 3] heeft bewogen tot de afgifte van geld (te weten: 650,-), in elk geval van enig goed, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid -zich voorgedaan als eigenaar van een of meer goederen (te weten:

keukenapparatuur en/of kantinemeubileur); en/of

-via een advertentie op de website marktplaats.nl genoemde goederen aangeboden; en/of

-een afspraak gemaakt met die [slachtoffer 3] voor de verkoop van een of meer goederen; en/of

-die [slachtoffer 3] een deegmachine en/of een grilloven verkocht, waardoor die [slachtoffer 3] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 29 augustus 2013, genummerd PL091A-2013193763 Z, opgemaakt door politie Utrecht, district Utrecht Stad. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 11 februari 2013, met bijlagen, proces-verbaal nummer PL083H 2013013956-1.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] bij de rechter-commissaris van 20 januari 2017.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris van 20 januari 2017.

5 Een geschrift inhoudende een afschrift van een gebruiks- en koopovereenkomst tussen [slachtoffer 2] en [verdachte] van 21 april 2011.

6 Een geschrift inhoudende een afschrift van een proces-verbaal van conservatoire beslaglegging van 10 augustus 2012, opgemaakt door [A] , gerechtsdeurwaarder.

7 Een proces-verbaal van bevindingen van 22 februari 2013, met bijlagen, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , onder nummer PL081Z-2013016560-4.

8 Diverse kennisgevingen van inbeslagneming, opgenomen als bijlage bij het proces-verbaal van bevindingen van 22 februari 2013, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] onder nummer PL081Z-2013016560-4.

9 Verklaring van verdachte [verdachte] , afgelegd ter terechtzitting van 24 augustus 2018.