Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5552

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-09-2018
Datum publicatie
19-11-2018
Zaaknummer
16/655378-12 tul
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

tul toegewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/655378-12

Datum: 7 september 2018

BESLISSING NA VOORWAARDELIJKE VEROORDELING

Beslissing van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie in dit arrondissement, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 17 juli 2018, strekkende tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, die is opgelegd bij het onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige kamer in deze rechtbank van 21 mei 2012, in de zaak tegen de veroordeelde:

[veroordeelde]

geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats] (Marokko)

zonder vaste woon-/ of verblijfplaats in Nederland

thans uit anderen hoofde gedetineerd in de [verblijfplaats]

hierna te noemen: veroordeelde

De rechtbank heeft acht geslagen op de zich in het dossier van de veroordeelde bevindende stukken, waaronder:

- voormeld vonnis, waarbij de veroordeelde is veroordeeld tot - kort gezegd - een gevangenisstraf van 509 dagen, met aftrek, waarvan 365 dagen voorwaardelijk, waarbij de proeftijd is bepaald op 2 jaren, met als bijzondere voorwaarden dat:

o veroordeelde zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de reclassering van [instelling 1] ;

o veroordeelde zich daartoe, indien hij daartoe wordt opgeroepen, dient te melden bij de reclassering van [instelling 1] , aan de [adres] te [plaatsnaam] en dat veroordeelde zich hierna gedurende door de reclassering van [instelling 1] te bepalen perioden blijft melden zo frequent als deze instelling gedurende deze perioden nodig acht;

o veroordeelde met ingang van 29 juni 2012 zal verblijven in en zal meewerken aan een klinische behandeling in de [instelling 2] in [plaatsnaam] of een soortgelijke instelling voor de duur van maximaal 12 maanden of zo veel korter als de leiding van die inrichting in overleg met de reclassering noodzakelijk acht;

  • -

    een afschrift van het vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 19 december 2012, waarbij de tenuitvoerlegging is gelast van een gedeelte, groot 65 dagen, van voornoemde voorwaardelijke gevangenisstraf;

  • -

    een afschrift van de beslissing van de politierechter in deze rechtbank van 17 januari 2018, waarbij de tenuitvoerlegging is gelast van een gedeelte, groot 2 maanden, van voornoemde voorwaardelijke gevangenisstraf;

  • -

    rapport advies opdrachtgever toezicht van GGZ reclassering [instelling 3] [plaatsnaam] van 3 juli 2018, opgesteld door [A] , reclasseringswerker, waarin de reclassering de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafdeel adviseert omdat veroordeelde niet heeft meegewerkt aan de voorwaarden;

  • -

    de vordering van de officier van justitie van 16 juli 2018 tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden op de openbare terechtzitting van 24 augustus 2018, waarbij de officier van justitie mr. C. Ament aanwezig was.

De raadsman van veroordeelde, mr. A.M.P.M. Adank, heeft op 3 augustus 2018 bericht dat hij zich terugtrekt als raadsman van veroordeelde.

De veroordeelde heeft door middel van een schriftelijke verklaring laten weten afstand te doen van zijn recht om ter terechtzitting aanwezig te zijn.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de rapportage van [instelling 3] van 3 juli 2018, waarin staat vermeld dat veroordeelde meerdere keren niet op gemaakte afspraken is verschenen en dat veroordeelde uiteindelijk telefonisch ook niet meer bereikbaar was. In overleg met de betrokken instanties is veroordeelde eerder opgenomen geweest in het [instelling 4] . [instelling 4] is bedoeld voor personen als veroordeelde, die tot ongewenst vreemdeling zijn verklaard. Veroordeelde wenste daar niet mee te werken aan de behandeling. De huidige situatie is dat veroordeelde niet meewerkt aan de begeleiding van de reclassering en niet klinisch opgenomen en behandeld kan worden voor zijn problematiek. De reclassering adviseert de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf ten uitvoer te leggen.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging toe te wijzen.

OVERWEGING

Op grond van het onderzoek ter zitting, alsmede gelet op de inhoud van het rapport van GGZ reclassering [instelling 3] [plaatsnaam] van 3 juli 2018, stelt de rechtbank vast dat veroordeelde zich niet heeft gehouden aan de hem opgelegde bijzondere voorwaarden.

Veroordeelde heeft sinds voormeld vonnis van 21 mei 2012 zeer vaak gedetineerd gezeten voor het plegen van strafbare feiten. Ook op dit moment zit veroordeelde gedetineerd. Voorts is veroordeelde niet ter terechtzitting verschenen om zijn standpunt over de vordering naar voren te brengen.

De rechtbank ziet geen aanknopingspunten waaruit opgemaakt kan worden dat veroordeelde op enig moment wel bereid is mee te werken aan de aan hem opgelegde bijzondere voorwaarden.

Op basis van het voorgaande acht de rechtbank termen aanwezig om de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf te gelasten. Bij eerdere beslissingen is de gedeeltelijke ten uitvoerlegging van voormelde voorwaardelijke gevangenisstraf bevolen, voor een deel van in totaal 125 dagen. De rechtbank zal derhalve de tenuitvoerlegging gelasten voor het resterende deel, te weten 240 dagen gevangenisstraf.

De rechtbank heeft gelet op artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING:

De rechtbank:

- wijst de vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling toe;

- gelast de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij voormeld vonnis en niet eerder ten uitvoer is gelegd, te weten 240 dagen.

Aldus gedaan door mr. A.R. Creutzberg, voorzitter, en mrs. H.A. Gerritse en

M.E. Falkmann, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 september 2018.