Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5548

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-11-2018
Datum publicatie
19-11-2018
Zaaknummer
6717981 AC EXPL 18-655
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

vordering ex art. 843a Rv; uitzendkracht heeft onvoldoende (rechtmatig) belang bij inzage in/afgifte van stukken waaruit blijkt welke prijs de inlener aan het uitzendbureau betaalt voor zijn inzet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2019/25
RAR 2019/33
AR-Updates.nl 2018-1315
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 6717981 AC EXPL 18-655 aw/1370

Vonnis in incident van 7 november 2018

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen: [eiser] ,

eisende partij in de hoofdzaak en in het incident ex artikel 843a Rv,

gemachtigde: mr. G.P. Geelkerken,

tegen:

1. de besloten vennootschap

[gedaagde sub 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen: [gedaagde sub 1] ,

gedaagde partij in de hoofdzaak en in het incident ex artikel 843a Rv,

gemachtigde: mr. H. Mouselli,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 2] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 3] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagden sub 2 en 3 gezamenlijk ook te noemen: [aanduiding gedaagden sub 2 en sub 3] (vrouwelijk enkelvoud),

gedaagde partijen in de hoofdzaak en in het incident ex artikel 843 Rv,

niet verschenen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 15 augustus 2018

  • -

    de conclusie van dupliek in het incident met producties

  • -

    de akte uitlating producties van [eiser] .

1.2.

Ten slotte is in het incident vonnis bepaald.

2 De vordering en het verweer in het incident ex artikel 843a Rv

2.1.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

a. [gedaagde sub 1] te bevelen om aan hem binnen 7 dagen na betekening van het te wijzen vonnis inzage te verlenen en afschriften te verstrekken van de volgende stukken:

- uitdraaien van gemaakte uren, authentieke werkbriefjes/urenbriefjes alsmede originele werkroosters dan wel andere stukken waaruit de omvang van de gemaakte uren blijkt over zijn gehele dienstverband,

op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag, met een maximum van € 10.000,00;

[gedaagde sub 1] en [aanduiding gedaagden sub 2 en sub 3] hoofdelijk te bevelen om aan hem inzage te verlenen en afschriften te verstrekken van de volgende stukken:

- stukken waaruit de inlenersbeloning blijkt, althans de opgaven van de inlener met de inlenersbeloningen gedurende de jaren waarin [eiser] werkzaamheden bij de inlener heeft verricht, waaronder het eigen handboek van de inlener aangaande de beloning van haar werknemers en interne regels voor haar werknemers;

- een kopie van de afspraken en correspondentie tussen [aanduiding gedaagden sub 2 en sub 3] en [gedaagde sub 1] over de functie indeling van [eiser] en de vergoeding die [aanduiding gedaagden sub 2 en sub 3] betaalt aan eigen werknemers die dezelfde werkzaamheden uitvoeren als [eiser] alsmede de afspraken en correspondentie over de vergoeding die [aanduiding gedaagden sub 2 en sub 3] betaalt aan [gedaagde sub 1] voor de werkzaamheden van [eiser] alsmede een kopie van betalingsspecificaties aan [gedaagde sub 1] ten aanzien van de werkzaamheden van [eiser] , over de periode van het gehele dienstverband bij [gedaagde sub 1] ,

op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag, met een maximum van € 10.000,00;

[gedaagde sub 1] en [aanduiding gedaagden sub 2 en sub 3] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten.

2.2.

[eiser] legt aan zijn vordering – samengevat – ten grondslag dat hij een rechtmatig belang heeft bij de gevorderde bescheiden: een werknemer moet bij twijfel kunnen nagaan of het loon correct is betaald. Ook uit artikel 7:619 BW volgt dat een werknemer recht heeft op bewijsstukken omtrent loonaanspraken. Voorts is [eiser] partij bij de rechtsbetrekking: hij is immers partij bij de arbeidsovereenkomst met [gedaagde sub 1] . [eiser] stelt van welke specifieke bescheiden hij inzage/afgifte wenst. Aan alle vereisten van artikel 843a Rv is in dit geval voldaan, aldus [eiser] .

2.3.

[gedaagde sub 1] voert als verweer – samengevat – aan dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 843a Rv. Bij dupliek heeft [gedaagde sub 1] urenstaten van [eiser] overgelegd.

3 De beoordeling in het incident ex artikel 843a Rv

Ten aanzien van [gedaagde sub 1]

3.1.

Beoordeeld moet worden of [eiser] een rechtmatig belang heeft bij de door hem van [gedaagde sub 1] gevorderde inzage in of afgifte van bescheiden, of die bescheiden voldoende bepaald zijn en of deze verband houden met een rechtsbetrekking waarbij hij partij is (artikel 843a lid 1 Rv). Vervolgens moet beoordeeld worden of gewichtige redenen aan de zijde van [gedaagde sub 1] eraan in de weg staan dat zij aan de vordering tot afgifte/inzage voldoen, alsmede of redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd (artikel 843a lid 4 Rv).

Urenbriefjes/werkroosters

3.2.

De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] wat betreft zijn vordering als geformuleerd onder 2.1. sub a) voldoende heeft aangegeven op welke specifieke bescheiden hij doelt. Ook is voldoende komen vast te staan dat die specifieke bescheiden voldoende verband houden met een rechtsbetrekking waarbij hij partij is. Die rechtsbetrekking is namelijk de tussen hem en [gedaagde sub 1] gesloten arbeidsovereenkomst, op grond waarvan hij werkzaamheden heeft verricht, waarvoor [gedaagde sub 1] hem loon is verschuldigd. [eiser] heeft belang bij inzage/afgifte van de gevorderde bescheiden, teneinde aan de hand daarvan te kunnen controleren of hij van [gedaagde sub 1] het loon heeft ontvangen waarop hij recht heeft. Dit door hem gestelde belang is een rechtmatig belang. Dit volgt reeds uit het bepaalde in artikel 7:619 lid 1 BW.

3.3.

[gedaagde sub 1] heeft bij dupliek een overzicht van gewerkte uren in het geding gebracht. Dat overzicht vermeldt per week het bruto uurloon, de dagen waarop is gewerkt, het aantal uren uitgesplitst naar soort (normale uren, overuren, ploegenuren, ziekteuren, vrije/vakantieuren, feestdaguren, uren gewerkt en uren totaal), percentage van het loon (100% bij normale uren, 125% bij ploegenuren), functienaam en functiegroep.

3.4.

In reactie op dat overzicht heeft [eiser] opgemerkt dat uit het overzicht niet blijkt op welke tijden er is gewerkt. Die informatie is van belang voor de berekening van de toeslagen voor werk op ongebruikelijke tijden. De gegevens zijn dus nog niet compleet, zo stelt [eiser] .

3.5.

[gedaagde sub 1] heeft erkend dat de ABU CAO op de arbeidsovereenkomst van toepassing is. Zij stelt dat zij gehouden is de inlenersbeloning toe te passen en dat zij dat ook correct heeft gedaan. Die inlenersbeloning wordt ook volgens [gedaagde sub 1] onder andere bepaald door toeslagen voor onregelmatigheid. In dat licht heeft [eiser] eveneens een rechtmatig belang bij de verzochte, nog ontbrekende informatie over de tijden waarop is gewerkt. [gedaagde sub 1] dient op grond van de wet de arbeidstijden van haar werknemers schriftelijk vast te leggen (artikel 4:1 lid 2 Arbeidstijdenwet). Aangenomen kan daarom worden dat [gedaagde sub 1] over die stukken beschikt. [gedaagde sub 1] zal worden veroordeeld ook van die stukken kopieën aan [eiser] te verstrekken. Aan [gedaagde sub 1] zal een redelijke termijn van 14 dagen na betekening van het vonnis worden gegund om tot die verstrekking over te gaan.

Opgave inlenersbeloning – functie-indeling en loon

3.6.

[eiser] stelt dat het loon over de periode augustus 2012 en mei 2013 en vanaf april 2017 tot einde dienstverband op 27 oktober 2017 wordt bepaald door de CAO Pluimvee verwerkende industrie, die door middel van de algemeen verbindend verklaring van toepassing is op inlener [aanduiding gedaagden sub 2 en sub 3] . Niet duidelijk is echter voor [eiser] van welk loon moet worden uitgegaan in de perioden dat de CAO Pluimvee verwerkende industrie niet algemeen verbindend is verklaard. [gedaagde sub 1] heeft betwist dat het loon van [eiser] aan de hand van de CAO Pluimvee verwerkende industrie moet worden bepaald. Wat daarvan verder ook zij – dit punt zal in de hoofdzaak aan de orde moeten komen – vast staat dat [gedaagde sub 1] op grond van de ABU CAO de inlenersbeloning dient te bepalen aan de hand van de gegevens die zij van [aanduiding gedaagden sub 2 en sub 3] als inlener heeft ontvangen omtrent de functie waarin [eiser] valt en het loon dat [aanduiding gedaagden sub 2 en sub 3] aan eigen werknemers betaalt in deze functie. [gedaagde sub 1] dient daarvan op haar beurt opgave te doen aan [eiser] (artikel 20 ABU CAO). [eiser] heeft naar het oordeel van de kantonrechter daarom een rechtmatig belang bij dit deel van zijn vordering. Op welke specifieke bescheiden hij doelt heeft [eiser] ook in dit geval voldoende onderbouwd.

3.7.

[gedaagde sub 1] heeft echter aangevoerd dat zij die informatie van [aanduiding gedaagden sub 2 en sub 3] niet schriftelijk, maar mondeling heeft gekregen en dat zij [eiser] daarover vervolgens ook mondeling heeft geïnformeerd. [gedaagde sub 1] kan geen inzage in bescheiden geven en/of daarvan kopieën verstrekken als die bescheiden niet bestaan. [gedaagde sub 1] stelt dat zij zonodig – naar de kantonrechter begrijpt in de hoofdzaak – een verklaring van [aanduiding gedaagden sub 2 en sub 3] kan aanleveren om te bewijzen dat zij door [aanduiding gedaagden sub 2 en sub 3] correct is geïnformeerd over de toepasselijke inlenersbeloning en de functie-indeling als productiemedewerker.

3.8.

De vordering van [eiser] , als omschreven onder 2.1. sub b) eerste en tweede gedachtestreepje, dient wat betreft de bescheiden omtrent inlenersbeloning en functie-indeling te worden afgewezen, reeds omdat [gedaagde sub 1] betwist dat zij over die bescheiden beschikt. Wat betreft de inzage in/afgifte van de resterende bescheiden genoemd onder sub b) tweede gedachtestreepje, overweegt de kantonrechter als volgt.

De vergoeding die [aanduiding gedaagden sub 2 en sub 3] betaalt aan [gedaagde sub 1]

3.9.

[eiser] vordert ook inzage in en afgifte van kopieën van de afspraken en correspondentie tussen [aanduiding gedaagden sub 2 en sub 3] en [gedaagde sub 1] over de vergoeding die [aanduiding gedaagden sub 2 en sub 3] betaalt aan [gedaagde sub 1] voor de werkzaamheden van [eiser] alsmede een kopie van betalingsspecificaties aan [gedaagde sub 1] ten aanzien van de werkzaamheden van [eiser] , over de periode van het gehele dienstverband bij [gedaagde sub 1] . [eiser] heeft daarmee naar het oordeel van de kantonrechter voldoende onderbouwd op welke specifieke bescheiden hij doelt.

3.10.

Ter onderbouwing van zijn rechtmatig belang bij inzage/afgifte van deze bescheiden stelt [eiser] dat hij bij die stukken belang heeft in verband met de aansprakelijkstelling van [aanduiding gedaagden sub 2 en sub 3] en van [gedaagde sub 1] . Indien namelijk blijkt dat de betaling van [eiser] niet marktconform is, of lager dan hetgeen de CAO voorschrijft dan ligt aansprakelijkheid van [aanduiding gedaagden sub 2 en sub 3] voor de hand. Dan heeft [aanduiding gedaagden sub 2 en sub 3] immers niet toegezien op juiste toepassing van de CAO en dat is ten opzichte van [eiser] onrechtmatig. Omgekeerd geldt ook dat indien [aanduiding gedaagden sub 2 en sub 3] wel correct betaalde aan [gedaagde sub 1] , maar [gedaagde sub 1] [eiser] onjuist vergoedde ondanks juiste mededelingen en betalingen van [aanduiding gedaagden sub 2 en sub 3] , [gedaagde sub 1] zich niet kan beroepen op het argument dat zij op de verklaringen en betalingen van [aanduiding gedaagden sub 2 en sub 3] mochten afgaan.

3.11.

[gedaagde sub 1] heeft als verweer aangevoerd dat dit vertrouwelijke, commerciële bedrijfsinformatie is waarmee [eiser] niets van doen heeft. Zij stelt dat voor het verzoek van [eiser] geen wettelijke grondslag bestaat. [eiser] is volgens [gedaagde sub 1] op “fishing expedition”.

3.12.

De kantonrechter overweegt dat [eiser] op grond van de met [gedaagde sub 1] gesloten arbeidsovereenkomst alleen [gedaagde sub 1] kan aanspreken op betaling van het hem toekomende loon. De prijs die [aanduiding gedaagden sub 2 en sub 3] aan [gedaagde sub 1] betaalt voor de inzet van [eiser] is informatie die [eiser] verder niet aan gaat. De bescheiden omtrent de prijs die [aanduiding gedaagden sub 2 en sub 3] aan [gedaagde sub 1] betaalt houden onvoldoende verband met een rechtsbetrekking waarbij [eiser] partij is. In aanmerking wordt genomen dat [eiser] ook [aanduiding gedaagden sub 2 en sub 3] in rechte kan aanspreken op afgifte van/inzage in bescheiden omtrent de beloning die zij aan haar vaste werknemers betaalt en de door [aanduiding gedaagden sub 2 en sub 3] gehanteerde functie-indeling alsook de opgave die zij daarvan met betrekking tot [eiser] heeft gedaan aan [gedaagde sub 1] . [eiser] heeft dat in deze procedure ook gedaan. Hij verwijst in dit verband naar de CAO Pluimvee verwerkende industrie, die volgens hem gedurende een deel van de periode waarin hij bij [aanduiding gedaagden sub 2 en sub 3] werkzaam is geweest van toepassing was. In die CAO is opgenomen dat de inlener, dat is [aanduiding gedaagden sub 2 en sub 3] , zich ervan moet verzekeren dat de uitzendkrachten die bij haar werkzaam zijn conform de CAO worden betaald. Voor de beantwoording van de vraag of [aanduiding gedaagden sub 2 en sub 3] een correcte opgave van het loon en de functie-indeling aan [gedaagde sub 1] heeft gedaan of dat zij daarbij ten opzichte van [eiser] mogelijk onrechtmatig heeft gehandeld is [eiser] niet afhankelijk van bescheiden waarin de prijsafspraken tussen [gedaagde sub 1] en [aanduiding gedaagden sub 2 en sub 3] zijn vastgelegd, dan wel waaruit die prijsafspraken kunnen worden afgeleid. [eiser] heeft bij die bescheiden een onvoldoende (rechtmatig) belang. Dit deel van de vordering dient te worden afgewezen.

Ten aanzien van [aanduiding gedaagden sub 2 en sub 3]

3.13.

[aanduiding gedaagden sub 2 en sub 3] is niet in het geding verschenen. Tegen [aanduiding gedaagden sub 2 en sub 3] is verstek verleend. De vordering zal ten opzichte van [aanduiding gedaagden sub 2 en sub 3] worden toegewezen omdat deze de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, met uitzondering van het deel van de vordering dat ziet op de bescheiden over de prijsafspraken die zijn gemaakt tussen [aanduiding gedaagden sub 2 en sub 3] en [gedaagde sub 1] . De kantonrechter verwijst naar hetgeen daaromtrent is overwogen onder r.o. 3.12. Aan [aanduiding gedaagden sub 2 en sub 3] zal een redelijke termijn van 14 dagen na betekening van het vonnis worden gegund om tot inzage in/afgifte van de stukken over te gaan.

Proceskosten

3.14.

[gedaagde sub 1] en [aanduiding gedaagden sub 2 en sub 3] zijn aan te merken als de in het ongelijk gestelde partijen. Zij worden daarom hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten in het incident, aan de zijde van [eiser] tot en met de eis in het incident begroot op € 100,00 salaris gemachtigde (1 punt x het tarief van € 100,00). De kosten van repliek en de akte uitlaten producties komen voor rekening van [gedaagde sub 1] , omdat [aanduiding gedaagden sub 2 en sub 3] niet in het geding is verschenen om verweer te voeren. Die kosten betreffen € 150,00 (1,5 punt x het tarief van € 100,00).

4 De beslissing

De kantonrechter:

In het incident

4.1.

veroordeelt [gedaagde sub 1] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] inzage te verlenen in en afschriften te verstrekken van de overzichten van de door [eiser] gemaakte arbeidsuren, waaruit blijkt op welke uren hij gedurende het dienstverband werkzaamheden heeft verricht;

4.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] tot betaling van een dwangsom van € 250,00 per dag voor elke dag dat [gedaagde sub 1] nalaat aan de onder 4.1. omschreven hoofdveroordeling te voldoen, met een maximum van € 10.000,00;

4.3.

veroordeelt [aanduiding gedaagden sub 2 en sub 3] om aan [eiser] binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis inzage te verlenen in en afschriften te verstrekken van documenten waaruit het bij [aanduiding gedaagden sub 2 en sub 3] gebruikelijke loon blijkt voor eigen werknemers die hetzelfde werk doen als [eiser] , met toeslagen, vakantiedagen en overige arbeidsvoorwaarden, alsook het eigen handboek van [aanduiding gedaagden sub 2 en sub 3] over de beloning van werknemers en de interne regels voor werknemers, dit alles met betrekking tot de periode dat [eiser] als uitzendkracht bij [naam] [vestigingsplaats] werkzaamheden heeft verricht;

4.4.

veroordeelt [aanduiding gedaagden sub 2 en sub 3] om aan [eiser] binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis inzage te verlenen in en afschriften te verstrekken van de opgave die zij aan [gedaagde sub 1] heeft gedaan over de functie-indeling en de inlenersbeloning van [eiser] , dit alles met betrekking tot de periode dat [eiser] als uitzendkracht bij [naam] [vestigingsplaats] werkzaamheden heeft verricht;

4.5.

veroordeelt [aanduiding gedaagden sub 2 en sub 3] tot betaling van een dwangsom van € 250,00 per dag voor elke dag dat zij nalaat aan de onder 4.3. en 4.4. omschreven hoofdveroordelingen te voldoen, met een maximum van € 10.000,00;

4.6.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [aanduiding gedaagden sub 2 en sub 3] hoofdelijk tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser] , tot en met de incidentele eis begroot op € 100,00 salaris gemachtigde, en veroordeelt [gedaagde sub 1] tot betaling van de overige proceskosten aan de zijde van [eiser] , tot de datum van deze uitspraak begroot op € 150,00 aan salaris gemachtigde;

4.7.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

4.8.

wijst het meer of anders gevorderde af;

In de hoofdzaak

4.9.

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 9 januari 2019 voor de conclusie van repliek door [eiser] ;

4.10.

houdt iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.M. de Laat, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 november 2018.