Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5546

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
31-10-2018
Datum publicatie
19-11-2018
Zaaknummer
6717095 UC EXPL 18-2581
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schorsing van een leerling. School heeft geen (contractuele) plicht geschonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WVO Commentaar en Jurisprudentie 2018/674
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 6717095 UC EXPL 18-2581 NRV/31465

Vonnis van 31 oktober 2018

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiser] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. I.P.M. Boelens,

tegen:

de stichting

De Willibrord Stichting voor rk, pc en interconfessioneel voortgezet onderwijs (rk/pc) voor Utrecht en omstreken,

gevestigd te Utrecht,

verder ook te noemen Willibrord,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. B.M. Paijmans.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding en de akte inbrengen producties

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de dagbepaling voor het houden van een zitting

  • -

    het proces-verbaal van de zitting van 13 september 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De inleidende feiten

2.1.

[eiser] zat in het schooljaar 2012/2013 in zijn vijfde jaar van de havo aan het [naam school] (hierna: de school). Willibrord is het bevoegd gezag van de school.

2.2.

Op 18 maart 2013 moest [eiser] met zijn ouders op gesprek komen bij de toenmalige rector van de school. Toen heeft hij te horen gekregen dat hij zou worden geschorst voor vijf schooldagen, met ingang van 19 maart 2013. In de naar aanleiding van dat gesprek verstuurde (bevestigings)brief van dit gesprek en de schorsing staat over de reden van die schorsing:

“Ik heb toen verteld dat ik signalen heb binnen gekregen over gedrag van [voornaam van eiser] [ktr: [eiser] ]. Het betreft signalen van mogelijk (seksueel) grensoverschrijdend gedrag. Gezien de aard van de signalen is er een onderzoek gestart. Om de veiligheid te waarborgen van [voornaam van eiser] en andere betrokkenen in de school en in het belang van het onderzoek, is het niet wenselijk en verstandig dat [voornaam van eiser] op school is. Om die reden schorsen wij [voornaam van eiser] met ingang van dinsdag 19 maart 2013 voor de duur van vijf schooldagen.”

2.3.

Een paar dagen later heeft de school [eiser] en zijn ouders uitgenodigd voor een gesprek op 22 maart 2013, om uit te leggen dat de schorsing zou worden verlengd. [eiser] en zijn ouders zijn niet op dat gesprek verschenen. In de bevestigingsbrief van de verlenging van de schorsing (van 25 maart 2013) staat:

“Zoals u weet, loopt er een onderzoek naar mogelijk (seksueel) grensoverschrijdend gedrag van [voornaam van eiser] . Wij kunnen niet uitsluiten dat de kwestie van grotere omvang is dan wij op 18 maart vermoedden. Dat betekent dat het onderzoek nog breder moet worden ingezet. In onze brief van 18 maart jl. hebben wij er al op gewezen dat het belang van het onderzoek, maar ook het belang van [voornaam van eiser] en andere betrokkenen het noodzakelijk maakt dat [voornaam van eiser] niet op school komt.

Om die reden schorsen wij [voornaam van eiser] opnieuw voor vijf schooldagen. De schorsing gaat morgen, 26 maart, in. Dat betekent dat [voornaam van eiser] tot en met 5 april a.s. niet op school of op de terreinen rond de school mag komen.”

2.4.

Op 5 april heeft de school aan [eiser] gemaild dat hij ook in de dagen daarna niet op school mocht komen. In de betreffende e-mail staat:

“In de schorsingsbrieven hebben wij reeds gerefereerd aan mogelijk (seksueel) ongewenst gedrag van [voornaam van eiser] . Wij begrijpen dat de politie inmiddels een aangifte heeft ontvangen. Het is ons niet duidelijk of deze aangifte op juiste gronden berust. De aard en de ernst van verwijten aan het adres van [voornaam van eiser] is reden voor grote zorg over de (sociale) veiligheid van zowel [voornaam van eiser] als medeleerlingen. Dat is voor ons reden om [voornaam van eiser] niet toe te laten tot de reguliere lessen.”

2.5.

Op 23 april 2013 heeft het Openbaar Ministerie (OM) aan de school laten weten dat het onderzoek tegen [eiser] werd stopgezet. De school heeft de schorsing, die tot dat moment ongeveer vijf weken heeft geduurd, op 24 april 2013 opgeheven.

2.6.

[eiser] heeft daarna deelgenomen aan de centrale (her)examens, maar heeft zijn diploma niet behaald. Vervolgens heeft [eiser] geprobeerd zich in te schrijven voor het volwassenenonderwijs (de vavo) aan het [naam] (het [naam] ). Het [naam] heeft [eiser] niet tot dit onderwijs toegelaten.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] is van mening dat de school hem onterecht heeft geschorst, en dat hij daardoor is gezakt voor zijn eindexamen. Ook vindt [eiser] dat de school te weinig heeft gedaan om hem te helpen om te worden toegelaten tot volwassenenonderwijs. [eiser] voert aan dat hij door het handelen van de school schade heeft geleden in de vorm van (extra studiekosten wegens) studievertraging. [eiser] vordert daarom dat de kantonrechter:

I. Voor recht verklaart dat Willibrord toerekenbaar is tekortgeschoten in het nakomen van de overeenkomst tussen [eiser] en Willibrord, althans onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [eiser] ;

II. Willibrord veroordeelt tot schadevergoeding, waarvan de hoogte in het kader van dit geding wordt beperkt tot een bedrag van € 25.000,00;

III. Willibrord in de proceskosten van [eiser] veroordeelt.

3.2.

Willibrord betwist dat de school toerekenbaar is tekortgeschoten of onrechtmatig heeft gehandeld en dat er causaal verband bestaat tussen het handelen van de school en de gestelde schade. Verder betwist Willibrord de gestelde (omvang van de) schade.

3.3.

In de beoordeling wordt uitgebreider op de argumenten van [eiser] en Willibrord ingegaan.

4 De beoordeling

Is de kantonrechter bevoegd?

4.1.

De eerste vraag is of de kantonrechter bevoegd is om deze zaak te behandelen en daarin te beslissen. In de wet staat dat zaken met vorderingen van maximaal € 25.000,00 door de kantonrechter kunnen worden beslist. De kantonrechter begrijpt uit de beperking van de vordering tot € 25.000,00 in combinatie met de uitleg daarbij van [eiser] , dat [eiser] afstand doet van het recht om het meerdere bedrag aan schadevergoeding te vorderen. [eiser] heeft ook nog een verklaring voor recht gevorderd dat Willibrord toerekenbaar is tekortgeschoten of onrechtmatig heeft gehandeld. Dat is een vordering van onbepaalde waarde en die kan alleen door de kantonrechter worden behandeld als er duidelijke aanwijzingen zijn dat deze geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000,00 (artikel 93 sub b Rv). Dat is in dit geval zo, omdat [eiser] op grond van de tekortkoming/onrechtmatige daad waarvoor zij een verklaring voor recht vraagt, maximaal € 25.000,00 schadevergoeding vordert.

De kantonrechter is dus bevoegd om deze zaak te behandelen en daarin te beslissen.

Heeft de school een plicht geschonden waardoor Willibrord schadevergoeding moet betalen?

4.2.

Volgens [eiser] heeft de school haar (contractuele) plicht geschonden om hem onderwijs te verstrekken op zo’n manier dat hij voldoende werd voorbereid op zijn examen om zijn diploma te halen, door hem kort voor de centrale eindexamens ruim vijf weken te schorsen en hem daarmee de toegang tot het onderwijs te onthouden. [eiser] voert aan dat de school (1) hem niet (zo lang) had mogen schorsen, (2) hem tijdens de schorsing beter had moeten begeleiden bij de voorbereiding op zijn examen en (3) er, toen [eiser] gezakt was, voor had moeten zorgen dat hij zou worden toegelaten tot het volwassenenonderwijs.

4.3.

De eerste vraag is of de school [eiser] met ingang van 19 maart 2013 had mogen schorsen. De kantonrechter mag daarbij niet in volle omvang toetsen of het schorsingsbesluit terecht is genomen. Dat zou afdoen aan de vrijheid van de school om besluiten te nemen. In plaats daarvan moet worden beoordeeld (een zogeheten ‘marginale toets’) of de school het schorsingsbesluit in redelijkheid heeft kunnen nemen. Dat is in dit geval zo. De school heeft uit meerdere bronnen (waaronder via een oud-leerling of medeleerling van de school) serieuze signalen gekregen dat [eiser] ‘grensoverschrijdend seksueel gedrag’ had vertoond. [eiser] ontkent dit niet, maar schrijft juist dat hij begrijpt dat het lastig voor de school was toen zij met die geruchten werd geconfronteerd. Ook in het bericht van het OM naar aanleiding van het onderzoek naar deze geruchten staat bovendien: ‘aanvankelijk is een verdenking tegen u op - op zichzelf - goede gronden gerezen’. In deze omstandigheden heeft de school [eiser] in redelijkheid kunnen schorsen. Latere omstandigheden kon de school niet in haar afweging betrekken. Zo’n latere omstandigheid is dat achteraf niet is gebleken dat de verdenkingen terecht waren, maar dat is dus geen factor die van belang is voor het eerdere schorsingsbesluit.

4.4.

Voor zover [eiser] aanvoert dat de school de schorsing na vijf dagen niet had mogen verlengen, gaat de kantonrechter daarin niet mee. Uit de artikelen 13 lid 1 en 14 lid 2 van het Inrichtingsbesluit WVO volgt dat een leerling als uitgangspunt maximaal vijf dagen kan worden geschorst, maar dat de schorsing langer kan duren, in afwachting van het overleg met de onderwijsinspectie over een eventuele definitieve verwijdering van een leerling van school. De kantonrechter gaat ervan uit dat de schorsing in dit geval in overeenstemming met deze regels is gebeurd. De school was weliswaar nog niet in overleg met de onderwijsinspectie over de definitieve verwijdering van [eiser] van school, maar zij heeft de onderwijsinspectie wel op de hoogte gesteld van de (langdurige) schorsing en de onderwijsinspectie heeft de alternatieve examenroute, die de school voor [eiser] heeft opgesteld in verband met de schorsing, goedgekeurd.

4.5.

Het is logisch dat de school de schorsing heeft verlengd, toen bleek dat de verdenkingen tegen [eiser] moesten worden onderzocht en toen bleek dat er (op 21 maart 2013) door een (oud)leerling van de school aangifte van verkrachting tegen [eiser] was gedaan bij het OM. [eiser] voert aan dat de school zelf onderzoek had moeten doen, maar dit argument slaagt niet. Het OM heeft de school namelijk verzocht juist geen eigen onderzoek te doen. Zodra het OM aan de school had bericht dat het onderzoek tegen [eiser] werd stopgezet, heeft de school de schorsing opgeheven. Dat de school [eiser] langer heeft geschorst dan zij in redelijkheid heeft kunnen doen is dus niet gebleken.

4.6.

Ook is niet gebleken dat de school tijdens de schorsing haar plicht heeft geschonden, om, onder de omstandigheid van deze schorsing, onderwijs te geven op zo’n manier dat [eiser] zich zo goed mogelijk kon voorbereiden op zijn examen.

4.7.

Bij de eerste schorsing van 19 maart 2013 heeft de school [eiser] erop gewezen dat hij volgens de aanwezige studieplanners op de Elektronische Leeromgeving kon werken aan zijn toetsvoorbereidingen. Toen is toegezegd dat er uiterlijk de volgende dag contact met hem zou worden opgenomen voor het maken van afspraken over leeropdrachten en nodige studiematerialen, zodat [eiser] vragen kon stellen. Dat de school deze toezegging niet is nagekomen, heeft [eiser] niet aangevoerd. Verder heeft de conrector [eiser(-s)] schoolwerk persoonlijk bij hem thuisbezorgd. Tijdens de schorsing heeft de school [eiser] de mogelijkheid geboden om zijn PTA-toetsen (schoolexamens voorafgaand aan het centraal examen) in een ander schoolgebouw te maken. Van die mogelijkheid heeft [eiser] geen gebruik gemaakt. Op 5 april 2013 heeft de school [eiser] een alternatief, op maat gemaakt, onderwijsprogramma aangeboden, waarmee [eiser] zich kon voorbereiden op het centraal examen. Ook heeft de school een alternatieve examenroute voor hem opgesteld die is goedgekeurd door de onderwijsinspectie. Toen de schorsing op 25 april 2013 werd opgeheven, heeft de school [eiser] uitgenodigd om zijn terugkeer en de voorbereiding op het eindexamen te bespreken. [eiser] heeft niet uitgelegd wat de school nog meer had kunnen doen om hem tijdens de schorsing te helpen bij de voorbereiding op zijn eindexamen. Daarmee heeft [eiser] zijn stelling dat de school te weinig heeft gedaan onvoldoende onderbouwd.

4.8.

[eiser] voert ook nog aan dat de school hem, toen hij was gezakt voor zijn havo-examen, te weinig heeft begeleid bij de aanmelding voor het volwassenenonderwijs bij het [naam] . Op 19 juli 2013 heeft [eiser] de school laten weten dat hij naar het volwassenenonderwijs wilde en dat hij vanwege zijn cijfers niet tot dit onderwijs werd toegelaten. Eind augustus heeft de rector van de school gebeld met het [naam] . Dat kon niet eerder: door de zomervakantie was het [naam] voor die tijd slecht bereikbaar. De rector van de school heeft het [naam] bereid gekregen om een nader gesprek met [eiser] te voeren. Omdat [eiser] alsnog niet werd toegelaten tot het volwassenenonderwijs, heeft de school gevraagd of het [naam] bereid was om [eiser] tot het volwassenenonderwijs toe te laten, als hij ingeschreven bleef staan bij de school. Ook daartoe bleek het [naam] niet bereid. [eiser] heeft niet uitgelegd wat de school nog meer had kunnen doen om hem te helpen bij zijn aanmelding tot het volwassenenonderwijs en heeft daarom onvoldoende onderbouwd dat de school op dit punt is tekortgeschoten en/of haar zorgplicht heeft geschonden.

4.9.

De conclusie is dat de stelling dat de school is tekortgeschoten in een verplichting of onrechtmatig tegenover [eiser] heeft gehandeld, niet slaagt. Dat betekent dat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen.

4.10.

De kantonrechter voegt daaraan toe dat, zelfs als de school [eiser] niet had mogen schorsen, daaruit niet automatisch zou volgen dat [eiser] recht heeft op schadevergoeding voor de studievertraging die hij heeft opgelopen. Daarvoor moet namelijk vaststaan dat deze studievertraging door de schorsing komt en die stelling heeft [eiser] niet of nauwelijks onderbouwd. Daar staat tegenover dat Willibrord zeer uitgebreid heeft onderbouwd dat [eiser] er voordat hij werd geschorst qua cijfers al zo slecht voor stond dat de kans dat hij zou slagen (los van de schorsing) minimaal was.

4.11.

[eiser] heeft dus ongelijk gekregen en moet de proceskosten van Willibrord betalen. Die kosten worden begroot op € 800,00 (2 punten x tarief € 400,00).

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten van Willibrord, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 800,00 aan salaris gemachtigde;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. The-Kouwenhoven, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2018.