Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5539

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-11-2018
Datum publicatie
13-11-2018
Zaaknummer
16/652587-18; 16/159302-16 (vord. tul); 21/001722-15 (vord. tul) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 58-jarige man uit Utrecht heeft in juli van dit jaar drie keer de burgemeester van Utrecht bedreigd. De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt de man tot een gevangenisstraf van 4 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk.

Twee van de bedreigingen uitte de man via de telefooncentrale van de gemeente Utrecht. Vervolgens is hij naar het gemeentehuis toegegaan en heeft hij tijdens zijn aanhouding een derde bedreiging geuit. De man heeft een ernstige inbreuk gemaakt op het (privé)leven van de burgemeester. Een burgemeester vervult een publieke functie, die hij ongestoord en zonder vrees moet kunnen uitoefenen. Burgers die het niet eens zijn met beslissingen of het beleid van overheidsinstanties kunnen daar bezwaar tegen maken via de daarvoor in het leven geroepen procedures. Het is ontoelaatbaar om in zo’n geval een burgemeester als openbaar gezagsdrager te bedreigen met de dood.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank gekeken naar straffen in vergelijkbare zaken. De rechtbank verbindt meerdere bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke celstraf, waaronder een behandeling, reclasseringstoezicht en een contactverbod met de burgemeester. De verdachte zat sinds juli in voorarrest, maar is vorige week vrijgelaten. De tijd die hij heeft vastgezeten zal van zijn onvoorwaardelijke gevangenisstraf worden afgetrokken. Dat betekent dat hij iets meer dan 40 dagen langer heeft gezeten dan de straf die hem wordt opgelegd. Daar houdt de rechtbank rekening mee bij zijn eerder voorwaardelijk opgelegde straffen van in totaal 61 dagen. De rechtbank bepaalt dat hij daar nog 20 dagen van moet uitzitten en de rest boven zijn hoofd blijft hangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/652587-18; 16/159302-16 (vord. tul); 21/001722-15 (vord. tul) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 13 november 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1960] te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:

[adres] , [woonplaats] ,

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 oktober 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. R.J.J.S. Visser en van hetgeen verdachte en mr. S.D. Groen, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

in de periode van 9 juli 2018 tot en met 20 juli 2018 te Utrecht [burgemeester] , met tussenkomst van een/meerdere medewerker(s) van de gemeente Utrecht en/of een/meerdere politieambtena(a)r(en) mondeling dan wel telefonisch heeft bedreigd;

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehele tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen kan worden op grond van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het ten laste gelegde. Subsidiair heeft de raadsman van een aantal onderdelen van de tenlastelegging vrijspraak bepleit.

De door de verdediging gevoerde standpunten en verweren ten aanzien van voornoemde feiten worden hierna bij de overwegingen besproken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen 1 ten aanzien van het ten laste gelegde

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 20 juli 2018, dossierpagina’s 9 t/m 11, inhoudende – zakelijk weergegeven – de verklaring van getuige [getuige 1] :

V: Hoe is de melding bij u binnengekomen?

A: Telefonisch op woensdag 11/07/2018 rond 12:00 uur.

(…)

Het gesprek kwam binnen meneer stelde zich voor en vroeg of hij de burgemeester kon spreken.2 (…) De burgemeester heeft 2 dagen (tot vrijdag) de tijd om het op te lossen ander schiet ik de burgemeester neer vertelde meneer [verdachte] . Ik heb alles in huis om de burgemeester neer te schieten en iedereen die ik tegen kom. Er komt echt bloed er gaan echt gewonden vallen. Ik ben echt voor niemand bang. Ik heb schijt aan iedereen. Het zou ook landelijk nieuws worden. Het neerschieten is meerdere keren aangegeven.3

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 20 juli 2018, dossierpagina’s 6 t/m 8, inhoudende – zakelijk weergegeven – de verklaring van getuige [getuige 2] :

V: Hoe is de melding bij u binnengekomen?

A: Telefonisch, op maandag ochtend. Tussen 10:30 en 11:15 uur.4

V: Hoe stelde meneer zich aan u voor?

A: Op een normale manier, met meneer [verdachte] , ik zou graag met de burgemeester willen spreken (…)

V: Wat waren de exacte woorden van meneer?

A: Exact de zin weet ik niet meer (…). Hij gebruikte wel het woord afmaken. Het was iets in de richting van als ik geen reactie krijg, dan maak ik de burgemeester af.5

Een proces-verbaal van bevindingen van 31 juli 2018, dossierpagina 41:

[getuige 2] werd op maandag 16 juli om 10:57 […] gebeld.

Een proces-verbaal van aanhouding d.d. 20 juli 2018, dossierpagina’s 18 t/m 19, inhoudende – zakelijk weergegeven – de verklaring van verbalisant [verbalisant] :

Vrijdag 20 juli 2018 (…) heb ik verdachte buiten heterdaad aangehouden (…). Toen ik verdachte aan het onderwerpen was aan een identiteitscontrole op het hoofdbureau van politie, hoorde ik hem tegen mij zeggen:

(…)

- Als je aan mijn gezin komt, maak je borst dan maar nat

- Ik zie de burgemeester vaak genoeg fietsen door de stad

- Ik neem het recht wel in eigen hand binnenkort (…)6

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 21 juli 2018, dossierpagina’s 32 t/m 35, inhoudende – zakelijk weergegeven – de verklaring van verdachte:

V: Welke woorden heeft u door de telefoon gebruikt toen u de gemeente belde vorige week?

A: Ik weet dit niet meer. (…)

O: Maandagochtend 9 juli, omstreeks 10:20 uur, medewerker gemeente:

- Hij gebruikte het woord afmaken.

- Als ik geen reactie krijg dan maak ik de burgemeester af

(…)

V: Klopt het dat je bovenstaande woorden gezegd hebt?

A: Ja dat kan wel kloppen.

O: Woensdagochtend 11 juli, omstreeks 12:00 uur, medewerker gemeente:

(…)

-De burgemeester heeft 2 dagen de tijd om het op te lossen, anders schiet ik de burgemeester neer7

- Ik heb alles in huis om de burgemeester neer te schieten en iedereen die ik tegen kom

- Er komt bloed en er gaan gewonden vallen

- Ik ben voor niemand bang en heb schijt aan iedereen

- Het gaat landelijk nieuws worden

V: En bovenstaande woorden, heb je die gezegd?

A: Dat ik de burgemeester neer zou schieten heb ik niet gezegd. Ik heb geen wapen nodig om iemand uit te schakelen. (…)

V: En dat je de burgemeester wil pakken als je hem ziet fietsen?

A: Ja dat klopt.(…)

V: Bent u in staat om de uitspraken, zoals u deze deed bij de gemeente, ten uitvoer te brengen?

A: Ja ik kan alles doen.8

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 21 juli 2018, dossierpagina’s 45 t/m 46, inhoudende – zakelijk weergegeven – de verklaring van [burgemeester] :

Ik doe aangifte van bedreiging. Ik ben als burgemeester van Utrecht bedreigd. De bedreigingen zijn via medewerkers van de gemeente Utrecht bij mij gekomen. Ik begrijp dat ik met de dood bedreigd ben door een mijnheer [verdachte] . (…)

Ik hoorde dat u mij mededeelde dat de verdachte op woensdag 11 juli 2018 zei: dat,9

(…)

- De burgemeester heeft 2 dagen de tijd tot vrijdag 13 juli om het op te lossen anders schiet ik de burgemeester neer.

- Er komt echt bloed, er gaan gewonden vallen, ik ben echt voor niemand bang, ik heb schijt aan iedereen. Het wordt landelijk nieuws.

Ik hoorde dat u mij mededeelde dat de verdachte op maandag 16 juli 2018 zei: dat,

- als ik geen reactie krijg, dan maak ik de burgemeester af.

Ik hoorde dat de verdachte bij zijn aanhouding zei: dat,

(…)

- als je aan mijn gezin komt, maak dan je borst maar nat.

- ik de burgemeester vaak genoeg zie fietsen door de stad.

- ik neem het recht wel in eigen hand.

Dit is niet prettig. Dit is ernstig. Ik word hier niet blij van en dat is een understatement.10

4.3.2

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat zijn cliënt vrijgesproken dient te worden van het ten laste gelegde, nu verdachte onderdelen van de ten laste gelegde woorden wel telefonisch heeft geuit, maar uit de bewijsmiddelen niet de vereiste dreigende aard blijkt van de geuite bedreigingen, noch de vrees die het slachtoffer zou hebben gehad dat hij het leven zou kunnen verliezen dan wel zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen door toedoen van zijn cliënt. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat zijn cliënt het onderdeel opgenomen in het eerste tot en met derde gedachtestreepje, te weten het neerschieten dan wel afmaken van de burgemeester, ontkent. Er is onvoldoende wettig bewijs voor deze uitlatingen. Daarnaast zou dit niet kunnen worden vastgesteld op grond van de verklaringen van getuigen [getuige 2] en [getuige 1] , nu de getuigen pas dagen na de vermeende bedreigingen zijn gehoord en getuige [getuige 2] zelf ook toegeeft dat zij zich de bewoordingen niet meer exact kan herinneren.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt, waarbij zij als eerste zal ingaan of de aan verdachte verweten uitlatingen kunnen worden bewezen en vervolgens of deze uitlatingen te kwalificeren zijn als bedreiging.

De rechtbank is van oordeel dat de in de tenlastelegging genoemde (telefonisch geuite) woorden: “de burgemeester heeft twee dagen de tijd om het op te lossen, anders schiet ik de burgemeester neer” en “ik heb alles in huis om de burgemeester neer te schieten” niet bewezen kunnen worden en zal verdachte van die onderdelen vrijspreken. Uitsluitend medewerker [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte deze woorden telefonisch heeft geuit, maar verdachte heeft deze bewoordingen, in tegenstelling tot de andere aan hem verweten uitlatingen, stellig en consequent ontkend. Voor dit deel van de tenlastelegging is dan ook onvoldoende wettig bewijs.

Het verweer van de verdediging dat de door verdachte aan [getuige 2] (telefonisch) geuite woorden: “als ik geen reactie krijg, dan maak ik de burgemeester af” niet kunnen worden bewezen wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, waaronder de bekennende verklaring van verdachte.

De bewezen verklaarde uitspraken van verdachte leveren, anders dan de raadsman van verdachte heeft bepleit, een strafbare bedreiging op.

Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht) is onder meer vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde – naar objectieve maatstaven – de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen laten dan wel dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen, alsmede dat het opzet van verdachte daarop was gericht. Niet is vereist dat de bedreigingen op de bedreigde een zodanige indruk hebben gemaakt dat er werkelijk vrees door is opgewekt.

Naar het oordeel van de rechtbank kon bij [burgemeester] door de bewezen verklaarde uitspraken van verdachte – naar objectieve maatstaven – de redelijke vrees ontstaan dat hij het leven zou kunnen laten. De letterlijke tekst van deze uitlatingen, die bij [burgemeester] terecht zijn gekomen, rechtvaardigen reeds deze conclusie. Bovendien heeft [getuige 1] verklaard dat verdachte aan de telefoon serieus overkwam en dat de bedreigingen op hem reëel overkwamen, onder meer omdat verdachte “bizar rustig” was tijdens het uiten van de bedreigingen. [getuige 1] had ook heel erg het gevoel dat het niet gericht was op hem maar op de burgemeester. [getuige 2] heeft verklaard dat zij het gevoel had dat het verdachte menens was (“alsof het een serieus idee was waar hij mee rondloopt”), gelet op de al eerder door hem geuite bedreigingen en omdat hij (wederom) rustig bleef. Uit de aangifte blijkt verder dat [burgemeester] de uitlatingen als ernstig heeft opgevat. Tot slot heeft verdachte tijdens zijn verhoor van 20 juli 2018 verklaard dat hij op het moment dat hij de bedreigingen uitte, zo boos was dat hij mensen kon vermoorden, dat hij toen ook heeft bevestigd dat hij in staat is de uitspraken ten uitvoer te brengen en dat hij zijn uitspraken heeft onderstreept onder meer met de woorden: “het is een keer afgelopen”.

De rechtbank acht, gelet op het vorenstaande, het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hieronder bewezen is verklaard.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op meerdere tijdstippen in de periode van 11 tot en met 20 juli 2018 te Utrecht, [burgemeester] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk meermaals voornoemde [burgemeester] , telefonisch, door tussenkomst van meerdere medewerkers van de gemeente Utrecht en mondeling, door tussenkomst van één politieambtenaar , dreigend de woorden toegevoegd:

- “als ik geen reactie krijg, dan maak ik de burgemeester af”

- “er komt echt bloed en er gaan gewonden vallen, het gaat landelijk nieuws worden” en

- “als je aan mijn gezin komt, maak je borst dan maar nat, ik zie de burgemeester vaak genoeg fietsen door de stad, ik neem het recht wel in eigen hand binnenkort”

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Aan het voorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf dienen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbonden te worden, te weten – kort gezegd –:

 een meldplicht bij de reclassering;

 een ambulante behandelverplichting;

 een opname in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang.

De officier van justitie heeft in tegenstelling tot het advies van de reclassering geen contactverbod met [burgemeester] gevorderd, nu dit voor verdachte te bezwarend zou zijn in het contact met de gemeente dat hij moet hebben.

Met betrekking tot de te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht heeft de officier van justitie, conform het advies van de reclassering, gevorderd deze dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, in geval van bewezenverklaring, verzocht aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis, zoals verdachte deze heeft ondergaan tot het moment van de inhoudelijke behandeling op 30 oktober 2018. Daarnaast kan volgens de raadsman een voorwaardelijke straf worden opgelegd. Aan deze voorwaardelijke straf kunnen dan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbonden worden.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft driemaal, door tussenkomst van twee medewerkers van de gemeente en tijdens zijn aanhouding op het gemeentehuis door tussenkomst van een verbalisant, [burgemeester] bedreigd in zijn hoedanigheid als burgemeester. Een bedreiging met een misdrijf gericht tegen het leven van een persoon zal in de regel grote indruk maken op de persoon tegen wie de bedreiging is gericht en zal bij die persoon en de kring rondom die persoon gevoelens van angst en onveiligheid oproepen. Als een dergelijke bedreiging is gericht tegen een publiek figuur zoals een burgemeester, creëert zij bovendien onrust in de samenleving. Een burgemeester vervult een publieke functie, die hij ongestoord en zonder vrees moet kunnen uitoefenen. Burgers die het niet eens zijn met beslissingen of het beleid van de burgemeester of de gemeente, kunnen daartegen via de daarvoor in het leven geroepen procedures opkomen. Het is ontoelaatbaar om in een dergelijk geval een burgemeester als openbaar gezagsdrager te bedreigen met de dood.

Door [burgemeester] te bedreigen met de dood heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op het (privé) leven van [burgemeester] . Dergelijke bedreigingen kunnen tot gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer leiden en bij zijn aangifte heeft [burgemeester] ook verklaard dat hij de bedreiging ernstig heeft opgevat.

Ten nadele wegende omstandigheden

In het nadeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met zijn strafblad van 23 juli 2018. Hieruit blijkt dat verdachte onder meer op 28 juli 2015 en 10 november 2016 is veroordeeld voor bedreiging en dat aan hem toen voorwaardelijke gevangenisstraffen zijn opgelegd van 3 weken respectievelijk 40 dagen. Deze eerdere veroordelingen en de in dat kader nog lopende proeftijden hebben verdachte er echter kennelijk niet van weerhouden opnieuw (vergelijkbare) strafbare feiten te plegen.

Verder houdt de rechtbank ten nadele van verdachte rekening met zijn proceshouding. Verdachte heeft, ook ter terechtzitting, het laakbare van zijn handelen niet ingezien. Hij heeft zelfs verklaard dat de impact op het slachtoffer en de betrokken medewerkers hem niet warm of koud laat.

Persoon van verdachte en rapportages

Bij rapporten van Pro Justitia van 11 oktober en 1 augustus 2018 hebben R.A. Graaff, psychiater, en B. van Giessen, klinisch psycholoog, over verdachte gerapporteerd.

De psychiatrisch rapporteur heeft de eerder gestelde diagnose inzake de zwakbegaafdheid onderschreven en verder vastgesteld dat er sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met gemengde persoonlijkheidstrekken waarbij naast paranoïde trekken overwegend cluster-B kenmerken, namelijk borderline, narcistische en antisociale persoonlijkheidskenmerken op de voorgrond staan. Deze conclusie wordt onderschreven door de psychologisch rapporteur, die verder heeft vastgesteld dat uit het onderzoek blijkt dat sprake is van een gebrekkige realiteitstoetsing bij verdachte, die de vorm aanneemt van waanachtige belevingen.

Door zowel de psychologisch als psychiatrisch rapporteur is geconcludeerd dat verdachte zicht heeft op de wederrechtelijkheid van zijn handelen, maar door het bestaan van de beschreven psychopathologie verminderd in staat is geweest om conform dit inzicht zijn wil in vrijheid te bepalen. Beide rapporteurs hebben derhalve geadviseerd om verdachte het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen.

Naar het oordeel van de psychiater, gelijk aan het oordeel van de psycholoog, wordt het recidiverisico ingeschat als hoog nu er weinig tot geen beschermende factoren aanwezig zijn en het patroon van gedragingen van verdachte niet eenvoudig te doorbreken is. Ter voorkoming van recidive heeft de psychiater geadviseerd de hulp door het FACT-team en het reclasseringscontact te continueren in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel.

De reclassering heeft over verdachte een rapport met de datum 22 oktober 2018 opgesteld. In dit rapport, opgemaakt door B. Westra, reclasseringswerker, zijn voornoemde rapportages van Graaff en Van Giessen, evenals de hierin opgenomen vaststellingen omtrent het psychosociaal functioneren van verdachte, overgenomen. De reclasseringsrapporteur heeft het recidiverisico, op basis van de door haar uitgevoerde risicoanalyse, ingeschat als hoog.

De reclassering heeft geadviseerd – indien de rechtbank tot een veroordeling komt – aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met – kort gezegd – de volgende bijzondere voorwaarden:

  • -

    een meldplicht bij Reclassering Nederland;

  • -

    een ambulante behandeling door FACT-team van Fivoor Utrecht;

  • -

    opname in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang van het Leger des Heils;

  • -

    een vrijheidsbeperkende maatregel inhoudende een contactverbod met [burgemeester] voor een periode van 2 jaar.

De reclassering heeft geadviseerd deze voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

De rechtbank neemt de conclusies en het advies ten aanzien van de toerekenbaarheid over en maakt deze tot de hare. Het hiervoor bewezen verklaarde zal verdachte derhalve in verminderde mate worden toegerekend.

Strafoplegging en bijzondere voorwaarden

Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op hetgeen hiervoor is weergegeven en rekening houdend met de ernst van het bewezen verklaarde , zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die (deels) onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Aan het voorwaardelijk deel van de straf zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden, met uitzondering van het gevraagde contactverbod in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel, nu dit voldoende kan worden gewaarborgd in de vorm van een bijzondere voorwaarde bij het opgelegde voorwaardelijk strafdeel. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank het voor de verdachte niet te bezwarend dat hij geen direct of indirect contact met de burgemeester mag zoeken. Verdachte kan immers gewoon contact zoeken met de gemeente zonder daarbij indirect of direct contact te zoeken met de burgemeester.

Voorts heeft de reclassering geadviseerd, en de officier van justitie verzocht, de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren op grond van artikel 14e Wetboek van Strafvordering. Het wettelijk kader voor de dadelijke uitvoerbaarheid stelt de eis dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde opnieuw een strafbaar feit zal begaan dat gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van aangever of (een) ander(en). Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval niet voldaan aan de wettelijke vereisten voor de dadelijke uitvoerbaarheid, nu de bedreiging van verdachte slechts bestaat uit een mondelinge – indirecte – bedreiging en daarmee niet wordt voldaan aan het criterium dat het strafbare feit een gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van aangever.

De tijd die verdachte reeds heeft doorgebracht in voorlopige hechtenis zal in mindering worden gebracht op het onvoorwaardelijke deel van de op te leggen vrijheidsstraf. Dat betekent dat verdachte reeds langer in voorlopige hechtenis heeft gezeten dan de straf die hem wordt opgelegd. Reeds bij afzonderlijke beslissing van 31 oktober 2018 heeft de rechtbank de voorlopige hechtenis van verdachte opgeheven.

9 VORDERING TENUITVOERLEGGING

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de eerder voorwaardelijk, onder parketnummers 21/001722-15 en 16/159302-16, opgelegde straffen ten uitvoer te leggen. Deze straffen bedragen respectievelijk een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken en een gevangenisstraf voor de duur van 40 dagen.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht de vorderingen tot tenuitvoerlegging af te wijzen. De raadsman voert hiertoe aan dat toewijzing van de vordering niet opportuun is omdat verdachte reeds meer dan 100 dagen in voorlopige hechtenis heeft verbleven.

Subsidiair heeft hij verzocht de proeftijd van de voorwaardelijk opgelegde straf te verlengen. Meer subsidiair heeft hij verzocht de dagen hechtenis om te zetten in een taakstraf.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij arrest van het Gerechtshof Arnhem van 28 juli 2015 (parketnummer 21/001722-15) is verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 weken opgelegd. Bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 10 november 2016 (parketnummer 16/159302-16) is verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 40 dagen opgelegd. Verdachte heeft zich binnen de proeftijden opnieuw schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten. Om die reden kunnen de straffen alsnog ten uitvoer gelegd worden.

De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging slechts gedeeltelijk toewijzen en overweegt hiertoe als volgt.

De rechtbank heeft, hetgeen de raadsman heeft betoogd in overweging nemende, overwogen dat gezien het feit dat de duur van de reeds ondergane voorlopige hechtenis de door de rechtbank opgelegde straf met iets meer dan veertig dagen overstijgt het op dit moment niet opportuun is de beide vorderingen geheel ten uitvoer te leggen. Het totaal van de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraffen bedraagt 61 dagen, terwijl verdachte iets meer dan 40 dagen te lang heeft vastgezeten. De rechtbank zal daarom het restant van ongeveer twintig dagen ten uitvoer leggen. De rechtbank zal de vordering met parketnummer 16/159302-16, zijnde 40 dagen gevangenisstraf, toewijzen voor een gedeelte van 20 dagen en voor het overige, zijnde 20 dagen gevangenisstraf, de proeftijd verlengen met één jaar. In de zaak met parketnummer 21/001722-15 zijn naast de voorwaardelijke straf van 3 weken ook bijzondere voorwaarden opgelegd. De rechtbank acht het gezien het hierboven overwogene en de duidelijke hulpvraag van verdachte niet opportuun deze vordering ten uitvoer te leggen en acht het daarnaast in het belang van verdachte het, in het kader van de bijzondere voorwaarden, opgelegde toezicht te laten doorlopen. Dit geldt in het bijzonder nu de rechtbank geen wettelijke basis ziet om in onderhavige zaak de op te leggen bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. De rechtbank zal deze vordering dan ook afwijzen.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57, 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 2 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

* Meldplicht

in contact blijft met de reclassering van het Leger des Heils, Zeehaenkade 30 te Utrecht. Verdachte zal zich blijven melden zo frequent en op de wijze zoals de reclassering dat nodig acht en zo lang de reclassering dat nodig acht;

* Ambulante behandelverplichting

zich laat behandelen door FACT-team van Fivoor Utrecht, of een soortgelijke ambulante zorgverlener, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij hij zich dient te houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling en/of behandelaar zullen worden gegeven waaronder eventueel het innemen van medicijnen;

* Opname begeleid wonen/maatschappelijke opvang

zal verblijven in de Laagdrempelige Opvang van het Leger des Heils te Utrecht, of een soortgelijke instelling voor beschermd wonen/maatschappelijke opvang, zulks ter beoordeling van de reclassering. Verdachte dient aldaar te verblijven, voor de gehele proeftijd dan wel zo lang als de reclassering dit nodig acht. Verder dient verdachte zich te houden aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

Contactverbod

* op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [burgemeester] , zolang en voorzover de reclassering dit noodzakelijk acht;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Vorderingen tot tenuitvoerlegging

Parketnummer 21/001722-15

- wijst af de vordering van de officier van justitie van 24 oktober 2018, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het Gerechtshof Arnhem van 28 juli 2015, parketnummer 21/001722-15, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 3 weken;

Parketnummer 16/159302-16

- wijst gedeeltelijk toe de vordering van de officier van justitie van 18 september, strekkende tot tenuitvoerlegging van de door de politierechter in deze rechtbank bij vonnis van 10 november 2016, parketnummer 16/159302-16, opgelegde voorwaardelijk gevangenisstraf voor het gedeelte van 20 dagen gevangenisstraf;

- verlengt de proeftijd van voornoemde voorwaardelijke straf voor het overige gedeelte, te weten 20 dagen gevangenisstraf, met één jaar.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.L.M. van Opstal, voorzitter, mrs. G.A. Bos en I.G.C. Bij de Vaate, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.L. Kappel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 november 2018.

Mr. H.L. Kappel is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 tot en met 20 juli 2018 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, [burgemeester] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk meermaals voornoemde [burgemeester] , telefonisch, door tussenkomst van één of meerdere medewerkers van de gemeente Utrecht en/of mondeling, door tussenkomst van één of meerdere politieambtenaren, dreigend de woorden toegevoegd:

- “ als ik geen reactie krijg, dan maak ik de burgemeester af”

- “ de burgemeester heeft twee dagen de tijd om het op te lossen, anders schiet ik de burgemeester neer”

- “ ik heb alles in huis om de burgemeester neer te schieten”

- “ er komt echt bloed en er gaan gewonden vallen, het gaat landelijk nieuws worden” en/of

- “ als je aan mijn gezin komt, maak je borst dan maar nat, ik zie de burgemeester vaak genoeg fietsen door de stad, ik neem het recht wel in eigen hand binnenkort”

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

(art. 285 Wetboek van Strafrecht)

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreffen dit pagina’s van processen-verbaal die als bijlagen zijn opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, registratienummer PL0900-2018201858, opgemaakt door politie Midden-Nederland, district West-Utrecht, doorgenummerd 1 tot en met 56. Wanneer paginanummers verwijzen naar andere processen-verbaal, dan wordt dit expliciet vermeld. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal die op ambtseed of ambtsbelofte en in de wettelijke vorm zijn opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van verhoor [getuige 1] d.d. 20 juli 2018, p. 9.

3 Proces-verbaal van verhoor [getuige 1] d.d. 20 juli 2018, p. 10.

4 Proces-verbaal van verhoor [getuige 2] d.d. 20 juli 2018, p. 6.

5 Proces-verbaal van verhoor [getuige 2] d.d. 20 juli 2018, p. 7.

6 Proces-verbaal van aanhouding d.d. 20 juli 2018, p. 18.

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 21 juli 2018, p. 33.

8 Idem, p. 34.

9 Proces-verbaal van verhoor van aangever [burgemeester] d.d. 21 juli 2018, p. 45.

10 Idem, p. 46.