Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5465

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-11-2018
Datum publicatie
13-11-2018
Zaaknummer
96-007592-18, 16-275986-14 (tul), 16-237237-16 (tul) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overtreding van de Wegenverkeerswet. Veroordeling voor het niet meewerken aan een ademonderzoek. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een geldboete van 1.000 euro en een voorwaardelijke rijontzegging van 9 maanden. Daarnaast bepaalt de rechtbank dat de man nog een taakstraf van in totaal 100 uur moet uitvoeren vanwege eerder voorwaardelijk opgelegde straffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 96-007592-18, 16-275986-14 (tul), 16-237237-16 (tul) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 12 november 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1965] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 oktober 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. G.P.N. Robben en van hetgeen verdachte en mr. D.I.A. Schröder, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 30 december 2017 te De Meern, gemeente Utrecht, niet heeft meegewerkt aan een ademonderzoek, terwijl het vermoeden bestond dat hij onder invloed van alcohol een personenauto zou hebben bestuurd.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft het ten laste gelegde feit bekend. De raadsvrouw heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 29 oktober 2018;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal ter zake artikel 8 van de Wegenverkeerswet van 2 januari 2018, genummerd 301220171600148450, opgemaakt door de politie Midden-Nederland;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 30 december 2017, genummerd PL0900-2017392779-3, opgemaakt door [verbalisant 1] , agent, en [verbalisant 2] , hoofdagent, beiden werkzaam bij de politie Midden-Nederland.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 30 december 2017 te De Meern, gemeente Utrecht, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat het opleggen van een rijontzegging niet meer aan de orde kan zijn. De verdediging heeft in dit verband verzocht rekening te houden met het traject van het CBR. Verdachte mocht als gevolg van besluit van het CBR van 14 maart 2018 voorlopig niet meer rijden. Het ziet er naar uit dat verdachte zijn rijbewijs binnenkort terug krijgt. Dit laat onverlet dat hij zijn rijbewijs minstens acht maanden niet heeft kunnen gebruiken. Dit komt overeen met de oriëntatiepunten voor straftoemeting (die door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht zijn vastgesteld) die uit gaan van een rijontzegging voor de duur van negen maanden. Daarnaast heeft verdachte zijn rijbewijs hard nodig voor zijn werk als zelfstandige. Ten aanzien van een op te leggen boete heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft niet meegewerkt aan een aan hem opgedragen ademonderzoek. Middels een ademonderzoek kan worden vastgesteld of en, zo ja, in welke mate door een bestuurder onder invloed is gereden. De verplichting om een dergelijk bevel op te volgen is ingegeven door het feit dat verkeersveiligheid in gevaar kan worden gebracht als mensen onder invloed deelnemen aan het verkeer. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij door op voornoemde wijze te handelen de verbalisanten heeft belemmerd in hun werk en ervoor heeft gezorgd dat de tegen hem gerezen verdenking niet nader kon worden geconcretiseerd.

Uit het strafblad van verdachte van 13 september 2018 volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een delict dat strafbaar is gesteld in de Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het door de raadsvrouw overlegde besluit van het CBR van 14 maart 2018 waarin staat vermeld dat verdachte voorlopig niet meer mag rijden.

De oriëntatiepunten voor straftoemeting die door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht zijn vastgesteld gaan in geval van weigeren van ademanalyse uit van een geldboete van

€ 1.000,- en een rijontzegging voor de duur van negen maanden.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een geldboete van € 1.000,- dient te worden opgelegd. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke rijontzegging opleggen voor de duur van negen maanden met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank heeft hierbij gelet op de omstandigheid dat de verdachte zijn rijbewijs in het kader van het traject van het CBR reeds lange tijd niet in zijn bezit heeft.

9 VORDERING TENUITVOERLEGGING

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht zowel de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 16-275986-14 alsmede de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer

16-237237-16 geheel toe te wijzen.

9.2

Het standpunt van de verdediging

16-275986-14

De raadsvrouw heeft primair verzocht de vordering af te wijzen omdat de verdachte is veroordeeld vanwege een heel ander feit dan in onderhavige zaak aan de orde is. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de proeftijd met één jaar te verlengen. Meer subsidiair verzoekt zij de vordering gedeeltelijk toe te wijzen.

16-237237-16

De raadsvrouw heeft primair verzocht de vordering af te wijzen omdat de verdachte bij verstek is veroordeeld vanwege een heel ander feit dan in onderhavige zaak aan de orde is. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de proeftijd met één jaar te verlengen. Meer subsidiair verzoekt zij de vordering gedeeltelijk toe te wijzen waarbij de gevangenis wordt omgezet in een taakstraf.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

16-275986-14

Bij uitspraak van de politierechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 25 oktober 2016 (parketnummer 16-275986-14) is aan verdachte een taakstraf voor de duur van 40 uur voorwaardelijk opgelegd. Verdachte heeft zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig gemaakt aan strafbare feiten. Om die reden zal deze straf alsnog ten uitvoer gelegd worden.

16-237237-16

Bij uitspraak van de politierechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van

6 maart 2017 (parketnummer 16-237237-16) is aan verdachte een gevangenisstraf van twee weken voorwaardelijk opgelegd. Verdachte heeft zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig gemaakt aan strafbare feiten. Om die reden zal deze straf alsnog ten uitvoer gelegd worden.

De rechtbank zal in plaats van de gevangenisstraf echter een taakstraf voor de duur van 60 uren gelasten, te vervangen door 14 dagen hechtenis indien de taakstraf niet dan wel niet naar behoren wordt verricht.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 163, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf en maatregel

- veroordeelt verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde tot een geldboete van

€ 1.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 20 dagen;

- ontzegt verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden;

- bepaalt dat de duur van de ontzegging wordt verminderd met de tijd gedurende welke het rijbewijs vóór het tijdstip waarop de straf ingaat, ingevorderd en ingehouden is geweest;

- bepaalt dat de ontzegging niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16-275986-14

- wijst de vordering toe;

- gelast de tenuitvoerlegging van de door de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, bij vonnis van 25 oktober 2016 opgelegde voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren;

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16-237237-16

- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van de door de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, bij vonnis van 6 maart 2017 opgelegde voorwaardelijke vrijheidsstraf toe;

- gelast in plaats van de vrijheidsstraf het verrichten van een taakstraf voor de duur van 60 uren;

- beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 14 dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W.B. Snijders Blok voorzitter, mrs. G.A. Bos en C.M.A.T. van der Geest, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.J. van der Waaij, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 november 2018.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 30 december 2017 te De Meern, gemeente Utrecht, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek

bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden,

voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven,

geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 163 lid 2 Wegenverkeerswet 1994