Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5464

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
09-11-2018
Datum publicatie
09-11-2018
Zaaknummer
16/659512-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 22-jarige man uit Amsterdam is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld voor een poging tot doodslag en mishandeling afgelopen zomer in Baambrugge. De rechtbank legt de man een gevangenisstraf van 36 maanden op, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Op 14 juli is de verdachte met een mes in zijn rugzak naar een café geweest. Later in de nacht sloeg de sfeer om nadat het slachtoffer kwetsende opmerkingen had gemaakt over de moeder van de man. De verdachte heeft toen zijn mes gepakt en het slachtoffer gestoken. Hierbij heeft het slachtoffer veel bloed verloren en heeft de verdachte hem in die toestand achter gelaten. Het is niet aan hem te danken dat het slachtoffer nog leeft.

De gevolgen voor het slachtoffer zijn groot, zo blijkt ook uit de slachtofferverklaring die is voorgelezen. Hij is meerdere keren geopereerd en heeft nog altijd veel pijn. Daarnaast is het slachtoffer na de steekpartij niet meer in staat geweest om zijn werk uit te voeren. Dit soort geweld draagt bij aan gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. De rechtbank vindt dat een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf gerechtvaardigd is.

Uit rapportages van een psychiater en een psycholoog blijkt dat er bij de verdachte sprake is van persoonlijkheidsproblematiek en dat hij verslaafd is aan drugs en alcohol. De deskundigen adviseren een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden. De rechtbank neemt dit advies over. De man moet zich onder andere verplicht laten behandelen. Vanwege de ernst van de feiten en straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd is de straf hoger dan de eis van de officier van justitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0961
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/659512-18 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 9 november 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1996] te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd te Forensisch Centrum Teylingereind te Sassenheim.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 26 oktober 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. R. Leuven en van hetgeen de verdachte en mr. D.C. Dorrestein, advocaat te Utrecht, alsmede de benadeelde partij [slachtoffer] en zijn advocaat, mr. I. Raterman, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 14 juli 2018 te Baambrugge:

Feit 1: door met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp in de schouder en/of de oksel, althans het bovenlichaam van [slachtoffer] te steken:

primair : zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag;

subsidiair : zich schuldig heeft gemaakt aan het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel;

meer subsidiair : zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Feit 2: door met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp in de (middel)vinger van [slachtoffer] te steken, die [slachtoffer] heeft mishandeld.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van de verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Eveneens acht de officier van justitie het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 2 ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het vereiste opzet, ook in voorwaardelijke zin, niet kan worden bewezen. De verdachte zelf kan zich dit moment immers niet herinneren en het opzet blijkt evenmin uit de camerabeelden of uit de verklaring van de aangever. Gelet op de bewegingen die de verdachte en de aangever maken, zoals op de beelden is te zien, is geenszins uit te sluiten dat het hier gaat om een ongelukkige samenloop van omstandigheden, waarbij de aangever zichzelf aan het voorwerp heeft bezeerd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

ten aanzien van het onder feit 1 primair ten laste gelegde:

De verdachte heeft het onder 1 ten laste gelegde feit bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. Gelet daarop en op basis van de inhoud van het dossier acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het feit heeft begaan en volstaat zij met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer] van 15 juli 2018, genummerd JM2, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland, houdende de aangifte, doorgenummerde pagina 93 e.v.;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 17 juli 2018, genummerd 2018202828, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland, houdende een beschrijving van de uitgekeken camerabeelden van het incident, doorgenummerde pagina 42 e.v.;

  • -

    de bekennende verklaring van de verdachte ten overstaan van de rechter-commissaris van 19 juli 2018.

ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde:

De aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 14 juli 2018 in de kroeg met drie jongens aan de praat kwam. Hij is daarna met hen naar de tennisbaan in Baambrugge gegaan. Het was gezellig, maar opeens had hij een mes in zijn handen. Hij snapt niet waarom hij opeens gestoken werd.2 De aangever heeft verklaard dat hij in zijn middelvinger is gestoken, tot het bot aan toe.3

Verbalisant [verbalisant] heeft een beschrijving gegeven van de camerabeelden van het incident op 14 juli 2018 te Baambrugge.4 Hij beschrijft dat om 04:23 uur is te zien dat de verdachte zijn rugtas pakt en één of beide handen in de rugtas heeft. Voorts is om 04:24 uur te zien dat de aangever en de verdachte elkaar de hand vast houden en dat daarbij door beiden kennelijk kracht wordt gebruikt. De verdachte duwt de aangever van zich af en het later in beslag genomen foedraal valt op de grond voor de stoel waarop de verdachte zit. Beiden doen een stapje terug en de aangever kijkt direct naar zijn rechter hand. In zijn linkerhand heeft de verdachte een voorwerp.5

De verdachte heeft bij zijn voorgeleiding tegenover de rechter-commissaris verklaard dat hij op de camerabeelden de persoon is die met de andere man [de rechtbank begrijpt: de aangever] in gevecht raakt.6

Bewijsoverwegingen feit 2

De rechtbank acht op basis van de hierboven weergegeven bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte opzettelijk met een mes in de middelvinger van de aangever heeft gestoken. De rechtbank stelt allereerst vast dat het, gelet op de camerabeelden, de verdachte moet zijn geweest die op de bewuste avond een mes bij zich droeg in zijn rugzak, terwijl hij de kroeg in ging en de hele avond alcohol gebruikte. Diep in de nacht is bij de tennisbaan tussen de aangever en de verdachte een sfeer van ruzie ontstaan, waarover de verdachte ook zelf heeft verklaard dat hij boos werd op de aangever. Daarbij heeft de verdachte de keuze gemaakt om het mes uit zijn rugzak te pakken en in zijn hand te houden, terwijl de aangever en hij zich op korte afstand van elkaar bevonden. Vervolgens is hij met het mes zijn hand de confrontatie met de aangever niet uit de weg gegaan. Terwijl de verdachte en de aangever vlak daarna elkaars hand enige tijd vasthielden en bewegingen maakten, is de aangever met het mes in zijn middelvinger gestoken. Door onder de hiervoor omschreven omstandigheden te handelen zoals de verdachte heeft gedaan, heeft de verdachte op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij het slachtoffer met het mes zou verwonden. Dat de verdachte het voorwaardelijke opzet heeft gehad op de mishandeling acht de rechtbank daarmee bewezen. Het door de raadsman gevoerde verweer wordt daarom verworpen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte:

Feit 1:

op 14 juli 2018 te Baambrugge, gemeente De Ronde Venen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met een mes in het bovenlichaam heeft gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Feit 2:

op 14 juli 2018 te Baambrugge, gemeente De Ronde Venen, [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] met een mes in de (middel)vinger te steken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders ten laste is gelegd, is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Feit 1: poging tot doodslag;

Feit 2: mishandeling.

7 STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het commune strafrecht moet worden toegepast. Voor toepassing van het adolescentenstrafrecht ziet hij geen argumenten. Ook in het advies, de geadviseerde bijzondere voorwaarden en de nadere toelichting van de reclassering, komt het belang van een pedagogische aanpak niet naar voren.

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als (bijzondere) voorwaarden de voorwaarden die zijn geadviseerd door psychiater G.C.G.M. Broekman op 9 oktober 2018.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft in de eerste plaats betoogd dat het adolescentenstrafrecht dient te worden toegepast. In zowel het psychiatrisch als psychologisch onderzoek worden hiervoor verschillende argumenten genoemd. De reclassering is nog duidelijker en adviseert ook in haar aanvullende toelichting van 2 oktober 2018 toepassing van het adolescentenstrafrecht. De raadsman heeft aangevoerd dat een aanpak met een pedagogisch doel in het belang is van de verdachte. Dat de verdachte zelf heeft aangegeven PI Schiphol te verkiezen boven de drukke groep in Teylingereind is, gelet op zijn karakter en zijn verleden met pesterijen, logisch en maakt niet dat niet aan de voorwaarden van het adolescentenstrafrecht is voldaan.

De raadsman heeft betoogd dat bij de strafoplegging in eerste instantie rekening moet worden gehouden met het feit dat gebeurtenissen in het verleden van de verdachte naar alle waarschijnlijkheid hebben bijgedragen aan zijn kwaadheid tijdens het incident. Daarnaast moet ook de provocerende rol van de aangever, die ook zelf geweld heeft gebruikt, worden meegewogen. Voorts dient in het voordeel van de verdachte mee te wegen dat de verdachte goed heeft meegewerkt aan de onderzoeken, gemotiveerd is om mee te werken aan het geadviseerde toezicht en de behandeling en uiting heeft gegeven aan zijn spijt door een excuusbrief te schrijven aan de aangever.

Met betrekking tot de hoogte van de straf en de toepassing van het adolescentenstrafrecht heeft de raadsman verwezen naar de volgende uitspraken: Rechtbank Midden-Nederland 28 februari 2017 ECLI:NL:RBMNE:2017:1422, Rechtbank Utrecht 12 oktober 2009 ECLI:NL:RBUTR:2009:BK3878 en Rechtbank Utrecht 24 februari 2012 ECLI:NL:RBUTR:2012:BV6902. De raadsman heeft verzocht deze jurisprudentie voor wat betreft de strafoplegging te vergelijken met de onderhavige zaak. In voornoemde zaken heeft de rechtbank in soortgelijke zaken een veel lagere straf opgelegd dan in de onderhavige zaak door de officier van justitie wordt geëist. De raadsman verzoekt aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals deze in het persoonlijkheidsonderzoek zijn geadviseerd.

Ten aanzien van de voorlopige hechtenis heeft de raadsman verzocht om deze bij vonnis op te heffen op het moment dat het onvoorwaardelijke gedeelte van de straf gelijk wordt aan het voorarrest.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

Met betrekking tot de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, overweegt de rechtbank als volgt. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een mishandeling en een poging tot doodslag van de aangever door met een mes eerst in diens hand en vervolgens in diens bovenlichaam te steken.

In de nacht van 14 juli 2018 is de verdachte met het mes in zijn rugzak naar een café geweest. Later in de nacht sloeg de sfeer om nadat aangever kwetsende opmerkingen over de moeder van de verdachte zou hebben gemaakt. De verdachte heeft daarop volstrekt disproportioneel gereageerd door zijn mes te pakken en te gebruiken, waarbij de aangever niet alleen tot op het bot in zijn vinger is gestoken, maar vervolgens ook diep is geraakt in zijn bovenlichaam, waarbij hij veel bloed heeft verloren. In die staat heeft de verdachte de aangever na het incident achtergelaten; hij heeft zich niet om de aangever bekommerd. Het is niet aan de verdachte te danken dat de aangever nog leeft. Dit rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.

De gevolgen van dit handelen van de verdachte zijn voor de aangever zeer groot, zo blijkt ook uit de slachtofferverklaring die hij ter zitting heeft voorgelezen. Hij is drie maal geopereerd aan zijn verwondingen. Hij heeft een groot litteken en heeft nog altijd pijn. Daarnaast is hij sinds het incident niet meer in staat geweest om zijn werk als zelfstandig tegelzetter uit te voeren. Onbekend is of dit in de toekomst nog zal veranderen.

Niet alleen voor de aangever heeft het door de verdachte toegepaste geweld gevolgen gehad. Dit soort geweld draagt ook bij aan gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Gelet op het voorgaande kan niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt.

De persoon van de verdachte

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op de justitiële documentatie van de verdachte van 14 september 2018. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Deze omstandigheid leidt niet tot strafvermindering of strafvermeerdering.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op diverse rapportages over de persoon van de verdachte. In eerste instantie zijn daarbij van belang de rapporten van 9 oktober 2018 en 16 oktober 2018, opgesteld door respectievelijk G.C.G.M. Broekman, kinder- en jeugdpsychiater en R.A. Sterk, psycholoog. Uit het rapport van voornoemde psychiater blijkt dat bij de verdachte sprake is van een stoornis in het gebruik van cannabis en alcohol, alsmede van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met afhankelijke trekken. Daarnaast is er sprake van verslavingsgedrag, een verstoorde emotie- en impulsregulatie en een gebrekkige gewetensvorming. De psychiater concludeert dat de stoornis ook tijdens het ten laste gelegde aanwezig was en het gedrag van de verdachte beïnvloedde. Om die reden adviseert de psychiater om het ten laste gelegde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.

De psychiater acht een voorwaardelijk juridisch kader geïndiceerd als borging voor langdurige behandeling en begeleiding van de verdachte, die gericht zouden moeten zijn op de persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte. Hij adviseert hierbij bijzondere voorwaarden op te leggen, te weten dat de verdachte:

- zich houdt aan een meldplicht;

- zich ambulant laat behandelen door GGZ Inforsa, gericht op verbetering van coping bij stress en spanningen;

- zich laat behandelen voor zijn verslavingsproblematiek, van welke behandeling ook middelencontroles deel kunnen uitmaken;

- meewerkt aan het verkrijgen en behouden van een zinvolle dagbesteding,

- meewerkt aan een traject voor begeleid wonen.

De voornoemde psycholoog heeft zich bij de bevindingen en het advies van de psychiater aangesloten.

De rechtbank heeft verder het reclasseringsadvies van 2 oktober 2018, opgesteld door S. Zuiderwijk, en de nadere toelichting daarop van 25 oktober 2018 bij de beoordeling betrokken, waarin onder andere wordt geadviseerd aan de verdachte een voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich moet houden aan een meldplicht, dat hij behandeld moet worden en dat hij moet meewerken aan het verkrijgen van een dagbesteding.

Adolescentenstrafrecht

De rechtbank heeft voormelde rapporten ook betrokken bij de vraag of het adolescentenstrafrecht moet worden toegepast.

De psychiater en psycholoog concluderen tot toepassing van het commune strafrecht. Zij beschrijven dat er voor wat betreft de ‘handelingsvaardigheden’ van de verdachte weinig argumenten zijn die pleiten voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Een pedagogische aanpak achten zij niet noodzakelijk.

De reclassering adviseert het adolescentenstrafrecht toe te passen vanwege de kwetsbare, afhankelijke en soms wat kinderlijke indruk die de verdachte maakt en zijn beperkte mate van zelfredzaamheid. De reclassering schat in dat de verdachte steun kan gebruiken in het op orde krijgen van zijn leven. De reclassering benoemt echter ook dat zij een pedagogische aanpak niet noodzakelijk acht. Daarom adviseert zij het toezicht aan de volwassenenreclassering op te dragen.

De rechtbank overweegt dat de verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten 22 jaar oud was. Anders dan de reclassering heeft geadviseerd, ziet de rechtbank, gesteund door de hiervoor vermelde rapportages van deskundigen Broekman en Sterk, geen aanleiding om recht te doen overeenkomstig de bijzondere bepalingen voor jeugdige personen (overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77hh van het Wetboek van Strafrecht).

Het uitgangspunt is dat het commune strafrecht wordt toegepast bij de volwassen verdachte, tenzij het pedagogisch doel van de op te leggen straf en voorwaarden de toepassing van het adolescentenstrafrecht rechtvaardigt. De rechtbank heeft bij haar beslissing gelet op de persoon van de verdachte en op de omstandigheden waaronder de bewezenverklaarde feiten zijn begaan, zoals hierboven is uiteengezet. Ter zitting is de rechtbank niet gebleken van de jeugdige kenmerken waar de reclassering haar advies (mede) op baseert. Nu de reclassering bovendien ook voorwaarden adviseert die gelijk zijn aan het commune strafrecht en waarbij de ‘volwassenenreclassering’ zal zijn belast met het toezicht en de uitvoering, is de rechtbank niet gebleken van een pedagogisch doel bij de toepassing van het adolescentenstrafrecht. De rechtbank zal dan ook het commune strafrecht toepassen.

Straf

Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden, maar met name vanwege de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de verdachte deze heeft gepleegd en de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, ziet de rechtbank reden om bij de straftoemeting een straf op te leggen die hoger is dan de officier van justitie heeft gevorderd.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door deskundige Broekman.

9 BENADEELDE PARTIJ

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 23.410,46. Dit bedrag bestaat uit € 8.410,46 materiële schade en € 15.000,- immateriële schade, ten gevolge van de aan de verdachte ten laste gelegde feiten.

De materiële schade bestaat uit de volgende posten: € 180,- aan ziekenhuis- en revalidatiedaggeldvergoeding, € 320,- aan eigen risico zorgverzekering, € 169,95 voor schoenen, € 955,76 voor gemaakte reiskosten en € 6.784,75 aan gederfd inkomen.

Daarbij is verzocht om de wettelijke rente vanaf de dag van het intreden van de schade en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de materiële kosten toe te wijzen; deze schadeposten zijn voldoende onderbouwd. Ten aanzien van de immateriële schade heeft hij opgemerkt dat het gevorderde bedrag gematigd zou moeten worden. De aangehaalde jurisprudentie ziet op ander (blijvend) letsel, onder meer in het gezicht van de betreffende slachtoffers.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering slechts gedeeltelijk kan worden toegewezen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de gevorderde schade met betrekking tot de schoenen niet kan worden toegewezen omdat uit het bonnetje dat ter onderbouwing is overgelegd, niet kan worden afgeleid dat dat dezelfde schoenen betreft als de schoenen die de benadeelde partij aan had op de dag van het incident. Als deze kostenpost al kan worden toegewezen, is dat slechts ter hoogte van de dagwaarde. Met betrekking tot het gederfde inkomen heeft de raadsman aangevoerd dat deze schadepost te ingewikkeld is voor behandeling binnen het strafproces en daarom niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman de hoogte van de vordering betwist. De onderhavige zaak wijkt zodanig af van de jurisprudentie waarmee de vordering is onderbouwd, dat de immateriële schadepost slechts voor een klein deel kan worden toegewezen. Het overgrote deel dient niet-ontvankelijk te worden verklaard omdat dit een onevenredige belasting oplevert voor het strafproces.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De schade voor zover die betrekking heeft op de daggeldvergoeding, het eigen risico zorgverzekering en de gemaakte reiskosten, ter hoogte van in totaal € 1.455,76 komt voor vergoeding in aanmerking. Deze schadeposten betreffen rechtstreekse schade, zijn voldoende onderbouwd en niet betwist.

Met betrekking tot de schoenen acht de rechtbank het aannemelijk dat deze zijn beschadigd en onbruikbaar zijn geworden als gevolg van de bewezen verklaarde feiten. Uit de overgelegde bon blijkt dat deze schoenen al enige tijd geleden zijn gekocht en aldus al enige tijd bij de benadeelde in gebruik zijn geweest. De rechtbank waardeert de waarde van de schoenen daarom op € 100,-. Ten aanzien van het gederfde inkomen overweegt de rechtbank dat het evident is dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde en de daarbij opgelopen verwondingen, een periode niet heeft kunnen werken. Gebleken is dat de verdachte voor het incident werkte als tegelzetter. Dat er sprake is van inkomstenderving, is daarmee voldoende aannemelijk. Op de door de benadeelde overgelegde aangiften inkomstenbelasting van 2016 en 2017 fluctueert het inkomen van de benadeelde echter zodanig, dat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende is vast te stellen wat de exacte hoogte is van het misgelopen inkomen. Om die reden zal de rechtbank deze schadepost schatten op € 5.000,-.

De rechtbank zal het gevorderde immateriële schadebedrag gedeeltelijk toewijzen. De rechtbank houdt daarbij rekening met de ernst van de gevolgen voor de benadeelde partij, voor zover op dit moment bekend. Of er al dan niet sprake zal zijn van blijvend letsel (anders dan littekens) en de gevolgen daarvan voor het fysiek en psychisch welbevinden van de benadeelde partij, is op dit moment nog onduidelijk en kan aldus niet bij de beoordeling worden betrokken. De rechtbank waardeert de immateriële schade thans op € 7.500,-.

De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, de vordering tot het bedrag van € 14.055,76 toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 14 juli 2018 tot de dag van volledige betaling.

De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De behandeling van de vordering levert voor dat deel (te weten € 1.855,- aan materiële schade en € 7.500,- aan immateriële schade) een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer] aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 14.055,76, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 14 juli 2018 tot de dag van volledige betaling. Als door de verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden vervangen door 105 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 287, 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart de verdachte strafbaar.

Oplegging straf

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 36 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 12 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

* zich binnen vijf werkdagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis zal melden bij Reclassering Inforsa, ABC-Straat 5 te Utrecht, en daarna zolang en zo frequent als de reclassering dit noodzakelijk acht;

* zich onder behandeling zal stellen van de forensische polikliniek Inforsa of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, welke behandeling is gericht op zijn verslavingsproblematiek en op verbetering van coping bij stress en spanningen en waarbij de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling zullen worden gegeven teneinde zich te laten behandelen zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* zijn medewerking verleent aan controles om het middelengebruik te beheersen en bespreekbaar te maken. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en met welke frequentie zal worden gecontroleerd. Mogelijke controlemiddelen zijn ademonderzoek (blaastest), urineonderzoek en bloedonderzoek;

* een opleiding zal volgen of mee zal werken aan het zoeken naar en behouden van een dagbesteding die zinvol is en als steunende factor kan dienen;

* zijn medewerking zal verlenen aan een traject voor begeleid wonen, waarbij de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die in het kader van het verblijf aan de verdachte zullen worden gegeven en aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld voor zover en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Benadeelde partij

  • -

    wijst de vordering van [slachtoffer] gedeeltelijk toe, te weten tot een bedrag van € 14.055,76;

  • -

    veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2018 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    verklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 14.055,76 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2018 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling te vervangen door 105 dagen hechtenis;

  • -

    bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.F. Koenis, voorzitter, mrs. C.E.M. Nootenboom-Lock en M.W.V. van Duursen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.S.A. Honing, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 november 2018.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 14 juli 2018 te Baambrugge, gemeente De Ronde Venen,, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de (rechter)schouder en/of de (rechter)oksel, althans in het (boven)lichaam heeft gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 14 juli 2018 te Baambrugge, gemeente De Ronde Venen,, althans in het arrondissement Midden-Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een snijwond in de (rechter)oksel, althans het (boven)lichaam van ongeveer 10 cm), heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] opzettelijk met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de (rechter)schouder en/of de (rechter)oksel, althans het (boven)lichaam te steken;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 14 juli 2018 te Baambrugge, gemeente De Ronde Venen,, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de (rechter)schouder en/of de (rechter)oksel, althans in het (boven)lichaam heeft gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 14 juli 2018 te Baambrugge, gemeente De Ronde Venen,, althans in het arrondissement Midden-Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de (middel)vinger te steken;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal van 18 juli 2018, 30 juli 2018 en 10 augustus 2018, genummerd PL0900-2018202828 (09Wet18), opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 263. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 een proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer] , pagina 93.

3 een proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer] , pagina 95.

4 een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] , pagina 42.

5 een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] , pagina 44.

6 een proces-verbaal van voorgeleiding van de rechter-commissaris van de rechtbank Midden-Nederland d.d. 19 juli 2018.