Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5431

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
05-09-2018
Datum publicatie
20-11-2018
Zaaknummer
UTR 18/3030 rectificatie
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

woningsluiting; harddrugs; belangenafweging; handicap; voorlopige voorziening toegewezen

artikel 13b Opiumwet; artikel 4:84 Awb, Damoclesbeleid gemeente Lelystad

Bij besluit van 3 augustus 2018 heeft de burgemeester van de gemeente Lelystad aan verzoekers op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet een last onder bestuursdwang opgelegd in de vorm van sluiting van hun woning voor drie maanden. De reden daarvoor is dat de politie in de woning een handelshoeveelheid hard- en softdrugs heeft gevonden. Verzoekers hebben tegen het besluit bezwaar gemaakt. Ook hebben zij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat de werking van het besluit wordt geschorst totdat op het bezwaar is beslist. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester de woning op grond van zijn beleid in beginsel voor drie maanden mocht sluiten omdat daarin een handelshoeveelheid harddrugs is aangetroffen. De voorzieningenrechter is echter ook van oordeel dat de burgemeester een betere belangenafweging moet maken. Daarbij speelt een rol dat de burgemeester in het primaire besluit onvoldoende heeft gemotiveerd in welke mate er sprake was van een drugsgerelateerde verstoring van de openbare orde. Verder heeft de burgemeester onvoldoende rekening heeft gehouden met de lichamelijke handicap en de afhankelijkheid van de woning van verzoeker. De burgemeester moet in bezwaar nader onderzoeken en motiveren of er reden is om van het beleid af te wijken. Het is op voorhand niet uit te sluiten dat verweerder in dit geval met een minder ingrijpende maatregel dan woningsluiting, zoals een waarschuwing, voorwaardelijke sluiting of last onder dwangsom, moet volstaan. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek toe, schorst de werking van het besluit tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist en veroordeelt de burgemeester in de door verzoekers gemaakte proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 18/3030 RECTIFICATIE pagina 4, rechtsoverweging 10

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 september 2018 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker 1] , te [woonplaats] , verzoeker, en

[verzoekster 2] , te [woonplaats] , verzoekster,

gezamenlijk te noemen verzoekers

(gemachtigde: mr. H.A.F.C. Tack),

en

de burgemeester van de gemeente Lelystad, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Stapel).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Woonstichting Centrada, te Lelystad.

Procesverloop

Bij besluit van 3 augustus 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel

13b, eerste lid, van de Opiumwet aan verzoekers een last onder bestuursdwang opgelegd in

de vorm van sluiting van de woning gelegen op het perceel [adres] te [woonplaats] (de

woning) voor de duur van drie maanden.

Verzoekers hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben

de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2018. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij is met voorafgaand bericht niet verschenen.

Overwegingen

Inleiding.

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Verweerder heeft het primaire besluit gebaseerd op een bestuurlijke rapportage van de politie van 12 juni 2018. De dragende overwegingen van deze rapportage zijn in het primaire besluit opgenomen. Daaruit blijkt dat de politie op 24 mei 2018 in de woning van verzoekers een handelshoeveelheid hard- en softdrugs heeft aangetroffen, bestaande uit: 8 wikkels cocaïne, 2 gripzakjes met in totaal 75 MDMA-pillen, 1 zak met 19,8 gram hennep, 20 voorgedraaide joints met een totaalgewicht van 24,2 gram en 1 zak met 18,4 gram hasj. Verder heeft de politie de volgende goederen aangetroffen: 1 weegschaal, 4 mobiele telefoons en een grote hoeveelheid contact geld (€ 650,-). Volgens de politie is de aangetroffen hoeveelheid drugs zo groot dat deze niet voor eigen gebruik kan zijn. De aangetroffen drugsgerelateerde goederen maken het daarnaast aannemelijk dat er vanuit de woning wordt gedeald. Verweerder heeft besloten tot sluiting voor de duur van drie maanden per 17 augustus 2018. Verweerders gemachtigde heeft meegedeeld dat het besluit wordt opgeschort tot het moment van de uitspraak van de voorzieningenrechter en dat verzoekers vanaf dat moment nog enkele weken de tijd krijgen om te verhuizen.

3. Verweerder heeft de rechtbank verzocht om ten aanzien van de bestuurlijke rapportage geheimhouding toe te passen op grond van artikel 8:29 van de Awb. Bij beslissing van 21 augustus 2018 heeft een andere kamer van deze rechtbank bepaald dat de beperking van de kennisneming van de bestuurlijke rapportage gerechtvaardigd is. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter ter zitting toestemming gegeven als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb. De voorzieningenrechter heeft daarom na de zitting kennisgenomen van de bestuurlijke rapportage.

4. Verzoekers huren de woning van derde-belanghebbende. Verzoekster is de partner en vaste verzorgster van verzoeker. Verzoekers betwisten dat de aangetroffen drugs voor handel waren bestemd. Verzoeker heeft tijdens de zitting verklaard dat hij drugsverslaafd is en dat de aangetroffen cocaïne, hennep en hasj voor eigen gebruik waren. Hij gebruikt naar eigen zeggen 0,5 tot 1,0 gram cocaïne en zeker tien jointjes per dag. Verzoeker heeft verder verklaard dat verzoekster, die hem van zijn verslaving af wil helpen, de cocaïne van hem afpakt en zodoende de grote hoeveelheid cocaïne heeft verzameld die door de politie is aangetroffen. De aangetroffen MDMA-pillen waren volgens verzoeker van een vriend die ten tijde van het onderzoek bij verzoekers op bezoek was.
Van een aanloop naar de woning vanuit het criminele drugscircuit is volgens verzoekers geen sprake. Hoewel door buurtbewoners in het verleden over overlast is geklaagd, heeft dit volgens verzoekers met drugshandel niets te maken. Verzoeker is vanwege zijn beperkingen gebonden aan de woning. Zijn vrienden komen daarom naar hem en niet andersom, zodat hij vaak veel (luidruchtige) vrienden over de vloer heeft.

5. Verzoekers doen een beroep op artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder mag volgens verzoekers in redelijkheid niet van zijn bevoegdheid tot sluiting gebruik maken en moet met lichtere maatregel, zoals een waarschuwing, volstaan. Verzoeker heeft ernstige lichamelijke beperkingen en de woning is aangepast aan zijn handicap en aan de zorg die hij van verzoekster ontvangt. Verzoekers hebben de woning enkele jaren geleden bovendien speciaal toegewezen gekregen vanwege de handicap van verzoeker. Ter nadere onderbouwing hebben verzoekers een aantal stukken overgelegd. Uit de stukken volgt – samengevat – dat verzoeker sinds 16 februari 2012 een zorgindicatie heeft voor wonen met zeer intensieve begeleiding en zeer intensieve verzorging, dat verzoeker in 2011 een (elektrische) rolstoel in bruikleen heeft gekregen en dat hij de kosten voor het verhogen van een keukenblok in de woning vergoed heeft gekregen. Verder hebben verzoekers een door verzoekster opgesteld overzicht overgelegd waaruit blijkt welke zorg verzoeker dagelijks van verzoekster krijgt. Als laatste hebben verzoekers een stuk met handtekeningen van buurtgenoten overgelegd.

Wettelijk kader.

6. Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet (Ow), is verweerder bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang indien in de woningen of lokalen dan wel in of bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I (harddrugs) of II (softdrugs) wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

7. Bij de invulling van zijn bevoegdheid op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Ow hanteert verweerder het Damoclesbeleid gemeente Lelystad (Damoclesbeleid). Volgens dit beleid is het toepassen van bestuursdwang erop gericht de handel in of vanuit (on)bewoonde woningen en lokalen tegen te gaan. Het belang dat hiermee wordt gediend is de bescherming van de openbare orde, veiligheid en volksgezondheid. Uit het Damoclesbeleid volgt dat de enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs voldoende is om te concluderen dat er sprake is van drugshandel op grond waarvan verweerder bevoegd is tot sluiting. Het is niet noodzakelijk dat de drugs daadwerkelijk worden verhandeld. Bij drugshandel wordt de aantasting van de openbare orde zonder meer aangenomen. In het Damoclesbeleid staat verder dat per situatie beoordeeld wordt of overgegaan kan worden tot sluiting van een woning. Hierbij wordt het belang van de sluiting afgewogen tegen het belang van het woongenot van een betrokkene, de daaraan gerelateerde privacy en het gevolg dat diegene dakloos wordt. Afwijking van het beleid is mogelijk indien toepassing daarvan onevenredige gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen, zoals bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht. Afwijking is volgens het Damoclesbeleid ook mogelijk als er aanwijzingen zijn dat sprake is van een schrijnend geval, waardoor bepaalde maatregelen in de gegeven omstandigheden niet geschikt zijn. Verweerder kan er dan voor kiezen om de toepasselijke maatregel voorwaardelijk te nemen met een proeftijd.

Artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bepaalt dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

In het tweede lid is bepaald dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.


Bevoegdheid om een last onder bestuursdwang op te leggen.

8. Als eerste is de vraag aan de orde of verweerder bevoegd was om tot sluiting van de woning over te gaan. Gelet op de tekst van artikel 13b, eerste lid van de Ow, beschikt verweerder bij de uitoefening van de daarin neergelegde bevoegdheid over beleidsvrijheid. Daaruit vloeit voort dat de voorzieningenrechter de invulling van die bevoegdheid door verweerder terughoudend moet toetsen.

9. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 11 december 20131 volgt dat bij de aanwezigheid van een hoeveelheid drugs in een pand die groter is dan een hoeveelheid voor eigen gebruik, in beginsel aannemelijk is dat die drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Daarbij kan aansluiting worden gezocht bij de door het openbaar ministerie toegepaste criteria, waarbij een hoeveelheid harddrugs van maximaal 0,5 gram en een hoeveelheid softdrugs van maximaal 5 gram als hoeveelheden voor eigen gebruik worden aangemerkt.

Uit de uitspraak van de ABRvS van 14 maart 20182 volgt verder dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs, het aan de rechthebbende op het pand is om aannemelijk te maken dat de aangetroffen hoeveelheid harddrugs niet voor verkoop, verstrekking of aflevering aanwezig was. Indien het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, is de burgemeester ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Ow bevoegd om ten aanzien van het pand een last onder bestuursdwang op te leggen.

10. Hoewel uit het primaire besluit niet het gewicht blijkt van de 8 wikkels cocaïne en 75 MDMA-pillen, kan in redelijkheid niet anders worden geconcludeerd dan dat de in de woning aangetroffen hoeveelheden hard- en softdrugs de door het openbaar ministerie aangehouden hoeveelheden voor eigen gebruik van maximaal 5 gram softdrugs en maximaal 0,5 gram harddrugs ruimschoots te boven gingen. Dit wordt door verzoekers ook niet betwist.

11. Verzoekers betoog ter zitting dat de aangetroffen cocaïne en softdrugs voor eigen gebruik waren bestemd, heeft verweerder in redelijkheid niet plausibel hoeven achten. Verzoeker heeft immers vooralsnog geen medische stukken overgelegd waaruit zijn verslavingsproblematiek blijkt, terwijl verzoekster nadrukkelijk heeft verklaard dat de artsen van verzoeker daarvan wel op de hoogte zijn. Daarnaast acht de voorzieningenrechter de desgevraagd gegeven toelichting dat verzoeker zijn verslaving kan bekostigen doordat hij heel veel drugs van vrienden krijgt niet overtuigend.

12. Zelfs als aangenomen zou worden dat de aangetroffen cocaïne en softdrugs wel voor eigen gebruik waren bestemd, schept de aanwezigheid van de aanzienlijke hoeveelheid MDMA-pillen bovendien ook op zichzelf al de bevoegdheid tot sluiting van de woning. Dat verzoeker de MDMA-pillen voor een vriend zou hebben bewaard maakt daarvoor niet uit. Alleen het aanwezig zijn van een handelshoeveelheid harddrugs schept namelijk al de bevoegdheid om op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Ow een last onder bestuursdwang toe te passen, oftewel te besluiten tot sluiting van de woning.

13. Gelet hierop en op het feit dat verweerder op grond van zijn beleid overgaat tot sluiting van een woning voor drie maanden (dus zonder voorafgaande waarschuwing) nadat in die woning voor de eerste keer een handelshoeveelheid harddrugs is aangetroffen, was verweerder in beginsel bevoegd om de woning voor drie maanden te sluiten.


Belangenafweging.

14. Dat verweerder conform het beleid heeft gehandeld betekent niet zonder meer dat verweerder ook terecht tot sluiting heeft besloten. In haar uitspraken van 26 oktober 20163 en de al genoemde uitspraak van 14 maart 2018 heeft de ABRvS overwogen dat verweerder alle omstandigheden van het geval dient te betrekken in zijn beoordeling en dient te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. Daarbij overweegt de ABRvS, onder verwijzing naar de eveneens al genoemde uitspraak van 11 december 2013, dat aan de voor bewoners mogelijk zeer ingrijpende gevolgen van de toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet op een woning een zwaar gewicht dient te worden toegekend bij de beoordeling van de vraag of verweerder in redelijkheid van de in die bepaling neergelegde bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken en, zo ja, of de wijze waarop de bevoegdheid is toegepast evenredig is. Een woningsluiting kan namelijk een inmenging vormen in het in artikel 8 van het EVRM neergelegde recht. Zo moet bijvoorbeeld bij een geringe overschrijding van de gebruikershoeveelheid drugs worden afgewogen of met een minder verstrekkende maatregel zoals een waarschuwing kan worden volstaan dan wel of sluiting als reparatoire maatregel is aangewezen ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. De ABRvS verwijst hierbij naar de wetsgeschiedenis waaruit blijkt dat de sluiting van een woning als een verregaande bevoegdheid moet worden aangemerkt, zeker wanneer het pand daadwerkelijk wordt bewoond.4 De wetgever achtte de sluitingsbevoegdheid niettemin een noodzakelijke en proportionele aanvulling op het bestaande juridische instrumentarium, maar benadrukte het belang van een gefaseerd optreden, waarbij het niet de bedoeling is dat al bij een eerste overtreding van de Ow automatisch tot sluiting van de woning wordt overgegaan, daar meestal met bijvoorbeeld een waarschuwing kan worden volstaan.

15. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekers beperkingen en zijn afhankelijkheid van de woning niet maken dat van het beleid moet worden afgeweken. Verzoekers kunnen volgens verweerder in heel Nederland tijdelijk een aangepaste woning huren, bijvoorbeeld bij vakantiepark [naam vakantiepark] . Verzoekers rolstoel en andere verplaatsbare hulpmiddelen kunnen zij meenemen of op locatie huren en de gebruikelijke mantelzorg kan daar worden voortgezet. Dat dit voor verzoekers extra kosten met zich meebrengt, valt volgens verweerder onder de eigen verantwoordelijkheid van verzoekers. Verzoeker weet dat zijn woonsituatie vanwege zijn lichamelijke beperking extra aandacht vraagt en het is algemeen bekend dat drugshandel verboden is en tot woningsluiting kan leiden, zodat van verzoeker extra voorzichtigheid mocht worden verwacht. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt volgens verweerder dat de woning in het criminele drugscircuit als drugspand bekend is komen te staan. Door de woning tijdelijk te sluiten wil verweerder de loop naar de woning stoppen. Vanwege de aanzienlijke hoeveelheid harddrugs die is aangetroffen acht verweerder sluiting van de woning voor drie maanden niet onevenredig. De nadelige financiële gevolgen en het tijdelijke ongemak aan de kant van verzoekers weegt volgens verweerder niet op tegen het belang van een veilige woonomgeving voor de omwonenden, het belang om herhaling te voorkomen en het belang om verdere verstoring van de openbare orde en veiligheid te voorkomen.

16. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder bij de belangenafweging onvoldoende rekening gehouden met de belangen van verzoekers en meer in het bijzonder de belangen van verzoeker als persoon met een handicap.

Op basis van de stukken, inclusief de bestuurlijke rapportage, en het verhandelde ter zitting is het de voorzieningenrechter niet duidelijk geworden op grond van welke bevindingen van de politie de conclusie gerechtvaardigd is dat de woning van verzoekers bekend stond als drugspand. Ook is onvoldoende duidelijk geworden of de overlast waarover vanuit de buurt is geklaagd overwegend drugsgerelateerd was en hoe die overlast moet worden getypeerd. Dat in de omgeving van de woning sprake was van enige drugsgerelateerde overlast neemt de voorzieningenrechter op zich wel aan. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat uit verzoekers verklaringen blijkt dat hij met regelmaat vrienden over de vloer heeft die drugs (naar hij stelt: voor hemzelf) meenemen en dat hij een vriend op bezoek had die 75 MDMA-pillen bij zich had. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter valt het echter niet uit te sluiten dat de overlast en de aanloop bij/naar de woning daarnaast óók, op zijn minst gedeeltelijk, kan worden verklaard door het feit dat verzoeker vanwege zijn beperkingen aan huis gebonden is en hij naar eigen zeggen veel luidruchtige vrienden over de vloer heeft. Voor het tegengaan van ‘gewone’ (niet drugsgerelateerde geluids) overlast, hoe vervelend ook voor omwonenden, is de bevoegdheid van artikel 13b van de Ow niet bedoeld.
Nu verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt in welke mate sprake was van een drugsgerelateerde verstoring van de openbare orde, is evenmin inzichtelijk geworden welke maatregel nodig was om het woon- en leefklimaat en de openbare orde te herstellen en of verweerder tot de meest verstrekkende maatregel moest grijpen.

17. Verweerder heeft bij de belangenafweging verder onvoldoende gewicht toegekend aan de nadelige financiële gevolgen en het ongemak dat verzoekers en meer in het bijzonder verzoeker van de woningsluiting zullen ondervinden. Verweerders standpunt dat het in heel Nederland mogelijk is om een rolstoelvriendelijke accommodatie te huren is onvoldoende onderbouwd, terwijl verweerder ook niet (kenbaar) heeft onderzocht welke voorzieningen in het geval van verzoeker noodzakelijk zijn. Zoals verzoekers ter zitting hebben aangevoerd zijn de kosten voor verblijf in [naam vakantiepark] aanzienlijk. Verder moeten alle verplaatsbare hulpmiddelen naar de locatie worden verhuisd of aldaar worden gehuurd, hetgeen ook kosten met zich brengt. Verzoekers hebben verder aangegeven dat verzoeker in geval van woningsluiting feitelijk gedwongen zal zijn om in een verzorgingshuis te verblijven, waar hij (naar hij stelt) geen familie en vrienden kan ontvangen en hij dus moet inleveren op zijn zelfstandigheid.
Het standpunt van de gemachtigde van verweerder ter zitting dat de gevolgen van woningsluiting voor een gezin met kinderen ook ingrijpend zijn en dat de situatie van verzoekers niet anders is dan een dergelijke of willekeurig welke andere situatie, althans dat de situatie van eisers niet tegen een andere situatie kan worden afgezet, slaagt niet. Indien tot sluiting van een woning van een gezin met kinderen wordt overgegaan dient net zozeer rekening te worden gehouden met de belangen van de kinderen, als in dit geval met de belangen van verzoeker als persoon met een handicap. Verweerder miskent aldus dat de nadelige gevolgen van woningsluiting voor verzoeker verder strekken dan voor iemand zonder handicap, die niet afhankelijk is van een aangepaste woning.

18. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter verder niet op het standpunt mogen stellen dat van verzoeker méér voorzichtigheid mag worden verlangd dan van iemand die géén handicap heeft. Verweerder heeft desgevraagd niet kunnen uitleggen waarom verweerder dit onderscheid aanbrengt, waar het de naleving van een wettelijke bepaling betreft. Verder is ook onduidelijk gebleven welk gevolg verweerder verbindt aan de strengere norm die hij kennelijk heeft willen stellen. Bovendien blijkt niet dat verweerder verzoekers handicap ook ten voordele van verzoeker bij de belangenafweging heeft betrokken.

Verweerder heeft zodoende onvoldoende waarde gehecht aan de omstandigheid dat verzoeker een sociaal kwetsbaar persoon is en heeft onvoldoende het uit artikel 8 van het EVRM voortvloeiende recht op eerbiediging van de woning van verzoeker meegewogen (zie het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Berger-Krall en anderen tegen Slovenië, van 12 juni 2014 in zaak nr. 14717/04; https://hudoc.echr.coe.int).

Verweerder heeft tenslotte ook niet onderkend dat Woonstichting Centrada (derde-belanghebbende) voornemens is om de huurovereenkomst met verzoekers op grond van het betaalde in artikel 7:231, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek te ontbinden, zodat de woningsluiting er in de praktijk toe zal leiden dat verzoekers de woning permanent moeten verlaten.

Conclusie.

19. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder in bezwaar nader moet onderzoeken en motiveren of er reden bestaat om op grond van artikel 4:84 van de Awb of wegens schrijnendheid van het beleid af te wijken. Het is op voorhand niet uit te sluiten dat verweerder in dit geval met een minder ingrijpende maatregel dan woningsluiting, zoals een waarschuwing, voorwaardelijke sluiting of last onder dwangsom, moet volstaan, zodat het bezwaar een redelijke kans van slagen niet kan worden ontzegd.

20. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat de werking van het primaire besluit wordt geschorst tot zes weken nadat op het bezwaarschrift is beslist.

21. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 1.002,- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1). Verweerder wordt verder opgedragen om het griffierecht van € 170,- aan verzoekers te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

 wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

 schorst de werking van het primaire besluit tot zes weken nadat op het bezwaarschrift is beslist;

 veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 1.002,-;

 draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan verzoekers te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.D. van Loopik, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 september 2018.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 ECLI:NL:RVS:2013:2365.

2 ECLI:NL:RVS:2018:738.

3 ECLI:NL:RVS:2016:2840.

4 Kamerstukken II 2006/07, 30 515, nr. 6, blz. 1-2.