Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5406

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-11-2018
Datum publicatie
07-11-2018
Zaaknummer
7244791 / MV EXPL 18-137
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding, verstek ontruiming wegens huurachterstand

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Almere

Vonnis in kort geding van 6 november 2018

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 7244791 / MV EXPL 18-137 van

[eiseres] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiseres,
gemachtigde mr. J.H. Lodewijk,

tegen

[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
niet verschenen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties

  • -

    de mondelinge behandeling.

1.2.

Tegen de niet verschenen [gedaagde] is verstek verleend.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

[eiseres] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] te veroordelen om aan [eiseres] ter zake de huurprijs, vermeerderd met het aan [eiseres] verschuldigde servicekostenvoorschot over de periode tot en met oktober 2018 tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het bedrag van € 5.500,00;

vermeerderd met de contractuele rente van 1% per maand of gedeelte van een

maand over de van dat bedrag deel uit makende betalingstermijnen, ingaande op de

eerste dag van elke betrokken betalingsperiode over de dan telkens vervallen

betalingstermijnen tot aan de dag der algehele voldoening;

vermeerderd met de buitengerechtelijke kosten van € 998,25 (inclusief BTW).

II. [gedaagde] te veroordelen om aan [eiseres] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de voorgeschreven huurprijs, vermeerderd met het voorschreven servicekostenvoorschot van € 900,00 per maand over de periode vanaf 1 november

2018 tot aan de dag van de hierna te vorderen ontbinding van de voorschreven huurovereenkomst, vermeerderd met de contractuele rente van 1% per maand of

een gedeelte van een maand, ingaande op de eerste dag van elke betrokken

betalingsperiode over de dan telkens vervallen betalingstermijnen tot aan de dag der

algehele voldoening.

III. de voorschreven huurovereenkomst tussen [eiseres] als verhuurster en [gedaagde]

als huurder betreffende de woonruimte, gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , te ontbinden per de datum van het te dezen te wijzen vonnis, althans per een bij dit vonnis in goede justitie te bepalen andere datum, met veroordeling van [gedaagde] om het gehuurde, met al degenen die en al hetgeen dat zich daarin of daarop bevinden respectievelijk bevindt, binnen twee dagen na de betekening van dit vonnis, althans binnen een zodanige andere termijn als bij dit vonnis in goede justitie te bepalen is, volledig en behoorlijk te verlaten en te ontruimen en met afgifte van de sleutels in lege en behoorlijke staat ter beschikking van [eiseres] te stellen en vervolgens verlaten en ontruimd te houden, zulks met machtiging aan [eiseres] om bij gebreke van volledige voldoening hieraan deze verlating en ontruiming en dit vervolgens verlaten en ontruimd houden zelf te bewerken met behulp van de sterke arm van politie en justitie en op kosten van [gedaagde] .

IV. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder begrepen de

noodzakelijke reis- en verblijfkosten en verlet kosten van [eiseres] en het salaris en de noodzakelijke verschotten van de gemachtigde van [eiseres] , te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en - voor het geval dat voldoening van deze kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te

vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de veertiende dag na dagtekening van het vonnis;

te vermeerderen met de na het vonnis te maken kosten van tenuitvoerlegging daarvan, waaronder de eventueel te maken ontruimingskosten op vertoon van de

daartoe nodige, in dit vonnis te vermelden, bescheiden op voet van artikel 3:299 lid 3 Burgerlijk Wetboek.

2.2.

[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] met ingang van 1 oktober 2014 van de ex-man van [eiseres] heeft gehuurd de woning/het appartement aan de [adres] te [woonplaats] (hierna ook: het gehuurde), tegen een huurprijs van thans € 750,00 per maand en € 150,00 per maand aan voorschot servicekosten. [eiseres] is op 26 mei 2017 door boedelscheiding volledig eigenaar geworden van het gehuurde. [gedaagde] heeft tot en met oktober 2018 een huurachterstand laten ontstaan van € 5.500,00.

3 De beoordeling

3.1.

Het is de kantonrechter genoegzaam gebleken dat [eiseres] een spoedeisend belang heeft bij haar vordering.

3.2.

Nu geen verweer wordt gevoerd en de vordering de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, wordt de ontruiming toegewezen, met dien verstande dat de ontruimingstermijn zal worden bepaald op twee weken na betekening van dit vonnis. Het gevorderde bedrag van € 5.500,00 aan achterstallige huurpenningen tot en met oktober 2018 zal tevens worden toegewezen, zo ook de contractuele rente van 1% per maand. De na 1 november 2018 vervallen huurtermijnen worden ook toegewezen, met dien verstande dat deze zullen worden toegewezen tot de ontruiming.

3.3.

De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst zal worden afgewezen nu in een kort gedingprocedure geen ontbinding van de huurovereenkomst kan worden gevraagd.

3.4.

De mede gevorderde machtiging door [eiseres] om de ontruiming zo nodig zelf, met inroeping van de sterke arm, uit te doen voeren, zal worden afgewezen, omdat de bevoegdheid tot reële executie van de veroordeling tot ontruiming reeds voortvloeit uit de artikelen 556 lid 1 en 557 juncto artikel 444 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

3.5.

[eiseres] heeft een bedrag van € 998,25 inclusief BTW aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd op grond van artikel 2 van de huurovereenkomst jo. artikel 20 lid 3 en 4 van de Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Woonruimte (hierna: de Algemene Bepalingen). Deze Algemene Bepalingen zijn toepasselijk, nu [gedaagde] hier geen verweer tegen heeft gevoerd en uit het dossier blijkt dat [gedaagde] voor de ontvangst van de Algemene Bepalingen heeft getekend en deze aldus heeft aanvaard. De buitengerechtelijke incassokosten zullen daarom worden toegewezen.

3.6.

[eiseres] heeft een vergoeding voor de kosten voor de ontruiming van het gehuurde gevorderd. De kantonrechter is van oordeel dat dit onderdeel van de vordering afgewezen dient te worden. Ingevolge artikel 237 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt het bedrag van de kosten waarin de verliezende partij wordt veroordeeld bij het vonnis vastgesteld, voor zover die kosten vóór de uitspraak zijn gemaakt. Daarvan is bij ontruimingskosten geen sprake; dit zijn immers kosten die ná het ontruimingsvonnis (mogelijk) worden gemaakt. Ten tijde van het ontruimingsvonnis staat immers nog niet vast of deze kosten zullen worden gemaakt en zo ja, in welke omvang. [eiseres] zal derhalve een afzonderlijke executoriale titel moeten verwerven voor het verhaal van de executiekosten, bestaande uit een veroordeling tot betaling van die kosten.

3.7.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- kosten dagvaarding: € 99,91
- griffierecht: € 226,00
- salaris gemachtigde: € 400,00
Totaal: € 725,91

De door [eiseres] gevorderde noodzakelijke reis- en verblijfkosten en verletkosten zijn niet toewijsbaar aangezien [eiseres] procedeert met een gemachtigde en deze kosten op grond van artikel 238 lid 1 Rechtsvordering slechts toewijsbaar zijn indien de wederpartij van de in het ongelijk gestelde partij procedeert zonder gemachtigde.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen met inachtneming van de hierna te bepalen termijn.

3.8.

De nakosten, waarvan [eiseres] betaling vordert, zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot.

4 De beslissing

De kantonrechter:

4.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis de woonruimte/het appartement, gelegen aan het adres [adres] te [woonplaats] , met al degenen die en al hetgeen dat zich daarin of daarop bevinden respectievelijk bevindt, volledig en behoorlijk te verlaten en te ontruimen en met afgifte van de sleutels in lege en behoorlijke staat ter beschikking van [eiseres] te stellen en vervolgens verlaten en ontruimd te houden;

4.2.

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [eiseres] een bedrag van € 5.500,00, vermeerderd met de contractuele rente van 1% per maand of een gedeelte van een maand, ingaande op de eerste dag van elke betrokken betalingsperiode over de dan telkens vervallen betalingstermijnen tot aan de dag der algehele voldoening;

4.3.

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [eiseres] een bedrag van € 998,25 aan buitengerechtelijke incassokosten;

4.4.

veroordeelt [gedaagde] om vanaf 1 november 2018 tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [eiseres] een bedrag van € 900,00 per maand, tot de dag dat de woning zal zijn ontruimd, vermeerderd met de contractuele rente van 1% per maand of een gedeelte van een maand, ingaande op de eerste dag van elke betrokken betalingsperiode over de dan telkens vervallen betalingstermijnen tot aan de dag der algehele voldoening;

4.5.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot vandaag vastgesteld op € 725,91, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 Burgerlijk Wetboek met ingang van de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

4.6.

veroordeelt [gedaagde] , onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiseres] volledig aan dit vonnis heeft voldaan, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 100,00 aan salaris gemachtigde;

4.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.P. Hoekstra en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2018.