Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5366

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
08-11-2018
Datum publicatie
13-11-2018
Zaaknummer
C/16/445681 / FA RK 17-4480, C/16/453381 / FA RK 18-345
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Echtscheiding. Kinderalimentatie. Man woonachtig in buitenland. Draagkrachtformule gecorrigeerd met woonlandfactor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

Locatie Utrecht

zaaknummers: C/16/445681 / FA RK 17-4880 (echtscheiding)

C/16/453381 / FA RK 18-345 (gemeenschap)

Beschikking van 8 november 2018


in de zaak van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] (Marokko),


hierna te noemen de man,

advocaat mr. J.J. van Ewijk, te Utrecht

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,


hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. M.S.F. Ilahibaks-Gulzar, te Utrecht

1
1. Verloop van de procedure

1.1.

Bij beschikking van 15 juni 2018 is de verdere behandeling van het verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen aangehouden tot een nader te bepalen zittingsdatum ter inhoudelijke voortzetting.

1.2.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 11 oktober 2018. Verschenen zijn:

- mr. Van Ewijk namens de man;

- de vrouw bijgestaan door mr. Ilahibaks-Gulzar en mevrouw N. Arrahil als tolk.

1.3.

Tijdens de zitting zijn namens de man uitkeringsspecificaties overgelegd en namens de vrouw salarisstroken.

1.4.

De minderjarige dochter van partijen [voornaam van minderjarige] heeft haar mening tijdens het kindgesprek op 8 oktober 2018 aan de rechtbank kenbaar gemaakt.

2
2. Vaststaande feiten

2.1.

Voor de vaststaande feiten wordt verwezen naar voormelde beschikking van

15 juni 2018.

3. Verdere beoordeling van de zaak

Rechtsmacht en toepasselijk recht

3.1.

De rechtbank overweegt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ten aanzien van deze verzoeken en dat Nederlands recht van toepassing is.

Echtscheiding

3.2.

De man verzoekt de echtscheiding uit te spreken op de grondslag dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht.

3.3.

De vrouw voert verweer. Zij voert aan dat de man zijn verantwoordelijkheid als echtgenoot en vader dient te nemen en zich dient te herenigen met zijn gezin.

3.4.

De rechtbank overweegt dat partijen al geruime tijd gescheiden leven en dat de man bij zijn verzoek blijft. De duurzame ontwrichting van het huwelijk is daarmee voldoende vast komen te staan. Het verzoek van de man zal worden toegewezen.

Hoofdverblijfplaats

3.5.

Partijen verzoeken beiden de hoofdverblijfplaats van [voornaam van minderjarige] bij de vrouw te bepalen.

3.6.

Nu gesteld noch gebleken is dat het belang van [voornaam van minderjarige] zich hiertegen verzet, zal het verzoek worden toegewezen.

Zorgregeling

3.7.

De man verzoekt een zorg- en contactregeling vast te stellen, waarbij de man [voornaam van minderjarige] één keer per jaar in Nederland bezoekt en de man voorts het recht heeft om per telefoon, e-mail dan wel op een andere passende wijze op afstand contact met haar te hebben.

3.8.

De vrouw heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de man.

3.9.

De rechtbank zal het verzoek van de man toewijzen, in die zin dat een zorgregeling wordt vastgesteld waarbij de man [voornaam van minderjarige] eenmaal per jaar in Nederland bezoekt en dat hij daarnaast telefonisch, per e-mail of op andere wijze op afstand contact met [voornaam van minderjarige] heeft. De rechtbank merkt daarbij uitdrukkelijk op dat uit het kindgesprek met [voornaam van minderjarige] naar voren is gekomen dat zij haar vader mist en dat het in haar belang is dat het contact verder wordt uitgebreid.

Alimentatie

3.10.

De vrouw verzoekt te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [voornaam van minderjarige] met ingang van primair 25 juli 2017, subsidiair met ingang van

1 september 2017 € 312,-- per maand en met ingang van 1 januari 2018 € 317,-- per maand bij vooruitbetaling aan de vrouw zal voldoen, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bijdrage en ingangsdatum.

3.11.

De vrouw verzoekt tevens te bepalen dat de man met een bedrag van € 287,-- per maand bijdraagt in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, steeds bij vooruitbetaling te voldoen, althans een bijdrage die de rechtbank juist acht.

3.12.

De man voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring dan wel afwijzing van de verzoeken.

3.13.

Alvorens de verzoeken van de vrouw aan de hand van de behoefte en draagkracht te beoordelen, zal de rechtbank ingaan op het standpunt van de man dat de vrouw enkel een verzoek tot vaststellen van alimentatie indient om hem – naar de rechtbank begrijpt – te benadelen. De rechtbank stelt voorop dat van enig motief bij de vrouw om de man te benadelen niet is gebleken. Onduidelijk is bovendien welk gevolg de man aan zijn stelling verbindt. De rechtbank overweegt verder dat hetgeen de man heeft gesteld over de (aanvullende) uitkering op grond van de Participatiewet van de vrouw en het feit dat het voor de vrouw de facto niet uitmaakt of zij die uitkering ontvangt, of kinderalimentatie, niet afdoet aan een verplichting van de man om kinderalimentatie te betalen, indien hij daarvoor draagkracht heeft. De rechtbank gaat daarom aan de stelling van de man voorbij.

Bijdrage in kosten verzorging en opvoeding

Ingangsdatum

3.14.

Om procestechnische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum van een eventueel door de man te betalen bijdrage bespreken.

3.15.

De man heeft geen verweer gevoerd tegen door de vrouw primair verzochte ingangsdatum, zodat de rechtbank de vrouw zal volgen en als ingangsdatum 25 juli 2017 zal aanhouden.

Behoefte

3.16.

Partijen verschillen van mening over zowel de hoogte van de behoefte van [voornaam van minderjarige] als de wijze waarop de behoefte van [voornaam van minderjarige] dient te worden berekend.

3.17.

De man stelt zich op het standpunt dat de behoefte van [voornaam van minderjarige] moet worden berekend alsof partijen niet in gezinsverband hebben samengeleefd. De vrouw kan zich hier niet in vinden. De rechtbank ziet in het enkele feit dat partijen in 2012 uit elkaar zijn gegaan – waarna nog tijdelijk sprake is geweest van een verzoening – geen aanleiding om de behoefte van [voornaam van minderjarige] te berekenen alsof van een samenleving in gezinsverband geen sprake is geweest. Vast staat dat partijen tot in ieder geval 2012 in gezinsverband hebben samengeleefd. De behoefte van [voornaam van minderjarige] zal daarom worden berekend aan de hand van het netto besteedbaar gezinsinkomen in 2012.

3.18.

Vast staat dat de man in 2012 een WIA-uitkering ontving van bruto

€ 1.346,33 per maand exclusief vakantiegeld. De man heeft de stelling van de vrouw dat zij in 2012 een ZW-uitkering van bruto € 248,41 inclusief vakantiegeld ontving onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat de rechtbank hierin de vrouw zal volgen. Het had op de weg van de man gelegen nader te motiveren waarom voormelde inkomsten volgens hem niet representatief zijn voor de verdiensten van de vrouw tijdens de samenleving van partijen.

3.19.

Uitgaande van voornoemde gegevens en de in 2012 geldende belastingtarieven en premies becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man op € 1.142,-- per maand en dat van de vrouw op € 939,-- per maand. De rechtbank verwijst naar de aangehechte en door de griffier gewaarmerkte berekeningen. Op basis van voormelde gegevens gaat de rechtbank er vanuit dat partijen in aanmerking kwamen voor een kindgebonden budget van € 1.017,-- per jaar. Het netto besteedbaar gezinsinkomen bedraagt dan afgerond € 2.166,-- per maand. Uitgaande van twee punten voor de kinderbijslag becijfert de rechtbank de behoefte van [voornaam van minderjarige] in 2012 afgerond € 327,-- per maand. Geïndexeerd naar 2017 is dit afgerond € 350,-- per maand.

3.20.

De vrouw heeft onweersproken gesteld dat de behoefte van [voornaam van minderjarige] dient te worden verhoogd met een bedrag van € 34,-- per maand in verband met kosten van schoolactiviteiten en een laptop, zodat de rechtbank de vrouw hierin zal volgen. De behoefte van [voornaam van minderjarige] bedraagt in 2017 derhalve € 384,-- per maand.

Draagkracht van de man

3.21.

Partijen verschillen van mening over de draagkracht van de man en de wijze waarop de draagkracht van de man dient te worden berekend. De vrouw stelt ten eerste dat het netto besteedbaar inkomen van de man gelijk gesteld moet worden aan zijn netto inkomsten omdat hij vrijwel geen belastingen/premies hoeft te betalen omdat hij in Marokko woont. De man is van mening dat desondanks met de Nederlandse belastingtarieven rekening gehouden dient te worden, omdat hij vanwege het ontbreken van sociale voorzieningen in Marokko zelf geld moet reserveren voor eventuele inkomensdalingen en onvoorziene kosten.

3.22.

De rechtbank oordeelt dat de man de stelling van de vrouw onvoldoende gemotiveerd betwist. Het had op zijn weg gelegen aan te tonen dat hij daadwerkelijk geld reserveert en nader te motiveren voor welk doeleinde, gelet op het feit dat de man al geruime tijd een WIA-uitkering ontvangt. De rechtbank zal daarom de vrouw volgen, in welk geval tussen partijen niet in geschil is dat het netto besteedbaar inkomen van de man € 1.518,-- per maand bedraagt.

3.23.

Daarnaast stelt de vrouw dat – kort gezegd - de draagkrachtformule dient te worden gecorrigeerd met een woonlandfactor omdat de kosten van levensonderhoud in Marokko blijkens de regeling Woonlandbeginsel in de sociale zekerheid 2012 50% lager zijn dan in Nederland. De man betwist dat de kosten van levensonderhoud in Marokko in zijn geval 50% lager liggen dan in Nederland.

3.24.

De rechtbank overweegt dat tussen partijen vast staat dat de man niet conform de regeling Woonlandbeginsel in de sociale zekerheid 2012 is gekort op zijn WIA-uitkering. Hij ontvangt dus hetzelfde bedrag aan WIA-uitkering als hij zou ontvangen als hij in Nederland woonachtig zou zijn. De vrouw heeft voldoende onderbouwd dat het kostenniveau in Marokko 50% lager ligt dan in Nederland. De man voert weliswaar aan dat dit gelet op onder meer zijn woonlasten en kosten voor medicijnen in zijn geval niet opgaat, maar laat na om dit door middel van stukken te onderbouwen. De rechtbank zal daarom de vrouw volgen en de draagkracht formule corrigeren. Anders dan de man aanvoert, halveert de vrouw niet de vrije ruimte maar slechts de woonfactor en de overige redelijke kosten van levensonderhoud. Aan de hand van de gecorrigeerde draagkrachtformule becijfert de rechtbank de draagkracht van de man op 70% van [ 1.518 – (0,15 * 1.518 + 440) ] afgerond € 595,-- per maand.

Draagkracht van de vrouw

3.25.

Vast staat dat de vrouw op dit moment naast haar inkomsten uit arbeid een aanvullende uitkering op basis van de Participatiewet ontvangt. Anders dan partijen, is de rechtbank van oordeel dat de vrouw, als verzorgende ouder, daarom geen draagkracht heeft om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [voornaam van minderjarige] . Een andersluidend oordeel verhoudt zich namelijk niet met de aard van de uitkering op basis van de Participatiewet.

Zorgkorting

3.26.

Gelet op de door de rechtbank te bepalen zorgregeling kan de man aanspraak maken op een zorgkorting van 5% van de behoefte, zijnde afgerond € 18,-- per maand.

Conclusie

3.27.

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de man over voldoende draagkracht beschikt om de door de vrouw verzochte bijdrage te voldoen. Het verzoek van de vrouw zal worden toegewezen.

Bijdrage in kosten levensonderhoud

Huwelijksgerelateerde behoefte

3.28.

Tussen partijen is niet in geschil dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw in 2012 € 1.103,-- per maand bedraagt. Geïndexeerd naar heden is dat afgerond € 1198,-- per maand.

Aanvullende behoefte (behoeftigheid)

3.29.

De vrouw heeft niet gesteld hoe hoog haar aanvullende behoefte is. De rechtbank is daarmee van oordeel dat de vrouw niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van een bijdrage in haar levensonderhoud zal worden afgewezen.

Huurrecht woning

3.30.

De vrouw verzoekt te bepalen dat zij huurster zal zijn van de woning aan de [adres] te [postcode] [woonplaats] .

3.31.

De man voert hiertegen geen verweer.

3.32.

Het verzoek van de vrouw zal worden toegewezen, met dien verstande dat het huurrecht aan de vrouw zal worden toegekend per datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.

Huwelijksgoederengemeenschap

3.33.

De vrouw verzoekt vast te stellen dat partijen de huwelijksgoederengemeenschap reeds hebben verdeeld.

3.34.

De man concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van de vrouw dan wel afwijzing van het verzoek.

3.35.

De rechtbank overweegt dat de vrouw een verklaring voor recht verzoekt. Gelet op de stellingen van partijen over en weer met betrekking tot de woning in Marokko komt echter niet vast te staan dat de huwelijksgoederengemeenschap – voor zover hiervan al sprake zou zijn - reeds is verdeeld. Het verzoek van de vrouw zal om die reden worden afgewezen.

4. Beslissing

De rechtbank:

4.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen de man en de vrouw, op [trouwdatum] 1999 te Utrecht met elkaar gehuwd;

4.2.

bepaalt dat [voornaam van minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft;

4.3.

stelt bij wijze van zorgregeling tussen [voornaam van minderjarige] en de man vast dat de man [voornaam van minderjarige] eenmaal per jaar in Nederland bezoekt en dat hij daarnaast telefonisch, per e-mail of op andere wijze op afstand contact met [voornaam van minderjarige] heeft;

4.4.

bepaalt dat de man met ingang van 25 juli 2017 bijdraagt in de kosten van verzorging en opvoeding van [voornaam van minderjarige] met een bedrag van € 312,-- per maand en met ingang van 1 januari 2018 € 317,-- per maand, bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;

4.5.

bepaalt dat de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking huurder is van de woning aan de [adres] ( [postcode] ) in de gemeente [woonplaats] ;

4.6.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behoudens voor zover het de echtscheiding betreft;

4.7.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. T. Dopheide, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. F. de Kleijn, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 november 2018

Hoger beroep

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het beroepschrift kan uitsluitend door een advocaat worden ingediend. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden kunnen het hoger beroep uiterlijk drie maanden na de dag van de uitspraak instellen. Andere belanghebbenden kunnen het beroep instellen uiterlijk drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.