Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5365

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
08-11-2018
Datum publicatie
13-11-2018
Zaaknummer
C/16/461987 / FA RK 18-3298
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot vaststelling partneralimenatie afgewezen. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar wegens grievend gedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0283
JPF 2019/7
FJR 2019/31.17
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

Locatie Utrecht

zaaknummer: C/16/461987 / FA RK 18-3298

Beschikking van 8 november 2018


in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] (Italië),


hierna te noemen de man,

advocaat mr. L.C. de Jong,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,


hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. P. Vellekoop.

1
1. Verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • -

    het verzoekschrift van de zijde van de man, ingekomen ter griffie op 4 juni 2018;

  • -

    het verweerschrift van de zijde van de vrouw;

  • -

    de correspondentie, waaronder met name:

o een brief van 28 september 2018 van de zijde van de man met producties.

1.2.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 11 oktober 2018. Verschenen zijn:

- mr. De Jong namens de man;

- de vrouw, bijgestaan door mr. Vellekoop.

1.3.

Tijdens de zitting heeft mr. Vellekoop aan de hand van pleitnotities gepleit.

2
2. Vaststaande feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Tussen hen is de echtscheiding uitgesproken door de rechtbank Utrecht bij beschikking van [2012] . Deze beschikking is op [2012] ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand te Wijk bij Duurstede.

2.2.

Beide partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

3. Verzoek en verweer

3.1.

De man verzoekt te bepalen dat de vrouw met ingang van 1 mei 2018, althans vanaf een door de rechtbank te bepalen datum, aan de man een partneralimentatie dient te betalen van € 5.000,-- per maand, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bijdrage, waarop de door de vrouw na 1 mei 2018 tot aan de datum van de beschikking reeds betaalde alimentatie in mindering strekt.

3.2.

De vrouw concludeert tot afwijzing van het verzoek van de man en verzoekt de man te veroordelen in de werkelijke kosten van de procedure.

4. Beoordeling van het verzochte

Rechtsmacht en toepasselijk recht

4.1.

De rechtbank constateert dat de Nederlandse rechter bevoegd is en dat het Nederlands recht van toepassing is.

Partneralimentatie

4.2.

De vrouw stelt zich, kort gezegd, op het standpunt dat de man zich zo grievend tegenover haar heeft gedragen dat van haar in redelijkheid niet kan worden verwacht dat zij bijdraagt in zijn levensonderhoud. Het handelen van de man sinds het uiteengaan van partijen in juli 2011 is er volgens de vrouw op gericht haar te beschadigen en te benadelen. De man heeft dit betwist. In het geval het verweer van de vrouw doel treft, komt de rechtbank niet toe aan de behandeling van de behoefte van de man en de draagkracht van de vrouw. De rechtbank zal daarom dit verweer als eerst behandelen.

4.3.

Gelet op artikel 1:157 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt bij de beoordeling rekening gehouden met alle omstandigheden van het geval, ook niet-financiële factoren, zoals grievend gedrag van de alimentatiegerechtigde. Het gaat dan om de vraag of het, gelet op dat gedrag, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om van de vrouw te verlangen dat zij bijdraagt in de kosten van levensonderhoud van de man (zie Hoge Raad 4 mei 2018 ECLI:NL:HR:2018:695). Grievend gedrag als zodanig leidt er niet zonder meer toe dat aan dit criterium is voldaan.

4.4.

De vrouw legt aan haar stelling onder meer ten grondslag dat de man haar heeft mishandeld. Volgens de man is slechts sprake geweest van een (enkele) duw. De rechtbank overweegt dat het vonnis van de politierechter van 6 januari 2012 dwingend bewijs oplevert dat de man de vrouw op 2 juli 2011 meermaals heeft mishandeld (artikel 161 jo. 284 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). De man levert geen tegenbewijs, waardoor dit in onderhavige procedure eveneens vast komt te staan. Het antwoord op de vraag of de door de vrouw overgelegde foto’s al dan niet uit het strafrechtelijke dossier afkomstig zijn – waarover partijen kennelijk van mening verschillen - kan in het midden blijven.

4.5.

Door de vrouw is verder aangevoerd dat de man op 24 september 2014 conservatoir beslag heeft doen leggen op in de woning van de partner van de vrouw aanwezige inboedel met het doel haar en haar partner te beschadigen. Door de man is niet betwist dat hij het verlof tot het leggen van conservatoir beslag heeft verkregen op grond van een onjuiste voorstelling van zaken en dat hij na het leggen van het conservatoir beslag geen hoofdvordering heeft ingesteld, zodat ook dit – als niet weersproken – komt vast te staan.

4.6.

De man heeft evenmin betwist dat hij de vrouw valselijk heeft beschuldigd van financiële malversaties en fraude bij een opdrachtgever, externe relaties en de vereffenaar van de besloten vennootschap van partijen met het doel de vrouw in een kwaad daglicht te stellen en te bewerkstelligen dat zij geen werk in de financiële wereld zou verkrijgen. Als niet weersproken staat tevens vast dat de man – met het oog op tussen partijen lopende procedures - een overeenkomst van aandelenoverdracht en arbeidsovereenkomst heeft vervalst.

4.7.

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank als volgt. Duidelijk is dat partijen al jarenlang in een (juridische) strijd zijn verwikkeld rondom de afwikkeling van de echtscheiding en de vereffening van de besloten vennootschap van partijen, waarbij de emoties aan weerszijden hoog oplopen. De gedragingen van de man – dat wil zeggen de mishandeling, het conservatoir beslag, de aan derden geuite beschuldigingen en de vervalste documenten – gaan echter verder dan binnen de context van de tussen partijen gevoerde (echtscheidings-)strijd toelaatbaar kan worden geacht. Daarbij acht de rechtbank ook relevant dat voor een aantal van die gedragingen geldt dat sprake was van enig tijdsverloop sinds het uiteengaan van partijen. Het is de optelsom van voormelde gedragingen die maakt dat de rechtbank van oordeel is dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is van de vrouw te verlangen dat zij een bijdrage levert in de kosten van levensonderhoud van de man. De overige gestelde gedragingen en het daartegen gevoerde verweer behoeven dan geen verdere bespreking. Het verzoek van de man tot het vaststellen van een door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud zal om die reden worden afgewezen.

Proceskostenveroordeling

4.8.

De rechtbank ziet in hetgeen door de vrouw naar voren is gebracht geen aanleiding af te wijken van het uitgangspunt in familierechtelijke zaken dat de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd. Het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen in de proceskosten zal om die reden worden afgewezen.

5. Beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst het verzochte af;

5.2.

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. T. Dopheide, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. F. de Kleijn, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 november 2018.

Hoger beroep

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het beroepschrift kan uitsluitend door een advocaat worden ingediend. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden kunnen het hoger beroep uiterlijk drie maanden na de dag van de uitspraak instellen. Andere belanghebbenden kunnen het beroep instellen uiterlijk drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.