Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5330

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
31-10-2018
Datum publicatie
16-11-2018
Zaaknummer
6745570 AC EXPL 18-777
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Annuleringsbeding vliegticket; Europese richtlijn oneerlijke bedingen; ambtshalve toetsing; artikel 6:233 aanhef en onder a BW; beding in dit geval onredelijk bezwarend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2019/39
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 6745570 AC EXPL 18-777 BJ/33913

Vonnis van 31 oktober 2018

inzake

de naamloze vennootschap

Tui Nederland N.V.,

gevestigd te Rijswijk,

verder ook te noemen Tui,

eisende partij,

gemachtigde: Rosmalen Nedland Gerechtsdeurwaarders en Incasso B.V.,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 11 juli 2018 (hierna: het tussenvonnis),

  • -

    de akte uitlaten van Tui van 27 augustus 2018.

1.2.

[gedaagde] heeft, hoewel hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, op de akte van Tui niet gereageerd. Ten slotte is een datum bepaald waarop dit vonnis wordt uitgesproken.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De kantonrechter blijft bij al hetgeen is overwogen in het tussenvonnis, behoudens de abusievelijke vermelding in 3.3. van de facturen van 26 december 2016. De juiste datum moet zijn 27 december 2016, zoals uit 2.2. en 2.3. van het tussenvonnis blijkt. Verder staat in 4.6. abusievelijk als datum van de annuleringsnota 3 maart 2017 vermeld; dit moet 1 maart 2017 zijn, zoals uit 2.6. van het tussenvonnis blijkt.

2.2.

Bij het tussenvonnis is Tui in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de vraag of haar vordering jegens [gedaagde] (mede) is gebaseerd op het annuleringsbeding in de Algemene Vervoersvoorwaarden van TUI fly. Tevens diende Tui zich uit te laten over het voorshands gegeven oordeel dat het beding onder de Europese Richtlijn betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993, hierna: de Richtlijn) valt en aldus mogelijk onredelijk bezwarend is en diende Tui aan te voeren waarom het beding in de gegeven omstandigheden niet onredelijk bezwarend is. In het bijzonder diende Tui gegevens in het geding te brengen over de gemaakte kosten en gederfde winst, om te kunnen vaststellen of de bedongen vergoeding een ‘redelijke vergoeding’ is als bedoeld in artikel 6:237 aanhef en onder i BW.

2.3.

Tui bevestigt in haar akte allereerst dat haar vordering is gebaseerd op het annuleringsbeding in artikel 3.3 van de Algemene Vervoersvoorwaarden van TUI fly (hierna: het annuleringsbeding). Het annuleringsbeding luidt als volgt:

“Passagiers kunnen een Boeking of Ticket annuleren. Daarmee wordt de luchtvervoersovereenkomst ontbonden. Indien en voor zover ten tijde van het tot stand komen van de Boeking of het boeken van het Ticket niet uitdrukkelijk anders is bepaald, bedragen in dergelijke gevallen de kosten van annulering van een Boeking of Ticket 100% van de (verschuldigde) prijs voor de Boeking of het Ticket. Er wordt derhalve geen restitutie verleend, met uitzondering van alle door de luchthavens en overheden opgelegde en passagiersgebonden belastingen. Deze kunnen op verzoek van de Passagier worden terugbetaald op voorwaarde dat de Passagier binnen drie maanden na de datum van annulering de Contractuele Vervoerder hierom schriftelijk verzoekt. Boekingen en Tickets die via www.tui.nl of via het TUI Contact Center tot stand zijn gekomen c.q. zijn geboekt, kunnen uitsluitend telefonisch en tijdens kantooruren worden geannuleerd. Boekingen en Tickets die via andere kanalen tot stand zijn gekomen c.q. geboekt, dienen via die kanalen te worden geannuleerd. De Passagier wordt aangeraden zichzelf te verzekeren tegen de in dit artikellid beschreven financiële gevolgen van een annulering.”

2.4.

Tui betoogt dat artikel 6:237 aanhef en onder i BW niet van toepassing is op de situatie die zich tussen Tui en [gedaagde] voordoet, omdat de overeenkomst tussen Tui en [gedaagde] (van 27 december 2016) is geëindigd wegens wanprestatie aan de zijde van [gedaagde] . [gedaagde] is in de nakoming van zijn betalingsverbintenis tekortgeschoten en dus doet zich de uitzondering van 6:237 aanhef en onder i BW voor, aldus Tui.

2.5.

In artikel 6:237 aanhef en onder i BW is bepaald dat bij een overeenkomst tussen een gebruiker en een wederpartij, natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn een in de algemene voorwaarden voorkomend beding dat voor het geval de overeenkomst wordt beëindigd anders dan op grond van het feit dat de wederpartij in de nakoming van haar verbintenis is tekort geschoten, de wederpartij verplicht een geldsom te betalen, behoudens voor zover het betreft een redelijke vergoeding voor door de gebruiker geleden verlies of gederfde winst.

2.6.

De kantonrechter overweegt dat de tickets van [A] en [gedaagde] zijn geannuleerd, en de overeenkomst van 27 december 2016 in zoverre dus is ontbonden, omdat [gedaagde] niet had voldaan aan zijn betalingsverplichtingen voortvloeiend uit de overeenkomst. Dit betekent dat, zoals Tui terecht aanvoert, de in artikel 6:237 aanhef en onder i BW omschreven uitzonderingssituatie zich voordoet. Er is geen (andere) aantoonbare reden geweest voor annulering van de tickets. Het artikel is daarom in dit geval niet van toepassing. Dit laat echter onverlet dat het annuleringsbeding tevens (ambtshalve) dient te worden getoetst aan de open norm van artikel 6:233 aanhef en onder a BW. Gelet op de inhoud van de akte heeft Tui dit kennelijk ook zo opgevat, nu zij betoogt dat het beding hoe dan ook niet onredelijk bezwarend is en dit vervolgens in haar akte nader heeft toegelicht.

2.7.

Bij toetsing aan artikel 6:233 aanhef en onder a BW zijn onder meer van belang de aard en overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen en de wederzijds kenbare belangen van partijen. Bij ambtshalve toetsing aan de Richtlijn dient tevens te worden gelet op de in de Europese rechtspraak genoemde omstandigheden (zie onder meer het arrest Aziz, HvJ 14 maart 2013, ECLI:EU:C:2013:164). Zo dient te worden beoordeeld of het beding een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van partijen veroorzaakt. Daarbij moet worden onderzocht of het beding wijziging brengt in hetgeen anders volgens de toepasselijke nationale regels tussen partijen zou gelden en het beding aldus de consument in een juridisch minder gunstige positie plaatst. Daarnaast is in de Europese rechtspraak bepaald dat de rechter dient na te gaan of de verkoper door op eerlijke en billijke wijze te onderhandelen er redelijkerwijs van uit kon gaan dat de consument een dergelijk beding zou aanvaarden indien daarover afzonderlijk was onderhandeld. Tevens moet acht worden geslagen op de bij de Richtlijn behorende (indicatieve) blauwe lijst van bedingen die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt. Het annuleringsbeding in deze zaak is naar het oordeel van de kantonrechter een variant van het boetebeding uit de blauwe lijst (onderdeel e): een beding dat tot doel of gevolg heeft de consument die zijn verbintenis niet nakomt, een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen. Het enkele feit dat het annuleringsbeding een boetebeding is, is echter nog onvoldoende voor het oordeel dat het onredelijk bezwarend is. Dat is pas het geval als de bedongen vergoeding wegens annulering niet in een redelijke verhouding staat tot de werkelijk geleden of (in dit geval) te verwachten schade (geleden/te lijden verlies en gederfde/te derven winst). Of de vergoeding in redelijke verhouding staat tot de geleden of te lijden schade is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

2.8.

Tui voert in dit verband allereerst aan dat de annuleringskosten in feite niet 100% bedragen, omdat de passagier op grond van het annuleringsbeding passagiersgebonden belastingen kan terugvragen. Als [gedaagde] dat had gedaan, zouden de annuleringskosten in zijn geval neerkomen op 79% van het bedrag dat hij voor de tickets heeft betaald. Ook in dat geval dient Tui naar het oordeel van de kantonrechter te onderbouwen dat die schadevergoeding, die nog steeds aan de hoge kant is, in een redelijke verhouding staat tot de werkelijk door haar geleden schade. Daar komt bij dat als een deel van de 100% aan annuleringskosten ziet op belastingen van luchthavens en/of overheden, dit deel dus niet ziet op kosten van Tui. Dat wil zeggen dat het resterende deel (in dit geval dus 79%) in feite ziet op 100% van door Tui (gestelde) gemaakte kosten en dat de annuleringskosten de facto nog steeds 100% zijn.

2.9.

Tui voert over de schade samengevat aan dat voor iedere vlucht voldoende dekking van de vaste kosten dient te bestaan. Dit economisch gerechtvaardigde uitgangspunt komt volgens haar ernstig in het gedrang bij annulering tegen (substantieel) lagere (annulerings)kosten. Met de annuleringskosten wordt namelijk het risico afgedekt dat een verkochte stoel na annulering leeg blijft. Lage annuleringskosten verlagen de drempel om te annuleren en vergroten het risico dat vluchten (te) leeg blijven en dat de vaste kosten van het uitvoeren van een vlucht niet meer opwegen tegen de baten. Daarmee wordt rendabel (of kostendekkend) opereren als luchtvaartmaatschappij bemoeilijkt en dat kan ook nadelige gevolgen hebben voor de consument in de vorm van minder vluchten of duurdere tickets.

Verder heeft Tui toegelicht dat zij vluchten inkoopt bij haar zustermaatschappij TUI fly ten behoeve van door Tui te verkopen pakketreizen. Tui moet vervolgens het vliegtuig gevuld krijgen en dat risico ligt volledig bij haar. Als tegen lage kosten geannuleerd zou kunnen worden, zou dat Tui in de problemen kunnen brengen met het dekken van de vaste kosten. De niet bij pakketreizen verkochte stoelen verkoopt Tui los (zoals in het geval van [gedaagde] ) en die kunnen alleen aantrekkelijk worden geprijsd als de kans op een annulering niet al te groot is. Anders zal Tui hogere prijzen moeten rekenen en dat is in zijn algemeenheid ten nadele van de consument/reiziger, aldus Tui. Het zou ook aanzetten tot makkelijk annuleren en dat zou de (financiële) planning van luchtvaartmaatschappijen zeer onzeker maken, omdat dan maar de vraag is of er op het moment van de vlucht nog voldoende reizigers zijn geboekt om te kunnen voorzien in de kosten.

2.10.

Verder voert Tui aan dat het antwoord op de vraag of een plaats na annulering nog(maals) kan worden verkocht, afhangt van veel factoren en dat allerminst op voorhand kan worden aangenomen dat de geannuleerde stoel (eenvoudig) nogmaals wordt verkocht. Zo hangt dat onder meer af van de bestemming, in hoeverre er voor die bestemming concurrentie is van andere luchtvaartmaatschappijen, of de vertrekdatum in een vakantieperiode valt, etc. Mogelijk maakt Tui ook nog extra marketingkosten om de geannuleerde stoel opnieuw te verkopen. De afzetmarkt van Tui, die vrijwel uitsluitend uit vakantiegangers bestaat, is bovendien kleiner dan die van andere (reguliere) luchtvaartmaatschappijen die ook de zakelijke markt bedienen. Volgens Tui is het onredelijk dat zij zou moeten wachten met in rekening brengen van annuleringskosten tot het moment dat vaststaat of de geannuleerde stoel al dan niet nogmaals wordt verkocht. Vooraf differentiëren van de annuleringskosten biedt volgens Tui geen uitkomst. Dat zou – kort gezegd – bij iedere annulering de discussie kunnen oproepen of het op het moment van de annulering gehanteerde (gedifferentieerde) tarief wel redelijk is. Dat zou voor luchtvaartmaatschappijen een onevenredige extra belasting vormen. Overigens is bij [gedaagde] volgens Tui wel sprake geweest van differentiatie, nu hij aanvankelijk in de gelegenheid is gesteld om na boeking gedurende vijf dagen kosteloos te annuleren.

2.11.

De kantonrechter overweegt dat in het verhaal van Tui vooral opvalt dat zij in het algemeen schetst wat het volgens haar betekent als zij niet langer 100% van de kosten op de reiziger wiens stoel is geannuleerd, kan verhalen. De belangrijkste reden, zo begrijpt de kantonrechter, is dat de schade vooral ziet op het risico van het niet rond kunnen krijgen van de vaste kosten voor een vlucht. Daarom wil Tui (met die 100%) het risico afkopen dat een geannuleerde stoel niet nogmaals wordt verkocht. Tui heeft ook een aantal bedrijfseconomische redenen aangevoerd waarom dit voor haar specifiek van belang is. Zo heeft Tui een bijzondere constructie van samenwerking met TUI fly, die haar meer risico (van niet verkochte/geannuleerde tickets) oplevert, en bedient zij een beperktere afzetmarkt dan andere luchtvaartmaatschappijen. Voorts is haar annuleringsbeleid afwijkend ten opzichte van veel andere luchtvaartmaatschappijen omdat bij Tui reizigers niet meteen bij de boeking betalen maar pas later, met een groter risico dat mensen bij een annulering helemaal niet meer betalen (bij andere maatschappijen zijn het ‘non-refundable’ tickets waarbij passagiers meteen bij boeking het totale bedrag betalen en niets terug krijgen als ze het ticket vervolgens annuleren, hetgeen in feite ook neerkomt op annuleringskosten van 100%).

Al deze op zichzelf begrijpelijke redenen zijn echter het gevolg van keuzes die Tui als onderneming heeft gemaakt. Die, zo begrijpt de kantonrechter, hebben wellicht ook allerlei voordelen voor de consument, maar dat is verder niet (cijfermatig) inzichtelijk gemaakt. Nog los daarvan, ligt in deze zaak de vraag voor of in het specifieke geval van [gedaagde] het beding onevenredig bezwarend is en daarom is Tui verzocht om inzicht te geven in de door haar geleden schade. Tui heeft echter volstaan met een vrij algemeen verhaal en geen enkele (cijfermatige) onderbouwing gegeven van het geleden verlies en de gederfde winst en of die in redelijke verhouding staan met het gehanteerde annuleringstarief van 100%. Dat Tui cijfers en/of berekeningen uit concurrentie-overwegingen liever niet wil prijsgeven, is begrijpelijk, maar de onderbouwing die Tui nu heeft gegeven is wel zeer algemeen en nauwelijks toegespitst op deze zaak.

2.12.

Verder heeft Tui op geen enkele wijze onderbouwd welke maatregelen zij heeft genomen om haar schade in dit geval (enigszins) te beperken. Van Tui had dit – als professionele onderneming – redelijkerwijs kunnen worden verlangd. Dit geldt temeer daar er nog ruim een half jaar restte voordat de vlucht stond gepland. De kantonrechter begrijpt wel dat Tui, zoals zij zelf stelt, niet in een glazen bol kan kijken en ook zeven maanden van tevoren nog niet weet of de stoel alsnog wordt verkocht, maar dat wil nog niet zeggen dat zij in dit geval niet had kunnen onderbouwen dat zij iets heeft gedaan aan schadebeperking. Voorts wil het feit dat bij annulering nog onzeker is of de stoel nog(maals) zal worden verkocht naar het oordeel van de kantonrechter ook niet zeggen dat daarom een schadevergoeding van 100% in dit geval redelijk was. Uiteraard zijn aan een annulering altijd kosten verbonden en is in zijn algemeenheid een (vooraf bepaalde) redelijke vergoeding op het moment van annuleren op zijn plaats als prikkel tot nakoming van de verplichtingen van een reiziger. Dat die vergoeding (gedifferentieerd) hoger is naarmate de vluchtdatum dichterbij komt zou ook begrijpelijk zijn, maar in dit specifieke geval gaat het om een vluchtdatum die nog minstens een half jaar van het moment van annuleren lag. Dat differentiatie in het geval van [gedaagde] op onoverkomelijke bedrijfseconomische problemen zou hebben gestuit, heeft Tui verder niet onderbouwd met cijfers. Niet ondenkbaar is dat Tui met bijvoorbeeld een rekenmodel wel inzichtelijk zou hebben kunnen maken dat in dit geval 100% van de kosten niet onevenredig hoog is en in een redelijke verhouding staat tot de geleden of te verwachten schade, nu zij meent dat dit het geval is. De omstandigheden die Tui in dit verband heeft aangevoerd zijn, zoals eerder al is overwogen, te algemeen.

2.13.

De conclusie van het bovenstaande luidt dat de kantonrechter van oordeel is dat een annuleringspercentage van 100%, en dus het annuleringsbeding, in dit geval onredelijk bezwarend is. Dit geldt temeer daar Tui zonder het beding, gelet op het toepasselijke nationale recht in het geval van wanprestatie, bij een vordering op grond van artikel 6:74 BW ook had moeten onderbouwen waaruit de door haar geleden schade bestond en niet zou hebben kunnen volstaan met de door haar gegeven onderbouwing. [gedaagde] is door het beding dus in een juridisch minder gunstige positie geplaatst, nu Tui op grond van het beding – zonder nadere onderbouwing – wel de gestelde schade volledig vergoed zou kunnen krijgen zonder nadere (concrete) onderbouwing van de schade. Er is dus sprake van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht. Tui heeft in dit verband nog aangevoerd dat in het annuleringsbeding expliciet wordt geadviseerd om een annuleringsverzekering af te sluiten (hetgeen [gedaagde] ook had gedaan) en dat de premie daarvan laag is, zodat deze verzekeringsmogelijkheid de belangen van partijen in evenwicht houdt. Voor zover dit al enig gewicht in de schaal legt, leidt dit niet tot een ander oordeel omdat Tui daarmee de bal weer bij de consument legt en bovendien doet dit niet af aan het oordeel hierboven dat de schade die Tui lijdt niet is onderbouwd. Dat [gedaagde] voldoende zou zijn geïnformeerd over de gevolgen van het annuleren van de tickets leidt evenmin tot een ander oordeel. Tot slot is van belang dat over het beding niet afzonderlijk is onderhandeld en dat, indien daarover wel zou zijn onderhandeld, een voldoende kenbaar belang van [gedaagde] is dat het beding voor hem nadelig is en Tui er niet redelijkerwijs van uit kon gaan dat [gedaagde] het beding als zodanig zou hebben aanvaard.

2.14.

Op grond van Europese rechtspraak (zie onder meer het arrest Asbeek Brusse, HvJ 30 mei 2013, ECLI:EU:C:2013:341) dient een beding als het onredelijk bezwarend is, in zijn geheel vernietigd te worden en bestaat er geen mogelijkheid tot matiging. De kantonrechter zal het annuleringsbeding dan ook vernietigen. Dit betekent dat er geen grondslag meer is voor de vordering voor zover die ziet op terugbetaling van 100% van de ticketkosten. De vordering kan in zoverre, dus tot een bedrag van € 719,00, dan ook niet worden toegewezen. De kantonrechter houdt het ervoor dat Tui de overeenkomst van 27 december 2016 destijds alleen heeft ontbonden ten aanzien van de tickets (het deel van overeenkomst dat als ‘luchtvervoersovereenkomst’ kan worden aangemerkt). De overige in rekening gebrachte kosten dient [gedaagde] alsnog te betalen, nu deze niet worden geraakt door de vernietiging van het annuleringsbeding. Zodoende resteert nog een bedrag van € 403,50 dat voor toewijzing in aanmerking komt. De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag zal eveneens worden toegewezen, vanaf 2 september 2017, de datum die op de nota van 1 maart 2017 als uiterste betaaldatum staat vermeld.

2.15.

Tui maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat Tui aan [gedaagde] een aanmaning heeft gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De kantonrechter zal de vergoeding toewijzen tot het wettelijke tarief dat aansluit bij (de omvang van) de toewijsbaar geoordeelde hoofdsom, te weten € 60,53.

2.16.

In totaal dient [gedaagde] dus een bedrag van € 464,03 (€ 403,50 + € 60,53) aan Tui te betalen.

2.17.

Tui zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op nihil.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan Tui tegen bewijs van kwijting te betalen € 464,03, vermeerderd met de wettelijke rente over € 403,50 vanaf 2 september 2017 tot de voldoening;

3.2.

veroordeelt Tui tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op nihil;

3.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2018.