Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5264

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-10-2018
Datum publicatie
07-11-2018
Zaaknummer
UTR 17/3096
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2020:199, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vici-subsidie

Eiseres heeft een aanvraag ingediend bij de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek in het kader van de Vici-subsidieronde 2016. Deze aanvraag is afgewezen, omdat eiseres in de definitieve rangorde eindigde op plaats 35, terwijl alleen de eerste 34 onderzoeksvoorstellen gehonoreerd konden worden. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat de opgestelde preadviezen het oordeel van de beoordelingscommissie in een negatieve richting hebben gestuurd. De verschrijvingen die eiseres heeft geconstateerd in het transcript van het interview, kunnen anders dan zij stelt, geen rol hebben gespeeld bij de beoordeling, omdat het transcript pas in de bezwaarfase wordt opgesteld. Eiseres heeft verder niet onderbouwd en ook de rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat de verschrijvingen een negatieve invloed hebben gehad op het oordeel van de bezwaarschriftencommissie.

Naar het oordeel van de rechtbank concludeert verweerder verder terecht dat de door referent 5 geplaatste kanttekeningen bij het onderzoeksvoorstel van eiseres voldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie van de beoordelingscommissie dat haar onderzoeksvoorstel op sommige punten “diffuse” of “not clear” is, ook al zijn dat niet de letterlijke bewoordingen van referent 5 geweest. Bovendien is het oordeel van de beoordelingscommissie niet alleen gebaseerd op de referentenrapporten.

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende zorgvuldig heeft onderzocht of er aanleiding bestond om het oordeel van referent 3 buiten beschouwing te laten en voldoende gemotiveerd waarom daarvoor geen reden was.

Het beroep wordt ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/3096

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 oktober 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. P. le Heux),

en

de Raad van Bestuur van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), verweerder

(gemachtigden: mr. [A] en mr. J.V de Kort).

Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de subsidieaanvraag van eiseres in het kader van de Vici-subsidieronde 2016 afgewezen.

Bij besluit van 21 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [A] en dr. [B] .

Overwegingen

Inleiding en procedure

  1. Eiseres is hoogleraar […] aan de [naam universiteit] . Zij heeft op 24 maart 2016 een vooraanmelding ingediend voor het verkrijgen van een Vici-subsidie voor haar onderzoek, getiteld ‘ [......] ’ binnen het programma Vernieuwingsimpuls. Dit programma stelt (persoonsgebonden) subsidies beschikbaar van maximaal € 1.500.000,- aan excellente senioronderzoekers met een opvallend en origineel talent.

  2. Bij brief van 20 juni 2016 is eiseres uitgenodigd om haar vooraanmelding uit te werken tot een volledige aanvraag.

  3. Op 25 augustus 2016 heeft eiseres haar uitgewerkte aanvraag ingediend. De uitgewerkte aanvraag is vervolgens voorgelegd aan vijf referenten, die de aanvraag hebben beoordeeld. Eiseres is in de gelegenheid gesteld hierop een weerwoord in te dienen. Van deze gelegenheid heeft zij gebruik gemaakt.

  4. Op 28 november 2016 heeft een interviewselectievergadering van de commissie Bèta en Technische Wetenschappen plaatsgevonden, waar het onderzoeksvoorstel, de door zeven commissieleden opgestelde preadviezen, de referentenoordelen en het weerwoord zijn besproken. Het onderzoeksvoorstel van eiseres eindigde op plaats 20 van de in totaal 40 uitgewerkte aanvragen binnen het domein Bèta en Technische Wetenschappen met een gewogen genormaliseerde eindscore van 2,7. De commissie heeft eiseres vervolgens uitgenodigd voor een interview.

  5. Op 11 januari 2017 heeft een interview plaatsgevonden met een wetenschapsbrede beoordelingscommissie.

  6. Nadat van alle geselecteerden een interview was afgenomen, heeft de beoordelingscommissie een definitieve rangorde vastgesteld. Het onderzoeksvoorstel van eiseres eindigde in deze rangorde op plaats 35 met de score 2,1 (zeer goed). De beoordelingscommissie heeft de definitieve rangorde als advies voorgelegd aan verweerder.

  7. In haar vergadering van 15 februari 2017 heeft verweerder besloten om de 34 hoogst geprioriteerde onderzoeksvoorstellen te honoreren. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen.

  8. Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Op 9 mei 2017 heeft een hoorzitting plaatsgevonden door de bezwaarschriftencommissie van de NWO. De bezwaarschriftencommissie heeft geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren. Verweerder heeft vervolgens het bestreden besluit genomen, waarbij het advies van de bezwaarschriftencommissie is overgenomen en het primaire besluit is gehandhaafd.

  9. De onderzoeksvoorstellen binnen de Vici-ronde worden beoordeeld op drie hoofdcriteria:
    1. Kwaliteit van de onderzoeker;
    2. Kwaliteit, innovatief karakter en wetenschappelijke impact van het onderzoeksvoorstel; en
    3. Kennisbenutting.
    Toetsingskader rechtbank

  10. De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij het toekennen van een Vici-subsidie beleidsruimte toekomt. Verweerder heeft tevens beoordelingsruimte vrijheid bij de waardering van de onderzoeksvoorstellen van de individuele aanvragers. Het bestreden besluit moet daarom door de rechter terughoudend worden getoetst. De rechter moet toetsen of verweerder in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen en of dat besluit in strijd met de wet of een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is genomen. Hierbij dient de rechter mede de zorgvuldigheid van de gevolgde selectieprocedure en de inzichtelijkheid en toereikendheid van de aan het besluit ten grondslag gelegde motivering in zijn oordeel te betrekken.

Onderdeel “kennisbenutting”

11. Eiseres heeft aangevoerd dat de procedure niet rechtmatig is verlopen en dat dat haar score nadelig heeft beïnvloed. Onbegrijpelijk is dat haar score op het onderdeel kennisbenutting slechts 2,3 is. Dit is waarschijnlijk het sterkste punt van haar aanvraag. De referenten hebben de kennistoepassing ook als zeer goed beoordeeld, maar dit is niet in het preadviesformulier tot uitdrukking gekomen. Dit preadviesformulier lijkt een grote rol te hebben gespeeld bij het oordeel van de beoordelingscommissie en de bezwaarschriftencommissie. Het lijkt erop dat de werkelijke inhoudelijke beoordeling zich heeft beperkt tot deze fase die nog voor het interview lag. Latere uitleg van eiseres tijdens het interview en bij de bezwaarschriftencommissie op het punt van kennisbenutting is door onnauwkeurigheden ondergesneeuwd.

11. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet motiveert waarom de door de beoordelingscommissie gegeven beoordeling onjuist zou zijn. De enkele verwijzingen naar de toelichting op dit onderdeel in haar aanvraag en tijdens het interview geven geen aanleiding om aan de zorgvuldige totstandkoming van de beoordeling op dit criterium te twijfelen. De preadviezen die zijn opgesteld ten behoeve van de interviewselectievergadering bevatten wel degelijk verwijzingen naar de referentenrapporten.

11. De rechtbank volgt eiseres niet. In de preadviezen staan op het onderdeel kennisbenutting onmiskenbaar ook positieve punten benoemd en zijn niet enkel de kritische opmerkingen van de referenten uitgelicht. Bij wijze van voorbeeld noemt de rechtbank de volgende opmerkingen: “The KU potential of this project is enormous…” en “De inschatting van de kennisbenutting wordt over het algemeen als uitstekend beoordeeld”. Dat daarnaast ook kritische opmerkingen worden aangehaald en het feit dat niet alle positieve opmerkingen van de referenten letterlijk in de preadviezen worden geciteerd, wil niet zeggen dat de preadviezen onzorgvuldig tot stand zijn gekomen. De preadviezen zijn niet bedoeld als samenvatting maar beogen aandachtspunten voor het interview in kaart te brengen. Dat hiermee het oordeel van de beoordelingscommissie in een negatieve richting zou zijn gestuurd, heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt. Zij heeft ook niet onderbouwd of geconcretiseerd waaruit blijkt dat het preadviesformulier een onaanvaardbaar grote rol heeft gespeeld bij het oordeel van de beoordelingscommissie

11. Eiseres heeft gewezen op onnauwkeurigheden in het transcript van het interview, die zouden hebben geleid tot een te lage beoordeling op het onderdeel kennisbenutting. Eiseres stelt dat de bezwaarschriftencommissie stelt dat het feit dat het onderzoeksvoorstel vooral “devising text” bevat, verklaart waarom de beoordelingscommissie de kennistoepassing laag heeft beoordeeld. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat het transcript van het interview pas in de bezwaarfase, dus na de beoordeling, is opgesteld. De rechtbank acht dit aannemelijk en stelt dan ook vast dat deze verschrijving geen rol kan hebben gespeeld bij de beoordeling van het onderzoeksvoorstel door de beoordelingscommissie. Tijdens het interview is gesproken over (de juiste bewoording) “devising attacks”. De vragen van de commissie en de antwoorden van eiseres zagen daarop en dus ook het eindoordeel van de beoordelingscommissie. Uit het advies van de bezwaarschriftencommissie blijkt verder dat de bezwaarschriftencommissie heeft onderkend dat het transcript van het interview een verschrijving bevat, nu daarin is opgenomen dat de woorden “devising text” gelezen moeten worden als “devising attacks”. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook evenmin aannemelijk dat de verschrijving een rol heeft gespeeld bij de beoordeling door de bezwaarschriftencommissie. De opmerking van de bezwaarschriftencommissie moet bovendien gelezen worden in de context van de ‘inhoudsloosheid’ van de referentenoordelen op het criterium kennisbenutting. Omdat de referentenoordelen op dit onderdeel niet veelzeggend waren, heeft de beoordelingscommissie aanleiding gezien eiseres te vragen om haar ideeën over kennisbenutting nader uit te leggen en te concretiseren. Het is niet zo dat de bezwaarschriftencommissie stelt dat, omdat het onderzoeksvoorstel vooral devising text/attacks bevat het voorstel laag is beoordeeld, maar dat dit naar het oordeel van de beoordelingscommissie de opmerking van referent 1 “We will obtain new cryptographic algorithm , standards, and implementations” weinigzeggend maakt. Hetgeen eiseres aanvoert, berust dan ook gedeeltelijk op een onjuiste lezing van het verslag van de bezwaarschriftencommissie.
Vorenstaande geldt ook voor de verschrijving ‘atomic race containers’ waar ‘atomic waste containers’ moet worden gelezen. Deze verschrijving kan bij de beoordeling geen rol hebben gespeeld. Tijdens het interview is gesproken over ‘atomic waste containers’ waar het volgens eiseres ook over moest gaan. Eiseres heeft verder niet onderbouwd en ook de rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat deze verschrijving in de bezwaarfase een negatieve invloed heeft gehad op het oordeel van de bezwaarschriftencommissie.

11. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet tot een score van 2,3 op het onderdeel kennisbenutting heeft kunnen komen. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat een score van 2,3 geen lage score is, zoals eiseres stelt. Eiseres heeft een hele goede score behaald, maar zoals verweerder terecht opmerkt, gaat het in de Vici-selectieprocedure om een zeer competitieve selectie, waarbij slechts 15% van de aanvragen wordt gehonoreerd, waardoor bij de beoordeling van de aanvragen zelfs een klein verschil in de kwalificaties de doorslag kan geven.

Onderdeel “Kwaliteit… van het onderzoeksvoorstel”, referent 5

16. Eiseres heeft vervolgens aangevoerd dat de score op het onderdeel ‘Kwaliteit, innovatief karakter en wetenschappelijke impact van het onderzoeksvoorstel’ te laag is vastgesteld. Een van de redenen hiervoor is dat de verklaringen van referent 5 niet juist zijn geïnterpreteerd. Referent 5 heeft nooit gezegd dat het onderzoeksvoorstel “diffuse” of “not clear” was. De beoordelingscommissie legt referent 5 woorden in de mond en het is onduidelijk hoe de beoordelingscommissie zijn woorden heeft kunnen vertalen in “diffuse” of “not clear”. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat de beoordelingscommissie de opmerkingen van referent 5 dat de “specifics of the new research” niet steeds afdoende in detail staan vermeld, dat onduidelijk blijft “how exactly the security parameters for code-based and lattice-based cryptography are going to be lowered”, en dat “the approach to quantum cryptanalysis is somewhat speculative” heeft kunnen zien als een gebrek aan uitwerking van het voorstel op onderdelen. Verder is het zo dat de beoordelingscommissie een eigenstandige beoordeling geeft, die niet alleen op het oordeel van de referenten is gebaseerd.

16. Naar het oordeel van de rechtbank concludeert verweerder terecht dat de door referent 5 geplaatste kanttekeningen bij het onderzoeksvoorstel van eiseres voldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie van de beoordelingscommissie dat haar onderzoeksvoorstel op sommige punten “diffuse” of “not clear” is, ook al zijn dat niet de letterlijke bewoordingen van referent 5 geweest. Eiseres is blijkens het transcript van het interview op deze punten bevraagd, maar is er niet in geslaagd de gerezen twijfel bij de beoordelingscommissie weg te nemen. Bovendien is het zo dat de beoordelingscommissie een zelfstandige afweging maakt die niet alleen is gebaseerd op de referentenrapporten, maar ook op het onderzoeksvoorstel zelf, het weerwoord, de preadviezen en het interview, waarbij de beoordelingscommissie ook zicht heeft op de kwaliteit van de overige ingediende onderzoeksvoorstellen en een prioritering aan moet brengen van de onderzoeksvoorstellen ten opzichte van elkaar. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Onderdeel “Kwaliteit… onderzoeksvoorstel”, referent 3

18. Eiseres heeft verder aangevoerd dat referent 3 als enige een niet zeer positief oordeel heeft gegeven. Uit zijn kritiek kan worden afgeleid dat hij/zij waarschijnlijk geen expert is op het gebied van post-kwantum cryptografie en mogelijk zelfs uit het veld van de kwantum cryptografie komt. Dit zijn twee verschillende wetenschapsgebieden, waartussen een scholenstrijd gaande is. Ter zitting heeft eiseres nader toegelicht dat dit een “strijd” is tussen wiskundigen en natuurkundigen. Kwantumcryptografen zijn geen wiskundigen, zoals de post-kwantum cryptografen, maar natuurkundigen; zij gebruiken natuurkundige fenomenen, terwijl post-kwantumcryptografen werken met wiskundige algoritmen.

Volgens het beleid van verweerder moeten referenten deskundig zijn en mag geen sprake zijn van een belangenconflict. In het geval van referent 3 is niet aan deze voorwaarden voldaan. Verweerder had daarom zijn rapport buiten beschouwing moeten laten.

19. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat uit het rapport van referent 3 duidelijk blijkt dat hij bekend is met de materie, waaronder relevante afkortingen en locaties. Verder is in het rapport niets te vinden dat wijst op een scholenstrijd. Er was geen enkele reden voor de beoordelingscommissie om het rapport van referent 3 buiten beschouwing te laten, omdat de kwaliteit van het rapport adequaat is bevonden.

19. De rechtbank stelt vast dat eiseres bij haar aanvraag als vakgebied wiskunde en informatica heeft opgegeven. Verweerder heeft in de procedure verschillende waarborgen ingebouwd om ervoor te zorgen dat deskundige referenten uit hetzelfde vakgebied een oordeel geven over de onderzoeksvoorstellen. Uit het transcript van de hoorzitting van de bezwaarschriftencommissie blijkt dat in dit geval dan ook is gezocht naar referenten met een deskundigheid op het wetenschapsgebied van de aanvraag. Als referenten zich onvoldoende deskundig vinden, worden zij geacht dit zelf aan te geven. Referent 3 heeft dat niet gedaan. Verweerder heeft verder uiteengezet dat door de beoordelingscommissie, naar aanleiding van het weerwoord van eiseres, specifiek aandacht is besteed aan referent 3. De beoordelingscommissie heeft het cv van referent 3 bestudeerd en geconstateerd dat hij heeft samengewerkt met eiseres en dat hij enkele publicaties over post-kwantumcryptografie op zijn naam heeft staan. De beoordelingscommissie heeft vervolgens expliciet besproken of er aanleiding bestond om het oordeel van referent 3 buiten beschouwing te laten, maar heeft uiteindelijk geconcludeerd dat daar, mede gelet op de adequate inhoud van zijn rapport, geen reden voor was. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee voldoende zorgvuldig onderzocht of het rapport van referent 3 bij de beoordeling kon worden betrokken en voldoende gemotiveerd waarom er geen reden was om het buiten beschouwing te laten. De stelling van eiseres dat referent 3 vermoedelijk een natuurkundige is en dat hij om die reden onvoldoende deskundig is, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Na de vergewissing door verweerder lag het op de weg van eiseres om haar betwisting nader te onderbouwen, zoals bijvoorbeeld met een verklaring van een onafhankelijke deskundige. De door eiseres ingebrachte stukken over het gestelde verschil tussen kwantumcryptografie en post-kwantum cryptografie en de mogelijke scholenstrijd leiden de rechtbank ook niet tot een ander oordeel. Met deze stukken heeft eiseres immers niet aangetoond dat referent 3 afkomstig is uit de kwantumcryptografie. Erop gelet dat verweerder zich over de achtergrond en deskundigheid heeft vergewist, ziet de rechtbank geen aanleiding daarover zelf een onderzoek te starten. De beroepsgrond slaagt niet.
Karakter heroverweging bezwaar

19. Eiseres heeft tot slot aangevoerd dat verweerder in de bezwaarfase geen volledige heroverweging heeft gemaakt. De voorzitter van de bezwaaradviescommissie heeft tijdens de hoorzitting opgemerkt dat de commissie een “laid-back assessment” doet, hetgeen lijkt te wijzen op een marginale toetsing door de bezwaaradviescommissie van het oordeel van de beoordelingscommissie. Naar het oordeel van de rechtbank is de opmerking van de voorzitter wat woordkeuze betreft wellicht wat ongelukkig, maar dit betekent niet dat de toetsing in bezwaar onjuist is geweest. Allereerst heeft de voorzitter het over “slightly … laid back” (in het transcript van eiseres) en verder blijkt uit het advies van de commissie niet dat marginaal is getoetst. Zonder de beoordeling van de aanvraag over te doen, wat gezien de aard van de aanvraag en beoordeling niet kan worden gevergd, heeft de adviescommissie zich blijkens het advies een eigen oordeel gevormd over de rol van referent 3 in de beoordeling en dat geen sprake was van ondeskundigheid of rivaliserende scholen. Hiermee is voldaan aan wat van de commissie in een procedure als deze mag worden verwacht.

Conclusie

22. Gelet op al het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de aanvraag af te wijzen.

22. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, voorzitter, en mr. V.E. van der Does en mr. M.L. van Emmerik, leden, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.