Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5234

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-10-2018
Datum publicatie
30-10-2018
Zaaknummer
UTR 17/5329
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om planschade vanwege de komst van windmolens. De schade valt volledig onder het normaal maatschappelijk risico van 4%. Niet gebleken dat Rijksdienst voor Ondernemend Nederland of verweerder vooringenomen is of dat de geraadpleegde planschadeadviseur niet onafhankelijk is. Hoewel niet de gehele omvang van het perceel van eisers is gewaardeerd, zijn zij door deze handelswijze niet benadeeld. Het deel van hun perceel dat uitsluitend agrarisch in gebruik is, wordt namelijk niet nadelig beïnvloed door het nieuwe planologische regime. De (veel) lagere WOZ-waarde van het perceel van eisers is niet leidend, omdat daaraan geen taxatie of deskundigenoordeel ten grondslag ligt, maar die waarde door de heffingsambtenaar is vastgesteld naar aanleiding van een uitspraak in een andere zaak die niet vergelijkbaar is. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/5329

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 oktober 2018 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , te [woonplaats] , eisers

en

Minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder

(gemachtigde: R.H.M. Sipman).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Stichting Koepel Windenergie, te Emmeloord, gemachtigde: mr. T.A.P. Langhout.

Procesverloop

Bij besluit van 7 augustus 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eisers om tegemoetkoming in planschade voor het perceel [adres] te [woonplaats] (het perceel) afgewezen.

Bij besluit van 23 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2018. [eiser 1] is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eisers hebben op

1 augustus 2002 de eigendom verkregen van het perceel, bestaande uit een woonboerderij/bedrijfswoning, domeinschuur, werktuigenberging, erf, tuin, ondergrond en verdere aanhorigheden. Op 20 december 2010 heeft verweerder het Rijksinpassingsplan Windenergie langs de dijken van de Noordoostpolder vastgesteld. Dit plan is op 19 februari 2011 in werking getreden en maakt realisering van een windturbinepark mogelijk. Voor het perceel van eisers gold voor inwerkingtreding van het Rijksinpassingsplan het bestemmingsplan Landelijk Gebied 2004. Onder dit oude planologische regime rustte op de woning van eisers de bestemming agrarische bedrijfswoning en op de overige gronden de bestemming agrarisch.

1.2

In verband met het Rijksinpassingsplan heeft verweerder met de derde-partij een overeenkomst gesloten, waarin is vastgelegd dat de derde-partij de door verweerder toegekende vergoedingen in planschade vanwege het plan zal uitbetalen.

1.3

Op 10 november 2016 hebben eisers bij de gemeente Noordoostpolder een verzoek om tegemoetkoming in planschade ingediend voor de (bedrijfs-)woning aan de [adres] te [woonplaats] . Zij hebben de waardevermindering van hun perceel begroot op € 58.235,29. De gemeente heeft het verzoek doorgezonden aan verweerder. Verweerder heeft [adviesbureau] B.V. ( [adviesbureau] ) gevraagd om te adviseren over het planschadeverzoek. Nadat een conceptadvies aan partijen is voorgelegd, waarop eisers en de derde-partij zienswijzen hebben ingebracht, heeft [adviesbureau] op 31 juli 2017 een definitief advies uitgebracht.

1.4

[adviesbureau] heeft geconcludeerd dat eisers door het Rijksinpassingsplan in een planologisch nadeliger positie zijn komen te verkeren, omdat sprake is van een lichte inbreuk op hun woongenot door de komst van het windturbinepark. Eisers hadden ten tijde van de aankoop van het perceel bekend kunnen zijn met de komst van maximaal 10 windmolens met een veel beperktere ashoogte, gelet op het door Gedeputeerde Staten vastgestelde beleid zoals neergelegd in het ‘Omgevingsplan Flevoland’ (actieve risicoaanvaarding). Van passieve risicoaanvaarding is geen sprake. [adviesbureau] heeft verder gemotiveerd dat de ontwikkeling van een windturbinepark een normaal maatschappelijke ontwikkeling is die passend is binnen het gevoerde beleid, waardoor alleen waardevermindering van een object die de drempel van 4% overstijgt voor vergoeding in aanmerking komt. [adviesbureau] heeft de waarde van de bedrijfswoning met 1.000 m2 grond direct voor de peildatum vastgesteld op € 265.000,- en direct na de peildatum op € 260.000,-. [adviesbureau] heeft de overige 10.670 m2 grond en de zich daarop bevindende opstallen niet betrokken bij de waarde vaststelling. Nu de waardevermindering de drempel van 4% niet overstijgt, komt deze niet voor vergoeding in aanmerking. [adviesbureau] heeft verweerder geadviseerd het verzoek van eisers af te wijzen, omdat de schade volledig onder het normaal maatschappelijk risico valt. Vervolgens heeft verweerder de besluiten genomen zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van het planschadeverzoek van eisers gehandhaafd, waarbij ook de drempel van 4% van de waardevermindering als normaal maatschappelijk risico is gehandhaafd. Verweerder heeft zich voor de bestreden besluitvorming gebaseerd op het advies van [adviesbureau] . Verweerder heeft nog opgemerkt dat de waardevermindering ook niet boven het wettelijk forfait van 2% uitkomt, zodat de schade bij hantering van het wettelijk forfait ook niet voor vergoeding in aanmerking zou komen.

3. Eisers voeren aan dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) waarmee zij in deze procedure te maken hadden vooringenomen is, omdat in de naam het woord “Ondernemen” staat. Daaruit leiden zij af dat RVO alleen voor ondernemers en niet voor burgers opkomt.

4. De rechtbank stelt vast dat RVO onder mandaat van de minister van Economische Zaken het bestreden besluit heeft genomen en ondertekend. RVO is dan ook niet zelfstandig partij in deze procedure. Zoals ook door de gemachtigde van verweerder ter zitting is toegelicht, voert RVO diverse regelingen uit namens de minister, waaronder ook subsidieregelingen voor burgers. De enkele naamgeving van RVO is onvoldoende om te concluderen dat deze dienst - en daarmee verweerder - vooringenomen is. Nu eisers hun stelling verder niet hebben onderbouwd en ook niet anderszins is gebleken dat verweerder vooringenomen heeft gehandeld, slaagt dit betoog niet.

5. De rechtbank stelt verder voorop dat het bestuursorgaan dat zich ter onderbouwing van een besluit op een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade beroept op een advies van een onafhankelijke deskundige, zich volgens vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van de onpartijdigheid van de geraadpleegde deskundige moet vergewissen.

Verder is het vaste rechtspraak van de ABRvS dat het bestuursorgaan bij het nemen van een besluit op een verzoek om tegemoetkoming in planschade van het advies van een benoemde onafhankelijke en onpartijdige deskundige mag uitgaan als in dat advies op objectieve wijze verslag is gedaan van het door deze deskundige verrichte onderzoek en daarin op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht. De rechtbank verwijst in dit verband naar bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 7 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2398.

6. Eisers hebben ter zitting aangevoerd dat [adviesbureau] niet onafhankelijk is.

7. De rechtbank stelt vast dat verweerder voor de beoordeling van het planschadeverzoek een externe deskundige heeft ingeschakeld, omdat hij zelf niet over de benodigde deskundigheid beschikt. De enkele omstandigheid dat verweerder de kosten van de deskundige draagt, brengt niet met zich dat de deskundige niet onafhankelijk is. Eisers hebben geen concrete aanknopingspunten aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel over de juistheid of volledigheid van het advies van [adviesbureau] . De rechtbank ziet dan ook geen reden voor het oordeel dat [adviesbureau] niet een onafhankelijk advies heeft uitgebracht en dus ook niet voor het oordeel dat verweerder zich om die reden niet op dat advies heeft mogen baseren. De beroepsgrond slaagt niet.

8. Eisers voeren aan dat de waarde van de onroerende zaak en daarmee de hoogte van de schade onjuist is vastgesteld, omdat verweerder zich voor de waardebepaling heeft gebaseerd op een te beperkte en willekeurige omvang van het erf (de onroerende zaak).

9. De rechtbank stelt vast dat het betoog van eisers dat niet alle gronden zijn meegenomen op zich juist is, omdat 10.670 m2 agrarische grond (met opstallen) die tot het perceel van eisers behoort niet bij de waardering is betrokken. Wat daar echter ook van zij, de door [adviesbureau] gekozen taxatiemethodiek is niet nadelig voor eisers. [adviesbureau] heeft in haar reactie op de door eisers ingediende zienswijze toegelicht dat de waarde van de agrarische gronden niet verandert door de planologische wijziging, omdat de planologische mogelijkheden niet veranderen en de schadefactoren (licht- en geluidhinder en slagschaduw) hierop niet van invloed zijn. Eiser [eiser 1] heeft dit ter zitting ook erkend.

In artikel 6.2 van de Wet ruimtelijk ordening is verder bepaald dat schade die onder het normaal maatschappelijk risico valt voor rekening van de aanvrager blijft. Verweerder heeft - conform het advies van [adviesbureau] en dat is door eisers niet betwist - een waardevermindering van 4% als normaal maatschappelijk risico gehanteerd. Het betrekken van de agrarische gronden bij de taxatie voor de peildatum - zoals eisers voorstellen - zou leiden tot een hogere waarde van het perceel, waardoor ook een hoger bedrag aan schade/waardevermindering (4% van de totale waarde) als normaal maatschappelijk risico voor rekening van eisers zelf zou moeten blijven dan nu het geval is. Deze beroepsgrond kan eisers dus niet baten en treft daarom geen doel.

10. Eisers voeren verder aan dat verweerder overeenkomstig de in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: WOZ) vastgestelde waarde van hun woning ook in deze procedure een waardevermindering van 15% had moeten hanteren. Ter onderbouwing van hun standpunt verwijzen eisers naar een uitspraak van 14 mei 2015 van deze rechtbank, ECLI:NL:RBMNE:2015:3413, waarin de WOZ-waarde van een andere woning in de omgeving 15% lager is vastgesteld in verband met de komst van windmolens.

11.1

De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak van de ABRvS een verschil met de in het kader van de WOZ vastgestelde waarde van een onroerende zaak niet zonder meer aanleiding vormt om een taxatie in het kader van de bepaling van de omvang van planschade onjuist te achten. Bij de vaststelling van de WOZ-waarde is doorgaans de feitelijke situatie bepalend en wordt geen rekening gehouden met de maximale mogelijkheden van het planologisch regime vóór en na de peildatum. Dit neemt echter niet weg dat van het bestuursorgaan kan worden verlangd dat het zijn besluit van een nadere motivering voorziet in geval een aanzienlijk verschil tussen de WOZ-waarde en de taxatie in het kader van planschade bestaat. De rechtbank verwijst in dit verband bijvoorbeeld naar de uitspraak van de ABRvS van 16 juni 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM7718.

11.2

Nu uit het voorgaande blijkt dat voor de waardering van een onroerende zaak in het kader van de WOZ en in het kader van planschade verschillende uitgangspunten gelden, leidt de lagere WOZ-waarde van de woning van eisers niet zonder meer tot het oordeel dat de planschadetaxatie onjuist is. Ten aanzien van het verschil tussen deze twee waarden heeft verweerder de volgende omstandigheden naar voren gebracht.

Aan de daling van de WOZ-waarde bij eiser [eiser 1] ligt de eerdergenoemde uitspraak van 14 mei 2015 in de zaak tussen de gemeente Noordoostpolder en de heer [A] ten grondslag. Uit deze uitspraak blijkt dat het toegepaste percentage van 15% niet het gevolg is van een taxatie of een deskundigenoordeel, maar een door de rechtbank in goede justitie bepaald percentage is. Daarbij is van belang geacht dat de heer [A] werd geconfronteerd met drie lijnopstellingen van windturbines en dat de door de gemeente toegepaste beleidsregel niet voorzag in een dergelijk geval. Eiser [eiser 1] wordt echter niet met de hinder van drie lijnopstellingen geconfronteerd. Daarmee is geen sprake van gelijke gevallen. Aan de lagere waardering voor de WOZ van de gronden van eiser [eiser 1] ligt geen individuele taxatie ten grondslag. Voorts is sprake van een andere peildatum dan die in de zaak van de heer [A] . Verweerder ziet dan ook geen reden om aan te nemen dat uit de lagere WOZ-waarde volgt dat de waardevermindering in het kader van de planschade-beoordeling te laag is vastgesteld.

De rechtbank kan dit standpunt van verweerder volgen en is dan ook van oordeel dat verweerder hiermee voldoende heeft gemotiveerd waardoor het verschil tussen de vastgestelde waarde in het kader van planschade en de WOZ-waarde wordt veroorzaakt. De beroepsgrond slaagt niet.

12. Nu de rechtbank, gelet op het voorgaande, geen reden heeft om te twijfelen aan de juistheid van de beoordeling van [adviesbureau] , is zij van oordeel dat verweerder zich voor de besluitvorming op dit advies heeft mogen baseren. Verweerder heeft het verzoek van eisers om vergoeding van planschade terecht afgewezen, omdat de schade volledig onder het normaal maatschappelijk risico valt.

13. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, voorzitter, en mr. N.M. Spelt en mr. B. Rademaker, leden, in aanwezigheid van mr. R.N. van Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.