Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5208

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-09-2018
Datum publicatie
29-11-2018
Zaaknummer
C/16/464418/ FO RK 18-1233
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Naast het bewind op grond van artikel 1:253i lid 4 sub c BW is er sprake van testamentair bewind zoals geregeld in artikel 4:153 e.v. BW. Benoeming bijzondere curator ivm tegenstrijdige belangen rondom minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2018/424
ERF-Updates.nl 2018-0221
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/16/464418 / FO RK 18-1233

Beschikking van 7 september 2018 benoeming bijzondere curator 1:250 BW

in de zaak betreffende

de minderjarige [minderjarige], geboren op [2002] te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] ,

de rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[belanghebbende 1] ,

hierna te noemen: de verzorger,

en

[belanghebbende 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vader

1 De procedure

1.1.

Bij de rechtbank zijn op 25 juli 2018 de volgende stukken binnen gekomen:

  • -

    een brief van de stiefvader van 24 juli 2018;

  • -

    een brief van [minderjarige] van 24 juli 2018;

  • -

    testament van [moeder] (hierna te noemden: de moeder).

1.2.

De zaak is behandeld ter zitting met gesloten deuren van 7 september 2018. Verschenen zijn: de vader, de verzorger en mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna te noemen: de Raad)

2 De feiten

2.1.

De vader en moeder van [minderjarige] zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit het huwelijk zijn geboren:

  • -

    [minderjarige] , geboren op [2002] te [geboorteplaats] ;

  • -

    [broer minderjarige] , geboren op [1999] te [geboorteplaats] .

2.2.

De echtscheiding van de ouders van [minderjarige] is nadien uitgesproken en op 7 juli 2008 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.3.

De moeder van [minderjarige] en de stiefvader zijn op 25 april 2018 een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan. Dit geregistreerde partnerschap is ontbonden door het overlijden van de moeder van [minderjarige] op 27 mei 2018.

3 De beoordeling

3.1.

De moeder van [minderjarige] heeft bij testament van 2 mei 2018 de verzorger van [minderjarige] benoemd tot voogd over [minderjarige] . De moeder was bang dat de belangen van [minderjarige] zouden worden verwaarloosd indien de vader met het gezag over [minderjarige] zou worden belast. Daarnaast is de stiefvader al jaren betrokken bij de verzorging en opvoeding van [minderjarige] .

Bij brief van 24 juli 2018 heeft de verzorger de rechtbank geïnformeerd dat hij de voogdij aanvaardt.

3.2.

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:292 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan een ouder bij uiterste wilsbeschikking bepalen welke persoon dan wel welke twee personen na zijn dood voortaan als voogd onderscheidenlijk als gezamenlijke voogden het gezag over zijn kinderen zullen uitoefenen. In artikel 1:293 sub a BW is echter bepaald dat de door de ouder getroffen regeling geen gevolg heeft of vervalt indien na zijn overlijden de andere ouder van rechtswege (of krachtens rechterlijke beschikking) het gezag over zijn kinderen uitoefent.

Dit is thans het geval, aangezien de vader van rechtswege is belast met het gezag over [minderjarige] . Bovendien staat er geen aantekening in het gezagsregister waaruit iets anders blijkt. Dit betekent dat enkel de vader belast is met het gezag over [minderjarige] .

3.3.

Ten overvloede overweegt de rechtbank als volgt. Ter zitting hebben de vader en stiefvader de wens kenbaar gemaakt om gezamenlijk met het gezag over [minderjarige] belast te worden. Op grond van artikel 1:253t lid 1 BW kan, indien het gezag over een kind bij één ouder berust, de rechtbank op gezamenlijk verzoek van de met het gezag belaste ouder en een ander dan de ouder die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, hen gezamenlijk met het gezag over het kind belasten. Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt in het geval dat het kind tevens in een familierechtelijke betrekking staat tot een andere ouder, het verzoek slechts toegewezen indien de ouder en de ander op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van een jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek gezamenlijk de zorg voor het kind hebben gehad en de ouder die het verzoek doet, op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van drie jaren alleen met het gezag belast is geweest. Artikel 1:253t lid 3 BW bepaalt dat een verzoek wordt afgewezen indien, mede in het licht van de belangen van een andere ouder, gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.

De rechtbank adviseert de vader en de verzorger, indien zij het gezamenlijk gezag over [minderjarige] willen uitoefenen, contact op te nemen met het juridisch loket of een advocaat.

3.4.

Naast de gezagskwestie speelt ook de erfrechtelijke kwestie in deze zaak. Over hetgeen [minderjarige] uit de nalatenschap van de moeder verkrijgt is bij testament van 2 mei 2018 overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:253i lid 4 sub c BW de verzorger tot bewindvoerder benoemd. Uit het testament blijkt dat het bewind voortduurt nadat [minderjarige] meerjarig is geworden, namelijk tot zijn vijfentwintigste verjaardag (dit geldt tevens voor de meerderjarige broer van [minderjarige] ). Met andere woorden: naast het bewind op grond van artikel 1:253i lid 4 sub c BW is er – naar de rechtbank begrijpt – sprake van testamentair bewind zoals geregeld in artikel 4:153 e.v. BW.

3.5.

Het feit dat de verzorger enerzijds de bewindvoerder is en de vader anderzijds met het gezag is belast, maakt dat de situatie juridisch complex is. Ter zitting is gebleken dat de erfenis nog niet beneficiair aanvaard is en dat stiefvader niet heeft gesproken over zijn verplichtingen als bewindvoerder. Uit het testament komt ook naar voren dat er spanningen zijn in de familie. Onder deze omstandigheden is er een situatie dat er sprake is van tegenstrijdige belangen rondom [minderjarige] . Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van een situatie als bedoeld in 1:250 BW.

De rechtbank benoemt daarom een bijzondere curator en geeft de opdracht:

  • -

    de positie van [minderjarige] ten aanzien van de nalatenschap te bezien en te bekijken;

  • -

    wat de stand van zaken is inzake de afwikkeling van de nalatenschap waarin de [minderjarige] gerechtigd is;

  • -

    wat er in en buiten rechte in [minderjarige] belang dient te gebeuren en de daartoe noodzakelijk rechtshandelingen te verrichten en zo nodig verzoeken bij de rechtbank te doen.

De rechtbank zal de benoeming voor één jaar laten duren, zodat er duidelijkheid over het einde van de werkzaamheden is. Mocht de bijzondere curator eerder ontslagen wensen te worden, kan zij dit de rechtbank schriftelijk in overweging geven. Indien verlenging in haar visie nodig is, kan zij daartoe zo nodig op termijn een verzoek indienen.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

benoemt met ingang van heden voor de duur van een jaar – indien nodig met verlenging of voortijdig ontslag – tot bijzondere curator over [minderjarige], geboren op [2002] te [geboorteplaats] met het doel en bevoegdheid als in rechtsoverweging 3.5 omschreven,

Mevrouw mr. A.M.L. van As,

Kantoor Nieuwegein

Newtonbaan 16

3439 NK Nieuwegein

Postbus 237

3430 AE Nieuwegein

030-6032922

info@vanasadvocaten.nl

Deze beschikking is gegeven door mr. E.A.A. van Kalveen, rechter, tevens kinderrechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. de Goei op 7 september 2018 en uitgewerkt op 13 september 2018.