Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5187

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
05-09-2018
Datum publicatie
29-10-2018
Zaaknummer
6954875 AE VERZ 18-53
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

werkgeversaansprakelijkheid. Dat de werkgever niet kan aantonen dat zij in de concrete situatie aan haar zorgplicht heeft voldaan, omdat achteraf de toedracht van het ongeval niet kan worden vastgesteld, komt in de gegeven omstandigheden voor haar risico.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-1215
PS-Updates.nl 2018-0889
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 6954875 AE VERZ 18-53 SM/1152

Beschikking van 5 september 2018

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verzoeker] ,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. K.J. Nijman,

tegen:

de besloten vennootschap

[verweerster] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [verweerster] ,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. G. de Gelder.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties,

- het verweerschrift met producties,

- de mondelinge behandeling waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt,

- de pleitnota van [verzoeker] ,

- de pleitnota van [verweerster] .

2 De feiten

2.1.

[verweerster] is een transportbedrijf. [verzoeker] was vanaf 14 juni 2015 in dienst van [verweerster] als vrachtwagenchauffeur op basis van een contract voor bepaalde tijd. De einddatum van het contract was 13 februari 2016.

2.2.

Op donderdagavond 29 oktober 2015 heeft [verzoeker] de vrachtwagen geparkeerd bij trucker café “ [naam café] ” in [vestigingsplaats] . Hij heeft in de vrachtauto geslapen. De volgende morgen (vrijdagochtend 30 oktober) is [verweerster] onwel geworden. Na een 112 melding door een medewerker van [naam café] is [verzoeker] per ambulance naar de afdeling spoedeisende hulp van het Vlietland Ziekenhuis in Schiedam gebracht. De rapportage van het ziekenhuis, opgesteld door de neuroloog, luidt als volgt:

“(…)

Wegens een gering verhoogd koolmonoxide gehalte in zijn bloed werd hij geruime tijd met zuurstof behandeld. De volgende ochtend had hij nog weliswaar wat hoofdpijn maar minder dan de afgelopen dagen. Een SAB of een viraal infect zijn middels de verrichte lumbaal punctie uitgesloten. Hierop werd hij ontslagen.

Conclusie : Episode met hoofdpijn en lichte koolmonoxide vergiftiging.

(…).”

2.3.

Op verzoek van het ziekenhuis heeft de brandweer van de veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond een onderzoek ingesteld. Het rapport van de brandweer, gedateerd 30 oktober 2010, vermeldt dat bij het onderzoek in het truckerscafé en in de doucheruimte geen koolmonoxide is gemeten. Het rapport vermeldt verder:

“na onderzoek bij de vrachtwagen waar chauffeur al drie dagen op reed hebben we een concentratie CO gemeten om en onder de vrachtwagen. Vermoedelijk was een uitlaat lek onder de cabine, mogelijk heeft dit de vergiftiging opgeleverd”

2.4.

Op verzoek van [verzoeker] heeft [verweerster] het dienstverband beëindigd met ingang van 21 november 20115. [verzoeker] is aansluitend bij een andere werkgever in dienst getreden.

3 Het verzoek

3.1.

[verzoeker] verzoekt dat de kantonrechter voor recht verklaart dat [verweerster] ten opzichte van hem aansprakelijk is voor de door hem geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg het hem op 30 oktober 2015 overkomen ongeval en [verweerster] te veroordelen in de kosten van het deelgeschil.

3.2.

Aan zijn stelling dat [verweerster] aansprakelijk is voor het ongeval legt [verzoeker] ten grondslag dat dat hij bij de uitoefening van zijn werkzaamheden is blootgesteld aan een te hoog koolmonoxidegehalte, als gevolg waarvan hij een koolmonoxidevergiftiging heeft opgelopen. Het verhoogde koolmonoxide gehalte was volgens [verzoeker] het gevolg van een defecte standkachel in de vrachtwagen. [verweerster] heeft daarom niet aan haar zorgplicht op het gebied van veiligheid heeft voldaan. [verzoeker] verwijst naar het rapport van de brandweer van 30 oktober 2015 en naar een aanvullende schriftelijke verklaring die [C] (de wachtcommandant van de brandweer) heeft gegeven aan [verzoeker] waarin is toegelicht:

“We hebben in en rond de vrachtwagen gemeten zonder draaiende motor en later met draaiende motor. Tijdens het draaien van de motor ging onze CO-meter gelijk in alarm. Dit geeft aan dat er een hoge (gevaarlijke) concentratie CO gemeten werd”

en

“Bij een draaiende motor hebben we een ongebruikelijke lekkage van het spruitstuk van de uitlaat ontdekt onder de cabine”.

[verzoeker] stelt dat hij als gevolg van de koolmonoxidevergiftiging moeite heeft met zijn ademhaling en dat hij bang is om dood te gaan. Door een verkeerde reactie op de koolmonoxidevergiftiging heeft hij een hyperventilatie-achtige ademhaling aangeleerd. Zijn conditie is daardoor beperkt en hij is heel snel moe.

3.3.

[verweerster] betwist dat sprake is van een arbeidsongeval waarvoor zij aansprakelijk is. Volgens haar zijn de cabines van de vrachtauto’s dusdanig gebouwd en geïsoleerd dat koolmonoxide die door de verbrandingsmotor wordt geproduceerd onmiddellijk wordt afgevoerd naar de buitenlucht. De chauffeurs worden daarom geïnstrueerd om bij stilstand de motor af te zetten. [verweerster] stelt dat het - om de volgende redenen - onmogelijk is dat er in de cabine koolmonoxide aanwezig was:

- er was geen standkachel aanwezig in de vrachtauto, dus het verhoogde koolmonoxide gehalte kan niet het gevolg zijn van een defecte standkachel. De standkachel was een paar dagen voor 30 oktober 2015 verwijderd omdat hij niet werkte;

- de vrachtwagen was in topconditie. Hij was goedgekeurd voor de APK en was kort voor het ongeval, op 19 september 2015, nog tussentijds gekeurd;

- na het voorval is de vrachtauto naar Scania gebracht voor controle en daarbij is geen lekkage vastgesteld;

- aan de metingen door de brandweer kan geen waarde worden toegekend, omdat deze niet goed zijn uitgevoerd. [verweerster] heeft daarbij de volgende punten genoemd:

- de brandweer heeft niet in de cabine gemeten;

- de metingen zijn uitgevoerd bij het motorblok van de auto. Bij het spruitstuk zal altijd een verhoogd koolmonoxidepercentage worden gemeten;

- de metingen zijn uitgevoerd bij een koude start, dan is de uitstoot hoger;

- het rapport van de brandweer vermeldt niet het gemeten percentage van de koolmonoxide, dus het is de vraag of er sprake is van een ‘gevaarlijke’ concentratie.

- er is geen rekening mee gehouden dat het koolmonoxidegehalte ter plaatse in de lucht relatief hoog is.

Voorts stelt [verweerster] dat het koolmonoxidepercentage dat bij [verzoeker] in het bloed is gemeten zo laag is, dat dit niet kan worden aangemerkt als een vergiftiging. Dit percentage ligt volgens [verweerster] onder de normaalwaarden voor een niet-roker. Daarom is er geen causaal verband tussen de gezondheidsklachten van [verzoeker] en het vermeende arbeidsongeval. De stelling van [verzoeker] dat hij tot niets meer in staat is, is volgens [verweerster] niet geloofwaardig, gelet op alle activiteiten die hij op Facebook vermeldt. Ter onderbouwing van haar standpunten heeft [verweerster] een rapport overgelegd dat [A] (chemicus en microbioloog en deskundige op het gebied van arbeidsveiligheid) op haar verzoek heeft opgesteld.

4 De beoordeling

4.1.

Op grond van artikel 7:658 lid 1 BW is de werkgever verplicht de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee hij de arbeid doet verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden alsmede voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Op grond van het tweede lid van dit artikel is de werkgever jegens de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij hij aantoont dat hij de in lid 1 genoemde verplichtingen is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.

4.2.

De werknemer die zijn werkgever op grond van lid 2 van artikel 7:658 aanspreekt, moet stellen (en bij gemotiveerde betwisting bewijzen) dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden, maar van hem mag niet worden verlangd dat hij aantoont wat precies de toedracht of oorzaak van het ongeval is geweest (vgl. HR 4 mei 2001, ECLI:NL:HR2001:AB1430 en HR 29 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2432).

4.3.

[verzoeker] bracht de nacht door in de cabine van de vrachtwagen in verband met zijn werkzaamheden als chauffeur. [verweerster] heeft dat niet weersproken. Vaststaat dat [verzoeker] de volgende ochtend onwel is geworden. In het ziekenhuis is een lichte koolmonoxidevergiftiging geconstateerd en de neuroloog van het ziekenhuis heeft de klachten van [verzoeker] in verband gebracht met het gemeten koolmonoxidepercentage in zijn bloed. Verder heeft de brandweer gerapporteerd dat zij een concentratie koolmonoxide heeft gemeten in (de buurt van) de vrachtwagen.

Deze feiten in hun onderlinge samenhang bezien vormen naar het oordeel van de kantonrechter een voldoende onderbouwing van de stelling van [verzoeker] dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. De vraag op welk moment [verzoeker] precies onwel is geworden (onmiddellijk nadat hij uit de cabine van de vrachtauto stapte of enige tijd later, nadat hij had gedoucht), is daarbij niet van doorslaggevend belang. Er zijn geen andere oorzaken gevonden voor het onwel worden van [verzoeker] . De suggestie van [verweerster] dat het onwel worden verband kan houden met een eerdere behandeling bij de kaakchirurg, of dat [verzoeker] ‘gewoon ziek’ zou zijn geworden is onvoldoende concreet. De ernst van de klachten en de hoogte van de als gevolg daarvan geleden schade is voor de beoordeling of de werkgever op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is niet van belang. De omstandigheid dat [verzoeker] is opgenomen in het ziekenhuis en gedurende 24 uur is behandeld met zuurstof, is voldoende om aan te nemen dat hij (enige) schade heeft geleden.

4.4.

De stelling van [verweerster] dat op de datum van het voorval geen standkachel in de vrachtwagen aanwezig was acht de kantonrechter geloofwaardig. [verweerster] heeft met verklaringen en stukken onderbouwd dat de kachel voor reparatie was verwijderd. Dat de standkachel gerepareerd moest worden, komt ook overeen met de stelling van [verzoeker] dat hij al eerder problemen had ondervonden met de standkachel. Dat er geen standkachel in de vrachtwagen aanwezig was maakt het verhaal van [verzoeker] dat het verhoogde koolmonoxidegehalte het gevolg is van een defecte standkachel nog niet ongeloofwaardig, zoals [verweerster] stelt. Ter zitting is besproken dat de standkachel zich onder de cabine van de vrachtwagen bevindt en dat bij verwijdering van de kachel het bedieningspaneel dat zich in de cabine bevindt op zijn plaats blijft. Het is dus goed te begrijpen dat [verzoeker] , die er niet van op de hoogte was dat de standkachel was verwijderd, heeft geprobeerd de kachel aan te zetten, daarbij problemen ondervond en achteraf, toen hij onwel was geworden en een verhoogd koolmonoxide in zijn bloed werd geconstateerd, daarvoor een verklaring heeft gezocht in de problemen met de standkachel. Zoals hiervoor is overwogen kan van de werknemer niet worden verlangd dat hij precies aantoont wat de oorzaak van het ongeval is geweest.

4.5.

[verzoeker] heeft naar aanleiding van het verweerschrift de wachtcommandant nogmaals om een reactie gevraagd. Deze heeft toegelicht, samengevat:

- dat in de cabine is gemeten,

- zonder draaiende motor ging het alarm niet af in de cabine,

- nadat de motor was gestart ging het alarm wel af in de cabine, hetgeen inhoudt dat er in de cabine meer dan 25PPM koolmonoxide aanwezig was;

- vervolgens is bij het spruitstuk gemeten, daar ging het tweede alarm af, hetgeen betekent dat daar ter plaatse meer dan 50PPM koolmonoxide aanwezig was.

De rechtbank volgt [verweerster] niet in haar stelling dat aan de aanvullende verklaringen van de wachtcommandant geen enkele waarde kan toekomen alleen maar omdat deze pas op een later moment zijn opgemaakt. Zoals ook de wachtcommandant naar voren heeft gebracht is het rapport van 30 oktober 2015 een incidentenrapport dat een “globale registratie is van de activiteiten die door de brandweer zijn verricht” en dat “indien nadere vragen worden gesteld over de uitleg van het rapport het heel wel kan zijn dat de betreffende bevelvoerder meer details kent die niet in het eerdere rapport zijn verschenen”. De tweede verklaring van de wachtcommandant is - anders dan [verweerster] suggereert - ook niet strijdig met zijn eerste verklaring, maar geeft een verduidelijking van de meetwijze en de gang van zaken bij het meten.

Tegenover de verklaring van de wachtcommandant staat een e-mail die [verweerster] heeft overgelegd van 14 januari 2016 van [B] , een werknemer van [verweerster] . [B] heeft verklaard dat hij ter plaatse is geweest om de vrachtwagen op te halen en dat hem toen is gebleken dat de brandweer niet in de cabine heeft gemeten. Aan deze verklaring kan echter niet meer gewicht worden toegekend dan de verklaring van de wachtcommandant. Ook de verklaring van [B] is enige tijd na het voorval opgemaakt. Hij geeft slechts weer wat de politie destijds tegenover hem heeft verklaard over de metingen die de brandweer heeft verricht, terwijl de wachtcommandant uit eigen wetenschap heeft verklaard.

4.6.

Gelet op het voorgaande heeft [verzoeker] zijn standpunt dat er in de cabine van de vrachtwagen sprake was van een verhoogd koolmonoxidegehalte voldoende onderbouwd. Een nadere onderbouwing van de toedracht van het ongeval kan van hem niet worden verlangd. Meer zekerheid over de omstandigheden in de cabine kort na het voorval kan ook niet worden verkregen, omdat daarover geen andere gegevens voorhanden zijn dan het summiere rapport van de brandweer van 30 oktober 2010. Deze onzekerheid komt naar het oordeel van de kantonrechter voor risico van [verweerster] .

Daarbij is in aanmerking genomen dat de zorgplicht die rust op [verweerster] als werkgever hem verplicht er voor te zorgen dat haar werknemers niet worden blootgesteld aan een verhoogd koolmonoxidegehalte. Het rapport van de brandweer is opgemaakt op verzoek van (de behandelend neuroloog van) het ziekenhuis. Dit rapport had niet tot doel te beoordelen of [verweerster] aan haar zorgplicht had voldaan. Het is de keuze van [verweerster] geweest om, nadat zij de melding had gekregen dat een van haar weknemers mogelijk was blootgesteld aan koolmonoxide, geen nadere metingen te (laten) verrichten. Zij heeft er toen ook niet voor gekozen het voorval te melden bij de arbeidsinspectie, zodat die een onderzoek had kunnen instellen of de condities in de cabine van de vrachtwagen voldeden aan de daaraan te stellen eisen.

[verweerster] beschikt nu enkel over de verklaring van een medewerker van Scania Nederland B.V. [vestigingsplaats] van 4 november 2015 waarin wordt vermeld dat de standkachel is teruggeplaatst, dat de storing van de standkachel in de regeleenheid zat en dat Scania geen uitlaatgaslekkages heeft kunnen ontdekken die duiden op koolmonoxide lekkage. Uit deze informatie zou kunnen worden afgeleid dat de veronderstelling van de brandweer - dat de oorzaak van het verhoogde koolmonoxidegehalte een lekkage in het spruitstuk was - wellicht onjuist was, maar daarmee is niet uitgesloten dat het koolmonoxide in de cabine verhoogd was. Daar komt bij dat de situatie die Scania heeft onderzocht niet meer geheel vergelijkbaar was met de situatie ten tijde van het voorval, omdat de standkachel intussen was teruggeplaatst.

Ook het argument van [verweerster] (zie hiervoor in 3.3.) dat een verhoogd koolmonoxide theoretisch onmogelijk is, kan er niet aan afdoen dat er concrete en objectieve waarnemingen zijn (de bevindingen van de neuroloog en de bevindingen van de brandweer) dat [verzoeker] is blootgesteld aan koolmonoxide.

4.7.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat er concrete aanwijzingen zijn dat [verweerster] niet aan haar zorgplicht heeft voldaan omdat [verzoeker] is blootgesteld aan een te hoog koolmonoxide gehalte. De omstandigheid dat [verweerster] niet kan aantonen dat hij in deze concrete situatie aan zijn zorgplicht heeft gedaan, omdat achteraf niet meer met zekerheid kan worden vastgesteld, of er sprake was van een verhoogd koolmonoxide in de cabine en zo ja, hoe deze situatie heeft kunnen ontstaan, moet in de gegeven omstandigheden voor haar risico blijven.

4.8.

De omstandigheid dat de arbeidsinspectie onlangs alsnog een rapport heeft opgesteld en aan [verweerster] geen boete heeft opgelegd, zoals [verweerster] ter zitting naar voren heeft gebracht, doet aan het voorgaande niet af. [verweerster] heeft geen rapportage van de arbeidsinspectie overgelegd en ook niet toegelicht wat de overwegingen van de arbeidsinspectie zijn geweest voor dit besluit. Niet valt uit te sluiten dat de arbeidsinspectie heeft geconstateerd dat door het tijdsverloop niet meer kan worden beoordeeld of er sprake is geweest van overtreding van enig voorschrift, zodat er geen grondslag is een boete op te kunnen leggen.

4.9.

Ook het betoog van [verweerster] dat er geen sprake is van een arbeidsongeval, omdat de in het ziekenhuis gemeten bloedwaarden van [verweerster] zo laag zijn dat geen sprake is geweest van een intoxicatie, kan niet afdoen aan haar aansprakelijkheid. De vraag tot welke schade de aansprakelijkheid vanwege de gestelde koolmonoxideintoxicatie tot gevolg heeft, is in deze procedure niet aan de orde.

4.10.

De kantonrechter zal het verzoek toewijzen en voor recht verklaren dat [verweerster] aansprakelijk is voor de door [verzoeker] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het ongeval dat hem is overkomen op 30 oktober 2015.

4.11.

De kantonrechter dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de procedure te begroten en daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen. Bij de begroting van de kosten dient de rechtbank/kantonrechter de dubbele redelijkheidstoets te hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.

4.12.

[verzoeker] maakt aanspraak op een bedrag van € 20.111,17 (32 uur, tegen een uurtarief van € 490,00, vermeerderd met 6% kantoorkosten en 21% btw). [verweerster] voert aan dat het aantal bestede uren onredelijk is, terwijl zij met betrekking tot het uurtarief aanvoert dat het bovenmatig is. [verweerster] wijst op de jurisprudentie waarin veelal wordt uitgegaan van een uurtarief dat maximaal ligt tussen de € 200,00 en € 300,00.

De kantonrechter zal bij de begroting uitgaan van een uurtarief van € 245,00. Deze zaak betreft naar het oordeel van de kantonrechter een niet per definitie eenvoudig deelgeschil, maar is ook niet dermate complex dat dit een tijdsbesteding van 32 uren rechtvaardigt. De met de opstelling van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak gemoeide, redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de kantonrechter dan ook worden begroot op 20 uren x € 245,00 exclusief BTW en kantoorkosten, derhalve op € 6.284,75 inclusief BTW en kantoorkosten, te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 79,00. [verweerster] zal tot betaling daarvan aan [verzoeker] worden veroordeeld.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

verklaart voor recht dat [verweerster] ten opzichte van [verzoeker] aansprakelijk is voor de door hem geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg het hem op 30 oktober 2015 overkomen ongeval,

5.2.

begroot de kosten van dit deelgeschil op € 6.284,75 te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 79,00 en veroordeelt [verweerster] tot betaling daarvan aan [verzoeker] ;

5.3.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Heinemann en in het openbaar uitgesproken op 5 september 2018.