Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5177

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-10-2018
Datum publicatie
25-10-2018
Zaaknummer
16/659203-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 22-jarige man uit Bunschoten-Spakenburg die in maart van dit jaar in Amersfoort een agente in een wurggreep hield is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk. De man is op een eerder moment geschorst uit zijn voorarrest. De rechtbank bepaalt dat hij direct terug de gevangenis in moet om zijn straf uit te zitten.

In de nacht van 10 maart 2018 is de man samen met vrienden, familie en zijn verloofde uitgegaan in het centrum van Amersfoort. Na een incident in een café wordt de man en zijn gezelschap door politieagenten aangesproken en verzocht om het centrum van Amersfoort te verlaten. Even later komt er een melding binnen dat er een ruit zou zijn vernield door iemand uit het gezelschap. De verloofde van de man voldoet aan het opgegeven signalement. Vanaf het moment dat een agent haar rustig wil aanspreken bemoeit de verdachte zich ermee en ontstaat er een geweldexplosie tegen de agenten. Een agente wordt door verdachte op haar hoofd geslagen en op de grond meer dan 15 seconden door hem in een wurggreep gehouden. Hij heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag en openlijke geweldpleging.

De vrouwelijke agente vreesde haar leven te verliezen. Ook de andere agenten geven aan dat zij in hun – soms al lange – carrière niet eerder met zulk heftig geweld zijn geconfronteerd. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank er nadrukkelijk rekening mee gehouden dat het om geweld tegen politieagenten gaat. Het onvoorwaardelijke deel van de straf is langer dan de tijd die de man in voorarrest heeft doorgebracht. Een terugkeer naar de gevangenis zal de ingezette behandeling doorbreken en mogelijk zelfs teniet doen. Dit is echter de keerzijde van het recht van de verdachte om zijn berechting in vrijheid af te wachten. Na de celstraf komt de man onder reclasseringstoezicht, moet hij zich laten behandelen in een kliniek en krijgt hij een alcohol- en drugsverbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0888
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/659203-18 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 25 oktober 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1996] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 20 juni 2018 en 11 oktober 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. R.E. Craenen en van hetgeen verdachte en mr. B. Hartman, advocaat te Amsterdam, alsmede mr. E. Ceulen namens de benadeelde partijen [aangeefster] (hierna ook aangeduid als aangeefster), [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] , naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1 (primair):

op 10 maart 2018 te Amersfoort heeft geprobeerd [aangeefster] (politieambtenaar) van het leven te beroven, door

- die [aangeefster] met kracht op haar hoofd te slaan en/of

- bovenop die [aangeefster] te gaan liggen en/of

- zijn arm om de nek/hals/keel van die [aangeefster] te doen en te houden en (vervolgens) met zijn arm kracht uit te oefenen op de nek/hals/keel van die [aangeefster] ;

Deze gedraging is (meer) subsidiair ten laste gelegd als een (poging tot) zware mishandeling.

Feit 2:

op 10 maart 2018 te Amersfoort openlijk geweld heeft gepleegd tegen meerdere politieambtenaren en een dienstfiets van de politie.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair en het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen en baseert zich daarvoor op de bewijsmiddelen zoals deze zich in het dossier bevindingen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde en heeft daartoe in het bijzonder het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van feit 1 primair heeft de raadsman aangevoerd dat op basis van het dossier niet kan worden bewezen dat verdachte een nekklem of wurggreep heeft aangelegd, waarbij de mogelijkheid op een dodelijk gevolg heeft kunnen ontstaan. Uit de letselverklaring van aangeefster blijkt niet dat zij letsel heeft opgelopen dat past bij een verwurging en/of ademnood. Gelet op voorgaande kan zowel uit de feitelijke toedracht als uit de letselverklaring geen acuut gevaar op overlijden worden vastgesteld. Daardoor is er geen sprake van de voor voorwaardelijk opzet vereiste aanmerkelijke kans op de dood. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde poging doodslag. Een nekklem of het slaan in het gezicht brengen evenmin de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel (of een poging daartoe) met zich. Bovendien heeft verdachte deze kans niet aanvaard nu hij enkel zijn broer [A] wilde ontzetten. Van (voorwaardelijk) opzet is dus geen sprake.

De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 subsidiair aangevoerd dat het bij aangeefster geconstateerde letsel zich niet laat kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel. Op basis van het dossier kan namelijk niet worden vastgesteld of het letsel dat aangeefster heeft opgelopen het gevolg is van een hersenschudding of van PTSS. Nu psychisch welbevinden niet onder ‘lichamelijk letsel’ valt (volgens HR 16 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5820), en niet duidelijk is of de klachten van aangeefster een fysieke of een psychische achtergrond hebben, kan niet zonder meer worden gesproken van ‘zwaar lichamelijk letsel’.

Voor zover de rechtbank het letsel als zwaar aanmerkt, heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte degene is die dit letsel aan aangeefster heeft toegebracht. Immers valt niet uit te sluiten dat de politieverbalisanten bij het uitoefenen van het geweld tegen verdachte onverhoopt aangeefster hebben geslagen of geschopt. Op grond van het voorgaande dient verdachte aldus vrij te worden gesproken van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman bepleit dat het dossier onvoldoende bewijs bevat voor het schoppen tegen een van de politieagenten en voor het gooien met de dienstfiets. De raadsman verzoekt verdachte van deze onderdelen op de tenlastelegging vrij te spreken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

In de nacht van 10 maart 2018 is verdachte samen met vrienden, familie en zijn verloofde (hierna: [B] ) uitgegaan in het centrum van Amersfoort. Na een incident in een café – waarbij het gezelschap van verdachte vermoedelijk was betrokken – wordt verdachte door de aanwezige verbalisanten [benadeelde 1] en [benadeelde 3] aangesproken en verzocht om (samen met zijn gezelschap) het centrum van Amersfoort te verlaten. Na een korte discussie geeft verdachte hieraan gehoor en loopt hij samen met zijn gezelschap richting de taxistandplaats. Om er zeker van te zijn dat de groep daadwerkelijk en op een rustige wijze het uitgaanscentrum verlaat, wordt deze door motoragent [benadeelde 2] gevolgd. Op dat moment wordt via de portofoon door [benadeelde 1] en [benadeelde 3] vernomen dat iemand uit het gezelschap waartoe verdachte behoort een ruit zou hebben vernield. [B] voldoet aan het door de getuige opgegeven signalement van de persoon die dit zou hebben gedaan. [benadeelde 3] en [benadeelde 1] besluiten daarop om met hun dienstfiets achter de groep aan te gaan. Verbalisant [aangeefster] rijdt met haar dienstvoertuig achter de verbalisanten aan. Wanneer de verbalisanten de groep aan het eind van de Krommestraat waarnemen, besluit verbalisant [benadeelde 1] [B] aan te spreken. Terwijl verbalisant [benadeelde 1] in de richting van [B] fietst, sommeert hij verdachte op afstand te blijven staan. Op het moment dat verbalisant [benadeelde 1] [B] aanspreekt en verdachte zich hiermee bemoeit, loopt de situatie uit de hand.

Vanaf dit punt lopen de verklaringen van verdachte, zijn broer, [B] en de verbalisanten uiteen. Voor de rechtbank staat in ieder geval vast, en dat staat wat verdachte en zijn raadsman betreft ook niet ter discussie, dat verdachte en zijn broer [A] zich met agressie tegen de aanwezige verbalisanten hebben gericht. Daarbij is verdachte uiteindelijk op de grond beland met verbalisant [aangeefster] onder zich.

Camerabeelden

Van een gedeelte van bovengenoemd incident, en de aanleiding daartoe, zijn camerabeelden beschikbaar. Verbalisant [benadeelde 1] droeg tijdens zijn horecadienst namelijk een zogeheten bodycam. Het beeld van deze bodycam is op een gegeven moment uitgevallen waardoor hierop alleen het begin van het incident is te zien. Het vervolg is nog wel te horen, maar het beeld is zwart.

Door een omwonende, getuige [getuige 1] , is een (later) deel van het incident gefilmd vanuit het raam van haar woning. De beelden van de bodycam van verbalisant [benadeelde 1] en het filmpje van getuige [getuige 1] zijn tijdens het onderzoek ter terechtzitting bekeken. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat op basis van hetgeen is te horen op de filmpjes kan worden vastgesteld dat het filmpje van getuige [getuige 1] ongeveer 17 seconden na het uitvallen van het beeld van de bodycam van verbalisant [benadeelde 1] begint. Dit betekent dat ongeveer 17 seconden van het incident niet op beeld staan.

De beelden van de bodycam van verbalisant [benadeelde 1]

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft de rechtbank vastgesteld dat op deze beelden (onder andere) te zien is dat:

- verbalisant [benadeelde 1] verdachte op een rustige wijze benadert wanneer hij hem verzoekt het centrum van Amersfoort te verlaten;

- de verbalisanten de groep volgen om te controleren of deze de stad rustig verlaat;

- verbalisant [benadeelde 1] besluit [B] aan te spreken, in haar richting fietst en tegen verdachte zegt dat hij op afstand moet blijven staan;

- verbalisant [benadeelde 1] [B] rustig aanspreekt;

- niet is te zien dat [B] wordt geduwd door een van de verbalisanten;

- verdachte achter/naast [B] staat;

- er een beweging van verdachte uitgaat richting verbalisant [benadeelde 1] en er daarna een duwbeweging over en weer ontstaat; en

- het beeld uitvalt.

Deze vaststellingen staan wat betreft de officier van justitie en de verdediging niet ter discussie.

De beelden van het filmpje van getuige [getuige 1]

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft de rechtbank vastgesteld dat op deze beelden (onder andere) te zien is dat:

- verbalisant [aangeefster] met verdachte en [B] op de grond ligt;

- verdachte op/tegen verbalisant [aangeefster] ligt en [B] op verdachte ligt;

- verbalisant [aangeefster] slaande en schoppende bewegingen in de richting van verdachte maakt terwijl zij op de grond ligt;

- verschillende verbalisanten [aangeefster] proberen te bevrijden door geweld op verdachte uit te oefenen;

- verbalisant [aangeefster] op het tijdstip ‘0.00.18’ weer rechtop staat;

Deze vaststellingen staan wat betreft de officier van justitie en de verdediging niet ter discussie.

Conclusies met betrekking tot de camerabeelden

De rechtbank heeft vastgesteld dat er 17 seconden van het incident niet op beeld zijn vastgelegd. In deze 17 seconden zijn verdachte en verbalisant [aangeefster] samen op de grond terecht gekomen. Bij aanvang van het filmpje van getuige [getuige 1] liggen verbalisant [aangeefster] en verdachte al op de grond. Niet is te zien wanneer verbalisant [aangeefster] precies overeind komt. Wel is te zien dat verbalisant [aangeefster] op het tijdstip 0.00.18 weer rechtop staat.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het aannemelijk dat verbalisant [aangeefster] en verdachte al enige seconden voor aanvang van het filmpje van getuige [getuige 1] op de grond lagen. De stelling van de officier van justitie dat verbalisant [aangeefster] en verdachte samen (in ieder geval) 15 tot 20 seconden samen op de grond hebben gelegen acht de rechtbank gelet op voorgaande juist.

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1 primair en feit 2 1

[aangeefster] , werkzaam als hondengeleidster bij de politie Eenheid Midden-Nederland heeft in haar aangifte, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard:

In de nacht van zaterdag 10 maart 2018, was ik belast met de incidentenafhandeling binnen het cluster Utrecht Oost. Toen ik omstreeks 03.00 uur via de portofoon van een collega hoorde dat het onrustig was in het centrum van Amersfoort ben ik in mijn dienstvoertuig, inclusief mijn gecertificeerde diensthond, richting De Hof in Amersfoort gereden. Aldaar zag ik dat twee collega politie-bikers in gesprek waren met wat uitgaanspubliek. Ik herkende één van collega’s als collega [benadeelde 1] , later begreep ik dat [benadeelde 1] dienst had met collega [benadeelde 3] . Ik zag dat beiden gekleed waren in opvallend uniform.2

(..)

Ik zag dat [benadeelde 1] het meisje ook zag, [benadeelde 1] keek mij aan en zei dat hij er wel even heen zou fietsen. Hierop reed ik achter collega [benadeelde 1] aan om er voor te zorgen dat hij niet alleen was. Ik zag dat [benadeelde 1] het meisje met de witte jas iets voorbij fietste en haar de weg blokkeerde met zijn fiets om haar te doen stoppen. Ik reed langs [benadeelde 1] en het meisje heen en parkeerde mijn dienstvoertuig net iets voorbij hen, half op de stoep.

(..)

Toen ik dit deed hoorde ik dat er buiten, vlak achter mijn dienstvoertuig, werd geschreeuwd. Ik zag in de rechterbuitenspiegel van mijn dienstvoertuig dat collega [benadeelde 1] op de grond lag, half tegen de muur. Ik kon dat goed zien omdat [benadeelde 1] een knalgele uniformjas droeg. Ik zag dat er meerdere mensen over [benadeelde 1] heen stonden/hingen. Ik ben hierop uit mij dienstvoertuig gesprongen en rende naar de plek waar collega [benadeelde 1] op de grond lag.3

(..)

Vervolgens voelde ik zelf een harde klap bovenop mijn hoofd. Ik werd voor mijn gevoel recht bovenop mijn hoofd geslagen en geraakt door/met iets toen werd het direct zwart voor mijn ogen.

Het eerste wat ik mij weer kan herinneren is dat het zwart voor mijn ogen was, maar ik in de verte wel veel geschreeuw hoorde. In eerste instantie was het geschreeuw nog wat dof maar langzaam hoorde ik dat het geschreeuw duidelijker en luider werd. Ik voelde dat er veel gewicht bovenop mij drukte, het voelde alsof ik verdrukt werd, maar ik wist niet hoe. Ik lag stil, roerloos, ik kon niet bewegen. Ik lag half op mijn buik en iets op mijn rechterzijde. Het voelde alsof ik even ‘out’ geweest was, alsof mijn hoofd opnieuw aan het opstarten was en ondertussen kon ik niets. Ik voelde dat mijn linkerarm gebogen lag en mijn linkerhand tegen mijn hoofd aan geklemd lag. Ik voelde dat ik steeds minder lucht kreeg en dat mijn linkerhand/onderarm steeds harder tegen mijn linkerkaak geduwd werd. Ik voelde dat er kracht gezet werd op mijn keel, ik kreeg steeds minder lucht. Ik raakte in paniek, ik stond doodsangsten uit, ik dacht dat ik zou stikken als ik niets deed. Ik moest iets doen, ik moest wegdraaien om weer lucht te krijgen, ik had het gevoel dat ik stikte, mijn luchtweg werd ingedrukt. Ik wilde weer lucht krijgen, ik wilde mijzelf losdraaien uit de greep door iets meer op mijn rechterzijde te draaien. Ik hoorde stemmen om mij heen, er lag veel gewicht bovenop me, ik voelde dat mijn hoofd klem zat. Ik voelde me onmachtig, angstig, het lukte mij niet meer goed adem te halen. Ik besefte mij dat dit niet goed af zou lopen als ik geen hulp zou krijgen of niet op eigen kracht uit de verdrukking zou kunnen komen. Ik kreeg het uiteindelijk voor elkaar om iets te draaien waardoor ik weer wat lucht kreeg. Ik schreeuwde in paniek dat diegene die mij vast had, mij los moest laten. Ik hoorde een man zeggen dat hij mij los zou laten als ik zijn broer liet gaan. Ik merkte toen pas dat er een man bovenop mij lag of zat, met zijn hoofd dichtbij mijn linkeroor want ik hoorde hem heel dichtbij. Ik raakte nog meer in paniek. Ik realiseerde mij toen namelijk dat zijn arm om mijn keel /nek geklemd zat door middel van een soort nekklem. Ik kon toen nog een stukje met mijn lichaam wegdraaien, zodat ik weer meer lucht kreeg. Ik bleef roepen dat hij mij los moest laten. Ik voelde dat er naast de man nog iemand bovenop mij zat, ik voelde dat mijn benen werden tegen gehouden.

Ineens voelde ik dat de klem om mijn nek verdween en ik ruimte had om verder weg te draaien. Toen ik opstond gaf ik de man, die bovenop mij had gelegen, een duw zodat hij mij niet weer zou kunnen grijpen. Ik zag toen pas dat die man een tatoeage in zijn nek had en het dezelfde man was als die man met dat opvallende kapsel.4

(..)

Ik hoorde dat de arts zei dat ik een zware hersenschudding had opgelopen. Ik kreeg een wekadvies voor elk uur en moest onmiddellijk naar huis om te rusten.

Ik heb de eerste vijf weken helemaal niets gekund. Ik zat thuis op de bank, met een zonnebril op en oordoppen in, of ik lag in bed in de donkere slaapkamer. Ik had en heb enorme hoofdpijn. Ik kon geen prikkels verdragen en was enorm moe, zonder dat ik ook maar iets deed.5

Uit een geneeskundige verklaring betreffende [aangeefster] blijkt dat zij twee hoofdwonden, een pijnlijke linker kaak en linkerpols en retrograde amnesie heeft. Tevens is een hersenschudding geconstateerd.6

[getuige 2] is als getuige gehoord en heeft, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard:

Ik zag dat de vlam in de pan sloeg. Ik zag dat [A] reageerde door maaiend om zich heen te gaan slaan. Ik zag dat [A] ook diverse agenten schopte. Ik zag dat [A] springend omhoog kwam toen hij van zich aftrapte. Ik zag dat hij meerdere agenten raakte, zowel met slaan als schoppen. (..)

Ik zag hierop dat [verdachte] met een gerichte vuistslag een vrouwelijk agent in/tegen haar gezicht sloeg. Ik zag dat [verdachte] recht tegenover die agente stond (…).

Ik zag dat [verdachte] bovenop die vrouwelijke agente lag.7

[benadeelde 1] heeft aangifte gedaan van mishandeling en openlijke geweldpleging, terwijl hij werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening als ambtenaar van de politie.8 In een proces-verbaal van bevindingen heeft verbalisant [benadeelde 1] , brigadier van politie Eenheid Midden-Nederland hierover, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard:

Op 10 maart 2018 hadden mijn collega [benadeelde 3] en ik horecadienst in het uitgaanscentrum van Amersfoort. Wij deden dienst in uniform en waren mobiel op onze dienstfiets.9 (..)

Op het moment dat ik de dame met de witte jas nader, zag ik dat haar partner, de jongen met de tatoeages in zijn gezicht, vlak achter haar liep. Ik riep met luide stem tegen de jongen dat hij daar moest blijven staan waarbij ik met mijn vinger in zijn richting wees. Vervolgens heb ik de dame met de witte jas aangesproken en staande gehouden. Op het moment dat ik haar aansprak, zag ik dat de jongen met de tatoeages in zijn gezicht bij mij kwam staan en zich met het gesprek wilde bemoeien. Omdat de jongen geen gehoor gaf aan datgene wat ik hem duidelijk had verzocht, duwde ik de jongen met een hand weg en wilde ik roepen dat hij verderop moest gaan staan. Op dat moment ging het mis.

Ik zag dat de jongen met de tatoeages zo ontzettend agressief werd. Ik zag dat de ogen van deze jongen zo groot werden en hoorde dat hij begon te schreeuwen in mijn richting. Tegelijkertijd zag ik dat de dame met de witte jas ook zeer agressief werd en begon te schreeuwen. Het geweld wat toen op mij en mijn collega's werd uitgeoefend ging van 0 tot 100. Ik kan [het] niet anders omschrijven dan dat dit beestachtig was en zonder geweten.

De jongen met de tatoeage wilde mij een vuistslag geven richting mijn gezicht. Op dat zelfde moment werd ik met zoveel kracht naar de grond getrokken. Dit kan niet anders, dan dat dit van achter mij is gebeurd door iemand. (..)

Ik wilde maar één ding en dat was zo snel mogelijk opstaan. Op het moment dat ik kans zag om op te staan was ik omringd door zeker zes à zeven personen uit de groep voornoemd. (..)

Op dat moment zie ik dat er een collega politieagent op de grond lag met twee personen uit de groep op haar. Ik heb niet gezien hoe mijn collega op de grond terecht is gekomen. Ik zag mijn collega niet bewegen en ging van het ergste uit. Ik heb me direct gericht op de persoon die op mijn collega lag en heb met mijn rechter vuist met volle kracht tegen het hoofd van deze persoon gestompt.10

Ik schreeuwde hierbij herhaaldelijk 'Loslaten, eraf'. Ik zag dat mijn vuistslagen totaal geen effect hadden en voelde dat er van achter aan mij getrokken en geslagen werd op mijn rug. Ik voelde onmacht en maakte mij grote zorgen om mijn collega op de grond. Ik zag dat ook collega [benadeelde 3] herhaaldelijk sloeg en schopte tegen de personen die op onze collega lagen. Ik moest opstaan om de overige personen van mij af te weren. Wij werden als het ware gehinderd om onze collega te helpen.

Kort hierop had ik even de ruimte en riep toen luidkeels naar mijn collega's 'TASER'. Op dat moment heb ik samen met twee andere collega's onze taser ter hand genomen en gericht op de geweldplegers. Op dat moment schrokken zij zichtbaar en staken zij hun handen in de lucht.11

[benadeelde 2] heeft aangifte gedaan van mishandeling en openlijke geweldpleging, terwijl hij werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening als ambtenaar van de politie.12 In een proces-verbaal van bevindingen heeft verbalisant [benadeelde 2] , hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland hierover, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard:

Op 10 maart 2018, omstreeks 2.45 uur, bevond ik mij in het centrum van Amersfoort. Ik reed in uniform op een opvallende politiemotor.13

(..)

Kort daarop hoorde ik geschreeuw en zag ik dat collega [benadeelde 1] op de grond gegooid werd.

Ook zag ik dat zijn fiets door de lucht vloog. Ik ben direct van mijn motor gestapt om naar collega [benadeelde 1] te gaan. Ik zag dat collega [aangeefster] op de grond lag. Ik zag dat er twee personen op collega [aangeefster] lagen. Ik zag dat de vrouw met de witte jas en de man met de hanenkam op collega [aangeefster] lagen en ik zag dat de man met de hanenkam collega [aangeefster] bij haar nek vasthield. Ik wilde deze man van mijn collega halen. Ik zag dat collega [benadeelde 3] de vrouw met de witte jas vastpakte om haar los te trekken. Ik voelde dat de man met de hanenkam niet losliet. Ik heb hem vervolgens meerdere klappen met mijn vuist gegeven. Ik voelde en hoorde een harde klap op mijn hoofd. Ik voelde dat ik tegen mijn hoofd werd geschopt. Ik liet de jongen met de hanenkam los om te kijken wie mij van achteren geschopt had. Ik zag meerdere personen om mij heen. Ik zag dat het geweld naar ons gestaakt werd op het moment dat wij het stroomstootwapen richtten.14

[benadeelde 3] heeft aangifte gedaan van mishandeling en openlijke geweldpleging, terwijl hij werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening als ambtenaar van de politie.15 In een proces-verbaal van bevindingen heeft verbalisant [benadeelde 3] , hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard:

Van de groep had ik een van de mannen zijn identiteit genoteerd. Het ging om [verdachte] , hierna te noemen verdachte. De verdachte liep met een vrouw die hij ook ‘zijn vrouw’ noemde. Hierna te noemen verdachte 2 (de rechtbank begrijpt: [B] ).16 (..)

Ik zag dat de verdachte in de richting van [benadeelde 1] liep. Ik zag dat [benadeelde 1] bleef staan. Ik zag dat [benadeelde 1] en deze verdachte in een duw- en treksituatie terecht kwamen. Ik zag dat verdachte 2 zich er ook mee begon te bemoeien.

Ik zag dat de verdachte en verdachte 2 [benadeelde 1] aanvlogen. Ik zag dat [benadeelde 1] zich afweerde met zijn armen. Ik ben hierop direct in de richting van [benadeelde 1] gefietst. Ik zag verdachte 3 (de rechtbank begrijpt: [A] ) springen in de lucht. Ik zag dat verdachte 3 [benadeelde 1] verschrikkelijk hard duwde. Ik zag dat [benadeelde 1] op grond viel. Ik voelde op dat moment een duw. Van wie ik deze duw kreeg weet ik niet. Ik viel heel hard op de grond. Ik probeerde op te staan en dit lukte. Ik voelde dat ik werd geslagen en geschopt. Ik zag ineens dat er een collega op de grond lag. Ik zag dat het [aangeefster] was. Ik zag dat de verdachte en verdachte 2 boven op haar lagen. Ik zag dat [aangeefster] door de verdachte werd vast gehouden om haar nek. Ik zag dat de verdachte, [aangeefster] in een wurggreep had. Ik zag dat [aangeefster] niet bewoog. Ik dacht dat [aangeefster] buiten bewustzijn was. Ik zag dat het de verdachte niet los liet. Ik dacht echt dat de verdachte collega [aangeefster] wilde vermoorden. Dit gevoel had ik echt en maakte mij angstig. Ik sloeg de verdachte op zijn hoofd en lichaam. Ik weet niet of de verdachte [aangeefster] losliet. Ondertussen werd ik geslagen en geschopt. Ik werd geduwd en viel. Ik probeerde vervolgens de verdachte tegen zijn hoofd te schoppen. Ik zag dat ik hem raakte. Ik zag dat de verdachte nog steeds niet los liet. Ik hoorde ineens dat [benadeelde 1] 'Taser' riep. Ik trok hierop mijn stroomstootwapen en richtte hem op de verdachten. Ik zag dat de verdachten hierop reageerden.17

Verdachte heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard:

Ik stond iets verder dan [B] . De agent ging naar [B] en zei tegen mij dat ik moest blijven staan. Ik heb een vrouwelijke agente vastgehouden en we zijn samen op de grond terecht gekomen. Ik heb de agent vastgehouden.18

De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1

Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen blijkt dat verdachte aangeefster met kracht op haar hoofd heeft geslagen en haar daarna heeft vastgepakt. Vervolgens zijn verdachte en aangeefster samen op de grond terecht gekomen. Aangeefster verklaart dat verdachte bovenop haar lag en dat zij voelde dat er kracht werd gezet op haar keel, waardoor zij steeds minder lucht kreeg. Ook door de verbalisanten [benadeelde 2] en [benadeelde 3] is gezien dat verdachte bovenop aangeefster lag en dat hij zijn arm om haar keel had of haar in een nekklem hield. Niet alleen aangeefster maar ook haar collega’s vreesden daardoor voor haar leven. Aangeefster heeft geprobeerd zich te ontworstelen uit de greep van verdachte. De andere verbalisanten hebben door het uitoefenen van geweld geprobeerd om aangeefster te bevrijden. Op basis van de camerabeelden kan ten slotte worden vastgesteld dat aangeefster en verdachte 15 tot 20 seconden samen op de grond hebben gelegen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte gedurende enige tijd met zijn arm kracht heeft uitgeoefend op de keel van aangeefster, waardoor zij enige tijd in ademnood is komen te verkeren.

Nu de vraag naar de feitelijke toedracht is beantwoord, resteert de vraag hoe het handelen van de verdachte juridisch gekwalificeerd moet worden.

Daarbij moet de rechtbank de vraag beantwoorden of (kort gezegd) het aanleggen van een wurggreep waardoor aangeefster gedurende meerdere seconden de adem (deels) wordt benomen, kan worden aangemerkt als een poging tot of doodslag of als (een poging tot) zware mishandeling. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Poging doodslag

Het voorwaardelijk opzet

Aan verdachte is primair ten laste gelegd dat hij heeft gepoogd aangeefster opzettelijk van het leven te beroven. De rechtbank is van oordeel dat er geen wettig bewijs is dat verdachte opzet in onvoorwaardelijke zin heeft gehad op de dood van aangeefster. De door verdachte afgelegde verklaringen en de overige in het dossier neergelegde onderzoeksbevindingen bieden voor die conclusie immers geen steun.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of sprake is van voorwaardelijk opzet. De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van aangeefster – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

Verdachte heeft de keel van aangeefster met kracht en gedurende meer dan 15 seconden dichtgedrukt. De rechtbank overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat het met kracht dichtgedrukt houden van de keel ertoe leidt dat iemand geen adem meer kan halen, ten gevolge waarvan de dood kan intreden. Aangeefster heeft verklaard dat zij dacht dat zij zou stikken als er niets gebeurde; zij besefte dat het niet goed zou aflopen als zij geen hulp zou krijgen of op eigen kracht uit de verdrukking zou komen. In algemene zin geldt dat het voortduren van een wurggreep een aanmerkelijke kans creëert dat het slachtoffer door het belemmeren van de ademhaling komt te overlijden. In dit geval heeft verdachte aangeefster weliswaar op enig moment losgelaten, maar dit is pas gebeurd nadat twee collega’s van aangeefster herhaaldelijk met kracht met hun vuist tegen diens hoofd hadden geslagen en een andere collega tegen diens hoofd had getrapt. Ook toen aangeefster herhaaldelijk in paniek tegen verdachte schreeuwde dat hij haar los moest laten, liet hij niet los. Verdachte heeft juist gezegd dat hij haar pas los zou laten als zij zijn broer zou laten gaan. Niet is gebleken dat verdachtes greep op enig moment verslapte. Nadat de collega’s van aangeefster uiteindelijk een taser hadden getrokken, bleek dat aangeefster niet langer door verdachte werd vastgehouden. De rechtbank leidt uit deze omstandigheden af dat aangeefster van de wurggreep van verdachte is losgeraakt door het geweld dat haar collega’s hebben uitgeoefend, en mogelijk door de dreiging van het gebruik van de taser – en niet doordat verdachte deze keus heeft gemaakt. Verdachte heeft ook geen verklaring afgelegd die steun biedt voor dit laatste. Aldus heeft verdachte een aanmerkelijke kans gecreëerd dat aangeefster door zijn handelen zou komen te overlijden.

Dat uit de geneeskundige verklaring niet blijkt van uiterlijk waarneembare kenmerken van een verwurging, zoals de verdediging ter zitting heeft benadrukt, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Op basis van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen staat immers – los van het letsel dat aangeefster heeft opgelopen – vast dat verdachte aangeefster gedurende minimaal 15 seconden in een wurggreep heeft gehouden, waardoor zij geen lucht meer kon krijgen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm – gelet op hetgeen hiervoor in dit kader is overwogen – kunnen worden aangemerkt als zozeer op de dood te zijn gericht dat het niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. De rechtbank is niet gebleken van aanwijzingen voor het tegendeel. Dit laatste kan ook niet uit de verklaring van verdachte worden afgeleid.

Het handelen van verdachte kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden uitgelegd dan dat verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangeefster door zijn handelen zou komen te overlijden.

Conclusie

Gelet op al het bovengenoemde is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte op 10 maart 2018 heeft geprobeerd om [aangeefster] van het leven te beroven.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 2

Gelet op voorgaande bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte samen met anderen openlijk geweld heeft gepleegd tegen politieambtenaren. Dit geldt ook ten aanzien van het schoppen tegen de verbalisanten en het gooien met de dienstfiets.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Ten aanzien van feit 1 primair:

op 10 maart 2018 te Amersfoort, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf

om opzettelijk [aangeefster] (politieambtenaar) van het leven te beroven, met dat opzet

- die [aangeefster] met veel kracht tegen haar hoofd heeft geslagen en

- ( nadat die [aangeefster] op de grond was terecht gekomen) boven op die [aangeefster] is gaan liggen / blijven liggen en

- zijn arm om de hals en/of nek van die op de grond liggende [aangeefster] heeft gedaan en gehouden en met zijn arm met kracht heeft gedrukt tegen de keel van die [aangeefster] , waarbij de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Ten aanzien van feit 2

op 10 maart 2018 te Amersfoort openlijk, te weten, op of nabij de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen meerdere personen en een goed te weten de politieambtenaren

a. - [aangeefster] en

b. - [benadeelde 1] en

c. - [benadeelde 3] en

d. - [benadeelde 2] en

e. - een dienstfiets van de politie

door

1. te slaan tegen het hoofd van die [aangeefster] en boven op die (op de grond liggende) [aangeefster] te gaan liggen en te blijven liggen en de arm om de hals van die op de grond liggende [aangeefster] te houden en te drukken tegen de keel van die [aangeefster] en

2. te duwen en te slaan en te stompen en te schoppen tegen die [benadeelde 1] en die [benadeelde 3] en die [benadeelde 2] en

3. slaande bewegingen te maken in de richting van die [benadeelde 1]

4. die [benadeelde 1] en die [benadeelde 3] op de grond te gooien of te duwen en

5. te gooien met die dienstfiets.

In het licht van de tenlastelegging met betrekking tot feit 1 en in samenhang met het dossier begrijpt de rechtbank de gewijzigde tenlastelegging van feit 2 onder 1 zo, dat daar waar is opgenomen “zitten” is bedoeld “liggen”.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

ten aanzien van feit 1 primair: poging tot doodslag;

ten aanzien van feit 2: openlijk in verenging geweld plegen tegen personen en goederen.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als (bijzondere) voorwaarden reclasseringstoezicht, te weten – kort gezegd – een meldplicht, een verplichte klinische behandeling en daarop aansluitend een ambulante behandeling, een drugs- en alcoholverbod en inzet tonen om een dagbesteding te verkrijgen. De officier van justitie heeft voorts gevorderd te bevelen dat de te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de op te leggen (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf gelijk te stellen aan de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en voor het overige aan verdachte een flinke voorwaardelijke straf op te leggen, als stok achter de deur. Indien verdachte terug de gevangenis in moet zal dit namelijk de reeds ingezette behandeling doorbreken en de positieve ontwikkeling die verdachte heeft ingezet, doorkruisen. Bovendien is de maatschappij ook meer gebaat bij een behandeling en resocialisatie van verdachte, nu dit immers de kans op recidive aanzienlijk zal verminderen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De ernst van de feiten

Verdachte heeft zich, na een avond uit in het centrum van Amersfoort, ernstig misdragen tegenover politieagenten. Nadat verdachte zich op agressieve wijze bemoeide met het gesprek dat verbalisant [benadeelde 1] op rustige en professionele wijze met de partner van verdachte voerde, ontstond een geweldsexplosie tegen de aanwezige verbalisanten. Verdachte heeft aangeefster, die haar collega [benadeelde 1] te hulp kwam, op het hoofd geslagen en haar gedurende meer dan 15 seconden op de grond in een wurggreep gehouden, als gevolg waarvan zij vreesde haar leven te verliezen. De noodkreet van aangeefster om haar los te laten negeerde verdachte; ook de trappen en klappen van de overige verbalisanten brachten verdachte er niet toe haar los te laten. Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan een poging doodslag en openlijke geweldpleging. Uit verschillende verklaringen van de aanwezige verbalisanten blijkt dat zij gedurende hun (soms al lange) carrière niet eerder zijn geconfronteerd met zulk heftig geweld gericht tegen politieagenten.

Ter terechtzitting heeft aangeefster een verklaring voorgelezen. Hieruit blijkt dat het handelen van verdachte op haar en ook op haar collega’s een enorme impact heeft gehad. Ruim een half jaar na dato wordt aangeefster nog altijd met de gevolgen geconfronteerd. Zo kan ze zich nog altijd moeilijk concentreren en is ze overgevoelig voor licht en geluid. Haar werk als hondengeleidster en politieagente heeft ze tot op heden nog niet heeft kunnen oppakken.


Verdachte heeft door zijn handelen niet alleen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster en haar collega’s, maar ook blijk gegeven het gezag van de politie geenszins te respecteren. Een politieagent, werkzaam in het publieke domein ten dienste van de burger, verdient in het bijzonder bescherming tegen agressieve en gewelddadige bejegening. Dit heeft de rechtbank in het nadeel van verdachte meegewogen.

De rechtbank houdt er in de strafmaat rekening mee dat wat betreft het geweld tegen aangeefster sprake is van eendaadse samenloop van poging doodslag en openlijke geweldpleging.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 28 augustus 2018. Verdachte is herhaaldelijk voor onder andere geweldsdelicten veroordeeld, onder meer tot jeugddetentie en een voorwaardelijke zogenoemde PIJ-maatregel.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies van 6 juni 2018, opgemaakt door I. Kapteijn, reclasseringswerker. Hieruit blijkt dat verdachte na onderhavig delict weer geregistreerd staat op de Top-X lijst en dat hij zijn medewerking aan een onderzoek door het NIFP heeft geweigerd. Eerder onderzoek naar de persoonlijkheid van verdachte wees op ADHD, PTSS, een gedragsstoornis, een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling (richting antisociaal) en zwakbegaafdheid. Tevens is er een verleden van verslavingsproblematiek en het afgelopen jaar heeft verdachte problemen gehad met overmatig alcoholgebruik. Omdat verdachte niet heeft meegewerkt aan nieuw persoonlijkheidsonderzoek, kan niet worden beoordeeld hoe de (verouderde) diagnoses inwerken op het getoond gedrag van verdachte en hoe het problematisch alcoholgebruik zich verhoudt tot de getoonde agressie. In het verleden is er vanuit vrijwillig kader flink ingezet, zowel op sociaalmaatschappelijk vlak, alsmede voor de verslaving. Verdachte heeft het afgelopen jaar geprobeerd te stoppen met zijn problematisch alcoholgebruik en een vrijwillige klinische opname stond in het vooruitzicht. Gelet op voorgaande adviseert de reclassering aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met reclasseringstoezicht en als bijzondere voorwaarden, een meldplicht, een verplichte klinische behandeling en een alcohol- en drugsverbod.

Ten slotte heeft de rechtbank kennisgenomen van een voortgangsverslag van Tactus verslavingszorg van 12 september 2018, opgemaakt door B. Hermkens en L. van den Brink, toezichthouders. Dit rapport is opgesteld in verband met de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte en de daarmee gepaard gaande verplichte klinische opname met ingang van 26 juni 2018 in De Wending. Hieruit blijkt dat het toezicht door in het kader van de schorsing van verdachte positief verloopt. Verdachte zit nog middenin een leerproces, maar hij houdt zich aan de afspraken. Geadviseerd wordt het huidige (klinische) traject af te maken en toe te werken naar een ambulante behandeling.

De straf

Voor het strafbare feit (poging tot) doodslag zijn binnen de rechtspraak geen landelijke oriëntatiepunten opgesteld. De rechtbank heeft daarom allereerst gelet op de straffen die doorgaans worden opgelegd voor een poging tot doodslag. Daaruit blijkt dat dergelijke zaken uniek zijn en zich moeilijk laten vergelijken met andere zaken.

De rechtbank is van oordeel dat de door verdachte verrichte poging tot doodslag, gelet op hetgeen hiervoor is beschreven, een zo ernstig strafbaar is dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur geboden is. In strafverzwarende zin heeft de rechtbank meegenomen dat verdachte zich – naast de gepleegde poging tot doodslag – eveneens schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging. Strafverzwarend is dat beide feiten zien op geweld tegen politieambtenaren. Daarnaast hebben de feiten voor maatschappelijke onrust gezorgd en veel losgemaakt in de samenleving.

Alles afwegende acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, passend en geboden. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke deel van de straf bijzondere voorwaarden verbinden, namelijk een meldplicht bij de reclassering, een verplichte klinische behandeling, gevolgd door een ambulante behandeling, een alcohol- en drugsverbod en de verplichting om inzet te tonen om een dagbesteding te vinden. De rechtbank beoogt hiermee de maatschappij te beschermen en verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Uit de over verdachte opgemaakte rapportages volgt dat de noodzaak tot het ondergaan en positief voltooien van een klinische behandeling nog altijd onverminderd groot is. Naar het oordeel van de rechtbank zal dit na het uitzitten van de gevangenisstraf niet anders zijn. Nu de bijzondere voorwaarden eerst van kracht zullen zijn nadat verdachte de onvoorwaardelijke gevangenisstraf heeft uitgezeten, is toepassing van artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht, zoals door de officier van justitie is gevorderd, niet aan de orde.

Het onvoorwaardelijke deel van bovengenoemde straf is langer dan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank realiseert zich dat de terugkeer van verdachte naar de gevangenis de reeds ingezette behandeling van verdachte zal doorbreken en de reeds behaalde resultaten mogelijk zelfs teniet zal doen. Dit is echter de keerzijde van het recht van verdachte om zijn berechting in vrijheid af te wachten.

Voorlopige hechtenis

Uitganspunt is dat een ieder vóór veroordeling zijn berechting in vrijheid dient te kunnen afwachten, tenzij er argumenten zijn die voorlopige hechtenis noodzaken.19Evident is dat verdachte ook een belang heeft om ook de uitkomst van een – eventueel – hoger beroep in vrijheid af te wachten.

Dit belang is evenwel niet onbeperkt: de stelling dat een verdachte ook hangende het hoger beroep zijn berechting in vrijheid mag afwachten gaat gelet op artikel 5 lid 1, aanhef en onder a EVRM niet op. Hierin is immers bepaald dat veroordeling vrijheidsbeneming is gerechtvaardigd. Deze veroordeling hoeft niet onherroepelijk te zijn.20 Deze redenering kan naar analogie ook worden toegepast op zaken in eerste aanleg waarin het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte is geschorst en verdachte vervolgens tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt veroordeeld die langer is dan de duur van het reeds ondergane voorarrest.

Bij de beoordeling of de schorsing in dit geval moet worden opgeheven, dient de rechtbank de belangen van de samenleving, het slachtoffer en de veroordeelde af te wegen en na te gaan of deze opheffing geboden is. In dit geval wegen voor de rechtbank de strafvorderlijke belangen dat de voorlopige hechtenis weer komt te herleven zwaarder dan de persoonlijke belangen van de verdachte, met name gelet op de ernst van het bewezen verklaarde – zoals hiervoor toegelicht – en de gevangenisstraf waartoe dit heeft geleid.

Dit betekent dat de schorsing van de voorlopige hechtenis wordt opgeheven. De detentie van verdachte herleeft nu dus weer.

9 BENADEELDE PARTIJEN

9.1

De benadeelde partij [aangeefster]

heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 7.500,-. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade, ten gevolge van de aan verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

9.1.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de vordering voldoende onderbouwd en vordert toewijzing van de vordering met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.1.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt de vordering te matigen nu onvoldoende vast staat dat verdachte verantwoordelijk is voor al het geweld dat op [aangeefster] is toegepast. De raadsman acht de vordering toewijsbaar tot een bedrag van € 2.000,-.

9.1.3

Het oordeel van de rechtbank

Vaststaat dat de benadeelde partij [aangeefster] als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade op € 6.000,- en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 10 maart 2018 tot de dag van volledige betaling.

De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De behandeling van de vordering levert voor dat deel een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [aangeefster] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 6.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 10 maart 2018 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 65 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

9.2

De benadeelde partij [benadeelde 2]

heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 750,-. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde feit.

9.2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de vordering voldoende onderbouwd en vordert toewijzing van de vordering met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt de vordering te matigen in verband met een gebrek aan ondersteuning voor (langdurige) psychische klachten. De raadsman acht de vordering toewijsbaar tot een bedrag van € 500,-.

9.2.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij [benadeelde 2] ten gevolge van het hiervoor onder 2 bewezen verklaarde feit schade heeft geleden, in de vorm van pijn, letsel en verminderd psychisch welbevinden.

De rechtbank ziet echter wel aanleiding de gevorderde immateriële schade te matigen.

De rechtbank zal daarom de vordering tot het bedrag van € 500,- toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 10 maart 2018 tot de dag van volledige betaling.

De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De rechtbank zal de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde 2] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 500,- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 10 maart 2018 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 10 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

9.3

De benadeelde partij [benadeelde 3]

heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 650,-. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde feit.

9.3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de vordering voldoende onderbouwd en vordert toewijzing van de vordering met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt de vordering te matigen in verband met een gebrek aan ondersteuning voor (langdurige) psychische klachten. De raadsman acht de vordering toewijsbaar tot een bedrag van € 500,-.

9.3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij [benadeelde 3] ten gevolge van het hiervoor onder 2 bewezen verklaarde feit schade heeft geleden, in de vorm van pijn, letsel en verminderd psychisch welbevinden.

De rechtbank ziet echter wel aanleiding de gevorderde immateriële schade te matigen.

De rechtbank zal daarom de vordering tot het bedrag van € 500,- toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 10 maart 2018 tot de dag van volledige betaling.

De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De rechtbank zal de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde 3] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 500,- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 10 maart 2018 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 10 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

9.4

De benadeelde partij [benadeelde 1]

heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van

€ 550,-. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde feit.

9.4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de vordering voldoende onderbouwd en vordert toewijzing van de vordering met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt de vordering te matigen in verband met een gebrek aan ondersteuning voor (langdurige) psychische klachten. De raadsman acht de vordering toewijsbaar tot een bedrag van € 500,-.

9.4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij [benadeelde 1] ten gevolge van het hiervoor onder 2 bewezen verklaarde feit schade heeft geleden, in de vorm van pijn, letsel en verminderd psychisch welbevinden.

De rechtbank ziet echter wel aanleiding de gevorderde immateriële schade te matigen.

De rechtbank zal daarom de vordering tot het bedrag van € 500,- toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 10 maart 2018 tot de dag van volledige betaling.

De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De rechtbank zal de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde 1] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 500,- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 10 maart 2018 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 10 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 141 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 36 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 12 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd:

* zich zal melden bij de verslavingsreclassering (in zijn regio), zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* zich zal onthouden van het gebruik van alcohol en drugs, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek en/of urineonderzoek zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* zich zal laten opnemen in zorginstelling De Wending, althans een soortgelijke intramurale zorginstelling, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die in het kader van de behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling aan verdachte zullen worden gegeven. De opname duurt maximaal 12 maanden of zoveel korter als de leiding van de zorginstelling in overleg met de reclassering dit wenselijk acht;

* aansluitend aan de klinische behandeling zal meewerken aan een ambulante behandeling en begeleiding door een ForFact-team, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die in het kader van de behandeling aan hem worden gegeven;

* zal meewerken aan en inzet zal tonen voor het verkrijgen van een dagbesteding, zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Voorlopige hechtenis

- heft op het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis;

Benadeelde partij [aangeefster]

  • -

    wijst de vordering van [aangeefster] toe tot een bedrag van € 6.000,-;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan [aangeefster] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 maart 2018 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    verklaart [aangeefster] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangeefster] aan de Staat € 6.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 maart 2018 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 65 dagen hechtenis;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Benadeelde partij [benadeelde 2]

  • -

    wijst de vordering van [benadeelde 2] toe tot een bedrag van € 500,-;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 maart 2018 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    verklaart [benadeelde 2] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 2] aan de Staat

€ 500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 maart 2018 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 10 dagen hechtenis;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Benadeelde partij [benadeelde 3]

  • -

    wijst de vordering van [benadeelde 3] toe tot een bedrag van € 500,-;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde 3] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 maart 2018 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    verklaart [benadeelde 3] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 3] aan de Staat

€ 500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 maart 2018 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 10 dagen hechtenis;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Benadeelde partij [benadeelde 1]

  • -

    wijst de vordering van [benadeelde 1] toe tot een bedrag van € 500,-;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 maart 2018 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    verklaart [benadeelde 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 1] aan de Staat

€ 500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 maart 2018 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 10 dagen hechtenis;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Veenstra, voorzitter, mrs. H.E. Spruit en M.W.V. van Duursen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Antonides, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 oktober 2018.

Mr. H.E. Spruit is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 10 maart 2018 te Amersfoort, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf

om opzettelijk [aangeefster] (politieambtenaar) van het leven te beroven, met

dat opzet

- die [aangeefster] (met veel kracht) op/tegen haar hoofd heeft geslagen en/of

gestompt en/of

- ( nadat die [aangeefster] op de grond was gevallen, althans terecht was gekomen)

boven op die [aangeefster] is gaan liggen, althans boven op die [aangeefster] is blijven

liggen en/of

- zijn arm om de hals en/of nek van die op de grond liggende [aangeefster] heeft

gedaan en/of gehouden en/of met zijn arm (met kracht) heeft gedrukt op/tegen

de hals en/of nek en/of keel van die [aangeefster] , althans met zijn arm kracht

heeft uitgeoefend op de hals en/of nek en/of keel van die [aangeefster] ,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 10 maart 2018 te Amersfoort, aan [aangeefster]

(politieambtenaar) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (zware

hersenschudding), heeft toegebracht, door voornoemde [aangeefster] opzettelijk

- die [aangeefster] (met veel kracht) op/tegen haar hoofd te slaan en/of te stompen

en/of

- ( nadat die [aangeefster] op de grond was gevallen, althans terecht was gekomen)

boven op die [aangeefster] te gaan liggen, althans boven op die [aangeefster] te blijven

liggen en/of

- zijn arm om de hals en/of nek van die op de grond liggende [aangeefster] te doen

en/of te houden en/of met zijn arm (met kracht) te drukken op/tegen de hals

en/of nek en/of keel van die [aangeefster] , althans met zijn arm kracht uit te

oefenen op de hals en/of nek en/of keel van die [aangeefster] ;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 10 maart 2018 te Amersfoort, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf

om aan [aangeefster] (politieambtenaar) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel

toe te brengen, met dat opzet

- die [aangeefster] (met veel kracht) op/tegen haar hoofd heeft geslagen en/of

gestompt en/of

- ( nadat die [aangeefster] op de grond was gevallen, althans terecht was gekomen)

boven op die [aangeefster] is gaan liggen, althans boven op die [aangeefster] is blijven

liggen en/of

- zijn arm om de hals en/of nek van die op de grond liggende [aangeefster] heeft

gedaan en/of gehouden en/of met zijn arm (met kracht) heeft gedrukt op/tegen

de hals en/of nek en/of keel van die [aangeefster] , althans met zijn arm kracht

heeft uitgeoefend op de hals en/of nek en/of keel van die [aangeefster] , zijnde de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 10 maart 2018 te Amersfoort, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf

om aan [aangeefster] (politieambtenaar) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel

toe te brengen, met dat opzet

- die [aangeefster] (met veel kracht) op/tegen haar hoofd heeft geslagen en/of

gestompt en/of

- ( nadat die [aangeefster] op de grond was gevallen, althans terecht was gekomen)

boven op die [aangeefster] is gaan liggen, althans boven op die [aangeefster] is blijven

liggen en/of

- zijn arm om de hals en/of nek van die op de grond liggende [aangeefster] heeft

gedaan en/of gehouden en/of met zijn arm (met kracht) heeft gedrukt op/tegen

de hals en/of nek en/of keel van die [aangeefster] , althans met zijn arm kracht

heeft uitgeoefend op de hals en/of nek en/of keel van die [aangeefster] , zijnde de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 10 maart 2018 te Amersfoort openlijk, te weten, op of

nabij de openbare weg de Nieuweweg en/of de Krommestraat, in elk geval op of

aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats ,in

vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meerdere perso(o)n(en) en/of een

goed te weten de politieambtenaren

a. - [aangeefster] en/of

b. - [benadeelde 1] en/of

c. - [benadeelde 3] en/of

d. - [benadeelde 2] en/of

e. - een dienstfiets van de politie

door

1. te slaan en/of te stompen op/tegen het hoofd en/of het gezicht van die [aangeefster] en/of die [aangeefster] op de grond te duwen en/of gooien en/of boven op die (op de grond liggende) [aangeefster] te gaan zitten en/of te blijven zitten en/of het houden van de arm om de hals en/of de nek van die op de grond liggende [aangeefster] en/of te drukken op/tegen de hals en/of de nek en/of keel van die [aangeefster] , althans het met de arm kracht uit te oefenen op die hals en/of nek en/of keel van die [aangeefster] en/of

2. te duwen en/of te slaan en/of te stompen en/of te schoppen tegen die [benadeelde 1] en/of die [benadeelde 3] en/of die [benadeelde 2] en/of

3. slaande bewegingen te maken in de richting van die [benadeelde 1] en/of die [benadeelde 3] en/of die [benadeelde 2] en/of

4. die [benadeelde 1] en/of die [benadeelde 3] en/of die [benadeelde 2] op de grond te gooien en/of te duwen en/of

5. te gooien met die dienstfiets;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij de in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal opgemaakt door politie Midden-Nederland van: -12 maart 2018, genummerd PL0900/2018.067913, doorgenummerd 1 tot en met 261; - 20 maart 2018, genummerd PL0900/2018.067913-A, doorgenummerd 262 – 280; - 9 april 2018, genummerd PL0900/2018.067913-B, doorgenummerd 281– 305; - 30 augustus 2018, genummerd PL0900/2018.067913-C doorgenummerd 306 tot en met 305. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 een proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] , pagina 324

3 een proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] , pagina 325

4 een proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] , pagina 326;

5 een proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] , pagina 328;

6 een geneeskundige verklaring, opgemaakt door [C] , huisarts op 10 maart 2018, pagina 191;

7 een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , pagina 277;

8 een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1] , pagina 192;

9 een proces-verbaal van bevindingen, pagina 194;

10 een proces-verbaal van bevindingen, pagina 195;

11 een proces-verbaal van bevindingen, pagina 196;

12 een proces-verbaal van aangifte, genummerd PL0900-2018068044-1, op 10 maart 2018 in de wettelijke vorm en op ambtseed opgemaakt door politie Midden-Nederland (blad 5);

13 een proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0900-2018067913-19 op 10 maart 2018 in de wettelijke vorm en op ambtseed opgemaakt door politie Midden-Nederland, (blad 1);

14 een proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0900-2018067913-19 op 10 maart 2018 in de wettelijke vorm en op ambtseed opgemaakt door politie Midden-Nederland, (blad 2);

15 een proces-verbaal van aangifte, genummerd PL0900-2018068038-1 op 10 maart 2018 in de wettelijke vorm en op ambtseed opgemaakt door politie Midden-Nederland, (blad 5);

16 een proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0900-2018067913-6 op 11 maart 2018 in de wettelijke vorm en op ambtsbelofte opgemaakt door politie Midden-Nederland (blad 1);

17 een proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0900-2018067913-6 op 11 maart 2018 in de wettelijke vorm en op ambtsbelofte opgemaakt door politie Midden-Nederland (blad 2);

18 De verklaring van verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting op 11 oktober 2018.

19 zie artikel 5 EVRM lid 1, aanhef en onder c jo. Artikel 5, lid 3 EVRM;

20 zie hiervoor onder andere Hof Amsterdam 26 mei 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:2848 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2015:2848) en Hof Amsterdam, 8 juli 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:5751 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2015:5751).