Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5141

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-10-2018
Datum publicatie
31-10-2018
Zaaknummer
C/16/435164 / HA ZA 17-269
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBMNE:2018:2221
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vervolg op ECLI:NL:RBMNE:2018:2221, begroting schade, toewijzing schadevergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/435164 / HA ZA 17-269

Vonnis van 10 oktober 2018

in de zaak van

1 [eiseres sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiseres sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

eiseressen,

advocaat mr. D.J. van den Bosch te Bilthoven,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 1] B.V.,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats] , kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 2] B.V.,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats] , kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. E. Beele te Tilburg.

Eiseressen zullen hierna [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] genoemd worden. Gedaagden zullen gezamenlijk [gedaagde sub 1] c.s. genoemd worden en afzonderlijk [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 16 mei 2018,

  • -

    de akte van [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] van 13 juni 2018 met producties 35 tot en met 55,

  • -

    de antwoordakte van [gedaagde sub 1] c.s. van 11 juli 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

In het tussenvonnis van 16 mei 2018 heeft de rechtbank geoordeeld dat [gedaagde sub 1] is opgetreden als financieel adviseur voor [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] en dat zij is tekortgeschoten in de nakoming van de daaruit voortvloeiende zorgplicht jegens [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] . De rechtbank heeft aangenomen dat [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] door deze toerekenbare tekortkoming schade hebben geleden. Voor het bepalen van de omvang van deze schade moet een vergelijking worden gemaakt tussen de huidige financiële situatie en de financiële situatie waarin [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] zouden hebben verkeerd zonder wanprestatie van [gedaagde sub 1] , waarin zij de overeenkomst met [bedrijfsnaam 1] niet hadden gesloten dan wel deze rechtsgeldig zouden hebben ontbonden of vernietigd op grond van dwaling. Bij deze vergelijking worden de inkomsten en lasten van beide situaties tegen elkaar afgezet. De rechtbank heeft hier in het tussenvonnis een begin mee gemaakt op basis van de beschikbare gegevens en vastgesteld dat bepaalde voor de schadebegroting relevante informatie nog ontbreekt. [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld bij akte de inkomsten en lasten in beide situaties nader te specificeren, mede aan de hand van de in het vonnis genoemde openstaande vragen, en [gedaagde sub 1] c.s. om daarop bij antwoordakte te reageren.

2.2.

Voor de duidelijkheid zal de rechtbank hierna de al bekende gegevens opnieuw vermelden en deze aanvullen met de gegevens die op grond van de akten van partijen kunnen worden vastgesteld.

schade [eiseres sub 2]

2.3.

De rechtbank zal allereerst ingaan op de lasten aan de zijde van [eiseres sub 2] in de werkelijke situatie.

hypotheekrente

2.4.

[eiseres sub 2] heeft een hypothecaire geldlening bij Rabobank afgesloten van

€ 147.500,00 ter financiering van het inleggeld van € 145.00,00, de notariskosten van

€ 921,06 en de afsluitprovisie van € 1.475,00. [eiseres sub 2] heeft in totaal € 60.335,95 bruto aan hypotheekrente betaald over de jaren 2008 tot 4 januari 2017. [gedaagde sub 1] c.s. heeft dit bedrag niet betwist.

servicekosten

2.5.

De rechtbank heeft [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] verzocht aan te geven hoeveel [eiseres sub 2] aan servicekosten heeft voldaan gedurende de periode dat zij de studio zelf heeft bewoond en gedurende de periode dat deze was verhuurd. [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] stellen onder verwijzing naar producties 41 tot en met 44 dat [eiseres sub 2] in totaal € 10.294,03 aan servicekosten heeft betaald. Dit bedrag is niet betwist, zodat de rechtbank daarvan uitgaat.

bijdrage ouders

2.6.

De rechtbank heeft [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] verzocht aan te geven in hoeverre de ouders van [eiseres sub 2] de door hen betaalde kosten voor het aanbrengen van de entresol in de studio ad € 2.737,00 en de door hen gedane aflossingen op de hypothecaire geldlening ad

€ 19.626,83 en € 5.229,00 blijvend voor hun rekening hebben genomen en hoeveel [eiseres sub 2] ter zake aan haar ouders verschuldigd is (geweest).

2.7.

[eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] hebben onder verwijzing naar een bankafschrift (productie 46) gesteld dat de ouders van [eiseres sub 2] voor het aanbrengen van de entresol € 3.163,00 hebben betaald in plaats van € 2.737,00. Dit is niet betwist, zodat de rechtbank van dit hogere bedrag uitgaat. Anders dan [gedaagde sub 1] c.s. betoogt, is dit wel degelijk een kostenpost, die moet worden meegenomen aan de lastenkant in het geval de gemaakte kosten uiteindelijk door [eiseres sub 2] worden gedragen. Daar staat tegenover dat aannemelijk is dat de entresol heeft geleid tot een waardestijging van de studio en zo tot een hogere verkoopopbrengst, welk effect wordt meegenomen in dat kader.

2.8.

Uit de door [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] overgelegde overeenkomst van geldlening en betalingsbewijzen (producties 47 en 48) blijkt dat [eiseres sub 2] en haar ouders op 30 november 2016 zijn overeengekomen dat [eiseres sub 2] (onder meer) deze door haar ouders betaalde kosten en gedane aflossingen aan hen dient terug te betalen en dat [eiseres sub 2] daarmee in april 2017 is gestart. [gedaagde sub 1] c.s. is van mening dat deze kostenpost niet moet worden meegewogen, omdat [eiseres sub 2] deze terugbetalingsverplichting ruim na het gewraakte handelen van [gedaagde sub 1] is aangegaan en er sprake is van een zo ver verwijderd verband dat de door [eiseres sub 2] gemaakte afspraken niet aan [gedaagde sub 1] kunnen worden toegerekend.

2.9.

De rechtbank volgt [gedaagde sub 1] c.s. hierin niet. Naar het oordeel van de rechtbank stond het [eiseres sub 2] vrij om deze overeenkomst te sluiten. Het is immers niet ongebruikelijk dat ouders kosten van een studerend kind voorschieten en dat deze kosten na het einde van de studie moeten worden terugbetaald. De omstandigheid dat [eiseres sub 2] de overeenkomst van geldlening pas op 30 november 2016 is aangegaan, is niet relevant. Het gaat erom dat deze overeenkomst is gesloten en dat daaraan uitvoering wordt gegeven. De opgevoerde bedragen zullen bij de begroting van de schade dan ook worden meegenomen, waarbij de aflossingen zijn verdisconteerd in de post verlies bij verkoop.

verlies bij verkoop en rente over restschuld

2.10.

Na de verkoop en levering van het pand op 4 januari 2017 heeft [eiseres sub 2] haar aandeel in de verkoopopbrengst ontvangen ad € 57.600,00, waarmee de hypothecaire geldlening verder is afgelost. Ten opzichte van de financiering die zij bij de bank is aangegaan voor aankoop van het lidmaatschapsrecht, becijfert zij het verlies op € 82.455,83. Per 13 januari 2017 bedroeg de restschuld van [eiseres sub 2] € 65.044,17. Over deze restschuld is [eiseres sub 2] in totaal nog € 10.298,43 aan hypotheekrente verschuldigd. Dit is door [gedaagde sub 1] c.s. niet betwist. Wel betwist [gedaagde sub 1] c.s. dat het opgevoerde bedrag van € 82.455,83 aan geleden verlies bij de verkoop van de studio bij de schadebegroting moet worden meegewogen. Zij voert aan dat de studio is verkocht op het moment dat de vastgoedmarkt op haar dieptepunt verkeerde, terwijl er genoeg huuropbrengsten konden worden gegenereerd om de kosten te dekken. Nu [gedaagde sub 1] geen invloed heeft gehad op de beslissing om tot verkoop over te gaan en ook niet op het moment van verkoop en evenmin op de verkoopprijs (en de aankoopprijs), kan het verlies niet aan haar worden toegerekend, aldus [gedaagde sub 1] c.s.

2.11.

De rechtbank gaat aan dit verweer voorbij. Dat de studio is verkocht in een periode waarin de woningmarkt in een crisis verkeerde en dat de opbrengst daardoor lager is geweest dan deze zou zijn geweest als de markt weer zou zijn hersteld, betekent in de gegeven omstandigheden niet dat [eiseres sub 2] niet tot verkoop had mogen overgaan. De rechtbank weegt daarbij mee dat de woonvereniging waarvan [eiseres sub 2] lid was, destijds het besluit heeft genomen om tot verkoop van het pand over te gaan en een einde te maken aan de bestaande juridische constructie en dat [eiseres sub 2] vanaf oktober 2013 de studio al niet meer zelf bewoonde, zodat zij geen recht meer had op hypotheekrenteaftrek. Gelet daarop kon van [eiseres sub 2] redelijkerwijs niet worden verwacht dat zij de studio nog langer zou aanhouden.

vervangende woonruimte

2.12.

[eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] stellen dat [eiseres sub 2] de studio van 1 oktober 2008 tot

1 oktober 2013 zelf heeft bewoond en dat zij de studio daarna tot aan de verkoop en levering van het pand op 4 januari 2017 aan derden heeft verhuurd. Vanaf 1 oktober 2013 tot het einde van haar studie per 1 maart 2015 heeft [eiseres sub 2] met haar vriend een tweekamerflat gehuurd (zie huurovereenkomst, productie 37). De kosten van deze vervangende woonruimte bedroegen voor [eiseres sub 2] in totaal € 7.650,00 (17 maanden x € 450,00 per maand). Dit is door [gedaagde sub 1] c.s. niet betwist, zodat de rechtbank daarvan uitgaat.

2.13.

Tegenover deze kosten staan de volgende inkomsten aan de zijde van [eiseres sub 2] in de werkelijke situatie.

hypotheekrenteaftrek

2.14.

De rechtbank heeft [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] verzocht te specificeren vanaf welk moment [eiseres sub 2] eventuele hypotheekrenteaftrek heeft ontvangen en hoeveel. Partijen zijn het erover eens dat de betaalde hypotheekrente ‘vertraagd’ aftrekbaar is vanaf het moment dat [eiseres sub 2] inkomsten uit arbeid ontvangt en alleen aftrekbaar is over de periode dat zij de studio zelf heeft bewoond. [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] stellen dat voor [eiseres sub 2] de hypotheekrente vanaf januari 2017 aftrekbaar is geworden tot en met 2024 en dat zij de studio van 1 oktober 2008 tot 1 oktober 2013 zelf heeft bewoond. Uitgaande van een aftrekbaar bedrag van € 43.475,53 en een toepasselijk belastingtarief van 13,15% (tweede schijf) becijferen zij dat [eiseres sub 2] in totaal € 5.717,03 terug zal ontvangen (zie producties 38 en 39).

2.15.

[gedaagde sub 1] c.s. stelt dat deze berekeningen niet te verifiëren zijn bij gebrek aan inkomensgegevens. Haar lijkt de inschatting onjuist, omdat het verschil tussen het bruto- en nettobedrag groter zal (moeten) zijn. De rechtbank constateert dat [gedaagde sub 1] c.s. de wijze van berekening niet heeft weersproken en vindt de betwisting onvoldoende concreet en gaat daarom uit van het opgevoerde bedrag van € 5.717,03.

2.16.

Uit het door [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] overgelegde “Overzicht kosten en opbrengsten studio [eiseres sub 2] ” (productie 35) blijkt dat [eiseres sub 2] bij de aanschaf van de hypotheek een bedrag van € 103,94 terug heeft ontvangen.

servicekosten

2.17.

Uit ditzelfde overzicht blijkt dat [eiseres sub 2] bij verkoop van de studio een bedrag van € 1.002,71 aan servicekosten terug heeft ontvangen.

lastendempers

2.18.

[eiseres sub 2] heeft in totaal een bedrag van € 6.120,00 aan lastendempers ontvangen.

huurinkomsten

2.19.

De rechtbank heeft [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] gevraagd aan te geven of [eiseres sub 2] inkomstenbelasting heeft betaald over de door haar ontvangen huurinkomsten. Volgens [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] is dit niet het geval. Zij stellen onder verwijzing naar productie 50 dat de huurinkomsten geen € 22.500,00 bruto, maar € 21.460,00 bruto bedroegen. Dit bedrag is door [gedaagde sub 1] c.s. niet betwist, zodat de rechtbank van het lagere bedrag uitgaat. Anders dan [gedaagde sub 1] c.s. betoogt, zijn de betalingsbewijzen overgelegd (zie productie 34 repliek).

2.20.

Aan het verweer van [gedaagde sub 1] c.s. dat [eiseres sub 2] haar studio gedurende haar gehele studietijd (meer dan) kostendekkend had kunnen verhuren en zo de schade had kunnen beperken of voorkomen, gaat de rechtbank voorbij. [eiseres sub 2] heeft de studio gekocht met de bedoeling daar zelf gedurende haar studietijd te wonen. De enkele omstandigheid dat zij de studio ook ten minste kostendekkend had kunnen verhuren, maakt niet dat van haar verwacht mocht worden dat zij de studio zou gaan verhuren en zelf andere woonruimte zou betrekken. Overigens zijn aan dat laatste ook kosten verbonden.

2.21.

Dit alles leidt tot het volgende overzicht van werkelijke lasten en inkomsten van [eiseres sub 2].

Lasten:

  • -

    hypotheekrente € 60.335,95

  • -

    servicekosten € 10.294,03

  • -

    kosten aanbrengen entresol € 3.163,00

  • -

    verlies bij verkoop studio € 82.455,83

  • -

    rente over restschuld € 10.298,43

  • -

    vervangende woonruimte € 7.650,00

Totaal € 174.196,74

Inkomsten:

  • -

    hypotheekrenteaftrek € 5.717,03

  • -

    teruggave bij aanschaf hypotheek € 103,94

  • -

    teruggave servicekosten € 1.002,71

  • -

    lastendempers € 6.120,00

  • -

    huurinkomsten € 21.460,00

Totaal € 34.403,68

2.22.

In de hypothetische situatie zonder wanprestatie zou [eiseres sub 2] andere woonruimte hebben betrokken en dus andere woonlasten hebben gehad in de periode tussen de levering van het lidmaatschapsrecht en de levering van het pand aan de koper op 4 januari 2017. De rechtbank heeft [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] gevraagd aan de hand van gemiddelden te specificeren wat de huurprijs (met eventuele bijkomende kosten) van een gemiddelde studentenkamer in [woonplaats] gedurende hun tijd als student zouden zijn geweest en wat hun woonlasten daarna gemiddeld gezien zouden zijn geweest.

2.23.

[eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] hebben onder verwijzing naar de door hen overgelegde rapporten (producties 51 en 52) en berekening (productie 53) gemotiveerd gesteld dat in het geval [eiseres sub 2] gedurende de 78 maanden dat zij studeerde (tot 1 maart 2015) een studentenkamer in [woonplaats] had gehuurd, de huurkosten, uitgaande van een gemiddelde huurprijs van onzelfstandige woonruimte van € 324,56 per maand, € 25.315,68 zouden hebben bedragen. Dit is door [gedaagde sub 1] c.s. niet betwist, zodat de rechtbank daarvan uitgaat. Nu de woonlasten van [eiseres sub 2] na het einde van haar studie in de werkelijke situatie niet zijn meegenomen, zullen deze in de hypothetische situatie ook niet worden meegenomen.

2.24.

Na vergelijking van de werkelijke situatie met de hypothetische situatie begroot de rechtbank de schade van [eiseres sub 2] dus op € 114.477,38 (€ 174.196,74 - € 34.403,68 -

€ 25.315,68).

schade [eiseres sub 1]

2.25.

De rechtbank zal nu ingaan op de lasten aan de zijde van [eiseres sub 1] in de werkelijke situatie.

hypotheekrente

2.26.

[eiseres sub 1] heeft een hypothecaire geldlening bij Rabobank afgesloten van

€ 131.500,00 ter financiering van het inleggeld van € 129.000,00 en de aankoopkosten. [eiseres sub 1] heeft in totaal € 36.639,07 bruto aan hypotheekrente betaald.

bijdrage ouders

2.27.

De rechtbank heeft [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] verzocht aan te geven of de ouders van [eiseres sub 1] betalingen blijvend voor hun rekening hebben genomen en of [eiseres sub 1] ter zake iets aan haar ouders verschuldigd is (geweest).

2.28.

Uit de door [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] overgelegde overeenkomst van geldlening van 14 juli 2013 (productie 49) blijkt dat de ouders van [eiseres sub 1] in de jaren 2009 tot en met 2012 namens [eiseres sub 1] in totaal € 25.572,00 aan hypotheekrente hebben betaald en dat [eiseres sub 1] dit bedrag vanaf 1 januari 2013 in termijnen van minimaal € 385,80 aan hen dient terug te betalen. Het verweer van [gedaagde sub 1] c.s. dat deze afspraak niet aan haar kan worden toegerekend, gaat niet op. Zoals in 2.9. ten aanzien van [eiseres sub 2] ook is overwogen, is het niet ongebruikelijk dat ouders kosten van een studerend kind voorschieten en dat deze kosten na het einde van de studie moeten worden terugbetaald. De omstandigheid dat [eiseres sub 1] de overeenkomst van geldlening pas op 14 juli 2013 is aangegaan, is niet relevant. Het gaat erom dat deze overeenkomst is gesloten en dat daaraan uitvoering wordt gegeven. Het verweer van [gedaagde sub 1] c.s. dat uit de overeenkomst blijkt dat door [eiseres sub 1] terugbetaalde bedragen aan haar zullen worden terug geschonken door haar ouders en er daarom geen sprake is van schade, gaat ook niet op. Die bepaling ziet namelijk alleen op bedragen die de ouders van [eiseres sub 1] ná 1 januari 2013 voor haar hebben betaald. Het bedrag van

€ 25.527,00 dat de ouders hebben geleend aan [eiseres sub 1] en dat [eiseres sub 1] moet terugbetalen, zal bij de begroting van de schade dan ook als onderdeel van de kostenpost hypotheekrente worden meegewogen.

verlies bij verkoop

2.29.

Vast staat dat [eiseres sub 1] ter financiering van de koop van het lidmaatschapsrecht een schuld is aangegaan bij Rabobank van € 131.500,00. Bij de verkoop van het pand heeft [eiseres sub 1] haar aandeel in de verkoopopbrengst daarvan ad € 50.400,00 ontvangen. Dit betekent dat [eiseres sub 1] een verlies heeft geleden van € 81.100,00. De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van [gedaagde sub 1] c.s. dat dit bij de verkoop van de studio door [eiseres sub 1] geleden verlies niet aan [gedaagde sub 1] kan worden toegerekend. Zoals in 2.11. eerder ten aanzien van [eiseres sub 2] is overwogen betekent het feit dat de studio is verkocht in een periode waarin de woningmarkt in een crisis verkeerde en dat de opbrengst daardoor lager is geweest dan deze zou zijn geweest als de markt weer zou zijn hersteld, in de gegeven omstandigheden niet dat [eiseres sub 1] niet tot verkoop had mogen overgaan. Daarbij weegt mee dat [eiseres sub 1] lid was van een woonvereniging en dat door die vereniging destijds het besluit is genomen om tot verkoop van het pand over te gaan en een einde te maken aan de bestaande juridische constructie. Gelet daarop kon van [eiseres sub 1] redelijkerwijs niet worden verwacht dat zij de studio nog langer zou aanhouden.

servicekosten

2.30.

De rechtbank heeft [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] verzocht aan te geven hoeveel [eiseres sub 1] aan servicekosten heeft voldaan. [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] stellen onder verwijzing naar productie 41 dat [eiseres sub 1] in totaal € 8.967,24 aan servicekosten betaald. Dit bedrag is niet betwist, zodat de rechtbank daarvan uitgaat.

2.31.

Tegenover deze kosten staan de volgende inkomsten aan de zijde van [eiseres sub 1] in de werkelijke situatie.

hypotheekrenteaftrek

2.32.

De rechtbank heeft [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] verzocht te specificeren vanaf welk moment [eiseres sub 1] eventuele hypotheekrenteaftrek heeft ontvangen en hoeveel. [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] stellen onder verwijzing naar productie 40 dat [eiseres sub 1] vanaf 17 maart 2014 hypotheekrenteaftrek heeft ontvangen en in totaal € 6.648,00 heeft ontvangen. [gedaagde sub 1] c.s. heeft dit onvoldoende betwist, zodat de rechtbank van dat bedrag uitgaat.

lastendempers

2.33.

[eiseres sub 1] heeft in totaal een bedrag van € 1.910,00 aan lastendempers ontvangen.

2.34.

[eiseres sub 1] heeft geen huurinkomsten gegenereerd, maar de studio vanaf 1 oktober 2008 tot aan de verkoop van het pand zelf bewoond. Aan het verweer van [gedaagde sub 1] c.s. dat [eiseres sub 2] haar studio (meer dan) kostendekkend had kunnen verhuren en zo de schade had kunnen beperken of voorkomen, gaat de rechtbank voorbij. Op dezelfde wijze als in 2.20. is overwogen, geldt ook voor [eiseres sub 1] dat zij de studio heeft gekocht met de bedoeling daar zelf gedurende haar studietijd te wonen. De enkele omstandigheid dat zij de studio ook ten minste kostendekkend had kunnen verhuren, maakt niet dat van haar verwacht mocht worden dat zij de studio zou gaan verhuren en zelf andere woonruimte zou betrekken. Overigens zijn aan dat laatste ook kosten verbonden.

2.35.

Dit alles leidt tot het volgende overzicht van werkelijke lasten en inkomsten van [eiseres sub 1].

Lasten:

  • -

    hypotheekrente € 36.639,07

  • -

    servicekosten € 8.967,24

  • -

    verlies bij verkoop studio € 81.100,00

Totaal € 126.706,31

Inkomsten:

  • -

    hypotheekrenteaftrek € 6.648,00

  • -

    lastendempers € 1.910,00

Totaal € 8.558,00

2.36.

In de hypothetische situatie zonder wanprestatie zou [eiseres sub 1] andere woonruimte hebben betrokken en dus andere woonlasten hebben gehad in de periode 1 oktober 2008 tot 4 januari 2017. Uit de door [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] overlegde rapporten (producties 51 en 52) en berekening (productie 53) en hun toelichting daarop volgt dat in het geval [eiseres sub 1] gedurende de 59 maanden dat zij studeerde een studentenkamer in [woonplaats] had gehuurd, de huurkosten, uitgaande van een gemiddelde huurprijs van onzelfstandige woonruimte van € 324,56 per maand, € 19.149,04 zouden hebben bedragen en gedurende de periode van 40 maanden na afloop van haar studie tot 4 januari 2017, uitgaande van een gemiddelde huurprijs van zelfstandige woonruimte van € 471,53 per maand, € 18.861,20. Dit is door [gedaagde sub 1] c.s. niet betwist, zodat de rechtbank uitgaat van een bedrag van in totaal € 38.010,24.

2.37.

Na vergelijking van de werkelijke situatie met de hypothetische situatie begroot de rechtbank de schade van [eiseres sub 1] op € 80.138,07 (€ 126.706,31 - € 8.558,00 - € 38.010,24).

vorderingen

2.38.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank [gedaagde sub 1] veroordelen tot betaling van € 114.477,38 aan [eiseres sub 2] en € 80.138,07 aan [eiseres sub 1] ter vergoeding van de schade die zij hebben geleden als gevolg van het tekortschieten van [gedaagde sub 1] in de nakoming van haar zorgplicht jegens hen.

2.39.

Nu de veroordeling tot betaling van schadevergoeding de door [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] gevorderde verklaring voor recht al impliceert, zal dit onderdeel van het gevorderde bij gebrek aan belang worden afgewezen.

2.40.

[gedaagde sub 1] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] worden begroot op:

- dagvaarding € 103,10 (inclusief verschotten en btw)

- griffierecht 1.545,00

- salaris advocaat 4.267,50 (2,5 punten × tarief € 1.707,00)

Totaal € 5.915,60

2.41.

[eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] worden in de procedure met [gedaagde sub 2] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten veroordeeld. [gedaagde sub 2] heeft dezelfde advocaat als [gedaagde sub 1] en gelet op het debat tussen partijen is niet aannemelijk dat [gedaagde sub 2] extra kosten heeft moeten maken voor haar verdediging. De rechtbank zal de proceskosten dus op nihil stellen.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

veroordeelt [gedaagde sub 1] Vermogensstragieën om aan [eiseres sub 2] te betalen een bedrag van € 114.477,38 (éénhonderdveertienduizend vierhonderdzevenenzeventig euro en achtendertig eurocent),

3.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] Vermogensstragieën om aan [eiseres sub 1] te betalen een bedrag van € 80.138,07 (tachtigduizend éénhonderdachtendertig euro en zeven eurocent),

3.3.

veroordeelt [gedaagde sub 1] in de proceskosten van [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] , aan de zijde van [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] tot op heden begroot op € 5.915,60,

3.4.

veroordeelt [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] in de proceskosten van [gedaagde sub 2] , aan de zijde van [gedaagde sub 2] tot op heden begroot op nihil,

3.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Brouwer en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2018.1

1 type: ID/4196 coll: HAB/4727